'Tegen een 50-jarige tandarts uit Gaanderen is vanmorgen voor de rechtbank in Zutphen zes maanden voorwaardelijke gevangenisstraf, een werkstraf van 240 uur en een geldboete van 15.000 euro geëist. De man wordt verdacht van poging tot oplichting van zeven verzekeringsmaatschappijen door bij zichzelf een vinger te amputeren en dit via een geënsceneerd autoongeval te verdoezelen.' Ivo boog zijn vingers en strekte ze weer. Hij ging er een tijdje mee door, alsof het oefeningen waren om stijve of verkrampte spieren soepel te maken, terwijl hij wist dat de kramp ergens anders zat. Zelfamputatie, zelfverminking, hoe zou die tandarts dat gedaan hebben? Vinger op het hakblok en een bijl erboven? Ogen even gesloten, want je kon dat toch niet zelf aanzien. Tsjak! En daarna? In de auto gestapt? Wat had hij ondertussen met het stompje gedaan?Ivo las verder.' De tandarts had veertien polissen afgesloten, waarvan de laatste enkele maanden voor het zogenaamde ongeval. Het totale bedrag dat hij via zijn ongevallenverzekeringen claimde, bedroeg 1,8 miljoen euro. Ook dacht de man recht te hebben op een arbeidsongeschiktheidsuitkering van 545 euro per dag. De man was in november 1999 in België tegen een boom gereden. Door de klap verloor de tandarts volgens eigen zeggen zijn linkerwijsvinger, vermoedelijk omdat hij deze in een gat in het stuur had gestoken.' Dat stompje had hij dus mee de auto in genomen en op de bodem neergegooid. Dag vinger! Het idee van al dat geld moest de pijn hebben verdrongen. Maar misschien was die pijn niet zo hevig, omdat volgens het artikel in bloedmonsters een hoge concentratie van een verdovend middel was aangetroffen dat veel door tandartsen werd gebruikt.

Eerst ging het om die vijfenveertig mille, maar later zou het bedrag natuurlijk fors stijgen. Karel zou dik verliezen op dat pand als die krakers erin bleven zitten. En dan nog de Tweede Weteringdwarsstraat. Ivo kreeg het benauwd als hij eraan dacht. Hij wilde het uit zijn hoofd deleten, maar dat bleek onmogelijk. Er was nu een week gepasseerd en hij had niets tegen Mirjam gezegd, 's Nachts lag hij soms uren wakker. Twee keer was hij een afspraak vergeten en hij was een keer onredelijk uitgevallen tegen een klant die maar geen beslissing kon nemen. De hele week was het stil geweest aan het front van de Conradstraat, opvallend stil, beangstigend stil. Geen telefoontje, geen bezoek, geen enkel teken dat er iets aan de hand was. Iedereen hield de adem in voor de grote klap. DE GROTE KLAP, die moest een keer komen.

Hij bladerde verder door de krant. Een klein berichtje meldde dat een uitbener gedood was door het uitschieten van zijn mes. 'Een 39-jarige uitbener van een vleesverwerkingsbedrijf in Roosendaal,' las hij, 'is maandagmorgen om het leven gekomen door zijn eigen mes. De inwoner uit Moerstraten schoot tijdens zijn werkzaamheden uit. Het mes kwam net boven het veilig- heidsschort in het hart van de man terecht.' Dat was zijn eigen verhaal, misschien nog niet voor nu, maar wel voor de nabije toekomst. Zijn mes was al onderweg. Met dodelijke precisie.

Vanochtend was hij in bed blijven liggen. Tegen Mirjam had hij gezegd dat hij zich niet zo lekker voelde, een beetje grieperig. Hij wilde haar vasthouden, zo dicht mogelijk tegen zich aan. Zolang zij bij hem was, was alles goed. Nee, ze moest naar haar werk. Trouwens, hij zou haar nog aan kunnen steken met die griep. Ze was voldoende uitgerust. Het was juist goed om de afleiding van haar werk te hebben. Bovendien had ze een afspraak met iemand van Unilever. Ze had zich voorzichtig losgemaakt uit zijn armen, terwijl hij haar slaapgeur nog opsnoof.

