7 VERLIES VAN OUDERE OUDERS

Afscheid van het kind-zijn

Er wordt in onze cultuur zeer weinig aandacht gegeven aan wat volwassenen ervaren bij het sterven van hun ouders. Per jaar verliest ongeveer vijf procent van de mensen een ouder. Rekening houdend met de bevolking betekent dit dat in België en Nederland jaarlijks 1.200.000 mensen een van hun ouders verliezen. Het is de meest gewone vorm van rouw in de westerse landen. Niettegenstaande dat bestaat er een overwegende neiging om de emoties die dit kan meebrengen, te minimaliseren of te ontkennen. Deze houding heeft te maken met een algemene tendens om dood en verdriet weg te duwen uit het leven.

Typische reacties van de omgeving na de dood van een ouder illustreren dit. ‘Hij heeft een mooie leeftijd, een volledig leven gehad,’ zegt men, alsof de volheid van dit leven de leegte vult die men achterlaat. Of men vraagt hoe moeder het opneemt, maar heeft veel minder aandacht voor de gevoelens van volwassen kinderen. Als het verdriet een tijd duurt, zegt men dat het toch de natuur der dingen is dat ouders vóór hun kinderen komen te sterven. Dat is natuurlijk juist. Dergelijke reacties zijn goed bedoeld. Men wil hiermee niet doelbewust verdriet wegduwen, maar het wordt beschouwd als van niet zoveel betekenis. Deze uitlatingen bevatten de boodschap dat de dood van een bejaarde ouder iets minder verlies betekent dan een ander verlies.

Simone de Beauvoir schrijft in haar boek over het sterven van haar moeder: ‘Ik begreep niet dat je oprecht kon treuren om de dood van een ouder, een grootouder van boven de zeventig. Als ik een vrouw van vijftig ontmoette die volkomen van streek was door de dood van haar moeder, dacht ik dat ze neurotisch was.’ De meeste mensen zijn verrast door de intensiteit van hun gevoelens bij het sterven van een ouder. Als ouders sterven, verdwijnt er een buffer tussen hun kinderen en de dood. De kinderen worden nu de oudere generatie. Men voelt zich kwetsbaarder en ineens dichter bij de dood. Men hoort beschrijvingen als: ‘Het was alsof ik nu geen dak meer boven mijn hoofd had.’ ‘Ik voelde me onbeschermd, met niets meer om me heen.’ Met de ouders draagt men definitief zijn eigen kind-zijn ten grave. Men brengt op dat moment opnieuw de kindertijd in herinnering, met de aangename en onaangename kanten. En ook hier bestaat rouw niet alleen uit droefheid, maar uit een heel gamma van gevoelens, zoals onmacht, angst, schuldgevoelens, schaamtegevoelens, opluchting. Deze gevoelens hebben niet alleen te maken met het sterven, maar ook reeds tijdens het ouder worden en ziek worden van de ouders ervaren kinderen vaak gevoelens met een ongekende intensiteit. Als ouders ziek worden, ervaren kinderen ineens dat liefde alleen niet genoeg is om op een serene manier met hun ouders om te gaan.

Liefde is niet genoeg

De meeste families willen bejaarde ouders in moeilijkheden helpen. Verschillende motieven kunnen hen stimuleren: verantwoordelijkheidszin, een gevoel van verplichting, schuldgevoelens, maar ook liefde en betrokkenheid. Op het moment echter dat ouders meer afhankelijk worden en de problemen van het dagelijks leven zich complexer voordoen, ervaart men dat ‘liefde niet genoeg is’. Zonen en dochters moeten de behoeften van hun ouders verstaan vooraleer ze kunnen helpen, maar ze moeten ook hun eigen gevoelens verstaan. Eigen gevoelens kunnen iemand danig in verwarring brengen en verhinderen dat men effectief kan helpen.

Het feit dat ouder worden niet volgens een uniforme kalender verloopt, maakt dat men er soms door wordt verrast. Ouders van jonge kinderen weten wat de volgende stap is in de ontwikkeling. Men weet binnen redelijke grenzen wanneer kinderen zullen lopen en spreken, wanneer de eerste tandjes komen, wanneer ze naar school gaan. Men kan zich voorbereiden op sommige gebeurtenissen en reacties.

De fasen bij het ouder worden verlopen niet volgens een dergelijk patroon. Men kan van een 65-jarige niet zeggen: nog zoveel jaar en dan staat hij daar. De ene begint achteruit te gaan vanaf 65 jaar en de andere blijft actief tot 85 jaar. Als ouders goed blijven functioneren tot zeventig, tachtig, negentig jaar, dan hebben ze geen hulp van hun kinderen nodig. Ze zijn vaak zelfs in staat om nog zeer veel te geven aan hun kinderen en kleinkinderen. Zodra ze echter zorgbehoevend worden, kunnen hun kinderen zich geplaatst voelen voor conflictueuze loyauteiten. Kinderen die zelf tot de middengeneratie behoren, worden immers getrokken in drie richtingen. Op de eerste plaats moeten ze hun kinderen opvoeden. Daarnaast moeten ze ervoor zorgen dat ze een eigen leven kunnen leiden. En ten slotte staan ze voor de opdracht hun ouders en eventueel grootouders te helpen. Deze drie opdrachten zijn niet steeds met elkaar te verzoenen.

Men kan in de relatie met de ouders zeer diverse gevoelens ervaren. Als men mensen belangrijk vindt, dan houdt men van hen als ze behagen, dan haat men hen als ze teleurstellen en dan neemt men het hen kwalijk als ze kwetsen. Houden van is geen vierentwintiguursbezigheid. Er kan altijd een moment komen van irritatie, frustratie, afgunst, zelfs in de beste relatie. Het is gemakkelijker als men jegens de ouders scherp omlijnde en consistente gevoelens ervaart, zeker als de ouders oud en afhankelijk zijn, maar dat is zeldzaam op vlak van gevoelens. Oude gevoelens uit het verleden kunnen bovenkomen als ouders ouder, zwakker en zieker worden en hulp nodig hebben, zoals de kinderen vroeger hulp van hen nodig hadden. Men kan niet langer een emotionele afstand bewaren, die groeide met het ouder worden, zelfs als er een ruimtelijke afstand bestaat door het veraf wonen.

Ziek worden van de ouders reduceert ineens de afstand, brengt ouders en kinderen opnieuw dichter bij elkaar. Vaak valt men dan terug op de oude patronen, zowel op aangename als op onaangename. Oude affecties komen weer boven. Oude wonden worden opengereten. Men herinnert zich oude ervaringen. Vroegere verplichtingen dringen zich op. Vroegere zwakheden komen aan de oppervlakte. Men kiest niet om deze gevoelens te hebben, maar ze overvallen de mens. Men kan ze proberen te ontkennen, maar daarom verdwijnen ze nog niet. Onverhoeds steken ze weer de kop op.

