Hoofdstuk 1

Tessa van Anrooy keek naar de man op de bank die diep weggedoken onder de slaapzak met zijn rug naar haar toe lag. Ze keek op haar horloge. Hij had lang genoeg geslapen, vond ze. Ze boog zich voorover en schudde hem bij de schouder heen en weer. 'Wakker worden.' Toen liet ze hem los en liep naar de kleine, gedekte tafel, waar ze twee sneetjes brood in het broodrooster stopte.

Langzaam werd de man wakker. Even wist hij niet waar hij was: de gebloemde bekleding van de bank, het witte kussen dat licht naar lavendel rook en de doorgestikte, diepblauwe slaapzak kwamen hem onbekend voor. Ineens was hij klaarwakker en wist hij het weer... gisteravond... de gracht... de invallende ijzel. Tessa had hem wel een slaapplaats moeten aanbieden. De plotselinge ijsregen had de hele stad had veranderd in een spiegelgladde ijsbaan. Hij kon niet meer met de auto naar huis rijden. Geweldig. Langzaam kwam hij overeind, draaide zijn hoofd en keek naar het meisje dat aan de kleine, ronde tafel zat. Onbereikbare Tessa met haar stijlvolle voorkomen. Ze leek op Kristin Scott Thomas, de hoofdrolspeelster uitThe English Patiënt, net zo'n opmerkelijk gezicht met de fijne beenderstructuur, de iets te grote, gebogen, Romeinse neus, de grote, grijze ogen met wimpers die als waaiers eroverheen gleden, de mooi gevormde, kleine mond en het donkere haar dat sluik langs haar hoofd viel. Haar ouders woonden ergens achter Zutphen, Dalsum of zoiets, maar dat was dan ook alles wat hij over haar wist. Hij werd overvallen door een triomfantelijk gevoel: hij had het hem toch maar geflikt: slapen en ontbijten bij mysterieuze Tessa van Anrooy. Goed, ze hadden nog niet samen geslapen, maar dat kwam nog wel.

'Maak je even voort, want ik moet straks mijn trein halen,' onderbrak Tessa zijn gedachten. Een lichte ergernis klonk door in haar stem. Vervelend, uitgerekend Arend-Jan Kist. Ze had hem gisteravond laat toch moeilijk de straat op kunnen sturen. Tessa zuchtte. Nu liepen er zoveel meisjesstudenten rond in Utrecht, met inbegrip van haar vriendin Minoes, die een moord zouden doen voor een glimlach van deze gladde student met zijn chique auto, zijn goede afkomst en zijn geweldige vooruitzichten. Hij was slim en rook waar het geld zat, maar uitgerekend zij, die helemaal niet om deze zaken gaf, was verkozen tot zijn favoriet en hoe meer ze hem afweerde, hoe feller zijn pogingen werden om bevriend met haar te raken.

'Maar het is vast nog hartstikke glad, Tes. Een ongeluk zit in een klein hoekje,' stribbelde Arend-Jan tegen. 'Er is gestrooid,' zei Tessa koel.

'En ik dacht nog wel dat we de kerstdagen samen zouden doorbrengen,' probeerde hij nog eens. Tessa keek hem aan en trok haar fijne wenkbrauwen een fractie omhoog.

'Nou ja, niet bepaald een afspraak, maar ik dacht dat je het wel leuk vond,' legde hij snel uit. 'Ik mag toch wel iets terugdoen?'

'Terugdoen? Waarvoor?'

'Voor dit.' Met een wijde armzwaai omvatte hij de tafel en de bank.

Tessa haalde even haar schouders op en keek toen op haar horloge. 'Dat zou iedereen doen. Arend-Jan, ik ga straks naar huis, kerst vieren.'

'Dus je gaat echt niet mee?' onderbrak hij haar. 'Papa en mama pakken altijd groots uit met de kerst. Feestje, kerstontbijtje, diner dansant...'

'Nee,' zei ze kort, terwijl ze nauwelijks een huiver kon onderdrukken. Ze moest er toch niet aan denken... Dachten die lui zeker dat ze de nieuwe vriendin was van Arend-Jan. En dan een diner dansant... Wat vreselijk achterhaald! Was dat nog steeds gewoonte in dat soort kringen? In wat voor eeuw leefden die mensen dan? Achterhaald gedoe.

'Ik kan je ook wel naar huis brengen met de wagen,' gooide hij het over een andere boeg, terwijl hij opstond van de bank. 'Je woont toch achter Zutphen? Kleine moeite voor mij.'

'Dat hoeft echt niet,' weerde ze hem af. 'Ik ga met de trein en die gaat...' Tessa keek op haar horloge '... over drie kwartier. De natte handdoeken en het washandje kun je in de wasmand gooien die in de hoek van de badkamer staat.' Moet ik je er soms naartoe zwiepen, voegde ze er in gedachten aan toe. Nooit zou ze meer in deze val trappen, nam ze zich heilig voor. Al lag er sneeuw tot de vensterbank, zij zou Arend-Jan naar buiten duwen, eventueel met een pollepel. 'Graaf maar een gangetje naar huis. Doen de Eskimo's ook. Word je hard van.' Onwillekeurig schoot ze in de lach. 'Wat is er?' vroeg de man argwanend. 'Binnenpretje. Als je niet opschiet, is je koffie straks koud,' maande ze hem.

'Echt huiselijk,' vond Arend-Jan. Hij zat frisgewassen aan tafel en nam genietend een slok van zijn koffie. 'Ja, vast,' merkte Tessa op. 'Arend-Jan, dit alles komt me bijzonder slecht uit. Ik heb werkelijk haast. Ik moet naar huis, mijn grootmoeder is nogal ziek.'

'O, die smoes ken ik. Geloof me, Tesje, dat doen alle oude mensen om hun zin te krijgen: dreigen met ziekte of overlijden. Mijn grootpapa zei altijd: 'Jullie moeten allemaal komen, want ik heb het gevoel dat dit mijn laatste kerst wordt, kinderen.' En iedereen stonk er steeds weer in. Nu had grootpapa een grote erfenis te verdelen, dus niemand haalde het in zijn hoofd om weg te blijven. Als jouw grootmama hetzelfde uithaalt...'

'Dat doet ze niet, heeft ze nooit gedaan en mijn grootmoeder is niet rijk, dus...'

'Oké, ik maak voort. Nogmaals, ik breng je met alle liefde naar huis.'

Tessa antwoordde niet. Wat een enorm dik bord had deze man voor zijn hoofd, verwonderde ze zich.

