hoofdstuk 19
De vrolijke weken
NU WAREN er altijd de vrijdagavonden om naar uit te kijken, en na de tweede bijeenkomst was er zo'n wedijver onder de deelnemers, dat er bijna iedere dag nieuwtjes de ronde deden. Op de tweede bijeenkomst waren er uitsluitend charades, en Pa had de mooiste van de hele avond, omdat niemand hem kon raden. Zelfs de allerlaatste moest het opgeven, en Laura barstte bijna van trots en plezier toen Pa tenslotte vertelde wat de zijne betekende. Het gelach en geklap was niet van de lucht geweest. Op weg naar huis hoorde Laura meneer Bradley zeggen : „Er zal heel wat moeten gebeuren voor we deze avond kunnen overtreffen!" Gerald Fuller had met zijn keurige stem geroepen: „Zeg eens, er is toch genoeg talent voor een muziekavond?"
De volgende vrijdagavond was er alleen muziek. Pa met zijn viool, en Gerald Fuller met zijn harmonika, speelden zo mooi, dat de school en de mensen als betoverd waren. Iedere keer als ze ophielden, werd er geklapt om meer. Het leek onmogelijk, dat er ooit een heerlijker avond zou komen. Maar nu had de hele stad belangstelling gekregen, en hele families kwamen van de ontginningen aanrijden om de avonden bij te wonen. De mensen in de stad spanden zich tot het uiterste in. Ze bereidden een werkelijk goede muziekavond voor. Ze repeteerden ervoor, en ze leenden het orgel van mevrouw Bradley.
Op die vrijdagavond werd het orgel, zorgvuldig in beddegoed en paardedekens gewikkeld, op de ossenwagen van meneer Foster geladen en voorzichtig naar de school gebracht. Het was een prachtig orgel van gepolitoerd hout, met beklede pedalen en een bovenkant met houten versiersels en kleine plankjes en geslepen spiegeltjes. De houten standaard voor de muziek was als kant opengewerkt, en er was rode stof achter gespannen, die door de openingen te zien kwam, en aan weerszijden was een rond plankje waar een lamp op kon staan. De lessenaar van de onderwijzer was opzij gezet en door het orgel vervangen. Op het bord schreef meneer Clewett het programma. Er was gewone orgelmuziek, er was orgelmuziek met begeleiding van Pa's viool, en orgelmuziek met zang, met kwartetten en duo's en solo's. Mevrouw Bradley zong: Keer weer, keer weer, O, Tijd in uw vlucht, En breng op uw wieken Mijn kindsheid terug. Laura kon de droefheid ervan nauwelijks verwerken. Haar keel werd dik en pijnlijk. Er glinsterde een traan op Ma's wang voor ze hem in haar zakdoek kon opvangen. Alle vrouwen droogden hun ogen en de mannen schraapten hun kelen en snoten hun neuzen. Iedereen zei, dat die muziekavond niet te overtreffen was. Maar Pa zei geheimzinnig: „Dat valt nog te bezien."
Alsof dit nog niet genoeg was, was de kerk eindelijk onder de kap, en nu waren er elke zondag twee kerkdiensten en er was zondagsschool. Het was een vriendelijke kerk, hoewel hij nog zo nieuw was, dat hij er onaf uitzag. Er was nog geen klok in het torentje, en de houten wanden waren nog niet geschilderd. Aan de buitenkant waren ze nog niet grauw verweerd, en binnen zag je de kale planken en balken. De kansel en de lange banken met beschoten zijkanten waren ook van ongeschilderd hout, maar het was allemaal fris en geurig.
In de kleine, uitgebouwde entree was voldoende
ruimte om, voor je de kerk binnen ging, sneeuw van laarzen en
schoenen te stampen en om kleren te ordenen, die door de wind
verwaaid waren. De kolenkachel en de mensen maakten de kerk warm,
en mevrouw Bradley had haar orgel geleend, zodat er bij orgelmuziek
gezongen werd.