Simone de Beauvoir keert terug naar de gevoelswereld van haar kinderjaren. Zij schrijft over de dood van haar moeder: ‘Onze vroegere verhouding leefde in mij dus nog steeds in zijn dubbele vorm voort: een beminde en een gehate afhankelijkheid. En die herleefde in zijn volle kracht toen door moeders val, haar ziekte en haar dood, de sleur doorbroken werd die onze verhouding nu regelde.’ (de Beauvoir, 1980)

Tijdens het opgroeien hebben kinderen allerlei gevoelens ervaren in de relatie met hun ouders: liefde, medelijden, respect, droefheid, tederheid, onverschilligheid, angst, vrees, agressie, boosheid, vijandigheid. Al deze gevoelens kunnen opnieuw bovenkomen als ouders ouder en afhankelijk worden. De emotionele afstand wordt verkleind en dat roept opnieuw de emoties van vroeger op.

Waar heel veel gevoelens jegens de ouders te herleiden zijn tot ervaringen uit de eigen geschiedenis thuis, is het ook nooit te laat om nieuwe gevoelens te ervaren. De afhankelijkheid en ziekte van de ouders kunnen gevoelens van liefde en medeleven stimuleren. De stress van de situatie en het zich getrokken voelen in verschillende richtingen, kunnen gevoelens van agressie en vrees oproepen, waarvan men nooit had vermoed dat men in staat was dit zo te voelen. Het is soms zeer moeilijk om in te zien waar sommige gevoelens vandaan komen. Soms kan men echt in de war raken van de gevoelens die men ervaart tegenover de ouders, omdat men ze niet begrijpt.

Roos begrijpt niet hoe het komt. Ze heeft steeds een goede relatie gehad met haar moeder. Nu moeder ziek is, heeft ze soms het gevoel dat ze geen geduld meer heeft met haar. Ze neemt zich telkens opnieuw voor om vriendelijk en geduldig te zijn, maar bij de minste aanleiding zit ze boven op de kast. Ze kan niet begrijpen waarom ze soms zo gedeprimeerd van haar moeder terugkomt.

Aanwijzingen naar de wortels van dergelijke gevoelens kunnen worden gevonden in hoe de jongere generatie antwoordt op de volgende vijf vragen (Silverstone & Hyman, 1989).

Eerste vraag: kan men de bejaarde leeftijd van zijn ouders aanvaarden ? Als ouders beginnen mentale en lichamelijke veranderingen te ondergaan, kunnen hun kinderen met gemengde gevoelens reageren. Men kan geschokt zijn bij plotse achteruitgang. Men kan een geleidelijk verzwakken ontkennen. Men kan boosheid, schaamte, vrees en wrevel voelen, maar ook de veeleer verwachte gevoelens van verdriet, sympathie en genegenheid. Men kan verwonderd zijn over de eigen reacties ten aanzien van de achteruitgang van de ouders en zich afvragen hoe men boos kan zijn in plaats van betrokkenheid te tonen. Boosheid is echter niet zo ongepast als dit op het eerste gezicht lijkt. De achteruitgang van de mentale mogelijkheden kan moeilijker te aanvaarden zijn dan bijvoorbeeld de aftakeling van de lichamelijke mogelijkheden, zeker in families waar intellectuele activiteiten en verbale communicatie van uitzonderlijk groot belang zijn. Het is pijnlijk zich te realiseren dat de ouder zijn zoon of dochter niet langer begrijpt of herkent. Het is dan ook normaal dat dit realiseren iemand boos kan maken en dat men het probeert te ontkennen.

Tweede vraag: houdt men van zijn bejaarde ouders ? Als men deze vraag aan iemand stelt, wordt ze zelden direct beantwoord. Het antwoord wordt eerder ontweken. Een typische reactie is dan vaak: ‘Mijn moeder leeft wat in zichzelf. Ze klaagt veel en schijnt ook niet echt te waarderen wat ik voor haar doe. Maar ze is nog mijn moeder.’ Dat is geen echt antwoord op de vraag. Veel mensen vinden het moeilijk om toe te geven dat ze niet echt houden van een van hun ouders. Men vindt het niet alleen onhaalbaar om dit te zeggen, maar zelfs om het toe te geven aan zichzelf. Het kan niet worden geloochend dat naast de zwakheden en de problemen van de oude dag, sommige bejaarden ook nog onaangename persoonlijkheidstrekken ontwikkelen, waar de kinderen het moeilijk mee hebben en die het nauwelijks nog mogelijk maken om van hen te houden. Ze kunnen dan nog zo charmant en aantrekkelijk geweest zijn toen ze jong waren, hun charme is vervaagd met de ouderdom. Of misschien waren ze wel nooit charmant of aantrekkelijk...

Derde vraag: kan men de andere rol accepteren ? De rollen worden omgedraaid. Vroeger waren de kinderen afhankelijk van hun ouders. Nu worden de ouders afhankelijk van hun kinderen. Verwachten velen niet nog steeds de moeder uit hun kinderjaren aan wie ze raad kunnen vragen en van wie ze prettig afhankelijk kunnen zijn ?

Francine is onderwijzeres. Ze heeft twintig kinderen in haar klas en drie thuis. Ze heeft het gevoel dat ze er niet nog een, haar moeder, kan bijnemen. ‘Wat ik nodig heb,’ zegt ze, ‘is een moeder en ik zal er nooit meer een hebben.’ Francine heeft grote moeite met het omdraaien van de rollen.

Vierde vraag: kan men het eigen oud worden aanvaarden ? Tot nu toe werd gesproken over de relaties tussen kinderen en hun bejaarde ouders en de gevoelens die deze relaties oproepen. Maar een ander geheel van gevoelens kan ontstaan los van interpersoonlijke relaties: de gevoelens die men heeft ten aanzien van het bejaard-zijn in het algemeen, van het eigen oud worden en van de eigen sterfelijkheid. Het gedrag van kinderen ten aanzien van hun bejaarde ouders kan diepgaand worden beïnvloed door deze gevoelens. Nogal wat mensen hebben er grote weerstand tegen te praten over hun eigen ouder worden en sterfelijkheid. Sommigen verkiezen er zelfs nooit aan te denken. Tot voor kort vormden zowel dood als bejaarde leeftijd taboe-onderwerpen.

De grondhoudingen variëren, afhankelijk van het feit of men bejaarden bewondert of hen stilletjes veracht; of men het gevoel heeft dat ze respect of aanzien verdienen; of men vindt dat ze seksueel actief of creatief kunnen blijven; of men de dag dat men zelf oud zal zijn en zal sterven vreest of niet. De gevoelens die men heeft ten aanzien van de eigen bejaarde leeftijd, hebben een rechtstreekse draagwijdte voor de wijze waarop men effectief zijn eigen ouders kan helpen gedurende hun oude dag en men zelf uitziet naar de eigen oude dag. Mensen die meestal een positieve attitude aannemen ten aanzien van de bejaarde leeftijd in het algemeen en van hun eigen ouder worden in het bijzonder, hebben wellicht meer mogelijkheden hun bejaarde ouders te benaderen met betrokkenheid, medeleven en constructieve ondersteuning. Als men oud worden ziet als een tijd die men moet vrezen – en veel signalen in deze tijd suggereren dat dit zo is – dan kan het achteruitgaan van de ouders een zeer bedreigende ervaring zijn. Hun oud worden doet als het ware de bel rinkelen voor het eigen oud worden en voor de eigen dood. Als ouders sterven, is men de volgende in de lijn. Als men de eigen sterfelijkheid niet onder ogen kan zien, hoe kan men dan bij zijn eigen ouders verwijlen ? Het kan echt pijnlijk zijn als men bij elke confrontatie wordt herinnerd aan datgene waaraan men verkiest niet te denken.