Veel later dan ze had gehoopt, zat Tessa in de trein richting Zutphen. Voor deze keer had ze een kaartje eerste klas genomen. Ze had even geen zin gehad in een tweedeklascoupé vol mensen die zo nodig lange, vooral luidruchtige telefoongesprekken moesten voeren. Ze keek naar buiten. Af en toe scheen er een waterig zonnetje over het landschap. Je kon er niet warm van worden. Niet dat het zo koud was, want de temperatuur was alweer een paar graden boven nul gestegen. De winter had gisteravond alleen maar een plaagstootje uitgedeeld. Tessa kon zich niet meer een witte kerst heugen. Haar gedachten zwierven weg: hoe zou het met oma Beatrijs zijn? Het laatste nieuws was niet bepaald bemoedigend geweest. Waarschijnlijk zou dit haar laatste kerst worden. Vreemd idee dat iemand zomaar voor eeuwig uit je leven kon verdwijnen. Die verhalen over dierbare, overleden familieleden die je opwachtten aan de andere kant, vond ze flauwekul. Stel je voor dat je helemaal geen dierbare familieleden bezat... Dat kon toch, en wat dan? Nee, volgens haar ging je ziel naar God. Lekker veilig en verder geen gedoe. Dood... Toch wel een akelig vooruitzicht, vooral voor de achterblijvers. Tessa rilde. Ellendig. Ze moest er niet aan denken dat het gezellige huis in de tuin op korte termijn zou verdwijnen. Haar ouders, in het bijzonder haar moeder, wilden het huis ombouwen tot een manege voor pony's.

Nooit meer zou ze haar grootmoeder in de tuin zien, druk bezig met het opbinden en snoeien van takken en stengels, het oogsten van fruit en het plukken van bloemen. Oma, die zo trots was op haar plantenverzamelingen. Bijna elke vakantie hadden ze samen tochten in de natuur gemaakt op zoek naar bloemen, planten en bladeren die geschikt waren om te drogen. Door haar grootmoeder had ze de geheimen van het plantenrijk leren ontdekken, de plantenfamilies, de groeiwijzen, de verschillen tussen de eetbare en de giftige planten, bloemen en paddenstoelen. Haar grootmoeder had haar de liefde bijgebracht voor alles wat groeit en bloeit en haar de keuze doen maken voor de studie biologie. De tochten met haar grootmoeder zouden voorgoed tot het verleden behoren. Hoe vaak had Tessa niet samen met oma Beatrijs de bloemen en bladeren voorzichtig tussen filtreerpapier onder de bloemenpers gelegd en na het drogen - dat meestal niet langer dan een week mocht duren om de kleuren te behouden - op losse papierbladen geplakt met strookjes gegomd papier, familie bij familie. Als laatste schreef haar grootmoeder met een ouderwetse kroontjespen de datum, de naam en de familie waartoe de plant behoorde erbij, plus de vindplaats, soms vermeldde ze het ook als er die dag iets bijzonders was gebeurd. Maar niet alle bloemen en bladeren kregen een plaats in een herbarium. In gedachten zag Tessa haar grootmoeder de gedroogde bloemen en blaadjes soms wat bijknippen en schikken tot een kransje of boeketje op een stukje dun karton of stevig papier. Met eindeloos geduld werden de bloempjes en blaadjes op de ondergrond geplakt en voorzien van een wens of een bemoedigend woord. Zelf vond Tessa dat gepriegel, zoals ze het noemde, totaal niets, maar ze kon uren kijken naar de slanke, fijne handen van grootmoeder Beatrijs waaraan altijd haar lievelingsring met de rozenkwartssteen en de rand van gruispareltjes prijkte; handen die beeldschone composities maakten van de droogbloemen. Het leukst waren de besneeuwde bloementaarten voor speciale gelegenheden. Tessa mocht dan helpen. Met een penseel werden blaadjes van rozen, viooltjes en andere tuinbloemen bestreken met eiwit en daarna bestoven met poedersuiker. De sprookjesachtige bloemen werden als garnering gebruikt voor de zelfgebakken slagroomtaarten. Voorgoed voorbij. Tessa glimlachte weemoedig, maar ze realiseerde zich tegelijkertijd dat ze zeer bevoorrecht was geweest met deze grootmoeder die altijd naar haar had willen luisteren en bij wie ze altijd terechtkon met haar problemen.

Ze werd opgehaald van het station door Ben, haar jongste broer, die net zijn rijbewijs had gehaald. Met een glunderend gezicht stond hij op het perron. 'Laat papa jou zomaar in zijn auto?' vroeg Tessa nadat ze hem had begroet en ze samen naar de uitgang liepen. 'Ja. Gistermiddag reed ik samen met hem naar huis. Ik mocht rijden. We waren bijna thuis, toen het hartstikke glad werd. Plotseling kwamen we in een slip terecht, maar mooi dat ik de auto eruit kreeg. Pap vond me prima rijden. Daarom mocht ik jou ook alleen ophalen. Maar wat ben je laat? Trein gemist?'

'Gisteravond kreeg ik iemand op bezoek. Helaas begon het al vroeg te ijzelen en moest ik hem wel een slaapplaats aanbieden. Op de bank,' voegde ze er haastig aan toe toen ze de blikken van haar broer zag. 'Vanmorgen wilde hij maar niet weggaan. Ik wist niet dat mannen zo konden zeuren. Echt, Ben, ik stond op het punt om hem met een bezem de deur uit te vegen. Toen hij eindelijk zijn biezen had gepakt, was ik te laat voor de trein,' legde Tessa uit. 'Hoe is het met oma?' vroeg ze toen haastig. 'Niet best, Tes. Nou ja, ze is per slot van rekening ook al behoorlijk oud. Drieëntachtig is niet niks.' Er klonk een zekere onverschilligheid door in Bens stem. 'Tegenwoordig is drieëntachtig helemaal niet zo superoud,' merkte Tessa koeltjes op.

'Oké, jij je zin,' gaf Ben onmiddellijk toe. Hij had geen zin in ruzie. 'Oma ligt in een van de logeerkamers,' ging hij verder. 'Pap vond het niet verantwoord om haar alleen in haar huis te laten. Oma is onrustig en af en toe vreselijk in de war. Dan noemt ze namen van mensen die wij helemaal niet kennen. Heb jij ooit gehoord van Annabel? Ook heeft ze het vaak over ene Leo of Léon en kijkt ze ons heel afwachtend aan. Het lijkt wel of ze iets zoekt. Het rare is dat oma, als ze weer bij bewustzijn is en pap of mam vraagt wie ze nu eigenlijk bedoelde, -alleen maar haar schouders ophaalt. 'Niemand,' zegt ze dan en meer krijgen ze er niet uit. Misschien vertelt ze jou wel meer.'

