Hoofdstuk 3
Het was vrij laat toen Tessa aankwam in Utrecht. Een dunne, ijskoude mist lag over de stad. Haastig verliet ze het station en liep naar de Oudegracht, waar haar kamers lagen. Ze was nog niet thuis, of ze haalde het brievenherbarium uit haar weekendtas, ging op haar bed liggen, knoopte de bandjes los en pakte de volgende brief uit de omslag. Wat gebeurde er in Amsterdam?
Edam, 29 juni, 1936
Lieve Annabel,
Maandag, mijn eerste dag in Amsterdam! Ik val bijna om van moeheid, maar toch wil ik je eerst schrijven hoe het is geweest. Vanmorgen nam ik de eerste bus. Gelukkig was het niet al te druk. De leerlingen die op school gaan in Amsterdam, nemen altijd een latere bus. Ik was vreselijk zenuwachtig, helemaal in mijn eentje naar Amsterdam. Gelukkig herinnerde ik me nog de weg naar de Herengracht. Ik was veel te vroeg, maar dat hinderde niet. Nu hoefde ik me niet zo te haasten en kon ik op mijn gemak rondkijken. Ik zou best verliefd kunnen worden op de grachten. Dat diepgroene water met daarin de weerspiegeling van de bomen, de huizen en de lucht die nog net te zien is tussen de boomkruinen door. En dan de bruggen met de sierlijke leuningen. Wat zal het hier mooi zijn in de winter.
De eerste dag viel niet erg mee. Dat afstoffen vond ik wel leuk, maar ik heb ook een half uur moeten zomen. Ik was zo bang dat ik in mijn vingers zou prikken met de naald. Stel je voor, een bloedvlekje op de witte bruidsstof, maar gelukkig ging het goed. De steekjes moesten alleen ietsje regelmatiger, maar volgens mevrouw Laméris kwam dat wel goed. Ze leerde me ook hoe je lusjes van stof moest maken. Een vreselijk werkje. Soms moeten er wel twintig lusjes voor één japon worden gemaakt. Daar zie ik niet naar uit. Mevrouw Laméris tekent alle patronen zelf en als ze uitgeknipt zijn, legt ze die vervolgens op de bruidsstof die door de klant is uitgekozen. Daarna mogen de coupeuses de patroondelen uitknippen en in elkaar rijgen, een heel precies werkje. Als het toilet gepast is, mogen ze de jurk pas naaien en de randen afwerken. Een enkele keer wordt er eerst een proefjapon gemaakt van katoen. Meestal betreft het dan heel kostbare stof. Wat ik van juffrouw Benedict moet denken, weet ik niet. Ik vind haar een beetje, hoe zal ik het zeggen, een hielenlikker, of ben ik nu te onaardig? Ze doet poeslief tegen mevrouw, maar als ze alleen is met mij, snauwt ze me af. Jammer dat die Duitse juffrouw in de winkel staat. Tussen de middag ben ik gaan wandelen, want om mijn brood op te eten in de personeelskamer samen met die vrouw, was me net even te veel. Ook ken ik de coupeuses nog niet zo goed. Ik houd niet zo van vreemden. Dan loop ik liever buiten, hoewel ik wel moe was. Ik kwam langs een heel oude muur. Tot mijn verbazing groeiden er tussen de stenen een prachtige varen en kleine, gele plantjes, waarschijnlijk een soort kruid. Ik heb ze niet geplukt om mijn handen niet smerig te maken ofte beschadigen, maar ik vond ook dat ze maar in de muur moesten blijven groeien. Er hadden vier klanten afgesproken, twee 's morgens en twee 's middags.
Ik moest voor de thee en de koffie zorgen. Als de klanten thee willen, moet ik er een bruidssuiker verpakt in cellofaan of een bonbon in zilverpapier bij presenteren. Ik moet er dan ook een bordje bij geven dat ongeveer zo klein is als de helft van een gebaksbordje. Daarop komt de bonbon of de bruidssuiker te liggen. Wel wat overdreven, vind ik. Deden ze dat vroeger ook thuis bij je oom en tante? Dat waren ook van zulke deftige mensen. Als de klanten van mevrouw Laméris koffie willen, krijgen ze een petitfour, natuurlijk ook op een bordje. De petitfours komen van een heel exclusieve bakkerij uit de Spuistraat, bakkerij Rombouts, en de bonbons uit een chic winkeltje in de Handboogstraat. De tijd bij de laatste klant liep behoorlijk uit. Juffrouw Benedict was al naar huis gegaan. Mevrouw Laméris vroeg of ik langer kon blijven. Ik zei maar ja, wat moest ik anders? Weigeren durfde ik niet, maar gelukkig was het ook wel leuk. De klant, een mooi, maar ook heel lastig meisje, had een jurk besteld van Brussels kant. Prachtig. Alleen bij het passen bleek dat de taille moest worden ingenomen en de zoom ingekort. Die aanstaande bruid had steeds maar op- en aanmerkingen: dan weer was de rok te kort en dan weer te lang. Ergens had ik het idee dat ze het erom deed. Zelfs haar moeder en haar zusje, die er ook bij zaten, haalden op het laatst wanhopig hun schouders op, maar mevrouw Laméris bleef beheerst en aardig. Niet één keer verloor ze haar geduld. Heel knap van haar. Eindelijk gingen ze weg. Het was toen al zeven uur. Ik had de theeboel keurig afgewassen en op zijn plaats gezet. 'Je wordt heel hartelijk bedankt,' zei mevrouw Laméris. Ze keek me dankbaar glimlachend aan. Ik vond dat heel prettig-
Ik miste de bus, maar ik ging ervan uit dat mijn ouders dat wel zouden begrijpen. Toen ik de winkel binnenstapte, stonden mijn ouders mij op te wachten. Mijn moeder had een gezicht als een donkerwolk.
'Daar begint het gezeur al. Heb ik het je niet gezegd?' riep mijn vader uit. 'Onbetrouwbaar spul, die Fransozen.'
'Dat mag niet al te vaak gebeuren,' vond ook mijn moeder, maar toen ik uitlegde dat die klant zo vreselijk lastig was, kon ze het wel begrijpen. Toch bleef haar gezicht nog op tien dagen storm staan.
'Mama is een beetje boos.' Papa wreef zenuwachtig in zijn handen.
Ik keek mijn moeder verbaasd aan. Wat had ik in vredesnaam verkeerd gedaan?
'Ik houd er niet van om in mijn eigen huis gewantrouwd te worden,' bitste mama.
'Wie doet dat dan?' vroeg ik.