Vijfde vraag: is men overbelast ? Men kan zo in beslag genomen zijn door een veelheid van problemen, die de aandacht vragen in het eigen leven – gezondheid, financiën, loopbaan, kinderen, kleinkinderen, en ook de eigen zorgen omtrent pensionering – dat men zo uitgeput is dat men niet in staat is er nog de problemen van de ouders bij te nemen. Men kan proberen zijn best te doen, of zich beschaamd te voelen dat men het niet beter doet. En hoogstwaarschijnlijk zal men het de oudere generatie kwalijk nemen dat ze bijkomende last bezorgt. Het is nooit gemakkelijk de last van een ander op zich te nemen, zelfs wanneer alles vlot verloopt, maar er zijn perioden in het leven waarin het nagenoeg onmogelijk is. Ironisch genoeg stelt men vast dat ouderen beginnen meer steun nodig te hebben op het moment dat het leven van hun kinderen het meest gecompliceerd is, en de verantwoordelijkheden voor hen het zwaarst zijn. Een vrouw van middelbare leeftijd heeft zowel af te rekenen met de adolescentiecrisis van haar kinderen als met de geriatrische problemen van haar ouders, juist op het moment dat zijzelf in de menopauze komt. Haar echtgenoot gaat misschien op dat moment door zijn midlife-crisis. Een man van middelbare leeftijd staat voor de opdracht voldoende geld te verdienen voor de studies van zijn kinderen, soms bij te dragen in de kosten voor de opvang van zijn ouders, juist op het moment dat hij de langverwachte promotie mist op zijn werk en met het gevoel zit dat er nooit meer een nieuwe kans komt.

Als kinderen bij het bepalen van hun levensprioriteiten niet in staat zijn geweest hun ouders een eerste, een tweede of een derde plaats toe te kennen, zullen ze het zichzelf misschien nooit vergeven. Als ze echter proberen verantwoordelijkheid te nemen voor hun ouders, zoals ze dit voor zichzelf doen, kunnen ze zich ook voortdurend belast voelen en zich afvragen: ‘Wanneer zal er een tijd komen voor mijzelf ?’ Ongeacht voor welke weg ze kiezen, wellicht – en zeer waarschijnlijk – staan ze voor een bijkomende last: de schuldgevoelens.

Schuldgevoelens

Schuldgevoel is gewoonlijk het eindresultaat van of de drijfkracht achter de andere oncomfortabele gevoelens uit het verleden en in het heden.

John voelt zich beschaamd over zichzelf, omdat hij beschaamd is over zijn ouders. Hij voelt zich schuldig, omdat hij niet meer voor hen doet. Hij voelt zich boos en wrevelig op hen, omdat hij zich schuldig moet voelen. Hij wordt dan angstig en bevreesd dat hij de een of andere straf zal krijgen voor zijn boosheid. Omwille van één oncomfortabel gevoel – schaamte – moet hij een heel gamma van andere oncomfortabele gevoelens doormaken.

Dergelijke ervaringen doen zich frequent voor. Een emotie staat zelden alleen. De hele reeks van gevoelens staat in verband met elkaar. Het ene gevoel is in staat het andere op te roepen. Schuld kan wrevel oproepen. Wrevel kan meer schuldgevoel opwekken en schuldgevoel meer vrees. Het is een eindeloze, zichzelf bestendigende cyclus.

Schuldgevoel is een verborgen gebleven of een duidelijk verschijnend gevoel. Het signaleert dat men verkeerd doet in woorden, gedachten of denken. Het gaat vaak gepaard met een verlaagd zelfgevoel en met de wens voor straf. Bewuste gevoelens van schuld zijn niet hetzelfde als de onbewuste gevoelens, die zich manifesteren in een behoefte aan zelfbestraffing. Schuldgevoelens worden nogal eens gezien als neurotische reacties die te maken hebben met onbewuste wensen. Schuldgevoel heeft echter niet steeds te maken met onbewuste wensen. Men kan zich schuldig voelen voor zaken die men heeft gedaan en niet heeft gedaan: objectieve daden of nagelaten daden. In deze zin kan zich schuldig voelen voor iets dat men fout heeft gedaan, een teken van rijpheid zijn. Schuldgevoel komt dan voort uit het besef dat men zijn verantwoordelijkheid niet heeft genomen voor zijn ouders. Hoe schuldiger men zich voelt, hoe moeilijker men het kan hebben met het nemen van zijn verantwoordelijkheid. En men komt opnieuw in een cirkel terecht. Verantwoordelijk gedrag verloopt gemakkelijker wanneer men niet alleen zijn ouders begrijpt, maar ook zichzelf en de eigen gevoelens tegenover de ouders.

Siegfried (vijftig jaar) begrijpt zijn gevoelens. Hij zet zijn begrip om in actie als hij op bezoek gaat in een verzorgingstehuis en zijn situatie bespreekt met de directeur. ‘Mijn moeder en ik hadden nooit een aangename relatie. Ze is steeds een moeilijke vrouw geweest. Ik kan moeilijk vergeten hoe ze me als kind heeft behandeld. Toen ik groter werd, had ik enkel kunstmatige contacten met haar. Nu heeft ze echter iemand nodig die zorg draagt voor haar. Ik kan haar niet opnemen in mijn huis en gezin. Niemand van de kinderen kan dat. Maar ze is oud en ze is mijn moeder. Ik wil dat ze alle zorg krijgt die ze nodig heeft en dat ze zich zo comfortabel mag voelen als mogelijk.’

Een dergelijke koele en objectieve vorm van begrijpen is zeldzaam. De schuldgevoelens van kinderen staan zo vaak op de voorgrond dat ze bij de minste prikkel in actie komen. Een zin, een woord, zelfs een gebaar of een schouderophalen van de bejaarde vader of moeder is voldoende. Sommige uitspraken die men frequent hoort en die vriendelijk lijken uitgesproken, roepen dan schuldgevoelens op, bijvoorbeeld: ‘Ik begrijp wel dat je gisteren hebt vergeten te bellen. Ik weet dat je het zeer druk hebt.’