Laura genoot zelfs van de preken van dominee Brown. Ze begreep niet wat hij zei, maar hij leek op een levend geworden afbeelding van John Brown uit haar geschiedenisboek. Zijn ogen gloeiden, zijn witte snor en zijn baard gingen op en neer, en zijn grote handen zwaaiden en grepen, en balden zich tot vuisten die op de kansel sloegen en door de lucht zwaaiden. Laura had er plezier in om in gedachten zijn zinnen te veranderen en de bouw te verbeteren. Ze hoefde de preek niet te onthouden, want thuis wilde Pa alleen weten of zij en Carrie de tekst goed konden opzeggen. Wanneer de preek voorbij was, werd er weer gezongen.
Er waren gezangen waarvan ze genoot, omdat de tonen van het orgel dan breed uitvloeiden en iedereen met overgave zong:
Wij zijn op weg, met de staf in de hand,
Door een wilde woestijn en een onbekend land.
Geloof geeft ons moed en Hoop geeft ons kracht.
De pelgrimstocht wordt zingend volbracht.
En dan zetten ze hun stemmen uit bij het refrein, en ze klonken luider dan de zwellende orgeltonen:
't Is de pelgrimsweg, die de vaderen namen, 't Is de weg waarlangs ze in het Hemelrijk kwamen, 't Is de levensweg, die naar God toe leidt, 't Is de weg naar huis en de eeuwigheid.
Met de zondagsschool en de ochtendkerk, het zondagse middagmaal en de afwas, en 's avonds de avondkerkgang, vloog iedere zondag om. Op maandag begon de school weer, en begon het verlangen naar de vrijdagavond; de zaterdag was niet eens lang genoeg voor het napraten, en dan was de zondag er weer. Alsof dit alles nog niet meer dan genoeg was, had de vrouwenvereniging het plan om een groot oogstfeest te geven om geld voor de kerk in te zamelen. Het zou een uitgebreid feestmaal worden.
Laura haastte zich uit school naar huis om Ma te helpen met het schillen en snijden en fijnmaken van de grootste pompoen die Pa in de zomermaanden gekweekt had. Bovendien zocht ze een hele emmer kleine witte bonen uit, die ze waste. Ma ging een geweldige pompoenetaart maken en een enorme pan vol gekookte bonen om mee te nemen naar het oogstmaal. Er was op de dag van het oogstfeest geen school. Er werd tussen de middag ook niet warm gegeten. Het was een vreemde, lege dag, alleen vol spanning over de taart en de bonen, en vol verwachting over de avond. 's Middags namen ze beurt om beurt een bad in de wastobbe in de keuken, bij daglicht. Het was vreemd om bij daglicht een bad te nemen, en nog wel op een donderdag. Daarna borstelde Laura zorgvuldig haar schooljurk, en ze borstelde en kamde en vlocht haar haar en krulde haar ponie opnieuw. Ma trok haar op een na mooiste jurk aan, en Pa knipte zijn baard en trok zijn zondagse kleren aan.
Toen het donker ging worden, en ze allemaal trek kregen in avondeten, pakte Ma de grote pan met bonen in bruin papier en een doek, om de bonen heet te houden, terwijl Laura Grace aankleedde en gauw haar eigen mantel aantrok en haar muts opzette. Pa droeg de bonen, Ma hield in beide handen de grote pompoenetaart, die ze in de grote, vierkante broodvorm gebakken had. Laura en Carrie droegen een mand vol borden tussen zich in, en Grace liep aan Laura's andere hand. Zodra ze langs de winkel van Fuller waren, konden ze over de lege kavels erachter de helder verlichte kerk zien. Wagens en paarden en gezadelde ponies verzamelden zich er al omheen, en er liepen mensen de flauw verlichte portiek binnen. Alle wandlampen in de kerk waren aangestoken. De glazen bollen waren vol olie en de lichten in de heldere lampeglazen werden met een verblindende glans weerkaatst door de blikken reflektors erachter. Alle banken waren tegen de wanden geschoven, en twee lange, witgedekte tafels stonden te glanzen in het midden van de ruimte. „O, kijk eens!" riep Carrie.
