Ivo had voorzichtige pogingen gedaan om met Mirjam te vrijen, maar ze zei dat ze doodmoe was. Te veel gebeurd, te veel emoties. Ze lagen in bed en hij streelde haar schouder, liet zijn vingers over haar heup gaan, over de vloeiende lijn van haar lendenen.
'Dat kietelt,'zei ze.
Hij haalde zijn hand weg.
Hoewel hij het probeerde weg te drukken, verscheen toch het beeld van Karel voor zijn geestesoog. Het was noodzakelijk om Mirjam te vertellen dat hij hier was geweest, dat ze op dit onderduikadres niet meer veilig waren, dat Michiel hem zonder het te weten hiernaartoe had geleid. Mirjam moest het weten, daar had ze recht op. Het volgende moment zag hij Mirjam met Michiel, alsof ze het verhaal van Karel naspeelden.
'Weet je...' begon hij, maar toen hield hij zich in.
'Wat is er?'
'Huttinga is hier vanmiddag geweest.'
Mirjam kwam overeind op een elleboog. In het kaarslicht zag hij de schrik in haar ogen. 'Wie?' vroeg ze.
Hij wist dat ze hem wel had verstaan. 'Huttinga... vanmiddag, toen jullie boodschappen aan het doen waren in Rochefort.'
'Hoe wist-ie dat we hier waren?'
'Michiel... Hij is gewoon Michiel achternagereden.'
Ivo hoorde hoe ze diep inademde en die adem een tijdje vasthield.
'Wat moeten we nu?'
'Ik weet niet. Morgen komt-ie weer, heeft-ie gezegd. Hij wil dan garanties, keiharde garanties.'
Mirjam liet zich weer terugvallen. Roerloos lag ze naast hem. 'Waarom heb je dat niet eerder verteld?' Er zat een licht beschuldigende toon in haar stem. Nu kon hij haar helemaal niet meer vragen over Michiel.
'Waarom vertel je het nu pas?' vroeg ze opnieuw.
'Ik wou de sfeer niet verpesten, en...'
'En nu dus wel?' onderbrak ze hem.
Hij zweeg. Haar lichaam was plotseling anders geworden, het bed voelde als een vreemd bed.
'En nu kan je dus wel de sfeer verpesten?' herhaalde ze.
'Daar gaat het niet om. Ik bedoel, ik vond dat ik het je moest vertellen, dat je er recht op had om het te weten.'
'Dat had ik eerder toch ook al.'
'Ja, absoluut, maar ik zocht naar het goeie moment.'
'En dat was nu dus.' Ze kwam opnieuw op een elleboog overeind. 'Maar hij komt dus morgen. Wat gaan we dan doen?'
'Misschien moeten we weggaan,' stelde hij voor. 'Ergens een hotel nemen of zo.'
'Ik wil me niet meer laten opjagen.' Het was of ze een definitief besluit had genomen. 'Zeker niet door die schoft van een Huttinga, die halve crimineel. Wat denkt die man? Dat-ie zomaar ons leven op zijn kop kan zetten. We moeten er een eind aan maken, voor eens en altijd.'
Ze lagen minutenlang zwijgend bij elkaar. Een eind eraan maken, wat bedoelde ze in godsnaam? Toch niet de gaskraan opendraaien en samen hier blijven liggen?
'Hoe dan?' vroeg Ivo ten slotte.
'Het moet nou eindelijk eens een keer afgelopen zijn,' zei Mirjam, 'want dit trek ik niet langer.'
Mirjam dronk van haar koffie. Dit was haar derde kopje al. Haar maag was onrustig en ze wist dat haar knieën wankel zouden zijn. Toch zou ze als het moest een vierde, vijfde kopje nemen... en eventueel meer. Als het moest... Eigenlijk was er maar één ding dat werkelijk moest.
Ze probeerde te lezen, maar het lukte niet om haar aandacht bij de fietsende vrouwen te houden. Zadelpijn... Ivo en Michiel op hun racefiets. Weer een man met een kleine passie voor wielrennen; dat was blijkbaar haar noodlot, 's Zomers hadden ze nooit op vakantie gekund als de Tour de France werd gereden. Bij bergetappes altijd een lange middaguitzending. Daar bleef Ivo speciaal voor thuis, ook als het hem geld kostte en hij niet naar een veelbelovende klant kon. Hij schamperde altijd op Mart Smeets, maar ondertussen bleef hij aan het toestel gekluisterd.