Als men het heeft over schuldgevoel, is het belangrijk ook even stil te staan bij de schuldgevoelens van kinderen die soms de wens voelen dat hun vader of moeder zou sterven. Dit wordt meer gevoeld en gewenst dan men van zichzelf wil toegeven. De meeste mensen die deze gedachten voelen opkomen, vinden het te erg om ze toe te laten, zeker wanneer ze verbolgen zijn op hun ouders. De doodswens komt in twee vormen voor. Op de eerste plaats de meer acceptabele vorm, wanneer een ouder terminaal ziek is, constant pijn lijdt en er geen kans op verbetering meer bestaat. Een tweede vorm wordt als minder acceptabel beleefd. De ouder is niet terminaal ziek, maar meestal moeilijk en afhankelijk en dit ondermijnt de lichamelijke en emotionele sterkte van de familie. Een zoon of dochter kan met het gevoel leven, maar dit daarom nog niet toelaten: ‘Ik hoop dat ze sterft, zodat ik wat meer tijd heb voor mezelf.’ Er zijn momenten waarop deze beide wensen kunnen opkomen en ze zijn begrijpelijk. Echter, een ander dood wensen, en zeker een ouder, is maatschappelijk onaanvaardbaar, en een dergelijke wens roept dan ook een hevig schuldgevoel op.

Een andere bron van schuldgevoel is het doordringende gevoel dat wordt opgeroepen door het onaangename besef niet te kunnen zorgen voor zijn ouders, zoals zij gedaan hebben voor hun kinderen toen ze klein waren. Men heeft het gevoel dat men een schuld niet inlost. In de huidige, veranderende samenleving is schuld inlossen vaak onmogelijk. Soms zijn er onvoldoende mogelijkheden zowel in de samenleving als in het gezin, om de vereiste zorg te verzekeren, zodat kinderen ruimte overhebben voor schuldgevoel. Men heeft het gevoel niet te zorgen voor de ouders, zoals zij voor hun kinderen hebben gedaan. Voor de kinderen van nu kan men echter rekenen op kinderopvang, de school, studiebeurzen, zodat de ouders er nooit alleen voor staan. De verantwoordelijkheid voor kinderen wordt op bepaalde dagen en momenten overgenomen door anderen.

Een oud verhaal over een vadervogel is een mooie weergave van dit probleem. Een vogel vliegt uit met zijn drie jongen om een zee over te vliegen. Het is een stormachtige dag. De zee is zo uitgestrekt en de stormwind zo hevig, dat hij verplicht is zijn jongen een voor een te dragen in zijn sterke klauwen. Als hij halverwege de zee is, met de eerste van zijn jongen, komt er zo’n hevige stormwind opzetten dat hij zegt: ‘Mijn kind, zie hoe ik vecht en mijn leven riskeer voor jou. Als je groot bent, wil je dan evenveel voor mij doen en zorgen voor mijn oude dag ?’ Het jong antwoordt: ‘Breng me alsjeblieft in veiligheid. Wanneer je oud bent, zal ik alles voor je doen wat je vraagt.’ De vader laat zijn vogelkind vallen in de zee en het verdrinkt. Hij zegt: ‘Zo zal het vergaan met een leugenaar als jij.’ Daarna keert de vadervogel terug naar de kust, zet koers met zijn tweede jong, stelt dezelfde vraag, krijgt hetzelfde antwoord en hij dropt ook dat jong in de zee, met de schreeuw: ‘Jij bent ook een leugenaar.’

Uiteindelijk vliegt hij uit met het derde jong. Als hij opnieuw de vraag stelt, zegt het derde en laatste jong: ‘Mijn beste vader, het is juist dat je vecht uit alle macht en je leven riskeert voor mij. Ik zal fout zijn als ik je niet terugbetaal wanneer je oud bent, maar ik kan mezelf daartoe niet verbinden. Dit kan ik je echter wel beloven: als ik groot ben geworden en zelf kinderen heb, dan zal ik evenveel voor hen doen als jij voor mij hebt gedaan.’ Waarop de vader-vogel antwoordt: ‘Goed gesproken, mijn kind, en wijs. Jouw leven zal ik redden en ik wil je veilig brengen tot aan de kust.’

Onderdrukte gevoelens

Men kan gevoelens als een kurk onder water proberen te duwen, maar de kurk komt steeds weer boven op een andere plaats. Gevoelens die worden onderdrukt, komen op een bepaald moment boven. Ze kunnen de perceptie van zichzelf en van relaties vervormen. Ze maken soms dat men verkeerde beslissingen neemt. Men kan ook verkeerde beslissingen nemen uit gebrek aan zicht op een situatie, of omdat men het niet eens wordt in de familie. Maar sommige onjuiste reacties zijn geconditioneerd door emoties die niet aan de oppervlakte mogen komen, die men niet in het bewustzijn toelaat.

Zo kunnen kinderen soms wegblijven bij hun ouders om uiteenlopende redenen. Een groot aantal voelt zich slechts occasioneel schuldig, maar velen wensen attenter te zijn. Ondanks hun bewuste wens vinden ze het echter moeilijk op bezoek te gaan, te bellen, te schrijven en soms zelfs gewoon in contact te blijven. Als volwassen kinderen ondanks hun voornemens en pogingen meer nabij te zijn, er onmogelijk in slagen een bevredigend contact aan te houden, kan het zijn dat ze een confrontatie vermijden, die mogelijkerwijze oncomfortabele gevoelens kan oproepen, die zij verkiezen te onderdrukken: boosheid, wrevel, irritatie, jaloersheid, schuld. Het kan zijn dat ze wensen dat alles anders zou verlopen, en dat ze zichzelf verwijten: wat is dat toch met mij ? Waarom doe ik het niet beter met hen ? Maar ondertussen blijven ze toch weg.

Overbezorgdheid en dominantie zijn de tegenovergestelde polen in vergelijking met wegblijven. Men kan de ouders totaal afhankelijk maken en denken dat men dit doet uit toewijding en liefde. Het kan een juiste houding zijn, maar ook een manier om wrevel en schuldgevoelens uit te bannen. Dit gedrag kan dus hetzelfde doel dienen als wegblijven. Het gevoel op de achtergrond kan een gevoel van vrees voor verlies zijn. Men zit met het gevoel: ‘Zolang ik er ben, kan er met hen niets gebeuren.’ Het is niet eenvoudig voor een volwassene te accepteren dat hij afhankelijk is van zijn ouders, dat hij eigenlijk niet zonder hen kan.

Als men het gevoel heeft dat men zijn ouders te kort doet, kan zich dat ook uiten in voortdurende vitterij op anderen. Het is soms een hele opluchting iemand anders, en niet de ouders of zichzelf, te kunnen bekritiseren. Er wordt dan voortdurend kritiek geleverd op broers of zussen, op het verzorgend personeel. Hiermee brengt men de stem tot zwijgen die zegt dat men niet genoeg doet voor de ouders. Men levert eindeloze kritiek op degene die zijn job doet. Sommige kritiek kan terecht zijn, maar als niets goed is, geen enkele manier, nergens, dan kan iets diep binnenin niet juist zijn. Mensen bekijken de wereld rondom hen vaak vervormd om te maken dat ze zichzelf beter voelen. Door de blaam op een ander te werpen bezorgen ze zichzelf tijdelijk een comfortabel gevoel.

