Ivo liet de hoorn van de telefoon uit zijn handen vallen. Met de schrik in zijn vingers grabbelde hij hem van de grond.
'Bel me even terug.'
'Maar...' begon Ivo. Hij had de stem van Karel herkend.
'Uit een openbare telefoon. Niet van je vaste telefoon, niet van je gsm. Bel naar VakZuid en vraag naar mij.' Hij gaf het nummer.
Voordat Ivo kon beginnen met het maken van een tegenwerping, had Karel het gesprek afgebroken.
Hij trok zijn jas aan en ging op zoek naar een openbare telefoon. Gelukkig beschikte hij over een telefoonkaart voor noodgevallen. De eerste telefoon in zijn buurt was defect. Bij de volgende stond iemand te bellen, een vrouw met haar rug naar hem toe. Ze was breed, en op de achterkant van haar spijkerbroekstond met grote letters HEAVENLY. Op de ene bil HEAV en op de andere ENLY.
In zijn hoofd schoot het alle kanten uit. Het was moeilijk om één consequent gedachtespoor vast te houden. Misschien wilde Karel hem bellen om te melden dat het ergste gebeurd was. Jammer, hij had het niet gewild, maar het was uit de hand gelopen, en... Het speet hem, maar het was niet zijn schuld. Of dat hij verder overal vanaf zag. Nieuwe prioriteiten, nieuwe kansen. Misschien waren sommige dingen een beetje uit de hand gelopen, sorry, risico's van het vak. Karel ging gewoon door waar hij was opgehouden, maar hij stopte zelf als makelaar, verhuisde waarschijnlijk naar een ander deel van het land. Hier wilde hij niet meer zijn. Weg uit Amstelveen, vooral weg uit Amsterdam, waar alles aan Mirjam herinnerde. Elke straathoek, het Vondelpark, cafés, restaurants.
De vrouw belde maar door. Ivo ging naar haar toe en tikte op haar schouder. Ze draaide haar hoofd om en hij keek in haar rood behuilde ogen.
'Duurt het nog lang?' vroeg Ivo.
'Misschien wel,' snikte de vrouw.
Ivo ging aan de andere kant van de telefooncel staan, zodat ze hem zou kunnen zien, maar ze hield haar ogen neerwaarts. Na een minuut of vijf was haar telefoonkaart waarschijnlijk uitgeput. Ze schreeuwde nu in de hoorn. 'Nee, wacht... ik heb geen beltegoed meer. Dat kan je niet maken! Je mag...' Ze draaide zich abrupt om en rende de straat uit. De hoorn bungelde naast het toestel.
Ivo toetste het nummer van VakZuid in. Hij kreeg iemand van het personeel aan de lijn en vroeg naar 'mijnheer Huttinga'. Op de achtergrond was cafégedruis te horen. Het duurde even voordat Karel aan het toestel kwam.
'Ze werkt niet erg mee,' zei Karel. 'Eigenlijk werkt ze helemaal niet mee.' Zoals gewoonlijk had zijn stem een dreigende onderlaag.
Ivo begreep meteen dat het volgens Karel aan hem te wijten was. 'Maar wat jullie gedaan hebben, is helemaal niet volgens de afspraak,' zei hij. 'Jullie zouden haar alleen...'
Karel onderbrak hem, en herhaalde alleen dat Mirjam niet meewerkte.
'Daar kan ik niks aan doen,'zei Ivo.
' Dan moet je maar eens gaan bedenken hoe je er wel wat aan kan doen.'
'Maar wat kan ik dan...?'
' Bedenk maar wat,' onderbrak Karel. 'Ik wil geen gezeik meer van jou. Dat heb ik al genoeg gehoord. Begrijp je dat?'
'Ja, natuurlijk. Maar met de Conradstraat... Ik kon toch niet weten dat...' probeerde Ivo.