'Ja, vast.'

'Nee, echt, jij was altijd haar lievelingetje. Jou heeft ze altijd vertrouwd, Tes. Als ze nou doodgaat, waar moet ze dan naartoe?'

'Wat bedoel je?' Tessa keek haar broer verbaasd aan. 'Nou, oma wilde gewoon thuis in de hal opgebaard worden.'

'O, dat. Jij springt wel heel erg makkelijk over op een ander onderwerp. Ik zat met mijn gedachten nog bij de namen van de mensen die oma noemde. Wat is er eigenlijk mis met de hal?'

'Daar staat toch de kerstboom?!'

'Dan zetten we oma toch gewoon ernaast?'

'Dat kan toch niet?'

'Waarom niet?'

De jongen haalde zijn schouders op en grinnikte. Zijn zuster stond ook voor niets. Zo'n koele tante af en toe. 'Daar staat de auto.' Ben wees naar de parkeerplaats aan de overkant van het stationsplein.

Ze reden door het wijde land dat nu grijs en nevelig lag onder een zwaarbewolkte hemel. Tessa rilde.

'Zal ik de verwarming hoger zetten?' bood haar broer aan.

Ze schudde haar hoofd. 'Ik heb zo'n hekel aan dit weer. Het ziet er zo uitzichtloos uit.'

'Ach, dat komt alleen maar door oma. Je vindt het gewoon vreselijk dat ze doodgaat en nu zie je alles door een zwart brilletje.'

'Sinds wanneer studeer jij psychologie?'

'Daarvoor hoeft een mens toch geen psychologie te studeren?'

Ze reden over de provinciale weg en lieten Zutphen achter zich. Bij een splitsing voorbij een benzinestation sloegen ze af en volgden een kronkelige klinkerweg. De route voerde door een bosrijke omgeving die hier en daar afgewisseld werd door kleine stukken weiland waar 's zomers roodbont vee graasde. Na een kwartier kwamen ze bij de oprijlaan naar het huis. De ingang werd geflankeerd door twee grijsstenen leeuwen. Aan het eind van de oprijlaan lag 'Het huis met de vijf pilaren'. Het was een vreemd, hoog bouwsel van drie verdiepingen, opgetrokken uit bruine stenen en met een zadeldak waarop donkergrijze leien in diagonale rijen waren gelegd. Voor de ingang met de dubbele eikenhouten deuren lag een dwarse zuilengang van vijf pilaren die bekroond werd door een smal leien afdak. Een donker net van kale wingerdstengels overwoekerde de muren en gaf het huis een somber aanzien, alsof er een brand had gewoed waarvan de sporen nog niet waren uitgewist. Hoe donker de aanblik van het huis ook was, Tessa hield ervan. Dit was haar thuis. Trouwens, als de zomer of de herfst aanbrak, was alle somberheid verdwenen. Dan werd het huis overdekt met kleurige wingerd en zag het eruit als een huis dat voor een sprookjesfilm kon worden gebruikt: geheimzinnig en spannend. Met een draai hield de auto stil voor het huis en daarna stapte Tessa uit.

'Ik neem straks je tas wel mee,' zei Ben. 'Ga alvast maar.' Tessa liep langs de zuilen naar de ingang en opende een van de brede deuren die versierd was met een grote adventsguirlande. Takken van zilverspar en cipres waren samen met dennen- en sparrengroen in elkaar gedraaid tot een grote slinger. Dennenappels, gedroogde paddenstoelen, geprepareerde beukenbladeren en bloeiende klimop vormden de versiering van de slinger. Tessa's moeder gebruikte alleen maar producten uit de natuur. In de ronde hal stond een enorme kerstboom, stijlvol versierd met matzilveren en blauwe decoraties. Een waas van engelenhaar deed de lichtjes sprankelen. De grote open haard brandde. Vlammen likten aan de grote houtblokken en de dennenappels die regelmatig op het vuur werden geworpen.

'Heerlijk,' fluisterde Tessa. Ze ademde diep de vertrouwde geur in.

'Hoi Tes,' zei een stem achter haar. Tessa draaide zich om. Het was Karijn, haar jongere zusje. 'Hoe is het met oma?' vroeg Tessa. Ze sloeg haar armen om haar zusje heen.

'Niet best. Volgens de dokter haalt ze de avond niet.'

'Is het zo erg? Waarom hebben jullie me dan niet eerder gewaarschuwd? Had een sms'je gestuurd.'

'Gistermiddag verslechterde opeens de toestand van oma. Het verkeer lag hier al uren stil vanwege de ijzel. Het had geen zin om jou op de hoogte te brengen'

Tessa knikte. Karijn had gelijk. Al hadden ze haar een sms'je gestuurd, ze had toch niet kunnen komen.

'Mam zit met haar handen in het haar.'

'Hoezo?'

'Zij wil niet dat oma in de hal wordt opgebaard en papa wel.'

'Daar gaan ze nu toch geen ruzie over maken?'

'Mam wel, maar oma is dan ook niet haar moeder.' Tessa haalde haar schouders op. Waar maakte haar moeder een probleem van? Langzaam trok ze haar jas aan en liep naar de grote kapstok die in een hoek naast de voordeur hing. 'Van wie zijn al die jassen?' vroeg ze verbaasd. 'De hele familie is gekomen: oom Herman en tante Lida, oom Freek en die vreselijke tante Hillie met haar dochter Sieni...'

'Sieni? Wat doet die erbij? Ze kwam nooit bij oma,' onderbrak Tessa haar.

'Dat mispunt ruikt natuurlijk geld, precies haar moeder. Het zijn net gieren, wachten tot iemand sterft en dan toeslaan.'

'Maar oma is helemaal niet rijk!' riep Tessa uit. 'Nou, dat moet je niet zeggen. Wat dacht je van haar juwelen? Opa heeft oma enorm verwend. Hij aanbad haar bijna. Niets was goed genoeg voor haar.'

'Maar daarom heeft oma Beatrijs toch een testament gemaakt?'

Karijn knikte en haalde haar schouders op. 'In oma's huis staan nog wel meer waardevolle dingen. We moeten ze goed in de gaten houden, Tes, want Hil en haar dochter zijn in staat kostbare dingetjes achterover te drukken.'