Ontkenning is een andere reactie. Men ontkent dat de ouders achteruitgaan, dat ze zorg nodig hebben. Dat staat in nauw verband met de vrees de ouders te verliezen. Men kan het gevoel hebben dat de symptomen van achteruitgang wel zullen verdwijnen zolang men ze niet wil zien. Het meest gevaarlijke hiervan is dat de ouder niet voldoende of te laat medische zorg krijgt. Als de artsen wel worden geconsulteerd, kan ontkenning leiden tot het verwachten van wonderen van de medische wereld.

Sommige kinderen blijven steken in een verlengde rebellie of in een blinde overbetrokkenheid tegenover hun ouders. Rebellie is normaal bij een adolescent die zich onafhankelijk wil maken, maar na enige tijd wordt de stormachtige adolescent een rustiger volwassene. Sommige kinderen maken echter van deze rebellie hun levensstijl. Ze blijven constant in conflict met hun ouders, blijven hen zaken verwijten en realiseren zich ondertussen niet dat ze verantwoordelijk zijn voor hun eigen leven. De agressie tegenover hen maakt dat men blind is voor het feit dat de ouders oud zijn geworden en er behoefte aan hebben dat hun kinderen eindelijk op zichzelf kunnen leven. Degenen die nooit enige adolescentie-rebellie hebben doorgemaakt, zijn ook zeer kwetsbaar. Het kind dat nooit in staat was zich los te maken van zijn ouders, zal ze nooit kunnen zien als afzonderlijke individuen. Het resultaat, dat vaak wordt gemaskeerd als een liefdevolle, toegewijde relatie tussen ouder en kind, kan in werkelijkheid een situatie zijn waarin het kind zijn gevoelens niet kan scheiden van deze van zijn ouders. Dat wordt zeer pijnlijk als de ouders ernstig achteruitgaan.

Ouders verliezen is een unieke ervaring

De gevoelens die zojuist werden beschreven, verklaren ten dele waarom het sterven van ouders vaak als een zeer ingrijpende en emotionele ervaring wordt beleefd. De wijze waarop men tijdens hun ouder worden met deze gevoelens is omgegaan ten aanzien van de ouders, maar ook met deze gevoelens in zichzelf, bepaalt mede de intensiteit van de reactie nadien. Het verklaart ook de grote verschillen in beleving tussen de kinderen van dezelfde ouders.

De relatie met de ouders is voor elk kind een unieke ervaring. Elk heeft er zijn vader of zijn moeder van gemaakt. Sommigen ervaren sterke emoties voor enkele dagen, anderen blijven er intens mee bezig gedurende maanden, zelfs jaren. Wat men ervaart, hangt af van de eigen persoonlijkheid, van de eigen lichamelijke en emotionele gezondheid, van de relatie met de ouder, de omstandigheden van het sterven, de steun die men krijgt. Omdat al deze factoren niet los van elkaar kunnen worden gezien, maar elkaar onderling beïnvloeden, zijn er zeer veel verschillende reacties mogelijk. Normale reacties gaan van reacties waarin men weinig of geen emotioneel onbehagen ervaart tot deze waarin men jarenlang bedroefd is.

Dochters reageren vaak intenser op de dood van hun ouders, en ook op de ziekten die eraan voorafgaan. Vrouwen investeren immers vaak meer energie en tijd in het zorgen-voor dan mannen. Naarmate men meer heeft geïnvesteerd, heeft men vaak ook een groter potentieel aan herinneringen en emoties dan iemand die meer op afstand is gebleven. Een volwassen zoon die een gelijkaardig engagement heeft betoond, zal eveneens een grotere intensiteit ervaren. Het is nodeloos te stellen dat de effecten zowel aangenaam als onaangenaam kunnen zijn: trots evenzeer als frustratie, dankbaarheid zowel als ressentiment. De meeste kinderen ervaren echter een mengeling van gevoelens.

Aarzeling tussen genegenheid en afwijzing, tussen medeleven en verontwaardiging doet kinderen soms onbeholpen en onzeker reageren. De plotseling omgekeerde verhouding, het feit dat ouders moeten worden verzorgd, is niet gemakkelijk. Hoe overwint men de verlegenheid tegenover hun lichaam ? Hoe helpt men de wederzijdse schaamte uit de wereld, als men hen moet wassen of helpen op het toilet ? Dat is niet vanzelfsprekend. Ouders kunnen moeite hebben om zich te laten helpen door hun eigen kinderen. De kinderen zelf vinden het soms gemakkelijker intieme zorg te verlenen aan anderen dan aan hun eigen ouders.

De verhouding tegenover de ouder van het eigen geslacht is vaak de meest problematische. De dochter wordt in de moeder en de zoon in de vader geconfronteerd met de persoon met wie men zich in haar of zijn jeugd heeft geïdentificeerd. Men ziet nu bepaalde overeenkomsten die erg kunnen verontrusten. Er is soms ook oude rivaliteit, de wens om boven vader of moeder uit te groeien. Daarom is het voor de vrouw soms gemakkelijker om haar vader te verplegen, en voor de man om zijn moeder te verzorgen. Ook is de relatie met de schoonouders soms veel meer ontspannen, omdat de openlijke en verborgen conflicten die tegenover de eigen ouders de overhand zouden kunnen krijgen, in deze situatie minder boven het hoofd dreigen te groeien (Dobrick, 1989).

De wijze waarop een ouder sterft – na een langdurige ziekte of plots, zonder enige voorbereiding – bepaalt mede de beleving. Bij een ziekte als dementie verliest men als het ware de ouder reeds tijdens het leven. Toenemende vervreemding en ontluistering zorgen ervoor dat er voor sommigen steeds meer verloren gaat tijdens het leven. En toch wordt dit ook weer anders beleefd en kan men het niet zomaar onder één noemer brengen.

Rina verliest haar moeder als deze 82 jaar oud is. Haar moeder is acht jaar opgenomen geweest in een rust- en verzorgingstehuis voor demente bejaarden. Ze heeft haar zeer regelmatig bezocht en zat in de familieraad van het tehuis. Moeder vervreemdde geestelijk meer en meer en werd steeds afhankelijker. Bij het sterven beleeft Rina een grote leegte: het wegvallen van haar regelmatig bezoek, het achterlaten van het tehuis, het leegmaken van de kamer. Vooral echter het verliezen van een moeder die zo zacht, zo breekbaar en zo aanhankelijk was geworden. Vroeger heeft ze moeder gekend als een wat harde en afstandelijke vrouw. Door het dementeringsproces werd ze een vriendelijke, rustige en zachte vrouw. Rina is blij dat ze ook dat aspect van haar moeder mocht leren kennen in deze laatste periode van haar leven.