'Jij. Vanmorgen, toen ik je kamer wilde afstoffen, merkte ik dat de laden op slot zaten.'
Ik kleurde. 'Maar waarom zit er dan een sleutel op een la?'
'Meubelmakers maken altijd sloten op kasten, maar in dit huis hoeft niemand een kast op slot te doen.' Dus mama had in mijn kast willen snuffelen, begreep ik onmiddellijk.
'Heb je soms geheimen voor ons?' vroeg mama streng. Ik schudde mijn hoofd. 'Ik zal de sleutel voortaan in het slot laten zitten,' beloofde ik.
'Zo ken ik je weer,' merkte mama tevreden glimlachend op. Maar als ik morgen naar Amsterdam ga, neem ik wel mijn brieven mee.
Nu ga ik slapen, want mijn hand bibbert.
Liefs, je Beatrijs
Tessa zuchtte diep. Wat een nieuwsgierig mens was die overgrootmoeder Nita geweest. Slim dat oma Beatrijs die brieven had meegenomen naar haar werk. Dat had die moeder van haar natuurlijk niet verwacht. Het liefst had Tessa nog een volgende brief gepakt, maar ze moest naar bed. De volgende morgen had ze praktijk. Ze moest bepaalde bacteriën onderzoeken die plantenziektes bij aardappels veroorzaakten. Wat een geluk dat ze voor veldbiologie had gekozen en niet voor zoölogie. Anders had ze hele dagen moeten snijden in dode dieren. Dat snijden had ze altijd al een verschrikking gevonden, maar nog erger was de weeïge lucht van formaline geweest, dat afschuwelijke spul waarmee de dieren werden geconserveerd. Ze had het snijden altijd respectloos gevonden. Natuurlijk, de dieren waren dood, maar toch... Gelukkig was het ontleden van dieren van zeer korte duur geweest. Ook het uit elkaar halen van planten en bloemen behoorde niet tot haar leukste werkzaamheden. Zou ze morgen maar niet thuisblijven en lekker verder gaan lezen? Maar ze waren al met zo weinigen. Zuchtend stopte ze de brief terug waar hij hoorde, borg het herbarium op in de onderste la van een ladekast en draaide de sleutel om. Dit herbarium mocht beslist niet in vreemde handen vallen. Ze leek oma Beatrijs wel.
Januari was tot ieders verrassing vrij koud. Zelfs overdag bleef de temperatuur onder nul. Sloten, plassen en meren vroren dicht. Eindelijk kon er weer geschaatst worden. De verkoop van schaatsen bereikte een recordhoogte. Op diverse plaatsen werden toertochten gehouden en er werd zelfs voorzichtig gezinspeeld op een Elfstedentocht. Op sommige kanalen baanden ijsbrekers hun weg. Tessa van Anrooy keek naar buiten. De gracht lag dicht, maar er werd niet geschaatst. Er lagen te veel wakken in het ijs, vooral langs de kanten en onder de bruggen. Bomen waren wit van de aangevroren rijp. Sprookjesachtig, vond ze. Ze draaide zich om en keek naar het brievenherbarium dat op de tafel lag. Ze hinkte nog steeds op twee gedachten: ging ze naar college of zou ze thuisblijven en de brieven lezen? Opeens schoot haar het sprookje van Vrouw Holle te binnen, dat oma Beatrijs haar had verteld toen ze een jaar of vijf, zes was. Tessa herinnerde zich de appels die aan de bomen hingen en volgens haar grootmoeder om het hardst riepen: 'Pluk me, pluk me, want we zijn rijp!' Zo voelde Tessa zich op dit moment. Brieven die haar riepen: 'Lees me, lees me, dan kom je achter het geheim.'
'Jullie je zin,' gaf ze ten slotte toe en ze pakte de volgende brief.
Ze vouwde hem open en keek met verwondering naar de datum: 26 januari 1937. Haar grootmoeder had zomaar een half jaar overgeslagen. Was er in die tussentijd dan helemaal niets gebeurd? En in plaats van Edam stond er Amsterdam. Was ze soms verhuisd? En wanneer doken de namen van Iris en Léon nu eens op? Nieuwsgierig begon Tessa te lezen.
Amsterdam, 26 januari 1937 Lieve Annabel,
Je zult natuurlijk wel denken: een half jaar geen brief... Er gebeurden natuurlijk wel dingen, maar niet erg belangrijke, vind ik zelf. Het zal je vast niet interesseren dat ik kan borduren en zelfs heb leren smokken. Nooit van smokken gehoord? Je moet dan de stof inrijgen tot heel kleine plooitjes en die zet je dan vast met steekjes. Smokwerk wordt meestal toegepast aan de schouders, de manchetten en om het middel van een bruidsjapon. Zelf vind ik het niet zo mooi, eerder stijf. Mevrouw Laméris geeft me ook les in patroontekenen en naaien. Daarvoor moet je heel precies zijn. Dat word je vanzelf als je bezig bent. Op het moment zit ik aan een tafeltje op mijn kamer in Amsterdam (ik noem de kamer maar mijn kamer, want ik ben de enige die er gebruik van maakt) met een deken om me heen, zo koud is het. Het elektrische kacheltje is aan, maar geeft niet genoeg warmte. Daarom heb ik maar een deken van het bed gehaald en die om me heen geslagen. Ik weet niet of het mag, maar mevrouw Laméris komt hier toch niet. Het sneeuwt weer, maar erger dan begin januari. Gisteren ijzelde het en vannacht is er weer een dik pak sneeuw gevallen. Je kon de stoepen zelfs niet meer goed zien. Dat is vervelend, want voor je het weet, stap je mis en verzwik je een enkel. Vanmorgen nam ik de eerste bus uit Edam. Het was vreselijk koud. Voor de zekerheid had ik een tas met wat ondergoed, kleren en toiletartikelen meegenomen en natuurlijk een boek. In de bus was het iets warmer. Dat kwam natuurlijk omdat er zo veel mensen in waren gepropt. Sommigen moesten de hele weg blijven staan. Een grote sneeuwschuiver reed voor ons uit. We deden er uren over om in Amsterdam-Noord te komen, dus je begrijpt dat ik vandaag niet meer naar huis kan gaan. Tot overmaat van ramp is de wind ook nog eens opgestoken die de sneeuw opstuift tot hoge duinen. Er is werkelijk geen doorkomen meer aan. Maar eerlijk gezegd, ik vind dit weer geweldig. Ik ben nog steeds blij met mijn baan. Mevrouw Laméris is erg tevreden over me. In de afgelopen maanden was het enorm druk in de zaak. Overal ratelden de naaimachines, best een leuk geluid. Mevrouw Laméris had een paar extra coupeuses ingehuurd, omdat ze het werk niet meer aankon. Naast het maken van bruidstoiletten kregen we ook veel opdrachten voor het maken van galakleding in verband met het huwelijk van prinses Juliana en prins Bernhard dat op 9 januari zou plaatsvinden. De huwelijksdag was een echte winterdag met sneeuw. Ik mocht voor de eerste keer een paar nachten overblijven in de logeerkamer van het huis. Het zou me niets kosten, maar ik moet wel in ruil daarvoor 's morgens om zes uur opstaan om mee te helpen de kachels aan te maken - wat een heel werk is - in de winkel en de andere kamers, samen met Hermine. De huishoudster haalt de sintels uit de kachels, ik leeg de asladen waarna Hermine de kachels aanmaakt met houtjes en proppen papier met een scheut petroleum. Daarna vul ik de kolenkitten met cokes of eierkolen die in een kist liggen op een plaatsje achter het huis. Ik draag dan wel handschoenen, want mijn handen mogen niet beschadigd worden met kloofjes of schaafwondjes. Daarna moet ik de stoep sneeuwvrij maken. Het klinkt net alsof ik een soort Assepoester ben, maar dat is niet zo, hoor. Voordat ik begin met het werk, drinken Hermine en ik eerst een paar koppen thee met veel suiker. Dat helpt goed tegen de kou, zegt Hermine. Mevrouw Laméris is erg goed voor mij. Ze heeft een dikke jas met wanten en een muts voor mij gekocht en ik krijg ook regelmatig een nieuwe jurk, wat mama nog steeds niet leuk vindt.