'Hillie wel, maar Sieni toch niet?'

'Wedden?'

'En waar is iedereen nu?'

'Bij oma.'

'Maar dat kan toch niet, al die mensen om haar bed?'

'En de dokter is er ook nog bij.'

'Vreselijk,' zei Tessa. Zo kon iemand toch niet rustig sterven, tenminste, als die dokter werkelijk gelijk had. Boven ging een deur open. Voetstappen klonken op de grote overloop. Mensen verhieven verontwaardigd hun stem.

Karijn, Tessa en Ben keken nieuwsgierig omhoog. Een groepje mensen daalde de trap af. Voorop liep een magere vrouw met een scherp gezicht waarvan de huid door de zon en zonnebank veranderd was in een oranjebruin craquelé landschap. De felle, donkerbruine ogen misten niets. 'Wie denkt die man wel wie hij is? Hij mag dan dokter zijn, hij hoeft zich helemaal niets te verbeelden,' bitste ze. 'O, ben jij er ook eindelijk?' ging ze verder toen ze Tessa in het oog kreeg. 'Je arme grootmoeder vraagt al uren naar je.'

Tessa trok alleen maar haar wenkbrauwen omhoog en keek haar tante onbewogen aan. Akelige snibbekont, dacht ze. Toen liep ze de trap op.

Hoog opgericht, gesteund door kussens, lag Beatrijs van Anrooy in bed. Haar adem kwam traag en onregelmatig. Het was bijna zover, dan moest ze afscheid nemen van al die mensen die haar zo dierbaar waren. Maar nu nog niet. 'Mevrouw Van Anrooy, hoort u mij?' vroeg de stem van de aardige dokter. 'Straks na de bezoekronde kom ik weer even bij u langs om te kijken hoe het met u gaat. Niet opwinden, hoor.' Hij boog zich voorover en legde even zijn koele hand op haar voorhoofd. Aardige man, dacht de oude mevrouw Van Anrooy. Hij had tenminste dat stel weggestuurd, die snibbige, inhalige Hillie en haar dochter Sieni. Beatrijs had haar schoondochter met haar bitse opmerkingen en haar grenzeloze geroddel nooit gemogen. Hoe Freek toch met haar had kunnen trouwen. Niet meer aan denken. Geen tijd meer. Ze moest nu eerlijk zijn en proberen goed te maken wat eigenlijk niet goed te maken was. Tessa... Waar bleef ze nu toch? Haar ogen dwaalden onrustig de kamer rond, zagen haar oudste zoon en zijn vrouw. Mathijs, haar lievelingskind. Ze voelde deernis met hem. Mathijs zou haar het meest missen. Gelukkig dat José een verstandige vrouw was. Die zou hem wel door de komende tijd heen helpen. Beatrijs haalde moeilijk adem. Sterven was moeilijk, vond ze. Waar bleef Tessa? Tessa moest haar helpen en vertellen dat ze altijd aan hen gedacht had; hen nooit had vergeten en altijd 's avonds voor hen had gebeden. Tessa kon ze vertrouwen.

'Wat is er, mam? Vertel het maar.' Mathijs boog zich voorover.

'Tessa,' fluisterde Beatrijs nauwelijks hoorbaar. Het praten deed haar pijn. De onderkant van haar gezicht voelde zwaar aan, alsof er een gewicht aan haar kin hing. 'Tessa komt eraan.'

Beatrijs van Anrooy voelde hoe de slaap weer bezit van haar probeerde te nemen. Niet nu, ze moest wakker blijven. Straks... Ze merkte dat haar oogleden zwaar werden. Niet wegzinken, nog niet. Ik moet nog zoveel dingen vertellen en uitleggen. Langzaam verdween het licht en golfde de duisternis op haar aan.

'Hoi oma, hier ben ik,' klonk opeens de stem waarop ze zo lang had gewacht. Nieuwe kracht stroomde door haar heen. 'Tessa?'

'Ja oma.' Een hand greep haar handen. Geschrokken keek Tessa naar haar grootmoeder. Wat was ze in die korte tijd verschrikkelijk veranderd. Haar meestal rozige gezicht had alle kleur verloren. De diepliggende ogen stonden mat en glansloos en de geprononceerde neus stak nu wel heel erg uit. Zo zou zij er ook uitzien als ze zo oud werd, wist ze zeker. Tessa was het sprekend evenbeeld van Beatrijs van Anrooy.

'Tessa,' fluisterde Beatrijs opgelucht. Ze knikte zacht met haar hoofd en beduidde haar kleindochter dat ze dichterbij moest komen.

'Zeg het maar, oma.' Tessa hield haar hoofd dicht bij het gezicht van haar grootmoeder. 'Je moet... ze zoeken.'

'Wie moet ik zoeken?' Omdat haar grootmoeder haar bijna radeloos aankeek, vroeg ze opnieuw dringend: 'Wie moet ik zoeken, oma, zeg het maar.'

'Zeg hun... dat ik... fout... ben geweest... egoïstisch. Heb ze... in de... steek... gelaten, maar het was oorlog. Ik kon niet anders. De anderen... wilden het zo... Ik... had... niets... te kiezen. Had... die stomme... mensen... moeten laten... praten. Maar... ik houd... van hen... nog steeds. Zul je... dat zeggen?' Met al haar kracht greep Beatrijs van Anrooy de hand van haar kleindochter, die op haar hoofd lag. 'Jij... durft... tenminste. Ik was... laf... vreselijk... Iris, vraag het... aan Iris. Heeft me geholpen.'

'Wie is Iris?' vroeg Tessa. Vertwijfeld keek ze haar vader aan, die in onbegrip zijn schouders ophaalde. 'Wat... moet ik... hierna... straks... zeggen... tegen...?' kwam de stem van Beatrijs van Anrooy raspend. Een bange trek verscheen op haar gezicht. Onmiddellijk begreep Tessa wat haar grootmoeder bedoelde: ze was bang voor God. 'Oma, dat hoeft niet. Hij begrijpt het, hoor. Hij weet dat je ze liefhad.' Maar wie had ze zo liefgehad, flitste het door haar heen, en naar wie moest Tessa op zoek gaan? Ze moest toch namen en adressen weten?

'Je moet... ze... het... vertellen. Die... vreselijke... oorlog... Ga... ze... zoeken. Beloof het.'

'Ik beloof het, oma, maar wie moet ik zoeken en hoe heten ze? Ik kan ze toch niet zoeken als ik niet weet...'