'Laat je fantasie maar 's een beetje werken, want ik ben niet van plan veel langer te wachten. Je weet wat er soms plotseling met mensen kan gebeuren, helemaal vanuit het niks. Je hebt al die berichten toch wel gelezen over een paar van mijn minder gelukkige collega's, hoe plotseling een onverwacht eind is gekomen aan hun mooie carrière?' Karel was zeldzaam praatgraag. 'Mijnheer Verstegen, zoiets kan ook met u gebeuren. Zomaar. U loopt een restaurant uit, u verlaat een café, en daar staat-ie, u rijdt op uw scooter en een auto komt naast u rijden, het raampje wordt naar beneden gedraaid... Ja, ben ik duidelijk?'
Mijnheer Verstegen. Terwijl het vanaf het begin altijd Ivo was geweest.
Het was moeilijk om de dagen bij te houden in deze kamer waarvan de ramen waren dichtgetimmerd. De hele tijd dat ze hier was, had Mirjam geen licht gezien. Ze meende te weten dat het een oud huis was, nog net geen krot, maar aardig in die richting. Geen kleed op de vloer, de planken kraakten, scharnieren piepten. Een paar keer had ze in de verte geluid gehoord, waarschijnlijk van een tractor. Het kwam en het ging, het kwam en het ging, enkele uren achter elkaar. Misschien was een boer aan het ploegen. Soms ging Kolos weg. Hij meldde het van tevoren. 'Ik ben een tijdje weg.' Op haar vraag hoe lang antwoordde hij niet. Ze had een deur dicht horen slaan. Een auto werd gestart en ze was alleen.
En dit moest ze allemaal doormaken omdat Ivo een paar enorme blunders had begaan. Drie dagen was het nu volgens haar. Dat betekende dat ze al drie dagen bezig was geweest om na te denken over wat ze kon doen. Het had geen zin om te wrikken aan het touw rond haar polsen, omdat Kolos het steeds losmaakte als ze naar de wc ging en als ze moest eten. Daarna maakte hij het opnieuw stevig vast, hoewel minder stevig dan in het begin. Het was soms net of haar bewaker een beetje medelijden begon te voelen, maar misschien probeerde ze zelf iets te zien wat er niet was. Hij had haar een paar keer duidelijk gemaakt hoe ze makkelijk weer haar vrijheid kon terugwinnen. Ze moest simpelweg zorgen voor het geld. Enkele handtekeningen waren voldoende.
Natuurlijk zou het makkelijk zijn om toe te geven, maar dat deed ze niet, dan hadden ze aan haar een verkeerde. Het zou trouwens niet eens meer kunnen, dat had ze zelf onmogelijk gemaakt, maar ze was niet van plan dat tegen Kolos te zeggen. Die zou mogelijk in woede ontsteken en haar iets verschrikkelijks aandoen.
Verveling, opperste verveling. Haar bewaker moest in een ander deel van het huis zijn. Ze had het idee dat het nu nacht was, maar ze voelde zich volstrekt niet slaperig. Ze ging op het bed staan en rekte haar armen. Ze liet het touw langs de dunne ijzeren pijp glijden. Daar, bijna bovenin, zat iets ribbeligs op het metaal, een klein uitsteeksel. Als ze bleef bewegen met het touw, moest het slijten. Eindelijk iets te doen. Stom dat ze hier niet eerder op was gekomen. Geconcentreerd ging ze aan de slag. Na een minuut of tien moest ze even rusten. Het was onduidelijk of haar activiteiten enig effect hadden, maar ze wist dat ze ermee door zou gaan.