Jammer dat de prinses en de prins in Den Haag trouwden en niet in Amsterdam, nog wel de hoofdstad van het land. Dan had ik het bruidspaar tenminste in werkelijkheid kunnen zien. Gelukkig mocht ik naar de radio van mevrouw Laméris luisteren. Alle omroepen werkten samen. De uitzending begon al om negen uur. Ik hoefde niet te werken, want mevrouw Laméris had de winkel gesloten. Er zouden toch geen klanten komen. Mevrouw Laméris zat bij vrienden en ook juffrouw
Benedict was er niet, dus ik had het rijk alleen. Wat had ik graag de gouden koets willen zien met al die juichende mensen. Niemand weet waar het prinselijk paar naartoe is op huwelijksreis. Ze zeggen in Polen, maar dat kan ik me niet voorstellen. Wie gaat er nou naar Polen? Ik had verwacht dat ze wel naar Zwitserland of misschien wel naar de Côte d'Azur zouden gaan. Dat is toch veel leuker?! Misschien ben jij wel eens naar de Côte d'Azur geweest. Dat ligt toch in Frankrijk? Het is tijd om te slapen. Gelukkig hoef ik morgen niet door de sneeuw en als ik morgenavond nog tijd heb, schrijf ik wel verder. Welterusten.
Hier ben ik weer, lieve Annabel.
Sneeuw, sneeuw, sneeuw. Het hele verkeer is ontregeld en ligt in sommige delen van Nederland helemaal stil. In de winkel worden de afspraken aan de lopende band afgezegd. Zelfs juffrouw Benedict, die in Amstelveen op kamers woont, kon niet komen, wat ik niet erg vind. Het is nog steeds een stiekem en onaardig mens. Eerst dacht ik dat mevrouw Laméris haar niet in de gaten had, maar dat had ik toch wel verkeerd. Ik zie aan haar gezicht dat ze het niet prettig vindt als juffrouw Benedict praat over een meneer Hitler. Hij is de baas in Duitsland. Juffrouw Benedict zegt dat hij Duitsland weer groot en trots maakt, maar mevrouw Laméris zegt dan streng dat ze moet zwijgen. 'Wij doen hier niet aan politiek, Gertrud.' Ik moest vanmorgen bonbons en bruidssuikers halen bij de firma Lindeboom in de Handboogstraat, want die waren er niet meer. Vanmiddag komt er namelijk een heel rijke klant. 'Kleed je goed aan, want het is vreselijk koud,' waarschuwde mevrouw Laméris. Ze gaf me een extra sjaal en een mof van prachtig bont om mijn handen warm te houden. Ik voelde me gewoon deftig worden. Eerst vond ik het wel leuk om door de sneeuw te lopen. Ik liep in de luwte van de grachtenhuizen, maar plotseling had ik de wind pal tegen en dat viel niet mee. Ik probeerde mijn gezicht te beschermen door mijn sjaal hoog op te trekken, maar het hielp niet veel. Na een lange, moeilijke tocht - ik heb verschillende keren misgestapt omdat ik de stoep niet goed zag - was ik bij de winkel van Lindeboom. Mijn tenen deden afschuwelijk pijn. Ik werd meteen geholpen, want er stonden verder geen klanten in de winkel. De bonbons en de bruidssuikers stonden al ingepakt, wat ik jammer vond. Ik had liever nog even willen bijkomen van de kou. In de winkel was het heerlijk warm. De verkoopster wikkelde nog een paar extra lagen papier om het pakje voordat ik het in de tas deed die mevrouw Laméris me mee had gegeven. Toen moest ik dat hele eind weer teruglopen. Bijna was ik thuis, toen ik misstapte en languit in de sneeuw viel. De tranen sprongen in mijn ogen en eigenlijk wilde ik wel in huilen uitbarsten, maar plotseling voelde ik twee handen die me heel voorzichtig overeind trokken. Ik draaide mijn hoofd om en keek recht in een heel knap mannengezicht met de mooiste ogen die ik ooit gezien heb: diepdonkerbruin in blauwachtig wit. De man, hij was nog wel vrij jong, keek me medelijdend aan. 'Heb je je erg bezeerd?' vroeg hij meelevend. 'Het gaat wel,' mompelde ik verlegen. Ik klopte de sneeuw van mijn jas. Gelukkig was er niets met het tasje gebeurd. Stel je voor dat ik boven op de dure bonbons en bruidssuikers was terechtgekomen. Had ik de hele tocht voor niets gemaakt. De man lachte. 'Mijn naam is Léon Irrgang,' stelde hij zich voor. 'Ik ben de overbuurman.' Hij wees naar een huis aan de overkant van de gracht. 'Dat huis met die paaltjes en kettingen ervoor, daar woon ik.'
Eindelijk was daar dan de geheimzinnige Léon, dacht Tessa bijna opgetogen. Plotseling werd er gebeld. Hè nee, nu geen visite, ze wilde verder lezen. Ze liep naar de intercom in de hal. 'Hallo?' vroeg ze.
'Ik ben het, Tes, Minoes. Doe snel open, want ik sterf van de kou.'