Die flat in Buitenveldert, die hij moest proberen te verkopen, stond leeg. Daar lag misschien een oplossing. Hij zou zich er kunnen verschansen. Voedsel voor een langere periode in huis halen, geen contact met de buitenwereld, tijd om alles op een rijtje te zetten. Nee, onzin. Karel zou hem binnen de kortste keren weten te traceren en hem desnoods met geweld uit dat huis laten halen. Een agressieve portie geweld, daar was Karel niet vies van, als het moest.

Hij probeerde op te staan, zat al op de rand van het bed, maar liet zich weer terugvallen. De enige oplossing lag in de Conrad- straat en die oplossing moest hij zelf zien te vinden. Na die eerste keer was hij opnieuw langsgegaan; hij had aanvankelijk van een afstand het pand geobserveerd. Langer dan een uur was hij blijven kijken voor hij het had gewaagd om aan te bellen. Niemand had opengedaan. Achter een raam zag hij een hoofd dat schielijk werd teruggetrokken. Vannacht had hij van die Taco gedroomd; de beelden zag hij nu weer voor zich. De kunstenaar liep hier zo de woonkamer binnen, en zei dat hij een bod uit wilde brengen. Ivo had gezegd dat dit huis niet te koop was, waarna

Taco in lachen was uitgebarsten. 'Dan neem ik je vrouw wel mee,' had hij gezegd; hij ging voor Mirjam staan en maakte een elegante buiging. Ze begonnen samen te dansen, een foxtrot of zoiets. Mirjam vleide zich tegen hem aan. Hij had zijn hand bijna teder op haar rug gelegd. Ze dansten niet, maar ze zweefden, alsof de zwaartekracht geen vat op hen had. Daarna waren ze met zijn drieën in een ander huis, ja, die flat in Buitenveldert. Die stond vol met kunstwerken van Annet. Aan de muren allemaal tekeningen en schilderijen die ze vroeger had gemaakt. Daarbij een portret van Karel, gezeten achter zijn bureau, een glas whisky binnen handbereik. En die sigarenrook, het was net echt, zoals die van het doek af walmde. Taco lachte schel, terwijl Karel overeind kwam en zich van het doek losmaakte. Samen stonden ze voor Ivo. 'Dit is een goeie jongen,' zei Karel, en hij klopte Taco, die nu een keurig pak droeg, ferm op zijn schouder, 'deze jongen gaat het helemaal maken. Hij wordt makelaar en gaat voor me werken.' Toen was Ivo wakker geworden.

Het was nu halftien. De telefoon ging, maar hij draaide zich weer om. Dwingende afspraken had hij vandaag niet. Vorig jaar waren ze rond deze tijd een week in Marokko geweest. Op het vliegveld in Casablanca hadden ze een auto gehuurd om daarmee een tocht te maken langs de koningssteden: Rabat, Meknes, Fez, Marrakech om ten slotte weer uit te komen in Casablanca. Zes dagen met elkaar, zes dagen intimiteit. Het zou lang duren voordat ze zich weer zoiets konden veroorloven, tenminste wanneer hij het zelf zou moeten betalen. Mirjam was een ander verhaal. Morgen had ze een afspraak met de notaris, dan werd duidelijk wat haar vader aan haar had nagelaten. Als hij het goed had belegd, was het een aardig kapitaal.

Hij hoorde opnieuw het geluid van de telefoon, maar liet hem rinkelen. Als het werkelijk belangrijk was, dan spraken mensen wel een boodschap in.

Het huis wilde ze in ieder geval voorlopig niet verkopen. 'Ik kan het niet,' had ze gezegd, 'dan is het net of ik alle herinneringen meteen verkoop, of ik mijn vader voorgoed kwijt ben, of ik hem van de hand doe.' Ivo begreep het niet helemaal, maar hij had haar niet tegengesproken. Juist nu was het belangrijk dat hij haar niet tegen zich in het harnas joeg. Rond kerst hadden ze een vakantie gepland, nee, aanvankelijk vlak na kerst, omdat Mirjam altijd een van de kerstdagen bij haar vader wilde zijn. Ze hadden zich al een beetje georiënteerd. Brazilië misschien. Of Zuid-Afrika. Samen op het strand, zwemmen, een tocht maken, een safari in Zuid-Afrika, of een jungletocht in Brazilië. Mogelijkheden genoeg. In een bootje op de Amazone, een groene wand van bomen langs het water, overhangende takken met opvliegende, kwetterende, fluitende, felgekleurde vogels, ook papegaaien. Een jongen van een jaar of zestien met een brede smile, die hen voor een paar dollar kilometers over het water vervoerde. De zon brandde. Hij droeg een pet en Mirjam een grote hoed. Het water ruiste. Af en toe meende hij vissen te zien. Een ander geluid... een paar harde klappen... gekraak.