Ivo keek op de wekkerradio. Kwart over twee. Hij was doodmoe, tot in alle vezels van zijn lichaam, omdat hij de vorige nachten ook nauwelijks had geslapen. Nu had hij nog geen oog dichtgedaan. Elke keer zag hij het weer voor zich in verschillende beelden. Het waren scènes uit films die hier in zijn eigen slaapkamer voor hem werden afgespeeld. Soms was het Mirjam die naar een duistere plek werd geleid waar ze haar treurige einde zou vinden, dan kwam een discrete politieman hier aan de deur om hem op de hoogte te stellen, dan verscheen Karel of hij werd zelf meegenomen, naar zo'n luguber oord. Maar niets was zo erg als de droom die hij afgelopen nacht had gehad, toen hem een pistool in handen werd gedrukt om eigenhandig het vonnis te voltrekken. Mirjam die hem met smekende ogen aanstaarde, zodat hij ten einde raad de loop van het pistool tegen zijn eigen slaap zette. Door de knal was hij wakker geworden. Ja, toen had hij geslapen, maar zijn lichaam deed pijn van vermoeidheid nadat hij aan de droom was ontsnapt.
Hij ging op het bed zitten. Zijn ademhaling ging jachtig door zijn keel, alsof hij net tien kilometer op topsnelheid had gefietst. Rustig, hij moest proberen rustig te worden. Hoe had hij ook zo stom kunnen zijn? Het was een belachelijk plan geweest. Nu kon hij niet meer begrijpen hoe hij er ooit in mee had kunnen gaan. Het leek zo simpel in de voorstelling die Karel ervan gegeven had. Als hij maar even had doorgedacht, dan had hij kunnen beseffen welke problemen hij zich op de hals zou halen. Hij had moeten voorzien dat het niet zou blijven bij 'even meenemen en een beetje onder druk zetten'. Niets was simpel als je met zo iemand als Karel te maken had. Ja, wanneer alles gestroomlijnd verliep, iedereen meewerkte, iedereen betaalde en op tijd 'ja' en 'amen' zei, dan was er niets aan de hand. En vanuit die gedachte had hij hiermee ingestemd en had hij zelfs verteld wanneer ze alleen thuis zou zijn. Hij had zich er verdomme in laten luizen en zijn eigen vrouw verraden. Voor eeuwig zou hij zich hier onder het dekbed moeten verbergen, tot van hem alleen een stel rammelende botten was overgebleven.
Ivo ging weer liggen, maar volledig onder het dekbed kreeg hij het stomend warm. Hij stond op en ging naar de woonkamer waar hij de televisie aanzette. Al zappend belandde hij in een herhaling van een praatprogramma. Verdomd, het ging over liquidaties. Enkele foto's van een decent onder een laken verborgen lijk schoten over het scherm. Ernstige, bezorgde gezichten rond de tafel. Een tweede lijk. Hij schakelde snel door naar een andere zender, waar hij in een politieserie terechtkwam. Onontkoombaar, overal gebeurde het. Ze deden dit gewoon om hem nog meer te verontrusten. Politiemensen doorzochten een bos, speurend naar aanwijzingen. Iemand vond een deel van een kledingstuk, dat hij bijna triomfantelijk aan een collega liet zien. De camera zoomde in op het stukje textiel. Bloed. Alles was verdomme bloed... bloed, zweet en tranen.
Ivo zette de tv uit en ging voor het raam staan. Het was nachtstil in de straat. Geen levende ziel te bekennen. Iedereen sliep in deze keurige woonbuurt. Morgen riep het werk weer. Mannen gingen naar hun kantoor, vrouwen ook, behalve wanneer ze volledig voor de kinderen en het huishouden zorgden. Niemand wist ergens van. Ze hadden tot nu toe weinig contact onderhouden met mensen in hun buurt. De buren groetten ze, en het was niet verder gekomen dan een kopje koffie ter kennismaking toen ze hier waren komen wonen. O ja, ze waren een keer teruggevraagd, maar daar was het bij gebleven. Waarschijnlijk had niemand Mirjam gemist. Op haar werk wel natuurlijk. Ivo had haar ziek gemeld, en toen een collega hem belde met de vraag of ze misschien even langs kon komen omdat ze toch in Amstelveen moest zijn, had hij gezegd dat dat niet zo goed uitkwam. Wat ze had? Niets anders dan een griepje. Of ze Mirjam aan de telefoon kon krijgen? Moeilijk op dit moment, want ze lag net te slapen, en die slaap had ze hard nodig. Volop begrip aan de andere kant van de lijn, zo hoorde het ook. Maar ze had wel gevraagd of Mirjam terug kon bellen. Mi- chiel had hem een paar keer gebeld om te vragen of er al nieuws was. Michiel, die hem tot steun probeerde te zijn... Ivo schaamde zich ervoor dat hij hem niet het hele verhaal kon vertellen.