'Het herbarium... Léon...' Het waren de laatste woorden van Beatrijs van Anrooy. Haar ogen waren gericht op een punt in de kamer. Een intens verbaasde trek verscheen op haar gezicht. Even zuchtte ze nog moeilijk. Toen sloot ze haar ogen. Het werd doodstil in de kamer. De benauwde ademhaling was gestopt. Tessa boog zich voorover. 'Oma?' zei ze. 'Ze is er niet meer, lieverd.' Mathijs legde zijn handen op haar schouders en trok haar voorzichtig omhoog. Tessa schudde in ongeloof haar hoofd. Ze voelde hoe tranen in haar ogen kwamen. Nog steeds keek ze naar de onbeweeglijke figuur op het bed. Waar was haar grootmoeder nu, vroeg ze zich af. De bange trek op het gezicht was verdwenen. Een diepe rust ging uit van Beatrijs van Anrooy. Vreemd, Tessa had altijd geweten dat oma Beatrijs een geheim met zich mee droeg, maar wat dat geheim was? Wat was er gebeurd in de oorlog? Oma had toch zeker niemand... verraden? Nee, misschien was haar grootmoeder bang en laf geweest, maar ze was zeker geen verraadster. Daar durfde Tessa een eed op te doen. Van wie was de naam die ze als laatste woord had uitgesproken en wat was er met dat herbarium aan de hand? De boekenkast in oma's kamer stond vol met herbaria. Morgen moest Tessa maar eens op zoek gaan. Het bleef een paar minuten stil.

'Wat bedoelde je grootmoeder met dat herbarium?' verbrak José de stilte en ze keek haar dochter vragend aan. Tessa haalde alleen maar haar schouders op. 'We moeten de begrafenisondernemer bellen.' José van Anrooy was een praktische vrouw. Ze hield van handelend optreden.

Een beetje geschokt keek Tessa op. Kon mams nu niet eens even rustig bij haar pas overleden schoonmoeder zitten?

'Ja, iemand moet iets doen,' zei José verdedigend. 'En we moeten ook een plek verzinnen waar de kist kan staan.'

'Beneden in de hal, zoals afgesproken,' merkte Mathijs van Anrooy vlug op. José wilde tegen hem in gaan, maar één blik op het aangedane gezicht van haar man bracht haar dadelijk op andere gedachten. Ze kon nu maar beter zwijgen.

Voorzichtig trok Mathijs de dekens en het laken op het bed recht, legde de handen van zijn moeder over elkaar op de omgeslagen rand van het laken en drukte een kus op het voorhoofd van zijn moeder. 'Zegen ons Algoede, neem ons in Uw hoede en verhef Uw aangezicht over ons en geef ons licht. Tot ziens, mam,' zei hij toen zacht. Vreselijk, dacht Tessa, die er niet tegen kon als haar vader zo sprak. Tranen stroomden opeens over haar gezicht. Ongeduldig veegde ze ze weg.

Haar vader keek op. 'Je hoeft je echt niet flink te houden, Tes,' merkte Mathijs van Anrooy op met een milde glimlach. 'Laten nu de anderen maar komen om afscheid van haar te nemen,' vervolgde hij toen.

Het werd een drukke avond. De dokter en de dominee waren als eersten langsgekomen; de dokter om de overlijdensakte te tekenen en de dominee om de begrafenisdienst te bespreken. Daarna volgde de begrafenisondernemer, een man die beslist zijn uiterlijk mee had voor het beroep dat hij uitoefende: een lang, bleek, melancholiek gezicht met neergaande ogen, een lange, dunne neus en een huilmond.

'Net de dood van Pierlala,' had tante Hil snibbig opgemerkt toen de man met een droefgeestig gezicht de kamer binnenkwam en iedereen met diepmeelevende stem condoleerde. Soms kon tante best grappig zijn, vond Tessa. Het werd toch nog een punt van discussie waar oma Van Anrooy moest worden opgebaard.

'De kist komt in de hal te staan,' zei de vader van Tessa. 'Naast de kerstboom?' riep tante Hil uit. 'Belachelijk. We vieren toch de geboorte van het Christuskind? Daar hoort toch geen doodskist bij? En die open haard moet ook uit, want...'

'Ja, dat weten we wel, Hil,' onderbrak Tessa's moeder het relaas van haar schoonzuster. Zeker nu wilde ze geen ruzie en haar man was al zo geagiteerd.

'Waarom zetten jullie die kist niet in haar eigen huis?' wilde Hillie weten.

'Omdat moeder dat niet wilde en wij haar laatste wens wilden respecteren. Trouwens, ik vind het een heel mooie gedachte: geboorte en dood die naast elkaar staan.' José maakte kordaat een eind aan de discussie. Ze keek haar schoonzuster aan met een gezicht dat geen tegenwerpingen duldde.

Kijk, dat was nu mam, dacht Tessa, volledig loyaal aan papa, terwijl ze het er zelf eigenlijk niet mee eens was. Zo kwam de kist van Beatrijs van Anrooy in de hal naast de kerstboom te staan. Het was even wennen.

Vanwege de dikke mist kon de familie niet huiswaarts rijden.

'Dat is vragen om moeilijkheden, een ongeluk zit in een klein hoekje en we willen toch niet meer doden in de familie,' had tante Hil beslist gezegd, waarbij ze naar Tessa's moeder had gekeken met een blik van: heb het hart eens om ons naar huis te sturen. Knarsetandend ging José van Anrooy naar boven om de slaapkamers in orde te maken. Ze hield er niet van om in de tang te worden genomen, vooral niet door haar schoonzuster. 'We helpen je wel, mam,' zei Tessa. Samen met Karijn liepen ze achter hun moeder aan.

Na de enerverende avond lag Tessa in bed. Van slapen kwam niets. Haar gedachten bleven steken bij haar grootmoeder. Wie waren Léon en Iris? Hoorden ze bij elkaar? Welk geheim had oma bij haar dood met zich mee genomen?