Irma begraaft een vogeltje zonder pluimen. Haar moeder sterft op 86-jarige leeftijd na een lang dementeringsproces. Ze heeft het gevoel dat ze moeder in de loop van deze jaren beetje bij beetje heeft afgegeven. Moeder herkende haar dochter niet meer. Ze verloor haar spraak, maar ze bracht af en toe nog wel wat kwetterende geluiden voort. Ze werd steeds magerder, tot er bijna niets meer van haar overbleef. Op de begrafenis heeft Irma het gevoel dat ze haar moeder reeds lang en geleidelijk heeft begraven tijdens het leven. Wat ze nu ten grave draagt, is dat magere, klein geworden, kwetterende vogeltje zonder pluimen. Met zorg heeft ze afscheid genomen, want moeder was zo teer, maar het verdriet is reeds geleden en verwerkt tijdens moeders leven.

De leeftijd van de kinderen

De leeftijd waarop men zijn ouders verliest, kan ook een rol spelen in de beleving. De twintigers en dertigers die de eerste twee decennia van de volwassenheid doorlopen, zijn volop in een periode van wegbewegen van de ouders, van ontdekken van nieuwe waarden, nieuwe mensen en nieuwe ervaringen. Het is de periode waarin men een nieuwe familie uitbouwt en men het gevoel van de eigen identiteit consolideert. Het vervullen van deze taken gaat vaak gepaard met afstand nemen van de eigen ouders en contact onderhouden op een andere, minder intense manier. Omdat dit proces van afstand nemen intense emoties kan meebrengen en de ouder-kindrelatie doorheen dit alles een krachtig iets is dat doorwerkt, kan het sterven van een ouder in deze periode iemand ontwrichten en verbijsteren.

Diverse omstandigheden bepalen mee hoe men reageert. Een dochter die in verwachting is of zelf jonge kinderen heeft, ontdekt vaak opnieuw haar moeder als een gids en een steun. Het sterven van moeder terwijl men zelf volop bezig is met het moederschap, kan een diepe indruk nalaten. Het is moeilijk als men deze ervaringen niet meer met de eigen moeder kan delen. Het is evenzeer moeilijk als de dochter haar moeder beschouwt als een rolmodel voor haar zakelijke en professionele activiteiten.

In contrast met de twintigers en dertigers veeleer kunnen de twee volgende decennia van de volwassenheid eerder een tijd zijn van relatieve stabiliteit in het eigen leven dan van toegenomen onzekerheid in de situatie met de ouders. Voor veertigers en vijftigers zijn wellicht de beroepsactiviteiten en het eigen gezin de voornaamste bekommernissen. Als ouders gezond blijven, kan de situatie relatief rustig blijven. Als ze echter meer afhankelijk worden van hun kinderen, kan men worden geplaatst voor de reeds eerder beschreven conflicten: conflict tussen de wens zorg te dragen voor de ouders en de andere competitieve opdrachten in het leven.

In de jaren dat men zestig is, ziet men zichzelf soms meer moeite hebben met het sterven van de ouders. Men heeft een eigen familie uitgebouwd. De kinderen hebben het huis reeds verlaten. Hun eigen zelfstandigheid kan maken dat men zich minder voor conflicten geplaatst voelt in betrokkenheid tegenover de oudere en de jongere generatie. Dit kan een verbetering zijn in vergelijking met vroegere ervaringen. Aandacht geven aan de oudere ouders kan nu gemakkelijker zijn. Anderzijds stellen zich ook nieuwe problemen. Als men zelf ouder wordt, kan het moeilijk zijn om de taken op zich te nemen die de zorg voor een ouder meebrengt, zeker als deze toenemend zorgbehoevend wordt.

Een ander mogelijk effect van het sterven van een ouder als men zelf in de zestig is, is de toenemende verwijzing naar de eigen sterfelijkheid. Het kan bijzonder moeilijk zijn voor een zestigjarige dochter, die steeds ongehuwd is gebleven, een vader of moeder van tachtig-negentig jaar te verliezen, met wie ze een heel leven heeft samengeleefd of nauw verbonden was. ‘Hij of zij heeft een mooie leeftijd gehad’, of gewoon de vraag als men verdrietig is: ‘Hoe oud was je moeder ?’ kan als ontkenning en wegduwen van het verdriet worden beleefd.

Sommigen verliezen hun ouders wanneer zijzelf zeventig of – uitzonderlijk –tachtig jaar oud zijn. Het is een zeldzaam fenomeen, maar het vraagt ook aandacht. Het is niet omdat ouders een extreem hoge leeftijd bereiken dat hun kinderen klaar zijn voor hun dood. De zware belasting om als bejaarde zoon of dochter zorg te dragen voor de nog meer bejaarde ouder, kan zowel lichamelijk, emotioneel als financieel zeer moeilijk zijn. Het sterven kan als een verlichting worden beleefd. Dit kan echter ook weer schuldgevoelens oproepen.

Geen enkel decennium is het gemakkelijkst of het moeilijkst om een ouder te verliezen. Elk heeft zijn eigen kansen en problemen. Algemeen zou men kunnen stellen dat de jaren dat men in de twintig en de zestig is, voor de grootste ongemakken zorgen. Als men in de twintig is, heeft men het moeilijk omwille van de vaak ambivalente wisseling tussen afhankelijkheid en zelfstandig worden; in de zestig omdat de afhankelijkheid van de ouders ten opzichte van hun kinderen ook voor een ambivalente emotionele situatie zorgt. Immers, men komt terug dichter bij elkaar na jaren van grotere afstand en de oude emoties kunnen weer aan de oppervlakte komen. Het heeft echter met heel wat meer te maken dan met de leeftijd alleen, zoals reeds hoger beschreven.

Een eerste of een tweede ouder verliezen

Bij het sterven van de eerste ouder heeft men vaak nog geen ervaring met dit type van verliezen, of zelfs met sterven en rouw in het algemeen. Men wordt niet alleen geconfronteerd met het eigen verdriet, maar ook met het verdriet van de overblijvende ouder. De aanpassingen voor de overlevende ouder kunnen wegen op de kinderen. Soms worden alle veranderingen zowel door de overblijvende ouder als door de kinderen geschoven op een van de kinderen.

Lies is de jongste in een gezin van vier kinderen en enige dochter. Tijdens de ziekte van haar vader heeft ze speciale aandacht aan haar moeder gegeven. Moeder verbleef tijdens de ziekenhuisperioden van vader veel in haar gezin. Als haar vader sterft, is er een speciale afhankelijkheid gegroeid tussen haar en moeder. Moeder is bang voor het alleen-zijn en verwacht aanvankelijk om – teneinde haar angst te ontlopen – te kunnen inwonen bij haar dochter. Haar broers vinden dit een goede oplossing. Wellicht speelt hier hun onbewuste angst om zelf de zorg voor moeder te moeten verzekeren, mee. Lies die een goede relatie heeft met haar moeder, ziet toch niet de mogelijkheid om dagelijks, naast de verantwoordelijkheid voor haar eigen kinderen en haar beroep buitenshuis, er de zorg voor haar moeder bij te nemen. Het terug samenleven roept ook alle gevoelens van vroeger weer op.