Misschien zou het beter gaan als hij iets deed, en zich niet meer willoos liet leiden door anderen. Hij kleedde zich warm, trok een dik jack aan en stapte op zijn scooter. Dit was lekker, door deze nachtelijke straten rijden. Alle stoplichten knipperden oranje. Die waarschuwing was zeker aan hem besteed. Voorzichtig... kijk uit... gevaar. Hij reed door naar Amsterdam, non-stop naar het kantoor van Huttinga Vastgoed. Vanaf de overkant van de straat keek hij naar het gebouw. Daarboven moest Karel wonen. Ivo wist niet eens of hij een vrouw had, misschien zelfs kinderen. Het was bijna onmogelijk om zich Karel voor te stellen als vader van kinderen. Over zaken die met een gezin te maken hadden, praatte je nu eenmaal niet met Karel. Dit was zijn laatste kans. Hij moest hem ervan zien te overtuigen dat alles moest worden afgeblazen. Het was zonneklaar dat Mirjam niet toegaf, anders was ze al lang terug geweest, dan was alles geregeld.
Ivo zette zijn scooter op slot en liep naar het kantoor. Naast de deurpost zat een rijtje met zes bellen, voorzien van keurige koperen naambordjes. Nu moest hij doorzetten en laten zien dat het hem ernst was. Geen omtrekkende bewegingen meer, niet angstig afwachten, in zijn schulp kruipen, terugtrekken, zoals eerder vanavond over de telefoon. Weg met de angsthazerij en het bange hart. Hij zou Karel verdomme eens een keer laten zien dat hij geen doetje was die zich alles maar liet aanleunen en die over zich heen liet lopen.
Mirjams spieren protesteerden heftig. De repeterende beweging putte haar uit, maar ze merkte dat het resultaat had en ging dus door, zichzelf inbeeldend dat ze een machine was, een onvermoeibare machine. Ze voelde dat enkele flintertjes touw waren losgekomen. Af en toe rustte ze en ging op het bed liggen. Door de inspanningen had ze het nu niet meer koud. En er gloeide nóg iets in haar: als ze dit volhield, lag de weg open, dan kon ze aan deze ellendige toestand een eind maken. Dan moest ze natuurlijk aan haar bewaker weten te ontsnappen. Terwijl ze net weer wilde gaan staan, hoorde ze geluiden uit de gang. Snel werkte ze zich op haar zij. De deur ging open. Alles zou verloren zijn geweest, als hij haar had betrapt.
Sigarettenrook drong haar neusgaten binnen. Hij kwam dichterbij. Mannen bleven mannen. Als hij werkelijk iets wilde, was ze machteloos, zeker als haar handen gebonden bleven. Ze hield haar adem in tot het pijn deed.
Hij humde alleen een beetje, misschien wel tevreden, en daarna verliet hij de kamer. Ze liet haar adem los. Vrijwel meteen daarna ging ze weer staan en begon aan haar eentonige, maar volstrekt niet geestdodende activiteit. Ze telde haar op en neer gaande bewegingen. Zeshonderdachttien, zeshonderdnegentien... Ze voelde hoe de speling toenam, en ging door. Hoe zou het met Ivo zijn? Bang, natuurlijk, doodsbang. Maar als het eropaan kwam, was het wel zijn schuld. En Michiel, zou die het weten? Ivo had het hem vast en zeker verteld, maar de vraag was hoe hij daarop zou reageren. Ze zag ze beiden voor zich, terwijl het touw langs de ribbeltjes heen en weer schoof. Pratend, discussiërend, misschien ruziemakend. Voor zover ze wist, had Ivo nooit ruzie met Michiel gehad.