Tessa zuchtte diep en drukte op een knop. Toen liep ze snel terug naar de kamer, schoof de brieven in het herbarium en knoopte de bandjes dicht. Ze was nog net op tijd om het brievenherbarium op haar bureau te leggen. De buitendeur in de hal ging open en met veel lawaai stormde een meisje binnen. 'Vreselijk, wat een kou. Ben ik echt niet meer gewend. Het is hier tenminste warm,' zei Minoes Heerschop. Ze schopte haar schoenen uit, mikte haar jas op de kapstok en liep achter Tessa de woonkamer in.
'Je hebt het maar mooi getroffen met je ouders. Ik ben stikjaloers. Een mooie etage midden in Utrecht, dicht bij de winkels en de restaurantjes. Ik wou dat mijn ouders zo rijk waren,' zei Minoes en ze liet zich languit op de bank vallen.
'Mijn ouders zijn niet rijk. Dit pand behoorde gewoon aan de grootvader van mijn vaders kant. Die was aannemer,' merkte Tessa kalm op. 'Mijn grootvader had in een testament bedongen dat het huis de eerste vijftig jaar niet mocht worden verkocht. En daar pluk ik nu de vruchten van, plus natuurlijk mijn medebewoners.'
'En dat levert jouw familie lekker wat geld op,' zei Minoes met een ondertoon van scherpte in haar stem. 'Zullen we dit onderwerp laten rusten? Wat wil je, koffie of thee?' Tessa wist dat Minoes de eerste tijd niet was weg te branden. Ze moest zich er maar bij neerleggen dat ze vanavond pas verder kon lezen. En net nu het zo spannend werd met die Léon.
'Weet je dat er geruchten over jou de ronde doen?' vroeg Minoes met glinsterende ogen van de pret. 'Over mij?'
'Over jou. Had je niet verwacht, hè, maar die gladjakker kon natuurlijk zijn mond niet dichthouden.'
'Waar heb je het over?' vroeg Tessa verbaasd. Welke gladjakker bedoelde Minoes? Rare naam, Minoes... Je moest als ouders toch wel gestoord zijn om je dochter naar een poes te vernoemen, ook al was die poes dan van Annie M.G. Schmidt.
'Dat zul jij niet weten. De hele sociëteit heeft het erover.'
'Wil je me nu eindelijk eens uitleggen wat je bedoelt?' vroeg Tessa ongeduldig. 'Arend-Jan Kist.'
'Ja, en?'
'Hij heeft bij jou geslapen. Dat schettert hij overal rond.'
'Hij heeft hier geslapen,' gaf Tessa toe.
'Dus het is waar?' Minoes vloog overeind.
'Hij heeft hier geslapen, bij mij, maar niet met mij. Hij sliep op de bank en ik in mijn eigen bed. Er is helemaal niets gebeurd. Geloofde je die praatjes werkelijk?' wilde Tessa toen weten.
'Nou, de wonderen zijn de wereld nog niet uit. Sommige populaire studenten krijgen alles voor elkaar, want je moet toegeven, Arend-Jan is enorm populair.'
'Maar niet bij mij. Ik houd niet van die gladde leeghoofden. Ik wou maar dat Arend-Jan mij met rust liet. Ik laat hem voortaan gewoon buiten staan, hij komt er niet meer in.'
'Je vindt hem werkelijk onuitstaanbaar, hè.' Minoes keek Tessa onderzoekend aan. 'Vind je het gek?'
Minoes haalde haar schouders op. Als Arend-Jan Kist bij haar langskwam, dan wist ze wel wat ze doen zou. Zij hield wel van die vlotte kerels met een snelle babbel. En dat die man ook nog eens lekker in de slappe was zat, vond Minoes ook niet te versmaden. Tessa... Vreemde meid, maar wel haar beste vriendin. Betrouwbaar, onvoorspelbaar en een beetje geheimzinnig. Je wist nooit wat er achter dat kalme gezicht schuilging. Vreemd dat ze nooit een vriendje had, terwijl ze er genoeg kon krijgen. Was ze soms...? Nee... Of toch? Maar dan wilde ze het nu wel weten. 'Tes, mag ik je iets vragen?'
'Vraag maar, als het maar niet al te onbescheiden is,' antwoordde Tessa terwijl ze het koffiezetapparaat aanzette. 'Het is juist heel onbescheiden.'
'Werkelijk?' Tessa haalde even haar wenkbrauwen op. 'Ja. Eh... word nou niet kwaad, ik bedoel het goed, en als het zo is, dan blijf ik toch je vriendin.' Tessa begon te lachen. 'Je spreekt in raadsels. Zou je dan nu maar niet je vraag stellen?'
'Ben je lesbisch?'
'Ik? Hoe kom je daarbij? Alleen maar omdat ik niet verliefd word op die ontzettend vervelende Arend-Jan Kist?'
'Nou, dat niet alleen. Ik heb je nog nooit verliefd zien worden op een jongen.'
'En wel op een meisje.'
'Nee, ook niet,' gaf Minoes toe.
'Nou dan. Minoes, ik val op mannen, maak je maar niet ongerust.'
'Ik maakte me niet ongerust,' stribbelde Minoes verontwaardigd tegen. Tessa moest vooral niet doen alsof zij conservatief was. Minoes was zeer ruimdenkend. 'Dat deed je wel. Je wist dan niet hoe je je houden moest tegenover mij. Geef maar toe.'
'Nou ja, wel een beetje,' stemde Minoes aarzelend toe. Tessa haalde haar schouders op. 'Als ik er toch achter kom dat ik lesbisch ben, word ik meteen maar verliefd op jou, afgesproken?' Tessa lachte een beetje spottend. 'Hier is je koffie en stel voortaan niet meer zulke vreemde vragen.'
Ze dronken zwijgend hun koffie, wat niet vaak voorkwam, want Minoes had meestal gespreksstof voor twee. Vervelend, ze wou maar dat ze de vraag nooit gesteld had, dacht Minoes. 'Wat heb je daar liggen?' vroeg ze opeens en ze wees op de roodgevlamde hoes op het bureau. 'Een herbarium,' antwoordde Tessa. Ze ging rechter op zitten. Minoes moest met haar vingers van het herbarium afblijven. 'Van mijn grootmoeder,' voegde ze eraan toe. 'Hoe gaat het met je grootmoeder?'
'Ze is vlak voor de kerst overleden. Ik heb je een kaart gestuurd. Heb je die niet ontvangen?'