Laura bleef even stokstijf staan. Zelfs Pa en Ma hielden bijna even in, hoewel ze te groot waren om hun verrassing te laten merken. Een volwassene behoorde nooit met stem of gebaar te laten merken wat hij voelde. Laura keek dus alleen, en rustig kalmeerde ze Grace, hoewel ze even opgewonden en onder de indruk was als Carrie. Middenop een van de tafels stond een gebraden varken met een mooie, rode appel in zijn bek. Boven alle heerlijke geuren die om de tafels hingen uit,steeg de verrukkelijke geur op van gebraden varkensvlees.
In hun hele leven hadden Laura en Carrie niet zoveel eten bij elkaar gezien. De tafels waren overladen. Er waren hoge schalen aardappelpuree en knollenpuree, waar de gesmolten boter afdroop vanuit de kleine putjes in de bovenkanten. Er waren grote schalen gedroogde mais, die geweekt en vervolgens in room gekookt was. Er waren hoog opgestapelde schalen met gouden sneden maisbrood en sneden wittebrood en notig bruinbrood. Er was zoetzuur van komkommers en van bieten en van groene tomaten, en glazen kommen op hoge glazen voeten waren gevuld met rode tomatenjam en wilde kersenjam. Op iedere tafel stond een grote, wijde, diepe pan met kippepastei, waarvan de damp omhoog steeg uit de spleten in de kruimelige korst. Het varken was het mooist. Het stond op korte stokken levensgroot boven een grote pan met gebraden appels. Het rook heel lekker. Lekkerder dan alle andere etensgeuren was die volle, kruidige, bruine geur van het gebraden varkensvlees, dat Laura in zo lang niet geroken had.
Er zaten al mensen aan de tafels die hun borden keer op keer vulden, en die elkaar de schalen toereikten en aten en praatten. Het lekkere, blanke vlees, dat gloeiend heet in de omlijsting van knapperig bruin vet zat, werd al van een kant van het varken weggesneden. „Hoeveel weegt dat varken?" hoorde Laura een man vragen, toen hij zijn bord nog eens aanreikte, en de man die voorsneed antwoordde, terwijl hij een dikke plak afsneed: „Ik weet het niet precies, maar hij woog schoon goed veertig pond."
Er was geen plaats leeg aan de tafels. Achter de stoelen liepen mevrouw Tinkham en mevrouw Bradley gehaast heen en weer, en ze reikten tussen de schouders door om theekoppen en koffiekoppen opnieuw te vullen. Andere dames ruimden vuile borden weg en zetten schone neer. Zodra iemand klaar was en zijn plaats verliet, werd die ingenomen, hoewel de maaltijd vijftig cent kostte. De kerk was bijna helemaal vol, en nog kwamen er meer mensen binnen.
Het was allemaal nieuw voor Laura. Ze voelde zich eenzaam, en ze wist niet wat ze moest doen, tot ze Ida in een hoek aan een tafel druk zag staan afwassen. Ma was aan het bedienen gegaan, en daarom ging Laura Ida helpen. „Heb je geen schort meegebracht?" vroeg Ida. „Speld deze doek dan maar voor, dan kan ik je jurk niet vol spatten." Omdat ze een predikantsdochter was, was Ida gewend aan dit soort werk. Ze had haar mouwen opgerold, haar jurk was bedekt met een groot schort, en ze lachte en babbelde, terwijl ze vliegensvlug afwaste, en Laura droogde met dezelfde snelheid af.
„O, wat is deze avond geslaagd!" zei Ida blij. „Had je ooit gedacht, dat we zoveel mensen zouden krijgen?" „Nee," antwoordde Laura. Ze fluisterde: „Blijft er voor ons nog iets te eten over?" „O, ja!" antwoordde Ida vol vertrouwen, en zachtjes vervolgde ze: „Daar zorgt moeder altijd voor. Ze heeft een paar van de lekkerste taarten en een cake achtergehouden." Laura had niet zoveel belangstelling voor de vruchtentaarten en de cake, maar ze hoopte wel dat er iets van het varkensvlees over zou zijn, als haar beurt zou komen om aan tafel te gaan.
Er was nog iets over toen Pa plaatsen kreeg voor Carrie en Grace en zichzelf. Laura kon net zien hoe ze vrolijk aten, terwijl zij stond af te drogen. In hetzelfde tempo waarin zij borden en koppen droogde, werden ze weggegrist en naar de tafels gebracht, en het leek wel of er nog vlugger vuile borden en koppen om de afwasteil werden gestapeld.