Achthonderdvierendertig... achthonderdvijfendertig... achthonderdzesendertig... Ze trok nog even en tot haar verbazing was ze plotseling los van de stalen pijp. Half struikelend viel ze achterover. Wat ze nu moest doen, was mogelijk te groot voor haar. Eerst deed ze de blinddoek af. Ze kneep haar ogen dicht, maar had geen last van het schemerige licht. Hoewel het moeizaam ging, omdat haar handen nog steeds gebonden waren, wist ze het touw rond haar benen los te krijgen. Ze stond nu naast het bed, met een onbeheerst kloppend hart. Rustig worden en nadenken, dat was het belangrijkste. Misschien moest ze eerst haar handen zien los te maken. Ze had geen benul van de tijd. Kolos zou elk moment binnen kunnen komen en haar zo aantreffen. Ze luisterde scherp. In de verre verte misschien het geluid van een auto, verder was het stil.
' Ben je helemaal besodemieterd? Wat heb ik je nou over de telefoon gezegd?'
Karel stond voor hem in een ochtendjas met tijgerprintmotief. Karel werd zelf een tijger, die hem zou kunnen bespringen en levend verscheuren. Ivo had aangebeld, en na een tijdje had Karels stem geklonken door de intercom. 'Wie is daar?' Ivo had zich bekendgemaakt, en Karel had gevraagd wat hij op dit onzalige uur kwam doen. 'Om kwart over drie 's nachts, godverdomme, wie denk je wel dat je bent?' Ivo had gezegd dat hij wilde praten. Daarna was de deur opengeklikt.
Ze stonden nu nog in de gang. Karel keek hem misprijzend aan. 'Komt er nog wat van?'
Ivo verzamelde al z'n moed. 'We moeten ermee ophouden. Dit kan niet zo. Mirjam geeft niet toe. Dat doet ze gewoonweg niet. Ik weet hoe ze is.'
'Dat had je dan eerder moeten bedenken.'
'Maar ik heb het eerder al gezegd, maar jij wilde...' Ivo maakte zijn zin niet af.
'Wat wilde ik niet, mijnheer Verstegen?' Karel deed een klein, maar dreigend stapje naar voren.
'Nee, niks. Het was gewoon een slecht plan en ik had nooit begrepen dat je zo ver wilde gaan. Dat was helemaal de bedoeling niet.'
Karel keek alleen maar. Ivo was zich nog nooit zo goed bewust geweest van de betekenis van de uitdrukking over blikken die konden doden.
'We kunnen het toch terugdraaien,' stelde Ivo voor.
'En hoe wou je dan aan dat geld komen?'
Ivo probeerde langs Karel heen te kijken, naar een toekomst zonder zorgen, een gelukkige toekomst met Mirjam, misschien in een andere wereld. Een keurig makelaarskantoor in Steenwijk, een Spaans bedrijf dat deed in vakantiehuizen aan de Costa's.
Karel herhaalde zijn vraag.
'Ik weet het niet. Daar vinden we misschien wel wat op.'
'O ja...? Jij zeker. Laat me niet lachen. Jij vindt helemaal niks. Dat weet je ondertussen verdomd goed. Als we dit hebben afgerond, als het geld eenmaal op mijn rekening staat, wil ik nooit meer met je te maken hebben. Begrijp je dat?'
Ivo knikte.
'Dan is het echt over en sluiten. Maar eerst dat geld. Capito?'
En toen pas zag Ivo de gelijkenis met Tony Soprano. Het was niet alleen dat woord, maar ook de ochtendjas, en ondanks de slaperige ogen het onwankelbare geloof in zichzelf, dat hij uitstraalde.
'Nou, wat sta je daar? Je hebt hier niks meer te zoeken, dat weet je toch? Ik wil je hier niet meer zien.' Karel draaide zich om met een bijna elegante beweging voor zo'n zware man en ging zonder Ivo een blik waardig te keuren de trap op naar boven.