Ze schrok op door een geluid van buiten. Nee, vals alarm. Niets aan de hand. Kwart over drie. Het zou best een tijdje kunnen duren, maar tegelijk kon hij elk moment hier zijn. Ze dronk het laatste slokje koffie uit haar kopje. Koud en bitter. De open haard begon minder te worden. Ze legde met de tang nog een blok hout op het vuur, pookte er daarna een beetje in. Het verbrande hout verpulverde tot as.
Alles zou anders worden, ze wist het zeker. Misschien kon ze vaker terugkomen in dit huis. Of was het te veel door herinneringen getekend?
Ze had geen auto gehoord, maar zag hem over het pad naar de voordeur lopen. Twee keer werd er geklopt. Ze had de neiging om 'Hij is er' te roepen, maar dat was nergens voor nodig.
Langzaam ging ze naar de voordeur, die ze een klein stukje opende. Inderdaad, net Leo Huttinga, maar dan anders, waarschijnlijk meer vet, minder gespierd.
'Mijnheer Huttinga?'
Hij stak zijn hand naar voren, die ze negeerde. 'Mevrouw Verstegen, neem ik aan?'
'Van der Hoek,' zei ze, 'Mirjam van der Hoek.'
'Natuurlijk... Zelfstandig, geëmancipeerd, eigen geld, dus de meisjesnaam. Mag ik even binnenkomen?'
Ze deed de deur verder open en hij stapte het gangetje in. Dit zou het moment kunnen zijn. Hij verwachtte niets.
'Waar is uw man?'
'Die komt zo.'
'U weet wat ik met hem heb afgesproken?'
Ze stonden nog steeds in het gangetje. Het werd bijna een beetje ongemakkelijk. Ze rook zijn geur: sigaren en drank, net als Wibo Hoeveling van de centrale directie. Dit was het moment. Hoe langer Ivo wachtte, des te moeilijker werd het.
'Ja, daar hebben we het over gehad.'
'Dus jullie beseffen dat dit de deadline is...' Het was of hij bewust voor dat woord had gekozen, en hij sprak het ook uit met sterke nadruk op de eerste lettergreep. Tegelijk bleef hij - alsof het zo kon worden geneutraliseerd - vriendelijk glimlachend kijken. 'Dat ik vandaag die garantie moet hebben, omdat ik me anders verplicht voel om andere, misschien nog radicalere maatregelen te nemen.'
Ivo stond achter de gesloten deur naar de keuken. Hij probeerde zich in te prenten dat hij niet te veel moest nadenken. Gewoon doen, dat zou het motto moeten zijn. Just do it. Nike. Een advertentie voor een van de bladen van Mirjam. Vannacht had hij het haar beloofd. Het kostte hem geen enkele moeite om iets aan Mirjam te beloven; dat was misschien de enige manier waarop hij het goed kon maken. Nadat Mirjam het initiatief had genomen, hadden ze gevreeën, alsof ze op die manier een afspraak konden bezegelen. Voor altijd bij elkaar. De hatelijke roddel van Karel sloeg nergens op.
Door de deur heen hoorde hij hun stemmen. Waarom bleven ze daar zo lang staan? Ze hadden verdomme een duidelijker afspraak moeten maken. Zijn hand begon zwaar en log aan te voelen; de vingers werden stijf. Straks schoot de kramp erin. Vanochtend had hij geoefend, verderop bij de oude vuilstortplaats. Hier in de buurt werd nog wel eens illegaal gejaagd. Niemand zou die paar knallen vreemd hebben gevonden.
Hij sloot even zijn ogen. Dacht aan de start van een wedstrijd. Het verschil was dat iedereen daarbij wist wat er ging komen. De renners anticipeerden erop. Nu moest het verdomme gebeuren. Dit was de enige manier, had Mirjam hem voorgehouden, en ze had gelijk. Natuurlijk had ze gelijk.
Het was belangrijk om in één keer veel herrie te maken, gewoon voor paniek te zorgen, maar zelf koel te blijven. Hij schopte de deur open.
'Wat is...?' begon Karel. Verder zou hij nooit komen.
Ivo had het ijskoud, terwijl het zweet op zijn rug stond. Zijn tanden klapperden en zijn handen trilden.
Mirjam stond met de fles voor hem, een vragende uitdrukking op haar gezicht. Ze zei ook iets, maar hij kon haar niet verstaan. Misschien kwam dat doordat het geluid van het schot door zijn hoofd bleef resoneren. Gek genoeg hoorde hij wel klanken, maar het lukte hem niet om daar een zinvolle mededeling mee te componeren.