'O Tes, wat vreselijk. Wat ben ik toch een kluns. Ik heb mijn post nog niet opgehaald. Er zit meestal niets belangrijks bij. Nog gecondoleerd.' Minoes raakte volledig van slag. Ze sloeg de ene flater na de ander. Waarom was ze niet wat attenter geweest? Ze wist toch dat Tessa's grootmoeder op sterven lag toen ze terugging naar huis? Wat moest Tes wel niet van haar denken? Ze kon maar beter weggaan.
'Minoes, vind het maar niet zo erg. Het is logisch dat je vergeten was dat mijn grootmoeder zo ziek was. Het was toch kerst? Dan is iedereen druk. Nou, kom op, kijk niet zo zielig. Vertel me even hoe jouw kerst was.' Weldra waren Tessa's grootmoeder en Arend-Jan Kist verdwenen naar de achtergrond. Minoes vertelde honderduit over haar belevenissen. En dat ze zo'n enige jongen had ontmoet.
Nummer honderd, dacht Tessa sceptisch. Wat zag Minoes toch in al die jongens? Of was Tessa te kritisch?
Nadat Minoes was weggegaan, pakte Tessa de hoes met de brieven en zocht ze de brief op die ze nog niet uitgelezen had. Ze deed de gordijnen dicht en installeerde zich op de bank. Al zou heel Utrecht op de bel drukken, ze deed niet open, nam ze zich heilig voor. Waar was ze gebleven? Ze bladerde de velletjes papier door. Ah, daar was Léon met de vreemde achternaam.
De man lachte. 'Mijn naam is Léon Irrgang,' stelde hij zich voor. 'Ik ben de overbuurman.' Hij wees naar een huis aan de overkant van de gracht. 'Dat huis met die paaltjes en kettingen ervoor, daar woon ik. En jij woont in die prachtige bruidswinkel,' stelde hij vast. 'Nee,' zei ik haastig. 'Ik werk daar alleen maar.'
'Maar ik zag je gisteravond voor het raam staan.' Was ik gisteravond dan zo duidelijk te zien geweest, vroeg ik me af.
'Ik heb heel scherpe ogen,' verzekerde die man mij. Kan hij soms gedachten raden, dacht ik. Het viel me op dat hij met een licht accent sprak. Was hij soms afkomstig uit een ander land? Ik keek hem weer aan. Annabel, heb je wel eens gehoord van een magisch moment? Een moment waarin zorgen wegvallen, alles mooi is, waarin je geen verdriet of pijn of andere narigheid voelt en je wordt uitgetild boven de gewone dingen van het leven? Plotseling was dat moment er. Het werd doodstil. De snijdende wind die met krakend lawaai door de boomtakken joeg, viel weg; de scherpe ijsnaaldjes raakten me niet meer. Ik kon alleen maar kijken in dat gezicht met die mooie ogen. Ik dacht zomaar: ik hoor bij hem. Een auto toeterde. Haastig liepen we naar de stoep. Het magische moment was voorbij.
Tessa hield even op met lezen. Een magisch moment? Bestond dat werkelijk? Dit was de eerste keer dat ze dat tegenkwam. Haar grootmoeder was wel erg impulsief geweest om zomaar aan te nemen dat ze bij die man hoorde. Maar Tessa wist zeker dat haar zoiets nooit zou overkomen. Daarvoor was ze te nuchter. Ze las weer verder.
'Ik moet weg,' zei ik, maar het liefst was ik blijven staan, had ik zijn hand gepakt en waren we samen weggewandeld in de sneeuw naar het eind van de wereld. Zou ik hem ooit weer ontmoeten?
De man knikte. 'Tot ziens, kleine buurvrouw. Ik zal vanavond naar je wuiven, of ben je er vanavond niet meer?'
'Zolang het slechte weer aanhoudt, mag ik blijven,' antwoordde ik blij.
'Hoe heet je?' vroeg hij toen. 'Beatrijs, Beatrijs Voordewind.'
'Dag Beatrijs Voordewind, tot vanavond,' zei Léon lachend. Toen draaide hij zich om en liep de brug over naar de overkant van de gracht.
Ik was nog nooit verliefd geweest en wist echt niet wat dat was, maar ik denk dat ik dat nu wel weet: binnen in je hoofd is het helemaal ruim en vrolijk en je wilt maar één naam roepen, je wilt dansen en zingen en alle dingen om je heen worden op een vreemde manier anders, mooier, liever. Dansend en zacht neuriënd liep in naar de winkel. Ik zag de naam op het etalageraam: La robe de mariée. Wat een schitterende naam. Vrolijk liep ik naar binnen en zei: 'Goedemiddag, juffrouw Benedict.' Ik was zomaar niet meer bang voor haar. Juffrouw Benedict keek me verbaasd aan. Ze moet zich vast afgevraagd hebben: wat is er met dat kind aan de hand? Maar ik kon toch moeilijk tegen haar zeggen: Ik ben verliefd, juffrouw Benedict?
'Ik zou mijn schoenen maar snel uitdoen,' merkte juffrouw Benedict zuur op en ik... ik lachte. Ik had medelijden met haar.
Snel deed ik mijn jas uit en hing hem op een stokje bij de kachel in de kamer voor het personeel. Ik propte een paar stukken krantenpapier in mijn schoenen en zette ze te drogen bij de kachel. Daarna ging ik naar mevrouw Laméris. Toen ik in de gang langs de spiegel liep, zag ik mijn gezicht: niet verkleumd en blauw van de kou, maar vrolijk met blozende wangen en stralende ogen. Mevrouw Laméris keek me ook verbaasd aan toen ik haar het tasje gaf. 'Wat is er met jou gebeurd? Je ziet er zo anders uit, zo blij. Ik had verwacht...' Wat ze verwacht had, kwam ik niet te weten, want ze zweeg en trok verbaasd haar wenkbrauwen op. 'Drink eerst maar een kop thee in de personeelskamer,' zei ze toen. De thee smaakte naar... naar... ik weet het al, het heerlijke bramensap dat mijn moeder altijd maakt als we in de zomer bramen hebben geplukt in de duinen bij Schoorl. Ik kon bijna niet wachten tot het avond werd. Om de vijf minuten ging ik voor het raam staan om te zien of Léon er al stond, maar de ramen in het huis aan de overkant bleven donker. Het werd later en later. Hij is me vergeten, dacht ik. Opeens was dat opgetogen gevoel van de middag verdwenen. Ik keek op mijn horloge: het was al half tien. Ik trok de gordijnen dicht en maakte me klaar voor de nacht, want het zou morgen weer vroeg dag zijn. Nog één keer schoof ik een gordijn opzij en keek naar de overkant. Het licht brandde achter wel vijf ramen. Op de tweede etage zag ik een figuur in een stralenlichte omlijsting. De figuur stak een arm omhoog en wuifde. Ik slikte. Hij was het! Hij had woord gehouden en was me niet vergeten! Met twee armen wuifde ik uit alle macht terug.