Ivo schoot terug in de werkelijkheid. Het was weer stil. Met wild kloppend hart stond hij naast zijn bed en luisterde scherp. Hij deed de deur open en keek de gang op. Niets te zien, niets te horen. Waarschijnlijk had hij zich die andere geluiden verbeeld. Een tak die krakend afbrak en in het water viel... zoiets moest het geweest zijn. Brazilië of Zuid-Afrika, het was alleen mogelijk als Mirjam het zou betalen. Destijds was het van twee kanten vanzelfsprekend geweest om op huwelijkse voorwaarden te trouwen. Op die manier zouden ze nooit het geld van Mirjam kwijtraken als er financieel iets misging met zijn bedrijf. Iets misgaan... ooit hadden ze rekening gehouden meteen faillissement, maar de afgrond die zich nu voor hem opende, was heel wat dieper. Geen bodem te zien, een eeuwige val.

Was dat een deur die werd dichtgedaan? Een schuifelende voetstap? Nee, hij moest zich nu niet van alles gaan inbeelden en zich mee laten voeren door zijn fantasie. Hij deed zijn slaap- r-shirt uit en ging onder de douche staan. Het water kletterde net op zijn hoofd toen de deur met een ruk werd opengetrokken. Ivo had het gevoel dat zijn hart een stuk omhoogschoot in zijn lichaam. Hij keek in het grijnzende gezicht van Karel, nee, natuurlijk niet Karel, maar zijn broer Leo. Die pakte Ivo's rechterpols in een stevige greep.

'Zo,' zei Leo, 'niet aan het werk? Hoef je geen geld te verdienen?'

'Au!'

'Laat uit z'n nest en ook nog kleinzerig. Wat ben je voor een lulletje rozenwater?'

De greep werd nog krachtiger. Ivo was bang dat zijn hand er straks afgekneld zou worden en als een dood lichaamsdeel hier voor hem neer zou vallen. Leo trok hem met zo'n abrupte beweging uit de douchecabine, dat hij half kwam te vallen. Hij probeerde overeind te krabbelen, maar Leo trok hem mee, de gang over naar de slaapkamer.

Leo ging op de rand van het bed zitten en keek Ivo aan, met precies dezelfde blik als waarmee Karel hem kon aanstaren. De buitendeur had niet meer op het nachtslot gezeten nadat Mirjam naar haar werk was gegaan. Voor iemand als Leo was het vermoedelijk geen al te lastige opgave geweest om de deur open te krijgen. Ivo probeerde opnieuw te gaan staan, maar Leo draaide zo aan zijn pols dat hij op knieën voor hem moest blijven zitten. Steken van pijn trokken door zijn arm. Hij had zich nooit zo naakt gevoeld als nu, zelfs niet de eerste keer dat hij met een meisje naar bed was geweest. Leo liet zijn ogen zakken naar zijn geslachten snoof minachtend.

inderdaad, lulletje rozenwater,' zei hij. Daarna keek hij om zich heen. 'Hier gebeurt het dus. Dit is jullie liefdesnestje. Neu- ken jullie veel?'

'Af en toe,' zei Ivo.'Dus niet elke nacht?'

'Nee, niet elke nacht.'

'Zou ik doen, nou het nog kan.' Leo lachte een beetje meewarig.

'Mag ik me aankleden?'

'Waarom? Denk je dat ik er niet tegen kan? Is dat vrouwtje van je een beetje lekker in bed?'

Ivo reageerde niet. Alles wat hij deed, was fout geweest, en alles wat hij zei, zou fout zijn.

Leo draaide zijn pols verder door. Nog even en er zou iets breken. 'Hé, ik vroeg je wat, pannenkoek. Dan kan je toch netjes antwoorden? Neukt ze een beetje lekker?'

'Gaat wel,' zei Ivo.

'Gaat wel... klinkt niet erg enthousiast. Misschien dat ik het toch zelf een keer moet proberen.' Leo gooide hem nu plotseling van zich af, zodat hij achteroverviel, en met zijn hoofd langs een stoelleuning schampte. Een kreet van pijn was niet meer in te houden.