Als de tweede ouder sterft, heeft men reeds enige ervaring opgedaan met deze problematiek. Op dat moment komt soms echter verdriet voor het sterven van de eerste ouder in alle intensiteit weer opsteken. Het kan dat men de eerste ouder in de vroege jeugd heeft verloren en dat men pas bij het sterven van de tweede ouder bemerkt dat men dit eerste verlies nooit adequaat heeft verwerkt.

De dood van de tweede ouder brengt iemand in een totaal nieuwe categorie: men wordt een wees. Na het sterven van de eerste ouder blijft men nog steeds iemands zoon of dochter. Na het sterven van de tweede ouder kan men worden geconfronteerd met een speciaal gevoel van eenzaamheid en leegte. Als men zich intens verdrietig voelt, beschouwt men de eigen reactie vaak als ongepast. Hoe kan men zich nog verweesd voelen op een leeftijd van 52 of 62 jaar ? Wees- en volwassen-zijn lijken elkaars tegengestelden. Deze gevoelens zijn echter normale reacties op een belangrijke overgang in het leven. Het is voor het eerst sinds de geboorte dat men zonder ouders is. Men kan niet langer naar huis gaan. Het wordt voor sommigen ook het moment dat de ouderlijke woning, het dorp van hun jeugd, uit hun dagelijks leven verdwijnt. Dit kan het gevoel van verweesd-zijn nog versterken. Het laat zeer diepe indrukken na voor kinderen die geen eigen gezin hebben, zoals bijvoorbeeld kloosterlingen. Hun laatste thuis buiten het klooster verdwijnt. De feestdagen die ze vroeger in familiekring konden doorbrengen, kunnen jarenlang pijnlijke momenten zijn.

Het ouderlijk huis is voor kinderen vaak het centrale punt, het ontmoetingspunt waar zij elkaar min of meer vanzelfsprekend ontmoeten om bepaalde gebeurtenissen te vieren. Zonder dat centrum moeten hun onderlinge relaties een nieuwe basis vinden of uiteenvallen (Dobrick, 1989). Het kan belangrijk zijn om hieraan tijdig te denken, vooraleer men door omstandigheden wordt gedwongen. Een familie had reeds jaren vóór de dood van de ouders de gewoonte aangenomen om meerdere plaatsen te voorzien voor de terugkerende reünies, opdat een gewoonte niet zou wegvallen met het sterven van de laatste ouder.

Veranderingen in de familie

Het sterven van een van de ouders brengt vaak grotere veranderingen mee in de familie dan enkel het wegvallen van een lid. Men kan anders komen te staan tegenover de andere ouder, dichter of verder af. Het kan dat men nu pas ontdekt wie de andere ouder eigenlijk is. De relatie met broers of zussen verandert vaak. Men kan elkaar opnieuw ontdekken, een soort saamhorigheid ontwikkelen na jaren van grotere afstandelijkheid. Men kan ook van elkaar vervreemden. Relaties tussen broers en zussen kunnen breken.

Waarom zouden broers en zussen, en de overblijvende ouder, die reeds verlies lijden, dit nog extra verzwaren door verwijdering en verlies van elkaar ? Daar zijn goede redenen voor. De overleden ouder heeft een specifieke betekenis voor elkeen in de familie. Ieder heeft ook zijn eigen manier om met verdriet en verlies om te gaan. Deze verschillen veroorzaken soms conflicten in plaats van harmonie, isolatie in plaats van solidariteit.

Als vader sterft, verliezen de kinderen een ouder. Moeder verliest haar partner. De praktische aanpassingen waarvoor zij staat, zijn vaak veel ingrijpender voor haar dan voor de kinderen. Er alleen voor komen te staan kan drastische wijzigingen meebrengen in de financiële middelen en de sociale status. Weduwe worden is voor sommigen een zeer ingrijpende ervaring, die de kinderen niet steeds begrijpen. Het feit dat zowel de kinderen als de overblijvende ouder bedroefd zijn, betekent niet dat ze de beste hulp voor elkaar kunnen zijn. Zoals een hongerig persoon ook niet het best in staat is een ander hongerig persoon adequaat te helpen. Het is niet doordat beiden een gelijksoortig gevoel van honger kennen, dat ze elkaar kunnen helpen.

Broers en zussen zijn naast de ouders vaak degenen die men het langst kent. Dit betekent echter niet het meest intens. Het kan zijn dat men niet zoveel contact heeft met elkaar, dat men elkaar nog weinig ziet, dat men niet echt van elkaar houdt. Men deelt echter iets met elkaar dat men met niemand anders deelt: de eigen oorsprong, dezelfde ouders, een aantal decennia van het leven. Als een ouder sterft, kan het pijnlijk zijn te voelen dat niet iedereen zich in dezelfde situatie bevindt. Men verliest dezelfde ouders, maar dezelfde ouder bestaat eigenlijk niet. Iedereen beleeft het op zijn manier. Soms kunnen broers en zussen elkaar goed aanvoelen. Soms ook helemaal niet. Sterven kan mensen beroven van de mensen van wie ze houden, maar het kan hen ook helpen ze opnieuw te ontdekken.

Een van de oorzaken van vervreemding is vaak het verschil in betrokkenheid tijdens de laatste levensperiode. Men kan het gevoel hebben alles alleen te moeten klaren, terwijl anderen moeite kunnen hebben met het feit dat iemand te weinig of te veel op zich neemt.

Alda had het gevoel alles alleen te moeten doen. Haar broer was na het sterven van haar vader nauwelijks beschikbaar. Ze moest alle beslissingen alleen nemen. Na de begrafenis ging hij vroeg weg. Ze moest alleen het appartement leegmaken en alle herinneringen opruimen. Ze is ervan overtuigd dat het onmacht was die hem deed wegblijven, maar ze is er nog steeds boos om. Het betekende een breuk in hun relatie.

Dit soort conflicten is minder verrassend dan op het eerste gezicht lijkt. Hoge verwachtingen ten aanzien van broederlijke en zusterlijke liefde zorgen voor een bijkomende ontgoocheling. De kern van de zaak is dat ze, juist omdat ze allen verlies ervaren, niet in staat zijn elkaar te ondersteunen. Het probleem is dat ze hetzelfde verlies meemaken. Ze ervaren misschien gelijksoortige emoties en reacties. Ze worden allen geraakt. Wat elk van hen wenst en nodig heeft – een optimistisch vooruitzicht, geduld, een helder perspectief en overvloed van energie – is precies datgene wat elk van hen mist.

Het is niet abnormaal dat op dat moment ook oude conflicten – rivaliteit en afgunst uit de kinderjaren – weer bovenkomen. Deze vroegere emoties, in combinatie met de spanningen en de stress tijdens de periode van ziekte en het sterven van de ouders, kunnen ervoor zorgen dat relaties tussen broers en zussen definitief verbroken raken. Het is niet abnormaal dat broers en zussen er moeite mee hebben nog met elkaar om te gaan na de dood van de ouders.