Omdat ik die nacht bijna niet in slaap kon komen en alleen maar kon denken aan die man aan de overkant van de gracht, ben ik maar even uit bed gestapt om jou te schrijven wat ik vandaag beleefd heb.
O Annabel, ik hoop toch zo dat hij en ik elkaar nog eens zullen ontmoeten. Ik weet wel, ik ben maar een dochter van een arme kruidenier uit Edam en hij is iemand die vast rijk is en in een duur grachtenhuis woont, maar toch... Misschien gebeurt er wel een wonder.
Ik ben verliefd, Annabel, vreselijk verliefd. Het kan natuurlijk niet, maar het is wel zo. Hoe oud zou hij zijn?
Je Beatrijs
Tessa staarde naar het laatste velletje briefpapier dat ze open in haar handen hield. Hoe was het mogelijk, die ingetogen oma Beatrijs zo gloedvol, zo enthousiast, zo verliefd. En niet op opa Mathijs, maar op haar geheime liefde Léon Irrgang. Zo verliefd te zijn... om jaloers op te worden. Zo wilde Tessa het later ook, zonder remmingen op iemand verliefd worden. Maar of ze dat werkelijk zou durven? Je helemaal geven zonder voorbehoud?
Het geluid van de telefoon verscheurde de stilte. 'Ik ben niet thuis,' mompelde Tessa. Na acht keer overgaan hield het rinkelen op. Tessa zuchtte en pakte de volgende brief. Het leek wel alsof ze de nieuwe Maeve Binchy of Michelle Paver had ontdekt, zo was ze in de ban gekomen van het verhaal van haar grootmoeder.
Amsterdam, 31 januari, 1937
Lieve Annabel,
Ik heb hem vandaag weer ontmoet. Laat ik maar bij het begin beginnen. Zaterdag, gisteren dus, was het vreselijk weer. Het ijzelde. Je kunt beter sneeuw hebben, vind ik.
'Je mag best het weekend overblijven,' zei mevrouw Laméris. 'Als je ouders het tenminste goedvinden. Bel ze maar op. Hermine zorgt voor de zondagse maaltijden.' Papa maakte bezwaar.
'Maar als ik vanavond naar huis ga, rijden er misschien geen bussen meer,' zei ik.
'En de maaltijden? Wie kookt er voor jou? Ik wil beslist niet dat je zondag in een restaurant eet. De zondag is een heilige dag.'
'De huishoudster van mevrouw Laméris, Hermine, zorgt voor het eten,' stelde ik hem gerust. 'Ik hoef dus helemaal niet buiten de deur te eten.'
'Hoe zit het dan met de kerk?' wilde hij weten. 'Er zijn hier een heleboel kerken in de buurt. Ik kies er een uit en ik beloof echt, papa, dat ik er 's morgens en 's middags naartoe ga,' antwoordde ik.
Na veel gepraat - papa vindt Amsterdam maar een heidense stad - mocht ik toch de zaterdag en de zondag overblijven. Ik heb maar niet verteld dat mevrouw Laméris niet naar de kerk gaat. Ze zegt dat ze God tegenkomt en aanbidt in de natuur. Ik vraag me wel af welke natuur ze bedoelt. Er zijn toch geen bossen en weilanden in Amsterdam? Ik heb ze tenminste nog niet kunnen ontdekken. Of zou ze de bomen langs de gracht bedoelen? Vast niet. Nou ja, ik hoef het ook niet te weten.
'De Westerkerk is wel een leuke kerk, tenminste, dat heb ik gehoord van een goede kennis,' zei mevrouw Laméris. Die avond ontving ik zoals altijd mijn loon, alleen kreeg ik deze keer tien gulden. Ik was zo verbaasd. Het was meer dan afgesproken. 'Maar ik heb hier mogen slapen en...' Ik kon mijn zin niet eens afmaken.
'Je hebt van de week hard en goed gewerkt. Het viel niet mee om in dat koude weer elke morgen de kachels samen met Hermine aan te maken. Beschouw dit geld maar als een extraatje,' zei mevrouw Laméris snel. Ze streek me even over mijn wangen en glimlachte.
Zondagmorgen, de sneeuw lag nog zeker vijftien centimeter hoog, liep ik in mijn zondagse kleren naar de Westerkerk. Voordat ik de winkel verliet, inspecteerde mevrouw Laméris mij. Ze sloeg een sjaal van astrakanbont om mijn hals. Ik voelde me net een poedel met dat zwarte krulletjesbont om mijn nek, maar het was wel heerlijk warm. 'Hier is ook de mof, dan blijven je handen warm. Verlies hem niet,' zei ze. Toen liet ze me gaan.
Het was zo koud! Dat kwam vooral door de snerpende wind die over de gracht joeg. De ijzel van gisteren maakte het extra verraderlijk glad. Ik gleed telkens uit. Opeens hoorde ik voetstappen in de krakende sneeuw. Even later voelde ik een hand om mijn arm. Geschrokken en verbaasd keek ik op: Léon Irrgang. Ik bloosde.
'Dag kleine buurvrouw. Waar ga jij zo vroeg in de morgen naartoe?' vroeg hij glimlachend. Zijn gezicht stond vrolijk, zijn ogen glinsterden alsof hij net een leuk grapje had gehoord. Heb ik al verteld dat hij bijna op een filmster lijkt? Hij heeft een buitengewoon knap gezicht. Zijn huid is, zoals ze dat noemen, olijfkleurig. Ik heb nog nooit een olijf gezien, maar ik weet wel wat met dat olijfkleurig wordt bedoeld: glanzend, warm roomgeel. Gelukkig zonder puistjes, zoals zoveel jongens en mannen hebben, want dat vind ik zo akelig om te zien. En hij is ook nog eens goed gekleed. Hij droeg een lange, met bont afgezette, grijze jas in visgraatpatroon en een bontmuts op zijn hoofd. Zwartglanzende laarzen kwamen onder de dure jas vandaan.
'Ik ga naar de kerk,' antwoordde ik verlegen. 'Dat komt goed uit, ik ook,' merkte hij op. Waarom dacht ik onmiddellijk dat hij dat idee ter plekke verzon? Dat hij helemaal niet van plan was om naar de kerk te gaan?