„We hebben werkelijk hulp nodig," zei Ida opgewekt. Niemand had zoveel mensen verwacht. Ma en de meeste andere vrouwen waren vliegensvlug bezig. Laura bleef trouw borden afdrogen. Ze wilde Ida er niet alleen mee laten zitten, hoewel ze meer en meer honger kreeg, en ze minder en minder hoop had dat ze nog iets te eten zou krijgen.
Het duurde lang voor er lege plaatsen aan de tafels kwamen. Tenslotte waren alleen de leden van de vrouwenvereniging en Ida en Laura nog hongerig. Toen werden er opnieuw borden en koppen, messen en vorken en lepels afgewassen en afgedroogd, er werd opnieuw een tafel gedekt, en ze konden gaan zitten. Waar het varken gestaan had, lag een stapel benen, maar Laura zag tot haar vreugde dat er nog een heleboel vlees aanzat, en dat er nog wat kippepastei in de pan was. Kalm kwam mevrouw Brown aanlopen met de achtergehouden cake en de taarten. Laura en Ida hadden even tijd om uit te rusten en te eten, terwijl de dames elkaar complimentjes maakten over de gerechten, en zeiden dat de maaltijd een succes was geweest. Er werd druk gepraat op de overvolle banken langs de wanden, en in de hoeken en om de kachel stonden de mannen te praten.
Toen werden de tafels voor het laatst afgeruimd. Laura en Ida wasten weer af, en de vrouwen sorteerden de borden en pakten ze in manden met het eten dat over was. Het was een compliment voor Ma's kookkunst, dat er geen stukje pompoenetaart en geen schepje bonen over was. Ida waste het bakblik en de melkpan af, Laura droogde ze, en Ma stopte ze in haar mand.
Mevrouw Bradley speelde op het orgel en Pa en enkele anderen zongen, maar Grace was in slaap gevallen en het was tijd om naar huis te gaan. Het sloeg elf uur toen Pa de deur openmaakte; de volgende dag was er weer school, en 's avonds zou er weer een letterkrans zijn. Het zou een debat worden, met als stelling, dat Lincoln een grotere figuur was dan Washington. Laura was heel geïnteresseerd, want advocaat Barnes zou de stelling verdedigen en zijn argumenten zouden goed zijn. „Het zal leerzaam zijn," zei ze tegen Ma, toen ze zich haastten om klaar te komen. In werkelijkheid was ze in tweestrijd, want ze wist dat ze eigenlijk moest werken. Ze had in die ene week twee hele studieavonden gemist. Maar er zouden in de kerstvakantie een paar vrije dagen komen, waarin ze de verloren tijd in kon halen.
Het kerstpakket voor Mary was verzonden. Ma had er zorgvuldig de sjaal in gepakt, die Laura had gemaakt van zachte, pluizige wol, die even wit was als de grote sneeuwvlokken die buiten zachtjes omlaag vielen. Ze had de kanten kraag erin gelegd, die zij gebreid had van heel dun, wit naaigaren. Daarna had ze er zes zakdoeken in gepakt, die Carrie van dun batist had gemaakt. Drie waren afgezet met een smalle rand machinekant, en drie waren gewoon gezoomd. Grace kon nog geen kerstcadeau maken, maar ze had gespaard voor een half el blauw lint, en Ma had daarvan een strik voor Mary gemaakt, die ze op de witte kanten kraag onder haar kin kon spelden. Toen hadden ze allemaal een lange kerstbrief geschreven en Pa had in de envelop een biljet van vijf dollar gedaan.