De erfenis kan het strijdobject vormen. Er bestaat eenVlaamse uitdrukking die zegt: ‘Als men nog nooit een nalatenschap heeft verdeeld, weet men niet hoe het gaat in een familie.’ Het is niet zozeer de materiële erfenis die voor conflicten zorgt, maar als men goed luistert, stelt men vast dat het veeleer gaat om de ideële nalatenschap van de ouders, om de van hen overgenomen aspecten van hun persoonlijkheid, om hun min of meer geheime levenstaken, ideeën en idealen. De erfenis valt te meten, te wegen of te tellen. Dat ieder ook een ideële nalatenschap in zich draagt, blijft daarentegen gemakkelijker verborgen. Een materiële erfenis kan men veel gemakkelijker in gelijke delen verdelen. Wat betreft de geestelijke nalatenschap ziet het er heel anders uit (Dobrick, 1989). Elk kind heeft zijn ervaringen met de ouders. Het gevoel meer of minder geliefd te zijn geweest, meer of minder kansen te hebben gekregen, zorgt onbewust voor spanningen die zich vertalen in de materiële inzet. Het is belangrijk dat men weet dat deze emoties normale reacties zijn. Volwassen broers en zussen botsen op elkaar als de kinderen van weleer. Men kan teleurgesteld zijn over het gedrag van broers en zussen, maar ook over zichzelf. Men kan ruzie maken over een theeservies, een naaimachine. Men kan alle zelfbeheersing verliezen en zichzelf niet meer begrijpen. Hoe kan men nu vechten voor een theeservies alsof zijn bestaan ervan afhangt ? De ruzie wordt echter gevoed vanuit een immateriële bron.

Soms kan het ook heel anders verlopen. Met het sterven van de ouders verdwijnt voor sommige broers en zussen het voorwerp van hun jaloezie. Nu stellen ze vast dat ze het zeer goed met elkaar kunnen vinden, dat ze allerlei gemeenschappelijks hebben, waarvan ze vroeger geen weet hadden, omdat ze voortdurend met elkaar in een concurrentiestrijd om hun ouders waren verwikkeld. Een dergelijke broer of zus vinden is voor sommigen een grote troost. Na de dood van vader of moeder zijn het immers uitsluitend de broers of zussen die sommige van de vroegste ervaringen kunnen delen, die over dingen kunnen vertellen die al lang vergeten waren.

Belangrijk kan zijn bijzondere aandacht te geven aan het enig kind. Een enig kind heeft geen broers of zussen om samen afscheid te nemen van de ouders en om samen herinneringen op te halen na hun dood. Als de ouders een hoge leeftijd hebben bereikt, kan het zijn dat het enig kind niemand vindt om de ervaringen te delen, omdat iedereen dit sterven een normaal gebeuren vindt. Voor het enig kind verdwijnt echter op dat moment de laatste levende herinnering aan het gezin van de kinder- en jeugdjaren.

Een negatieve relatie verwerken

Niet alle ouder-kindrelaties zijn gezond en positief. Wanneer de relatie negatief was, kan men gecompliceerde rouwreacties verwachten. Soms is er geen verdriet, enkel opluchting. Als de dood het einde betekent van een relatie, die vooral pijnlijk en problematisch was, dan kan men zich bevrijd voelen, dan kan men genieten van de nieuwe kansen, van de nieuwe vrijheid. Men is als het ware bevrijd van een permanente last, van een relatie die voortdurend beperkingen inhield voor de eigen ontplooiing.

Sommigen die niet in staat waren een zekere afstand te nemen van hun ouders, laten ook nog na hun dood hun leven erdoor bepalen. Als ze er niet overheen geraken, kan professionele hulp aangewezen zijn. Hier krijgen ze dan de kans om naast het positieve ook alle negativiteit waarmee ze blijven vastzitten aan hun ouders, uit te spreken, zodat ze het kunnen verstaan, maar er ook afstand van kunnen doen. Ook al denkt men dat het verliezen van een ouder met wie men een goede relatie had, pijnlijker is dan het einde van een slechte relatie, het omgekeerde is vaak waar. Het einde van een goede relatie maakt verdrietig, maar uiteindelijk blijft het voldoening gevende verder bestaan. Gemiste kansen veroorzaken soms veel langer verdriet, ook al heeft men niet direct die indruk. Het kan zich uitdrukken in een blijvend onvermogen nog te houden van de mensen en van het leven, doordat men als het ware voortdurend blijft vasthangen aan de gemiste kansen met de overleden ouders.

Met de dood eindigt de relatie niet

De dood maakt een einde aan het leven, maar de dood maakt geen einde aan de relatie. De ouders en de relatie die men met hen had, leven verder in de geest van de nabestaanden. Soms blijft men na de dood verder streven naar een oplossing die men nooit vindt. Het sterven van ouders is vaak een diep ingrijpende ervaring, omdat ouders een grote rol spelen in het leven van hun kinderen.

Zich voorbereiden op het sterven van de ouders, er iets over lezen op nog onverdachte momenten, kan kinderen helpen om de realiteit onder ogen te zien als deze nadert. Naarmate men meer weet over ouder worden en sterven, er vertrouwder mee is, kan men meer aanwezig zijn in de laatste ogenblikken. Mogelijkerwijs geeft het kansen om aan het levenseinde nog intense ervaringen met ouders op te doen. Men kan samen in gesprekken het verleden overdenken, oude twistpunten opruimen, elkaar op een nieuw niveau en met meer begrip dan in vroeger jaren tegemoet komen. Wie daarin slaagt, heeft geluk. Niemand kan dat geluk evenwel in zijn eentje realiseren. Belasting en kansen liggen in het samenzijn met zieke en stervende ouders dicht bij elkaar. Als men ervan wegloopt, zal men er nooit iets van te zien krijgen. Men mist iets van wat Verhoeven (1975) schrijft: ‘Ik dacht dat ik vader was geworden toen ik aan het kraambed stond bij de geboorte van mijn eerste kind. Nu weet ik dat ik pas ten volle ervaren heb wat vaderschap inhoudt aan het sterfbed van mijn vader.’

Het verlies van de ouders komt vaak op belangrijke keerpunten van het bestaan terug boven. Men denkt eraan hoe ze zouden reageren bij belangrijke beslissingen. Men mist hen bij het huwelijk van de kinderen. In de laatste levensdagen en op het stervensmoment mijmert men vaak over het sterven van de eigen ouders. Bij het afscheid nemen van de ouders heeft men definitief het kind-zijn achtergelaten, maar de zekerheid die men als klein kind in het samenzijn met de ouders heeft gevoeld, die zekerheid draagt men nu in zichzelf.

Op het moment van afscheid en sterven denkt men misschien enkel aan verliezen. Met het sterven eindigt echter de relatie niet. Het kan het begin zijn van een intensief contact dat men nooit meer verliest. Ouders kunnen hun kinderen verder leren door de dood (Keirse, 1993). Kinderen gaan hen achterna. Ze zijn niet meer dan enkele stappen voor.