'Ik zal je wel een arm geven, dan val je tenminste niet.' Hij stak zijn arm onder de mijne zodat ik mijn beide handen in de mof kon houden en hield me stevig vast. Kun je je voorstellen, Annabel, hoe ik me voelde? In de zevende hemel. Het leek wel of we verloofd of getrouwd waren met elkaar. We praatten bijna niet, want de wind was fel en snijdend en de sneeuw verblindde bijna mijn ogen. Als ik weggleed, werd ik onmiddellijk opgevangen door Léon. Ik wilde dat de wandeling nooit zou eindigen, maar we kwamen ten slotte bij de Westerkerk die met zijn keizerskroon hoog uittorende boven de besneeuwde bomen. Achter in de kerk was het bijna helemaal vol, maar halverwege het middenpad vonden we nog een plaatsje. Het was koud in de kerk, mijn voeten tintelden, maar dat kon me weinig schelen. Af en toe keek ik opzij naar dat mooie gezicht naast me. Dan leek het of ik helemaal volstroomde met blijdschap. De Wester, zoals ze in Amsterdam deze kerk noemen, is een prachtige kerk. Ik kwam dan ook ogen tekort om alles te bewonderen: het glanzende orgelfront met de zilverkleurige pijpen, de ouderwetse klok die erboven hing, de overdekte preekstoel en de lange ramen die in kleine, rechthoekige ruiten waren verdeeld. Er werd veel gezongen, gelukkig niet zo langzaam als in onze kerk en de organist speelde prachtig. Ik wou maar dat wij zo'n organist hadden in Edam. Onze organist is boer Veltman. Eigenlijk kan hij niet spelen, maar omdat hij nogal veel geld geeft aan de kerk, blijft hij spelen, ook al martelt hij ieders oren, in ieder geval mijn oren. Soms zet hij zijn handen op goed geluk neer op de toetsen, echt waar, ik heb het zelf gezien. Niemand durft tegen hem in te gaan. En als iemand toch kritiek heeft, zegt hij kalm: Als ik niet meer speel, wordt er ook niet meer gepreekt.' Daarom zwijgt ook de dominee, want wiens brood men eet, wiens woord men spreekt.
De dominee preekte over de gelijkenis van de verloren zoon. Ik moet de preek goed onthouden, want papa vraagt er zeker naar als ik weer thuiskom. Na de kerkdienst liepen we weer samen naar huis... weer gearmd. Gelukkig hadden we nu de ijskoude wind in de rug. Léon vroeg waar ik woonde, wie mijn vader en moeder waren en hoe lang ik al bij mevrouw Laméris werkte. Ik kreeg geen gelegenheid om te vragen naar zijn ouders en wat hij voor werk deed, want we waren aangekomen op mijn bestemming. Bij de winkeldeur namen we afscheid.
Tot ziens, Beatrijs,' zei Léon. Hij liet me langzaam los, knikte en liep over de brug naar huis. Ik werd er een beetje bedroefd van, maar wat had ik dan verwacht? Dat hij me zou uitnodigen om met hem mee te gaan? Ik moest me vooral niets verbeelden, vond ik. Zonder dat ik hoefde te bellen deed mevrouw Laméris de winkeldeur open. Had ze op me gewacht?
'Wie is die man?' vroeg ze streng. Ik keek haar verrast aan.
'Ik heb je moeder beloofd dat ik op je zou passen als jij hier logeert,' legde ze uit toen ze mijn verbazing zag. 'Hij heet Léon Irrgang en hij woont daar aan de overkant.' Ik wees naar het huis met de paaltjes en de kettingen. Léon liep net de trap op en verdween even later in huis. 'Ik zou maar voorzichtig zijn,' zei mevrouw Laméris alleen maar. Wat bedoelde ze in vredesnaam? Ze nodigde me uit naar haar kamers, die in een ander deel van het grote huis lagen. Ik was er nog nooit geweest en ik keek mijn ogen uit, zo mooi was het er. Er lagen dikke tapijten op de grond en er hing kanten vitrage voor de ramen. Op de muren zat licht behang met goudkleurige motieven. En de meubels, Annabel, waren van warmbruin, glanzend hout, rechttoe rechtaan zonder krullen en rare bolpoten, echt heel modern en helemaal niet koud, zoals je misschien zou verwachten, maar juist mooi en warm. En er stonden bossen bloemen in prachtige vazen. Ik denk dat mevrouw Laméris vreselijk rijk is, want anders kun je in de winter toch niet van die schitterende boeketten bloemen kopen? Ik kon kiezen tussen koffie of chocolademelk. 'Ik houd meer van chocolademelk, mevrouw,' zei ik.
Vreemd, ik kreeg zomaar het idee dat mevrouw Laméris het wel leuk vond dat ik er was.
Tussen de middag aten we in een andere kamer. De tafel was stijlvol gedekt. Eerst kreeg ik soep, groentesoep, en daarna aardappelpuree met gebakken lof en vlees. Ik wist niet dat je lof kon bakken, maar het was echt heel lekker. Als toetje aten we bitterkoekjespudding. Maar voordat mevrouw Laméris het laatste gerecht uit de keuken haalde, legde ze haar vork en mes gekruist neer op haar bord en keek me aandachtig aan. 'Ik moet je iets vertellen,' begon ze. 'De familie Irrgang die aan de overkant van de Brouwersgracht woont, is hier vier jaar geleden komen wonen. Voor die tijd leefden ze in Leipzig. Het gezin is eigenlijk gevlucht, want ze zijn Joods. Je weet misschien dat de Joden het op het moment erg moeilijk hebben in Duitsland. Ze mogen niets meer en worden van alle kanten dwarsgezeten.'
Ik schrok een beetje. Ik had nog nooit Joodse mensen ontmoet en ik vond Léon er heel gewoon uitzien. Nu begreep ik ook waarom hij met dat vreemde accent sprak. 'De heer Irrgang was daar bankier, maar heeft nu een kantoor in Amsterdam, samen met een compagnon, de heer Meyer. De bank heet dan ook Meyer en Irrgang en staat aan de Vijzelgracht.' Misschien was het inbeelding, maar het leek wel of er iets van boosheid over het gezicht van mevrouw Laméris flitste, heel even maar. 'Maar voor een lening kun je beter bij een Hollandse bank zijn.'
Wat bedoelde ze hiermee, vroeg ik me af. Had mevrouw Laméris een lening willen sluiten en was dat niet gelukt, of vroeg de bank een te hoog rentepercentage? 'Hoe vaak heb je hem al ontmoet?' vroeg mevrouw Laméris. 'Twee keer,' antwoordde ik.
'Gelukkig, dan kun je tenminste nog niet verliefd zijn geworden, hoewel het natuurlijk wel een heel knappe man is,' zei ze bijna opgelucht.