„Daarvan kan ze de kleinigheden kopen die ze nodig heeft," zei hij. Een lerares had heel prijzend over Mary geschreven. In de brief had ook gestaan, dat Mary een voorbeeld van haar kralenwerk naar huis zou kunnen sturen, als ze zelf de kralen kon kopen, en dat ze een speciale lei nodig had om op te schrijven, en dat het later misschien nodig zou zijn, dat ze nog een andere speciale lei kreeg, waarop ze in braille zou kunnen schrijven; dat was een soort schrift, dat blinden met hun vingers konden lezen. „Mary zal begrijpen, dat we allemaal aan haar denken in de kersttijd," zei Ma, en ze waren allemaal nog blijer te weten, dat het kerstpakket onderweg was. Toch, zonder Mary was het geen echt kerstfeest. Alleen Grace was echt vrolijk toen ze bij het ontbijt de kerstpakjes openmaakten. Voor Grace was er een echte pop, met een porseleinen kop en handjes, en kleine zwarte muiltjes die aan haar stofvoetjes waren vastgenaaid. Pa had ronde plankjes onder een sigarenkistje gespijkerd als wieg voor de pop, en Laura en Carrie en Ma hadden lakentjes en een kussen en een klein gestikt dekentje gemaakt en een nachtpon. Grace was volmaakt gelukkig.
Samen hadden Laura en Carrie een zilveren vingerhoed voor Ma gekocht, en een blauwe zijden das voor Pa. En bij Laura's bord lag het blauw met gouden boek, de gedichten van Tennyson. Pa en Ma vermoedden niet, dat ze niet verrast was. Ook voor Carrie hadden ze van hun reis naar Iowa een boek meegebracht dat ze voor haar verstopt hadden.
Dat was het hele kerstfeest. Toen het morgenwerk klaar was, kon Laura eindelijk gaan zitten en „De Lotuseters" lezen. Zelfs dat gedicht was een teleurstelling, want in het land waar het altijd middag scheen te zijn, aardden de matrozen niet. Ze vonden blijkbaar, dat ze er recht op hadden om in dat betoverde land te wonen en niets te doen en overal over te klagen. Als ze aan werk dachten, jammerden ze: „Waarom altijd zwoegen op de woelige baren?" Jazeker, waarom! dacht Laura verontwaardigd. Was het niet de taak van de matroos om altijd te zwoegen op de woelige baren? Maar nee, ze wilden liever liggen dromen. Laura sloeg het boek dicht. Ze wist, dat er mooie gedichten in zo'n boek moesten staan, maar ze miste Mary zo erg, dat ze niet de moed had ze te lezen.
Toen kwam Pa gehaast van het postkantoor met een brief. Het handschrift kenden ze niet, maar de brief was ondertekend: Mary! Ze schreef, dat ze het papier op een gegroefde metalen lei legde, en door de groeven te betasten kon ze de letters met een loden potlood vormen. Deze brief was haar kerstgeschenk voor hen allemaal. Ze schreef, dat ze het prettig vond op school en dat de leraressen zeiden, dat ze goed werkte. Ze leerde lezen en schrijven in brailleschrift. Ze wilde dat ze met kerstmis bij hen kon zijn, en ze moesten op kerstdag aan haar denken, zoals zij aan hen allemaal zou denken. De dag ging stil voorbij nadat de brief uit was. Eens zei Laura: „Wat zou Mary van de letterkrans genieten als ze hier was." Toen bedacht ze opeens hoe vlug altijd alles veranderde. Het zou nog zes jaar duren voor Mary terugkwam, en niets zou meer hetzelfde zijn als het was geweest.
In de vakantie deed Laura niets voor school, en januari ging zo vlug voorbij, dat ze bijna geen tijd had om adem te halen. De winter was zo zacht, dat de school niet één dag hoefde te sluiten. Iedere vrijdagavond was er een bijeenkomst, en iedere avond was opwindender dan de vorige.