'Niet huilen,' zei Leo. 'Dat vindt je vrouwtje vast niet leuk, zo'n kinderachtig mannetje.'

Hij lag nu ruggelings op de grond, nog altijd nat van het douchewater. Leo torende boven hem uit en oogde nog massiever dan anders. Het was duidelijk dat deze klus zeer bevredigend voor hem was; eindelijk weer eens een mogelijkheid veel van wat hij geleerd had in praktijk te brengen. Elk moment zou hij zijn gelaarsde voet op Ivo neer kunnen zetten, gaan stampen, de hak met de scherpe randen in zijn vlees draaien. Of misschien in zijn kruis. Het kostte Ivo moeite om niet zijn handen voor zijn geslacht te houden, want dat zou Leo waarschijnlijk alleen maar op een idee kunnen brengen.

'Zo, laten we het eens over de Conradstraat hebben,' zei Leo op een gemoedelijke keuveltoon.

'Mag ik misschien even gaan zitten en wat aantrekken?' Ivo wist niet waar hij de moed vandaan haalde om het te vragen.'Nee, dat mag niet.' Leo tilde zijn voet op, deed of hij hem wilde neerplanten op Ivo's buik, maar tipte alleen met de punt van de laars zijn huid aan. 'Je ligt hier prima. De Conradstraat. Hoe staat het met die krakers? Ben je d'r al mee bezig?'

Ivo leunde op zijn elleboog, maar Leo drukte hem weer naar beneden.

'Ik heb geprobeerd om met ze te praten,'zei Ivo, 'maar ze willen niet... Ik bedoel, ze blijven daar gewoon zitten. Die verhuispremie krijgen we ook niet terug.'

' Dat is die vijfenveertig mille?' Leo haalde een pakje Marlboro tevoorschijn en stak een sigaret op. In ieder geval een verschil met Karel. Die zou zelfs in de slaapkamer een sigaar hebben gerookt.

'Ja, vijfenveertig, vijf van mezelf, en de rest van Karel.'

'Dat hoefje mij niet uit te leggen.'

'Die man die daar een beetje de baas is, zegt dat-ie helemaal niet heeft getekend, dat het zijn handtekening niet is.'

'Heb je het niet gecontroleerd toen-ie tekende? Met een paspoort of een rijbewijs of zo?'

Ivo schudde zijn hoofd. Alles wat met die deal verkeerd kon gaan, was verdomme ook verkeerd gegaan. Hij had het helemaal uit zijn handen laten vallen en nu lag het in stukken voor hem. Stukken, die niet meer te lijmen waren.

'Stom van je. Je weet dat dat soort volk niet te vertrouwen is.., Kan je geen behoorlijke afspraak mee maken. Ze naaien je waar je bij staat.' Leo tipte de as van zijn sigaret af. Het dwarrelde langs Ivo's hoofd op de grond. 'En wat ga je daar nou aan doen?'

'Ik weet niet. Ik dacht dat jullie misschien...' Ivo maakte zijn zin niet af.

'Dat wij misschien wat?'

'Nou ja,' zei Ivo, 'dat jullie... eh, dat jullie nu met een paar jongens van je sportschool wat zouden regelen.' Zelf had hij het Ka- rel destijds afgeraden om Leo eropaf te sturen, maar misschienwas het in deze noodsituatie de enige oplossing.

'Regelen?' Leo deed net of hij er niets van begreep. 'Wat bedoel je daar eigenlijk mee?'

'Dat jullie dat pand leeg zouden maken.'

'Leeg?'

'Ja, die mensen eruit halen.'

'Wij ? Dacht je dat wij de shit zouden opruimen die jij zelf hebt gemaakt? Je weet toch dat het niet legaal is om dat te doen.' Leo trok een heilige-boontjesgezicht. 'Wij blijven binnen de marges van de wet, altijd, overal.'

'Maar ik dacht dat jullie zoiets al 's eerder hadden gedaan, probeerde Ivo.

Leo zweeg even alsof hij over een volgende zet na moest denken. 'Weet je dan wel hoe je aan zeven ton komt?'

'Zeven ton?' Dit moest een vergissing zijn. Een koude band klemde om zijn hart.