Ik zweeg, want ik wist wel beter. Er bestaat werkelijk liefde op het eerste gezicht, maar dat zou mevrouw Laméris toch niet willen geloven.
'Je kunt beter maar niet verliefd worden op hem. Je moet dan misschien ook Joods worden en dan krijg je het vreselijk moeilijk.'
'Maar toch niet in Nederland?' vroeg ik onthutst. 'Wel als die vreselijke Hitler en zijn trawanten Nederland binnenvallen. Dat weet je maar nooit, want ik vertrouw die afschuwelijke man niet. Ik zeg het voor je bestwil, Beatrijs. Ik zou het heel erg vinden als jij door die jongen in moeilijkheden komt.'
Wat moest ik antwoorden? Dat ik al verliefd was en dat ik alles wil doen om maar bij hem te kunnen zijn? Ik zweeg. Gelukkig ging mevrouw Laméris naar de keuken om het dessert, zoals zij een toetje noemt, te halen. Ik denk dat ze het woord 'toetje', dat bij ons thuis gebruikt wordt, ordinair vindt. Ik ben wel een beetje bang hoeveel ik hiervoor moet betalen, maar dat moet ik maar afwachten. Tenslotte hoefde ik ook niet kost en inwoning te betalen van de afgelopen week en kreeg ik zelfs een extraatje.
Eigenlijk vond ik dat mevrouw Laméris er vreemd uitzag. Haar ogen glansden alsof ze koorts had. Ze zou best ziek kunnen worden, want het is vreselijk koud en akelig weer. Je hebt het zo te pakken.
's Middags ging ik naar mijn eigen kamer. Ik stak de stekker van het elektrische kacheltje in het stopcontact en pakte het boek dat ik van huis meegenomen had, Kasteelmuren van Alice Hosken, een heel romantisch, ook een beetje raar verhaal over een kroonprins die moet trouwen met een prinses. De prinses wil niet, want ze is verliefd op een andere man en huurt een dubbelgangster in. Nou ja, zeg nou zelf, toch wel vreemd. Maar toch vind ik het boek wel leuk om te lezen. Af en toe liep ik naar het raam om te kijken naar het huis aan de overkant, maar ik zag niemand. Eigenlijk moest ik naar de kerk, maar het begon weer zo hard te sneeuwen, dat ik maar thuis ben gebleven. Ik vind dat een heel goede reden. En ik ben ook een beetje verkouden.
En nu zit ik voor het raam en houd de vensters van het huis over de gracht in de gaten, maar Léon laat zich niet meer zien. Het maakt me treurig. Misschien heb ik het me wel verbeeld dat hij voor mij hetzelfde voelt als ik voor hem, denk ik. Dat gearmd lopen houdt toch niets in? Hij deed dat natuurlijk alleen om me te helpen, verder niets. Maar waarom wilde hij dan al die dingen weten over papa en mama, waar ze woonden en wat ze deden en op welke school ik had gezeten en hoe ik terecht was gekomen bij mevrouw Laméris? Was dat gewone nieuwsgierigheid? Kende hij mevrouw Laméris? Ik weet de antwoorden niet. Maar ik ben wel verliefd en ik kan er niets aan doen. Joods... Mama zegt dat het Joodse volk uitverkoren is en dat je maar niet aan Gods oogappel - want zo noemt ze de Joden - moet komen, want dan kon het wel eens slecht met je aflopen. Nou, dan mag die meneer Hitler wel uitkijken. Ik heb hem eens gehoord voor de radio. Juffrouw Benedict luisterde naar de radio toen er even geen klanten waren. Met een gezicht vol aanbidding luisterde ze naar die hysterisch schreeuwende mannenstem. Toen aan het eind drie keer 'Heil' werd geroepen, stond ze op en deed haar rechterarm schuin omhoog. Op dat moment kwam mevrouw Laméris binnen, die vreselijk kwaad werd. 'Doe die radio onmiddellijk uit,' beval ze. Juffrouw Benedict gehoorzaamde ogenblikkelijk. 'Als ik nog één keer merk dat u de radio aanhebt en luistert naar deze man, bent u ontslagen,' waarschuwde mevrouw Laméris. Ze draaide zich hooghartig om en liep het trapje op naar de pasruimte.
Juffrouw Benedict keek haar na en siste iets onduidelijks. Als blikken konden doden, was mevrouw Laméris nu overleden. Ik werd er bang van. Eerlijk gezegd, ik vind juffrouw Benedict een beetje een gevaarlijk mens, maar waarom weet ik niet. Mijn hoofd tolt om van de gedachten. Nog één keer kijk ik door het raam. Sneeuwvlagen jagen voorbij en doen hun best het hele raam te bedekken met sneeuwvlokken. Het lukt aardig. Aan de overkant is het donker, blijft het donker. Misschien vindt hij me wel veel te jong. Laat ik maar naar bed gaan.
Liefs, je Beatrijs
Dus die Léon was Joods, dacht Tessa. Gevlucht met zijn ouders uit Duitsland en niet wetend wat er nog boven hun hoofd hing. Dat de duivelse, lange arm van Hitler tot ver in Europa zou reiken en ook Nederland in bezit zou nemen. Ze was toch wel benieuwd wat oma Beatrijs had gedaan. Had ze die Léon in het vervolg ontweken of had ze zich niets aangetrokken van de woorden van die werkgeefster?
Tessa wist ook niet goed wat ze van die mevrouw Laméris moest denken. Misschien was ze wel heel wantrouwend, maar welk belang had die vrouw gehad bij het waarschuwen van haar grootmoeder? Was ze werkelijk bezorgd geweest of had ze die Léon willen dwarszitten? Had dat inderdaad te maken met geld, zoals haar grootmoeder voorzichtig had gesuggereerd? Een tamelijk geheimzinnig mens, die voormalige werkgeefster van haar grootmoeder. En die Duitse juffrouw Gertrud Benedict, zou die nog een rol spelen in het verdere leven van oma Beatrijs? Wat was dat een fanatieke volgelinge van Hitler geweest met haar nazigroet. Die mevrouw Laméris had dat gevaarlijke mens beter direct kunnen ontslaan. Al met al vond Tessa haar grootmoeder als jong meisje wel erg naïef, of waren alle meisjes van zeventien in die tijd zo argeloos? Ze had zin om nog even verder te lezen, maar ze wist zichzelf te beheersen. Vanavond had ze een eetafspraak waarvoor ze nog de boodschappen in huis moest halen. Ze stopte de brieven weg in de enveloppen, knoopte de omslag dicht en sloot het herbarium veilig weg achter slot en grendel.