Het was weer zo stil dat het bijna onwerkelijk werd, alsof iedereen en alles in spanning wachtte. Voetje voor voetje liep ze naar de deur. Als Kolos nu binnen zou komen, dan was alles alsnog verloren. Ze deed de deur open en bad dat de scharnieren niet zouden piepen, dat geen plank zou kraken. Het kriebelde in haar keel, en ze deed haar uiterste best om een hoestaanval te voorkomen. Ze probeerde speeksel te verzamelen en slikte dat door. Speeksel... Michiel... het geld... hun toekomst.
Een halfdonkere gang lag voor haar. Ze had geen enkel benul van de indeling van het huis. Voetje voor voetje schuifelde ze links de gang in, waar ze de wc wist. Haar ogen wenden aan het duister. Geen andere deur dan die van de wc, geen uitgang. Ergens moest een keuken zijn, waar een mes lag. Misschien dat ze daarmee op een of andere manier het touw rond haar polsen los zou kunnen snijden. Zo voorzichtig mogelijk verkende ze de gang in de andere richting. Een deur, misschien de deur naar de vrijheid. Deze deur, die moest ze opendoen, er was geen andere mogelijkheid. Misschien zat hij erachter, gewoon met open ogen, om te zien hoe zij de kamer binnen kwam.
Ze drukte de klink centimeter voor centimeter naar beneden, en opende de deur even behoedzaam. Een kamer, ook in schemerduister. In het midden stond een tafel met wat spullen erop. In de hoek een bank, zo te zien met een slapende figuur; dat moest haar bewaker zijn. Haar hart klopte niet alleen in haar keel, maar bonkte door haar hele lichaam. Het was een geluid dat hem zeker zou wekken. Ze stond bewegingloos. Na enkele minuten had ze voldoende moed verzameld om door te gaan. Die deur aan de andere kant van de kamer zou haar redding betekenen.
Voetje voor voetje bewoog ze over de kale vloer in de richting van haar vrijheid. Tot een plank hevig kraakte. Mirjam sloot even haar ogen, opende ze weer en zag hoe Kolos zich bewoog. Hij trok even met zijn arm, maakte een blazend geluidje. Ze bleef staan als een standbeeld. Verder, ze moest verder. Dit risico was onvermijdelijk. Ze telde de seconden tot ze bij twee minuten was. Net toen ze weer de eerste stapjes deed, werd hij in één klap wakker.
Hij schoot overeind. 'Hé, wat gaan we nou doen?'
Ze stond bij de tafel. Naast een krant zag ze iets liggen van dof zwart metaal, het wapen waarmee hij haar eerder onder schot had gehouden. Ze pakte het, en hield de loop in zijn richting. Plotseling was ze ijskoud en kalm.
Ze liep naar de deur.
Hij maakte aanstalten om overeind te komen.
'Blijf zitten,' zei ze, 'anders moet ik schieten.'
Hij glimlachte vaag. 'Dat doe je niet, dat durf je niet. Vrouwen schieten bijna nooit, en jij zeker niet.'
'Dat doe ik wel, als het moet.'
'Maar het moet helemaal niet,' zei hij. 'Als we een deal maken, ben je van alles af, dan is er niks meer aan de hand.'
'Nee, geen deal, niet met jullie. Nooit van m'n leven.'
Ze deed een paar passen terug, omdat hij anders in een snelle beweging bij haar zou kunnen zijn. Nu had ze nog het overwicht, dat mocht ze niet kwijtraken. Ze liep om de tafel heen in de richting van de deur; het pistool voelde bijna vertrouwd, hoewel het moeilijk was om het vast te houden met haar gebonden polsen.
Hij wendde zich van haar af en pakte een sigaret. Vrijwel op hetzelfde moment schoot hij met een voor zo'n zware man opzienbarende snelheid overeind in haar richting.
Met haar ogen dicht haalde ze de trekker over.