Ze stond op het punt om weg te doezelen, toen ze opgeschrikt werd door een gedempt geluid alsof ergens in de verte een deur dichtging. Even bleef Tessa roerloos liggen. Was er iemand buiten en zo ja, waarom? Ze liet zich uit het bed glijden en liep naar het raam dat uitkeek op de tuin. Zonder geluid te maken schoof ze het gordijn weg. Ze keek in een ondoordringbare, bijna beangstigende muur van mist. Alleen de vage omtrekken van de bomen die dicht bij het huis stonden, waren zichtbaar. Opeens verscheen er een wazige, zachtgele plek in de donkere achtergrond van de tuin. Er was iemand in het huis van haar grootmoeder, die het licht had aangedaan, schrok Tessa. De gedachten vlinderden door haar hoofd. Inbrekers? Die zouden onhoorbaar het huis binnen zijn gegaan en het dievengilde zou zeker geen licht hebben aangedaan. Maar wie was daar dan wel? Ze moest ernaartoe. Op de tast zocht ze haar kleren en trok die aan. Toen verliet ze haar kamer en ging naar beneden. De lichtjes in de kerstboom brandden, maar de open haard was uit. Dat had Mathijs van Anrooy zo beslist. Voorzichtig liep Tessa de trap af. Het was kil in de hal.

'Waar ga jij naartoe?' klonk opeens de fluisterstem van haar vader.

Tessa greep van schrik naar haar keel. 'Getsie, pap, wat laat je me schrikken,' zei ze zacht.

Mathijs van Anrooy was opgestaan van zijn stoel die tussen de kist en de kerstboom stond. 'Dat was niet mijn bedoeling.'

'Zit je hier al lang?'

'Nee, net een paar minuten. Ik moest alleen met haar zijn, gewoon even met haar praten en vertellen dat ik haar zo zal missen. En ik vond haar hier zo eenzaam liggen. Ik weet wel dat mama er zelf niets van merkt, maar toch... Het is een gevoel.'

Tessa liep naar de kist en keek naar haar grootmoeder. Op een onnaspeurlijke manier was Beatrijs van Anrooy veranderd, een beetje een vreemde geworden. Het was haar grootmoeder en ook weer niet. Tessa keek haar vader aan. 'Het lijkt wel of oma is veranderd,' fluisterde ze. 'Dat klopt,' zei Mathijs zacht. 'Haar persoonlijkheid, haar ziel is verdwenen.'

Even viel er een stilte. Toen vroeg Mathijs: 'Maar wat was jij van plan? Wilde je ook even naast oma zitten om afscheid te nemen en met haar te praten, of had je andere plannen?' Hij keek naar de kleren van zijn dochter. 'Er is iemand in oma's huis.'

'Nu?'

'Ja. Ik hoorde het dichtslaan van een deur en daarna zag ik licht branden. Het kunnen geen inbrekers zijn, want die hoor je niet als ze aan het werk gaan, maar als het iemand van hier is, moet jij hem of haar hebben gezien.'

'Zoals ik al zei: ik zit hier pas een paar minuten.' Er viel een korte stilte. Toen liep Mathijs naar de kapstok. 'Ga mee, Tes,' fluisterde hij. 'Es kijken wie er in het huis van mijn moeder rondspookt.'

Ook Tessa trok haar jack aan. Ze sloeg een sjaal om haar hals. Toen verlieten ze het huis. De klamme, koude mist die vastvroor aan de bomen en een laag rijp op de takken naliet, viel op hen en deed Tessa rillen. Wat een geluk dat haar vader naast haar liep. De tuin deed spookachtig aan. Ze liepen het tuinpad af naar het huis van Beatrijs van Anrooy. Het was verder volkomen donker. 'Lieverd, ik zie geen licht branden,' mompelde Tessa's vader. 'Heb je het je niet verbeeld?'

'Absoluut niet, pap. Misschien heeft iemand de gordijnen dichtgetrokken zodat hij ongestoord zijn gang kon gaan,' suggereerde Tessa.

Toen ze dicht bij het huis kwamen, zagen ze een kier van licht tussen de gordijnen. 'Zie je wel,' fluisterde Tessa.

Voorzichtig opende Mathijs de deur en liepen ze achter elkaar naar binnen. Ze hoorden zacht gestommel in de woonkamer. Mathijs drukte de klink van de kamerdeur naar beneden en deed de deur open. Hillie van Anrooy keek verschrikt op. Ze verschoot van kleur, maar herstelde zich al heel snel. 'Wat doen jullie hier?' vroeg ze vinnig. 'Dat kan ik beter aan jou vragen,' antwoordde haar zwager.

'Ik zocht wat dingetjes uit, want ik weet precies hoe het gaat bij de verdeling van moeders erfenis: eerst mogen jullie van alles uitkiezen en daarna komen wij aan de beurt. Freek en ik kunnen dan natuurlijk fluiten naar de waardevolle zaken, want die zijn allang ingepikt,' antwoordde ze op aanvallende toon. 'En ik helemaal, want ik ben toch maar van de koude kant. Nou, ik heb evenveel rechten als wie dan ook.'

Met afkeer keek Tessa naar haar tante, die een houten beeldje in haar handen hield. Hoe haalde het mens het in haar hoofd om zo brutaal te graaien in de bezittingen van haar schoonmoeder, die ze nota bene niet eens mocht. Tante Hillie had oma Beatrijs maar een stille muis gevonden en uitgerekend zij wilde er met het lievelingsbezit van Tessa's grootmoeder vandoor gaan: het ebbenhouten beeldje van een vrouwenfiguur, dat afkomstig was uit de Jugendstilperiode van de vorige eeuw. 'Wist je dat mijn moeder een testament heeft laten maken waarin alles beschreven staat?' vroeg Mathijs. Een trek van verbazing verscheen op het bruine, pinnige gezicht. 'Een testament?' herhaalde Hillie ongelovig. 'En dat jij dus in overtreding bent door zaken uit de erfenis te halen?' Mathijs keek zijn schoonzuster boos aan. 'Dit noemen ze bij de politie diefstal.' Haastig zette Hillie het beeldje op zijn plaats. 'Gunst, wat een lawaai om een onnozel beeldje.'

'Mens, dat is duizenden euro's waard,' wilde Tessa uitroepen, maar de veelbetekenende blik van haar vader hield haar tegen.

'Nou, dan ga ik maar weer eens mijn bed opzoeken,' kondigde de vrouw aan.

'Wil je eerst even je zakken legen?' vroeg haar zwager. 'Ik...' Hillie zuchtte en stak haar handen in haar jaszakken. Gehoorzaam legde ze alles neer op de tafel. 'Heb je nu je zin?' zei ze toen vinnig.

'De theelepeltjes,' commandeerde Mathijs.

Hoe wist haar vader dat, verbaasde Tessa zich. Ze keek naar het theeblad dat op het ouderwetse theekastje met de facetgeslepen glazen deurtjes stond. Inderdaad, het tinnen vaasje met de zilveren theelepeltjes was verdwenen.