Hij knikte.
Ze schonk een glaasje cognac in.
Hij bracht het naar zijn mond. Zijn tanden tikten tegen het glas. Het was lekker, precies wat hij nodig had. Mirjam wist altijd wat hij nodig had. Even dacht hij aan het lichaam in het gangetje, maar hij probeerde dat beeld zo snel mogelijk kwijt te raken. Mirjam nam zelf ook een glas. Vanaf nu zou alles goed zijn. Ze kochten een nieuw huis. Misschien gingen ze eerst tijdelijk in haar vaders huis in Abcoude wonen. Een kind was een optie. Een gezin, met z'n drieën. Later mogelijk een tweede kind. Maar dan zag hij Karels ogen weer. Hoe was het mogelijk dat die zo snel doodsangst konden uitstralen, meteen nadat hij hem had gezien, in een fractie van een seconde? Als een blok was hij tegen de grond geslagen. Nog even was een trilling door zijn imposante lichaam gegaan, hij had een arm kort opgetild en weer laten vallen, en was daarna stil gebleven, beangstigend stil. Ivo had in afgrijzen toegekeken.
Mirjam, die blijkbaar de hele tijd zo voor hem was blijven staan, stak de fles een stukje omhoog.
Hij reikte met zijn glas in haar richting.
' Drink je niet te veel ?'
Hij kon haar tenminste weer verstaan. 'Ik begrijp niet dat ik het... ik heb 'm... dat ik het heb gedaan.' Hij nam een slokje, en voelde de hitte in zijn slokdarm, de warmte in zijn maag, maar daarbuiten alleen een ijzig omhulsel. 'Zeg dat het niet gebeurd is. Het is allemaal een droom. Ik heb zitten fantaseren. Karel ligt daar niet.' Hij strekte zo snel zijn arm in de richting van het gangetje, dat hij een groot deel van de cognac morste.
Mirjam ging naast hem zitten en sloeg een arm om hem heen. 'Je hebt het gedaan, je hebt ons gered.' Ze gaf een zoen op zijn wang en schonk zijn glas bij.
Hij bewoog wild met zijn hoofd heen en weer, maar zelfs zo lukte het niet om de beelden van zich af te schudden. Dit was dus wat mensen een levende nachtmerrie noemden. A living night- mare. Hoe was het verdomme mogelijk dat hij zomaar, zonder dat hij daarin had toegestemd, zonder dat hij een contract of wat dan ook getekend had, midden in deze film zat? 'Ik heb het koud,'zei hij.
'Zal ik nog wat hout op het vuur gooien?'
'Daar gaat het niet om.'
'Ik begrijp het.' Ze drukte zich steviger tegen hem aan.
Hij raakte het besef van tijd kwijt. Uren zouden ze zo kunnen zitten, starend naar een punt dat zich buiten dit huis bevond, een punt waar hij nooit zou kunnen arriveren. Het begon al een beetje te schemeren.
Ze zwegen minutenlang. 'Hij moet weg,' zei Mirjam ten slotte. 'Dat weet je. Hij verdwijnt niet vanzelf.'
'Nee, natuurlijk niet.'
'Wat wil je doen?' vroeg ze.
'De oude vuilstortplaats. Ik heb een schep nodig.'
'Onder het afdak staat er volgens mij een.' Mirjam kwam ook overeind. 'Zal ik hem pakken?'
Hij ging het gangetje in. Daar lag een zware zak met allemaal oude spullen, probeerde hij zich in te prenten, een levenloze, grote zak. Met zijn kaken stram op elkaar, zodat het bijna pijn deed, liep hij naar buiten. Hij startte de auto en reed hem tot vlak voor het huis. Daarna deed hij de achterklep open.
Zwijgend gaf Mirjam hem de schep, die hij achterin legde.
'We zullen het samen moeten doen,' zei hij. ik neem de bovenkant, jij de benen.' Hij had Karel net bij de schouders gevat, toen hij geluiden vanaf het pad hoorde. 'Verdomme, daar komen mensen aan. Wie zijn het, wie zijn het?'
'Rustig nou maar. Mensen laden wel vaker iets in hun auto. Niks aan de hand.'
'Ze kunnen toch niet naar binnen kijken?'
Er liepen twee mensen, een man en een vrouw, met een hond. De hond trok hevig aan de riem, maar de man haalde hem telkens terug. Ivo had het idee dat ze verschrikkelijk verdacht leken, zo in de open deur. Straks zouden die mensen het pad op komen en de weg vragen. Misschien wierpen ze een blik naar binnen.