Er was het wassenbeeldenspel. Iedereen kwam die avond van mijlenver. Paarden en wagens en ponies stonden overal vastgebonden. De bruine Morgans stonden toegedekt met keurig dichtgegespte dekens, en Almanzo Wilder stond met Cap Garland in het overvolle schoollokaal. Een gordijn van witte lakens verborg het podium. Toen dit gordijn opzij werd geschoven, ging er een diepe zucht door het lokaal, want langs de hele achterwand en langs beide zijkanten van het podium stond een rij levensgrote wassen poppen. Tenminste, ze zagen eruit of ze van was waren gemaakt. De gezichten waren wasbleek, op de zwarte, geschilderde wenkbrauwen en de rode lippen na. Gehuld in witte, geplooide lakens stond iedere figuur zo onbewegelijk als een gesneden beeld. Toen de toeschouwers een poosje naar de wassen beelden gekeken hadden, kwam er een vrouw vanachter het weggeschoven gordijn te voorschijn. Niemand wist wie ze was. Ze droeg een zwarte sleepjapon en een diepe hoed, en in haar hand hield ze de lange aanwijsstok van de onderwijzer. Met een donkere stem zei ze: „George Washington, hoor mij aan! Leef en beweeg!" En met de stok raakte ze een van de beelden aan. Het beeld bewoog! Met korte, stijve rukken ging er een arm omhoog en uit de witte stofplooien kwam een wasachtige hand die een bijl vasthield. De arm maakte hakkende bewegingen met de bijl. De vrouw noemde ieder beeld bij zijn naam, raakte het aan met de stok, en het ging schokkend bewegen. Daniël Boone bewoog een geweer op en neer. Koningin Elisabeth zette een grote vergulde kroon op en af. Sir Walter Raleigh's stijve hand bracht een pijp naar en van zijn bewegingloze lippen. Een voor een gingen alle beelden bewegen. Ze bleven bewegen op zo'n dode, wassen manier, dat je nauwelijks kon geloven dat ze in werkelijkheid leefden. Toen het gordijn tenslotte dicht ging, werd er even diep gezucht, en toen kwam er een wild applaus. Alle wassen beelden, die nu natuurlijk levend waren, moesten voor het gordijn komen, terwijl het applaus harder en harder klonk. De vrouw zette haar hoed af en ze was Gerald Fuller. De kroon en de pruik van koningin Elisabeth vielen af, en ze was meneer Bradley. Er leek geen eind te komen aan het vrolijke rumoer. „Mooier kan het werkelijk niet," zei Ma op de terugweg. „Dat kun je nooit weten," zei Pa plagend, alsof hij meer wist dan hij wilde zeggen. „De hele stad is nu op toeren gekomen."
Mary Power kwam Laura de volgende dag opzoeken, en de hele middag praatten ze over het wassenbeeldenspel. Toen Laura die avond alles klaar legde om te gaan leren, kon ze alleen maar gapen. „Ik kan beter naar bed gaan," zei ze. „Ik ben te sla..." en ze gaapte ontzettend. „Dat zijn al twee avonden, die je deze week verloren hebt," zei Ma. „En morgenavond is er kerk. We leven zo in een feestroes, dat ik geloof... Werd er op de deur geklopt?" Er werd weer geklopt, en Ma liep naar de deur. Het was Charley, maar hij wilde niet binnenkomen. Ma nam de enveloppe, die hij haar gaf, aan en deed de deur dicht. „Hij is voor jou, Laura," zei ze. Carrie en Grace keken verbaasd toe, en Pa en Ma wachtten, terwijl Laura het adres op de enveloppe las. „Mejuffrouw Laura Ingalls, De Smet, Dakota." „Wat heeft dat te betekenen?" zei ze. Ze ritste de enveloppe zorgvuldig open met een haarspeld en haalde er een opgevouwen vel briefpapier met een vergulde rand uit. Ze vouwde het open en las hardop:
Ben M. Woodworth
heeft het genoegen u uit te nodigen voor zaterdagavond de 28ste januari voor een avondmaaltijd om acht uur.
Net zoals Ma soms deed, ging Laura met knikkende knieën zitten. Ma nam de uitnodiging uit haar hand en las hem nog eens. „Het is een partijtje," zei Ma. „Een avondpartijtje." „O, Laura! Je bent op een partijtje gevraagd!" riep Car- rie. Toen vroeg ze: „Wat doen ze op een partijtje?" „Ik weet het niet," zei Laura. „O, Ma, wat moet ik doen? Ik ben nog nooit naar een feestje geweest. Hoe moet ik me gedragen?" „Je hebt geleerd hoe je je moet gedragen, waar je ook bent, Laura," antwoordde Ma. „Je gedraagt je alleen maar zoals je weet dat het hoort." Natuurlijk was dat waar, maar het was geen troost voor Laura.