Er verscheen nu toch wel een trek van gêne op het gezicht van Hillie van Anrooy. Ze tastte nog een keer diep in een jaszak en zette het vaasje met de lepeltjes naast de andere spullen.

'Dit was het werkelijk. Je mag mijn zakken nakijken,' mompelde ze toen.

'Hoeft niet. Ik geloof je wel.'

'Wat ga je doen? Me aangeven bij de politie?' De vraag werd op brutale toon gesteld, maar toen Mathijs in de ogen van zijn schoonzuster keek, zag hij haar bangheid. Langzaam schudde hij zijn hoofd. 'Je bent familie, Hillie. Familie geef je niet aan, tenzij er een moord of iets dergelijks is gepleegd. Ga nu maar en laat dit huis voorlopig maar met rust. Welterusten.'

Een beetje schichtig liep Hillie langs hen heen en verliet het huis van haar schoonmoeder.

'Heb je het ooit zo zout gegeten,' zei Mathijs. Hij schudde zijn hoofd. 'Kom, het is hier om te vriezen.' Toen ze buiten stonden, sloot Mathijs zorgvuldig de deur af.

'Ik heb het idee dat ik nooit meer warm word,' zei Tessa rillend toen ze weer thuis waren.

'Ga mee, dan maak ik voor jou een kop hete chocolademelk met een scheut likeur erdoorheen. Word je vanzelf weer warm en je slaapt er heerlijk op,' stelde haar vader voor.

In de keuken hing nog wat warmte van het grote houtfornuis. Tessa's vader liep naar een kast, pakte een pakje cacaopoeder en ging aan het werk. Toen de chocolademelk klaar was, goot hij een flinke scheut crème de cacao bij het hete mengsel en schonk de chocolademelk in een flinke beker.

'Brand je niet, want het spul is heet,' zei Mathijs terwijl hij de beker voor zijn dochter neerzette op de tafel. Tessa kwam een beetje bij. Het rillen stopte. 'Pap,' vroeg ze toen aarzelend. 'Dat huwelijk van oma en opa... was dat wel goed? Ik dacht altijd van wel.'

'Opa en oma waren gelukkig getrouwd, Tes. Mijn vader adoreerde mijn moeder. En mams hield ook van mijn vader. Ze kon het alleen niet zo duidelijk laten merken.' Er lag een verdedigende klank in de stem van Mathijs, alsof hij het voor zijn moeder wilde opnemen. 'Dat ging tegen haar karakter in. Maar wij konden dat aan alle dingen merken.'

'Maar wie was dan Léon? Het leek wel of oma heel veel van hem gehouden had.'

'Dat geloof ik niet. Ze noemde toch ook die Iris? Misschien zijn die Léon en Iris wel met elkaar getrouwd. Al met al sta ik werkelijk voor een raadsel.'

'Gek, pap, ik heb altijd geweten dat oma een geheim had, iets wat ze ons niet wilde vertellen. Ze kon soms zo afwezig zijn en in de verte staren. Dan kreeg haar gezicht een heel melancholieke trek. En ze werd helemaal treurig als ze naar bepaalde muziek van Tsjaikovski luisterde, u weet wel, Chanson Triste.'

'Als ik naar die muziek luister, word ik ook treurig, hoor, liefje. Maar je hebt gelijk, mijn moeder kon soms erg weemoedig zijn en de reden daarvan...' Mathijs maakte de zin niet af en haalde in onbegrip zijn schouders op. 'Waarschijnlijk komen we dat nooit aan de weet en moeten we ons daar maar bij neerleggen.'

'Dat denk ik niet. Ik heb oma beloofd dat ik die mensen zal opzoeken, maar ik weet absoluut niet waar en hoe. Ik ken niet eens hun namen.'

'Geloof me, Tes, oma laat je echt niet ronddwalen in het duister. Ze mocht de laatste tijd dan wat verward zijn, ze zal heus haar voorzorgen genomen hebben. Ik ken mijn moeder. Ze zal wel iets hebben nagelaten waardoor deze zaak duidelijk wordt.'

Tessa zette haar lege beker op het aanrecht. 'Dan ga ik nu maar naar bed. Ik val bijna om van de slaap,' zei ze gapend. Toen ze eenmaal in bed lag, viel ze als een blok in slaap.

Het nieuws dat de oude mevrouw Van Anrooy van het Huis was overleden, had zich heel snel verspreid in de omgeving. Beatrijs van Anrooy was een vertrouwde verschijning geweest in het kleine dorp Dalsum. De volgende morgen verschenen al vroeg de eerste mensen met bloemen. Met plechtige gezichten stonden ze voor de deur, maar de plechtstatigheid maakte plaats voor enige bevreemding toen ze de kist naast de versierde kerstboom zagen staan. De jonge mevrouw Van Anrooy legde iedereen haastig uit dat de oude mevrouw het zo had gewild en zeg nou zelf, de laatste wens van de overledene moest wel gerespecteerd worden.

'Het leek wel kermis, mens,' zei een van de bezoeksters later tegen een vriendin die ook niet vies van een praatje was. Weldra ging het als een lopend vuurtje rond dat er op het laatst van haar leven beslist een draadje los had gezeten in het hoofd van de oude mevrouw, anders had je je achtergebleven familie niet opgezadeld met zo'n gekke wens. Gek, dat hadden ze nou helemaal niet van haar verwacht. Mevrouw leek altijd zo'n rustige en bescheiden dame, want een dame was ze wel. Zo zag je maar dat een uiterlijk wel heel bedrieglijk kon zijn. Maar vooruit, van de doden niets dan goeds.

's Middags sloop Tessa weg uit het huis. Ze had meer dan genoeg van de drukte die er heerste en de woorden die ze had moeten aanhoren. Als eerst maar die vervelende Hillie en haar dochter waren verdwenen, dan kwam ze wel weer terug. Ze verbaasde ze er altijd weer over dat Sieni een nichtje van haar was: Sieni met haar wantrouwige pruilgezicht, haar venijnige opmerkingen en haar onuitstaanbare, verwende gedrag. 'Is Sieni soms een ondergeschoven kindje, oma?' had ze vroeger eens argeloos aan haar grootmoeder gevraagd, die onmiddellijk in lachen was uitgebarsten. Een van de weinige keren dat Tessa grootmoeder Beatrijs werkelijk vrolijk had zien lachen. 'Wat ben je toch een kleine, lieve snoes,' had oma geantwoord terwijl ze haar had geknuffeld.