'Ja, je hoort me goed. Ruim anderhalf heeft Karel ervoor betaald. Veel te veel voor dat kutpand. En nou weet iedereen dat die krakers er niet uitgaan, en dus is het niet eens meer de helft waard. Karel matst je met die zeven ton.' Leo tipte weer even met de punt van zijn schoen tegen Ivo's buik. 'Je krijgt straks nog een dikke pens. ik kan het zien. Je vreet en zuipt te veel, en je beweegt te weinig.'

'Misschien naar de sportschool,' stelde Ivo voor.

'Zo'n klootzak als jou wil ik helemaal niet bij mij in de zaak zien.'

'Jammer.' Het woord ontsnapte hem zomaar, terwijl hij wist dat je de broers Huttinga vooral niet moest provoceren.

'Gaan we praatjes krijgen?' Leo boog zich nu naar voren, zoog aan de sigaret en blies de rook in Ivo's gezicht. De vurige punt van de sigaret hield hij slechts enkele centimeters van Ivo's huid. 'Als ik jou was, zou ik me maar een beetje rustig houden, en keurig doen wat wij zeggen. Begrepen?' De sigaret kwam iets dichterbij.

'Ja, natuurlijk.'

'Goed,' ging Leo door. 'Je weet wat Karel wil. Je krijgt vijf dagen om die klerelijers uit dat pand te werken. Als ze er na vijf dagen nog in zitten, dan betaal jij zeven ton. Eerlijke deal, toch?'

'Maar ik kan nooit aan zeven ton komen? Dat weet Karel net zo goed als ik.'

'Karel weet nog heel veel andere dingen. Dingen die jij ook weet. Er is wel geld, alleen je moet eraan zien te komen.'

'Maar...'

Leo zette zijn voet op Ivo's borst. 'Nee, niet tegenspreken, geen gejamaar, daar hebben we een pestpokkenhekel aan, gewoon zorgen dat Karel die poen krijgt. Of je flikkert die mensen zelf op straat. Dat kan je toch wel met je gespierde lijf?'

Ivo schudde zijn hoofd.

'Anders moet ik je pijn gaan doen. Zo, bijvoorbeeld.' Met de sigaret tussen zijn lippen pakte hij razendsnel Ivo's linkerhand, en trok de middelvinger zo hard achterover dat Ivo het uitschreeuwde van de pijn. Even zag het hem zwart voor de ogen. Hij werd duizelig en misselijk tegelijk. 'Dit is nog maar het begin,' zei Leo. 'Volgende keer breek ik hem en daarna zijn je andere vingers aan de beurt. Begrepen?'

Terwijl hij zijn adem probeerde terug te krijgen, knikte Ivo.

'Oké. Boodschap overgekomen? Dan ga ik maar 's.' Leo gooide schijnbaar achteloos de brandende peuk voor zich neer, precies in Ivo's schaamhaar. Daarna draaide hij zich om en liep de slaapkamer uit. Ivo stond paniekerig op, schudde de peuk op de grond en drukte hem met een pantoffel uit. Hij hoorde wat gerommel, waarschijnlijk vanuit zijn werkkamer, maar bleef als verlamd naast het bed staan.

Stil, het was nu weer stil. Hij had het klappertandend koud. Voorzichtig, alsof iemand hem zou kunnen betrappen op een onbehoorlijke daad trok hij zijn kleren aan. De vinger hield hij een tijdje onder de koude kraan. Daarna liep hij naar zijn werk- kamer. Zo te zien was alles in orde. Computer, beeldscherm, keyboard, bak met schijfjes, dossiers, aantekeningen, alles was er nog. Toen zag hij dat op de wand tegenover zijn bureau de lijst met de foto van Mirjam weg was, Mirjam diepgebruind aan een strand op Bali. Mirjam, met een mooie bikini aan; een boven- stukje dat maar net haar prachtige borsten in bedwang leek te kunnen houden. Breed lachend, naar de fotograaf, naar hemzelf dus.

Het bleef een gewoon bedrijfspand. Mirjam had haar auto geparkeerd, maar bleef achter het stuur zitten. Daar, achter die ramen, achter die muren, gebeurde het. Al die mysterieuze proeven, bewerkingen, processen en procedures. Michiel vertelde er wel eens over, maar meestal hadden ze daar geen tijd voor. Ze wilde naar hem toe, ze moest naar hem toe.