'De goede inzender wordt gestraft,' prevelde hij. 'Verboden toegang voor bevoegden. Wie weg is, wordt niet gezien.'
'Wat zeg je?'
'Niks,' fluisterde hij, en daarna met luide, maar halfbrekende stem: 'Bonsoir.'
De man en de vrouw groetten terug. De hond sleurde hen voort. Nu zo krachtig dat de man bijna struikelde. 'Merde!' Hij probeerde de hond een tik te geven, maar miste hem net.
'Tomtom, doucement!' waarschuwde de vrouw.
De hond trok gewoon door.
Toen het duo met de hond uit het zicht verdwenen was, begonnen ze aan het eerste deel van het karwei. Karel was zwaar, misschien wel honderd kilo. Het was moeilijk om zijn benen zo te krijgen dat de achterklep dicht kon. Eindelijk lukte het. Er lag gelukkig ouderwets zeil in de gang, speciaal bedoeld voor de vakantiegangers die met natte, vuile schoenen en laarzen binnenkwamen. Mirjam zou dat straks grondig schoonmaken. Karel was hier nooit geweest. Niemand had hem gezien. Waar hij gebleven was? Hoe konden zij dat nou weten?
Hij zette de auto op zijn oude plek, op het gras langs het weggetje, en ging daarna het huis binnen. Na een minuut of vijfkwa- men de man en de vrouw met Tomtom terug. Die trok nog net zo aan de lijn als eerder.
'Zal ik meegaan?' vroeg Mirjam.
'Ik doe het wel alleen.' Hij gaf haar een zoen, stapte in de auto en reed weg. Het idee dat ze hier op hem zat te wachten, was vol- doende. Eerst hadden ze overwogen om vanavond weg te gaan, en een hotel in bijvoorbeeld Rochefort te nemen, maar daar zouden ze zich moeten identificeren, en dat was misschien niet handig. Afgezien van Michiel wist niemand dat ze hier waren. Bovendien zouden ze vanavond helemaal gesloopt zijn. Stel dat ze in de auto stapten en van pure vermoeidheid van de weg af raakten en tegen een boom knalden. Of op de verkeerde weghelft en frontaal op een tegenligger. Eerst hier een nacht slapen, daarna zouden ze verder zien.
Hij miste bijna het brede, half verharde pad naar de vuilstortplaats. Achteruit reed hij de auto erin. Hij verkende eerst de stinkende berg met vuilnis tot hij een geschikte plek gevonden had. Daarna deed hij zijn jas uit en begon zo veel mogelijk troep weg te scheppen ofte schuiven. Het was droog, maar helaas windstil, waardoor de zure, bedompte stank bleef hangen. De laarzen uit het huis, die hij had aangetrokken, kwamen hem hier op deze glibberige hoop, waarin hij af en toe een stukje wegzakte, uitstekend van pas. Hij begon te scheppen. Langzaam vorderde hij. Het was zwaarder dan hij had verwacht.
Toen hoorde hij de motor van een auto. Eerst dacht hij zichzelf iets in te beelden. Hij stond stil en luisterde scherp. Het geluid kwam dichterbij. Verdomme, dat kon niet, dat nu net iemand hier zijn troep kwam dumpen. Twee lichten naderden, die stopten bij de ingang van het pad naar de stortplaats. Twee mensen stapten uit, twee mannen. Hij kon ze horen praten, Frans, maar verstond niet wat ze zeiden. Ze moesten zijn auto hebben opgemerkt. Gelukkig dat hij de achterklep niet alvast open had gedaan.
Ivo liet de schep in het vuilnis staan en probeerde geluidloos lopend de rand van de vuilstortplaats te bereiken. Wat was dat? Ze schenen met een zaklantaarn; de lichtstraal bewoog alle kanten uit, als een ongeleid projectiel. Toen leken ze een besluit te hebben genomen, en kwamen ze zijn richting uit gelopen. Een van de mannen werd uitgelicht door de koplampen van hun auto. Hij droeg een uniform.
Ivo schoof achter een paar struiken en ging op zijn hurken zitten.
Ze stonden nu bij zijn auto. De ene man zei iets over sa femme, dat ze iets verteld had. Maar Ivo kon niet precies horen waar ze het over hadden. Sa femme, dat kon Mirjam toch niet zijn? De man met de zaklantaarn deed de achterbak van de Volvo open, alsof hij wist waar hij moest zoeken, en scheen naar binnen. De ander floot tussen zijn tanden.
Ivo vloekte geluidloos.