Tessa liep over het bevroren tuinpad naar het huis van haar grootmoeder. Joost, de golden retriever, schommelde achter haar aan. Toen ze bij de buitendeur kwam, draaide ze zich om naar de hond: 'Je mag mee naar binnen, maar alleen als je heel stil bent.' De hond keek haar vriendelijk en trouwhartig aan. 'Wat ben je toch een gezellige doezel. Kom maar mee.' Tessa opende de deur en liep naar binnen. Het eerste wat ze deed was de kleine gashaard aansteken. Oma had geen centrale verwarming gewild. Ze vond de warmte klef en ongezond. Tessa hield haar jas aan tot er een aanvaardbare temperatuur in de woonkamer heerste. De hond had al een plek gevonden dicht bij de kachel. Tessa stond voor de boekenkastenwand die voornamelijk gevuld was met flora's, boeken over planten, bomen, bloemen en paddenstoelen, over alles wat groeit en bloeit. In een van de kasten stonden zeker twintig herbaria, die niet alleen de wilde planten van Nederland bevatten, maar ook het wildeplantenrijk van andere landen. De verzamelwoede van haar grootmoeder was grenzeloos geweest. Dat was niet zo verwonderlijk, want Tessa's grootouders hadden veel gereisd. Maar waar moesten deze boeken naartoe? Sommige herbaria waren al meer dan een halve eeuw oud. Waarschijnlijk stonden er wel planten of bloemen in die niet meer voorkwamen in Nederland of alleen nog groeiden in de botanische tuinen van de universiteiten. Misschien hadden de universiteiten wel interesse in oma's herbaria. Dat zou een oplossing zijn. En zou dat niet lukken, dan moesten ze maar op internet worden gezet. Er waren vast wel biologen die de herbaria graag wilden hebben. Ze pakte een herbarium en sloeg het boek voorzichtig open. Even kwam er een brok in haar keel toen ze het bekende handschrift van haar grootmoeder zag naast de blauwpaarse wilde ridderspoor. De kleur van de bloem was iets verbleekt.

Wilde ridderspoor, Consolida regalis; familie der Ranonkels.

Datum: 7 augustus 1956. Vindplaats: Haaften aan de Waal.

De prachtige bloemen groeiden niet ver van de waterkant.

De wilde ridderspoor die bijna uitgestorven was, ging het door Tessa heen. Plotseling werd ze geconfronteerd met het unieke karakter van de verzameling. Als niemand anders van de familie deze herbaria wilde hebben, zou zij zich erover ontfermen en zolang ze op kamers was, moesten ze maar een plaatsje krijgen op de zolder bij haar ouders. Deze herbaria moesten in de familie blijven. Later, als ze zelf een huis had, zou ze de herbaria in een speciale boekenkast zetten. Langzaam bladerde ze verder. Opeens begon Joost heel zacht te grommen. Tessa keek op. 'Wat is er, Joost?' vroeg ze verbaasd. Voetstappen scharrelden om het huis. De buitendeur kraakte en even later stapte tante Hillie binnen.

'Als de kat van huis is, vieren de muizen feest,' zei de vrouw. Haar ogen glansden venijnig.

'Wat bedoelt u daarmee?' vroeg Tessa kalm.

'Zoals ik het zeg.'

'Begrijp ik het goed: is oma de kat en ik de muis?'

'Zo letterlijk moet je mijn opmerking niet nemen.' Hillie zag wel in dat haar woorden niet bepaald tactvol waren gekozen.

'Ik vier geen feest, omdat mijn grootmoeder overleden is.'

'Lieve kind, dat bedoelde ik niet.' Precies haar grootmoeder, dacht Hillie, hetzelfde gezicht en dezelfde houding. Je wist met dat soort nooit waar je aan toe was. Een en al vervelende geheimzinnigheid. Vanaf de dag dat ze met Freek was meegegaan en haar aanstaande schoonmoeder voor het eerst had ontmoet, hadden de afkeer en ergernis toegeslagen. Misschien was het verbeelding geweest, maar ze had altijd het idee gehad dat ze volgens die stille moe niet goed genoeg was voor de familie. Dat gevoel was nooit weggegaan. Soms jeukten haar handen om even lekker te meppen op dat deftige gezicht met die Romeinse neus. Neusie, noemde Hillie haar altijd in stilte. En nu stond het evenbeeld van dat mens hier voor haar, dat haar wel eens de les zou lezen. Ze keek in de ogen van Tessa en schrok van de harde blik. Stom, ze had zich vergist. Dit nichtje mocht dan uiterlijk op haar schoonmoeder lijken, maar ze was innerlijk uit heel ander hout gesneden. 'Ik kan beter vragen wat u hier doet.'

'Och, ik wandelde in de tuin, even een luchtje scheppen. Toevallig keek ik hier naar binnen en zag jou zitten en...'

'... en dacht: die kon wel eens iets achteroverdrukken,' maakte Tessa de zin voor haar af.

'Vreselijk, al die Van Anrooytjes hebben zulke lange tenen,' merkte Hillie klagend op.

'Die Van Anrooytjes willen niet beticht worden van diefstal, tante Hil. Ze houden niet van graaien, zoals bepaalde andere lieden.'

Hillie van Anrooy kreeg een kleur. 'Wil je soms zeggen dat...'

'Ja.' Tessa knikte. 'En wilt u nu alstublieft weggaan?'

'Zeg eens even, ik heb evenveel recht om hier te zijn.'

'Nee, dat hebt u niet. Allereerst heeft mijn vader u uitdrukkelijk aangeraden hier voorlopig niet te komen. Ik ben benieuwd wat hij zegt als hij hoort dat u toch weer in oma's huis bent geweest. Daarbij, u hield helemaal niet van oma, u kwam hier nooit, behalve dan gisteravond, maar dat bezoek had een heel andere reden. Moet ik nog meer zeggen?'

Joost verhief zich langzaam op zijn poten en begon harder te grommen.

'Ik ga al, stom beest,' zei Hillie tegen de hond. Zonder Tessa nog met een blik te verwaardigen, draaide ze zich om en verliet het huisje.

Tessa knielde neer bij de hond, sloeg haar armen om hem heen en knuffelde hem innig. 'Jij stom? Mooi niet,' zei ze lachend. 'Als dat enge mens met haar slapjanus van een man en die vreselijke dochter van hen nu maar eens naar huis zouden gaan. Wat zou dat een opluchting betekenen.'