Het was nu kwart voor zes. Een van zijn medewerkers kwam naar buiten. Uit het raam van het kantoortje aan de voorkant scheen licht, een morsig, treurig kamertje als ze het vergeleek met haar eigen luxueuze, hedendaagse kantoorruimte, waar het suisde en gonsde van alles wat hip, in en trendy was. Waarschijnlijk was hij nu alleen. Ze zou zo naar hem toe kunnen gaan. Niemand die het zag, niemand die het hoefde te zien. Ze zou hem omhelzen. Seks? Misschien. Soms zoenden ze alleen, hielden ze elkaar vast. Altijd was het de vraag hoe snel hij naar huis moest, waar Iris op hem zat te wachten.

En Ivo? Ja, die zat natuurlijk thuis. Gek dat hij nog niet gebeld had. De laatste dagen had ze het idee dat hij door een of ander probleem in beslag werd genomen, alsof hem iets verschrikkelijk dwarszat, waar hij niet over kon praten. Af en toe was hij volledig afwezig.' Is er iets?' had ze een paar keer gevraagd. Nee, natuurlijk niet, wat zou er kunnen zijn? Soms was ze bang dat hij een vermoeden had, misschien zelfs meer dan een vermoeden, maar dat hij er niets over durfde te zeggen. Juist op die momen- ten, als hij zo kwetsbaar leek, vlamde weer iets op van wat ze altijd voor hem had gevoeld. Misschien was het ook nooit helemaal verdwenen. Zij en Ivo, het was altijd goed geweest. Ze vertrouwden elkaar, hadden elkaar nodig. Maar stel dat Ivo met een andere vrouw... dat hij vreemdging...? Nee, dat was onmogelijk.

Zes uur geweest. Ze telde de knopen op haar jasje. Wel, niet, wel, niet, wel, niet, wel, niet. Maar die laatste knoop die was niet door het knoopsgat gehaald, en die telde dus eigenlijk niet mee. Een ander teken. Als een van de volgende twee auto's die langskwamen een nummerbord had met twee gelijke letters, dan ging ze naar huis.

Hij zou net zo lang wachten tot iemand naar buiten kwam, en hij zelf naar binnen kon glippen. Eens moest die deur met die rij niet functionerende bellen ernaast toch opengaan. Er kwam een hond aan lopen, ras 'Poubelle', zoals Mirjam wel eens had gezegd. De rafelige hond keek Ivo eerst nieuwsgierig aan, kwispelde even met zijn staart en ging toen naast hem liggen, alsof dat zijn vanzelfsprekende plek was. De pijn aan Ivo's vinger was nu draaglijk.

In niets en niemand zat enige beweging. De hond had na een enorme gaap zijn kop op zijn voorpoten gelegd en zijn ogen gesloten. Ivo wist dat hij met een mission impossible bezig was, maar het moest, hij kon niet anders. De hele dag had hij heen en weer gerend, een paar appartementen bekeken, met een klant een bezichtiging gedaan, telefonisch overlegd met Peter Lin- ders, met Johan gebeld, maar in feite had hij niets tot stand gebracht en was hij geen stap verder gekomen, nergens mee, en zeker niet met de Conradstraat. De hond gaapte opnieuw.

'Karel,' zei Ivo, 'heet je soms Karel?'

De hond kwam moeizaam overeind, liep naar hem toe en probeerde tegen hem op te gaan staan.

'Hé, shit, ga weg met je vieze poten.' Ivo sloeg het vuil van zijn pak. 'Weg Karel, weg!' Hij probeerde naar de hond te schoppen, maar die maakte zich snel uit de voeten. Het beest bleef op zo'n tien meter afstand naar hem kijken met een wat dweperige, bedroefde blik.

Voor de zoveelste keer liet Ivo zijn blik gaan over de meestal slordig gekrabbelde, en soms onleesbare, voornamen op de papiertjes naast de rij bellen. Hij zou ze hier nooit uit krijgen of hij moest zelf een klein legertje krachtpatsers inhuren. Maar waar haalde je dat soort mensen vandaan? Bovendien zou hij zich zo misschien nog verder in de nesten werken.

De hond kwam sluipend naderbij. Een eerdere overmoedige gedachte kwam net zo sluipend binnen. Karel... stel dat die zou verdwijnen. Hij zou niet de eerste zijn in de vastgoedwereld. En ook niet de laatste.