hoofdstuk 10
Mary gaat naar school
DE LAATSTE dag kwam. Morgen ging Mary weg.
Pa en Ma hadden haar nieuwe koffer meegebracht. Aan de buitenkant was hij van glimmend blik, waarin een patroontje van kleine bultjes was geperst. Banden van glanzend gelakt hout waren om het midden en langs de hoekkanten gespijkerd, en er liepen drie banden in de lengte over het gebogen deksel. Er waren stukjes ijzer op de hoeken geschroefd, om de houten banden te beschermen. Wanneer het deksel gesloten werd, gleden twee ijzeren tongetjes in twee ijzeren gleufjes, en twee paar ijzeren ringen vielen over elkaar, zodat de koffer met hangsloten dichtgemaakt kon worden.
„Het is een goede, stevige koffer," zei Pa. „En ik heb vijftien meter sterk nieuw touw om eromheen te doen." Mary's gezicht glansde toen ze hem met haar gevoelige vingers overal betastte, en Laura vertelde haar hoe het glimmende blik en het glanzende gele hout eruit zag. Ma zei: „Het is het allernieuwste model koffer, Mary, je kunt er je hele leven plezier van hebben." Van binnen was de koffer van mooi glad hout. Ma voerde hem zorgvuldig met kranten en pakte er al Mary's bezittingen stevig in. Ze vulde ieder hoekje zo stijf met proppen krantepapier op, dat er niets kon bewegen tijdens de ruwe treinreis. Ze legde er ook nog een paar lagen krantepapier in, want ze was bang dat Mary niet genoeg kleren had om de koffer te vullen. Maar toen alles erin zat en zo stevig mogelijk was aangedrukt, was de met papier bedekte heuvel hoog genoeg om het gebogen deksel te vullen, en Ma ging erbovenop zitten om hem dicht te houden terwijl Pa de sloten dicht deed. Daarna rolden ze de koffer ondersteboven en op zijn kanten, zodat Pa er lussen van het nieuwe touw omheen kon trekken, en Laura hielp met het strakhouden van het touw, terwijl hij de knopen stevig aantrok. „Ziezo," zei hij tenslotte. „Dat hebben we hem goed geleverd."
Zolang ze bezig waren, konden ze de zekerheid van Mary's vertrek diep in zich wegdrukken. Maar nu was alles klaar. Het was nog geen etenstijd, de uren waren leeg, en ze konden denken. Pa schraapte zijn keel en liep het huis uit. Ma haalde haar verstelmand, maar ze zette hem op tafel en ging voor het raam staan uitkijken. Grace vroeg: „Niet weggaan, Mary, hoor! Niet weggaan; je moet me een verhaaltje vertellen." Dit was de laatste keer dat Mary Grace op schoot zou houden en het verhaal zou vertellen van grootvader en de panter in de grote bossen. Grace zou een groot meisje zijn als Mary terugkwam. „Nee, Grace, je mag niet zeuren," zei Ma toen het verhaal uit was. „Wat wil je eten vanavond, Mary?" Het zou Mary's laatste avondmaal thuis zijn. „Alles wat u op tafel zet is lekker, Ma," antwoordde Mary. „Het is zo heet," zei Ma. „Ik geloof dat ik balletjes kwark met uien maak, met koude doperwtjes. Als jij eens wat sla en tomaten uit de tuin haalde, Laura."
Opeens vroeg Mary. „Mag ik met je mee? Ik zou wel even willen wandelen." „Jullie hoeft je niet te haasten," zei Ma. „Er is nog tijd genoeg voor het avondeten." Ze wandelden langs de stal en liepen de lage heuvel erachter op. De zon, dacht Laura, ging slapen als een koning, die de kleurige gordijnen van zijn grote bed om zich heen trekt. Maar Mary hield niet van zulke fantasieën. Daarom zei Laura: „De zon gaat onder, Mary, in een bed van witte wollen wolken, die zich langs de hele horizon uitspreiden. De toppen van al die wolken zijn vuurrood, en vanuit het midden van de hemel dalen grote, stralende wolkegordijnen omlaag, die rose en goud zijn en parelmoeren randen hebben. Ze liggen als een reusachtig dak over de hele prairie. De stukjes hemel ertussenin zijn helder, zuiver groen."
Mary bleef staan. „Ik zal onze wandelingen missen," zei ze met een beetje bevende stem. „Ik ook." Laura slikte, en zei: „Maar bedenk, dat je naar school gaat." „Zonder jou had ik nooit kunnen gaan," zei Mary. „Je hebt me altijd met mijn schoolwerk geholpen, en je hebt jouw negen dollar aan Ma gegeven voor mij." „Het was niet veel," zei Laura. „Het was niets bij wat ik zou willen dat ik..." „Wel waar!" viel Mary haar in de rede. „Het was veel." Laura kreeg een prop in haar keel. Ze knipperde met haar ogen en haalde diep adem, maar haar stem trilde. „Ik hoop dat je het prettig hebt op school, Mary." „O, vast. Vast!" Mary zuchtte. „Dat ik zal kunnen leren, en studeren... O, alles! Zelfs leren orgelspelen. Dat heb ik gedeeltelijk aan jou te danken, Laura. Al ben je nog geen onderwijzeres, je hebt me toch al geholpen." „Ik ga les geven zodra ik oud genoeg ben," zei Laura. „Dan kan ik meer helpen." „Ik wou dat je niet hoefde," zei Mary. „Nou, ik moet toch," antwoordde Laura. „Maar het kan niet voor ik zestien ben. Dat is de wet: een onderwijzeres moet zestien jaar zijn." „Dan ben ik niet hier," zei Mary. En opeens hadden ze een gevoel alsof ze voor altijd wegging. De jaren die voor hen lagen, waren leeg en schrikaanjagend. „O, Laura, ik ben nog nooit van huis geweest. Ik weet niet hoe het moet gaan," bekende Mary. Ze beefde helemaal. „Het gaat vast goed," zei Laura dapper. „Ma en Pa gaan met je mee, en ik weet zeker dat je door je examen komt. Je hoeft niet bang te zijn." „Ik ben niet bang, ik wil niet bang zijn," zei Mary beslist. „Ik zal eenzaam zijn. Maar daar is niets aan te doen." „Nee," zei Laura. Toen schraapte ze haar keel en ze zei tegen Mary: „De zon is door de witte wolken heen. Hij is nu net een grote, kloppende bal van vloeibaar vuur. De wolken erboven zijn dieprood en goud en purper, en de grote wolken vegen aan de hele hemel zijn gloeiende vlammen." „Het is of ik hun licht op mijn wangen kan voelen," zei Mary. „Zouden de hemel en de zonsondergangen daar anders zijn?" Laura wist het niet. Langzaam liepen ze de lage heuvel af. Dit was het einde van hun laatste wandeling samen, of in ieder geval van hun laatste wandeling voor zo lang, dat het voor altijd leek. „Ik weet zeker, dat ik door het examen kom omdat jij me zoveel geholpen hebt," zei Mary. „Je hebt ieder woord van je lessen met me doorgenomen, en nu weet ik alles wat er in de schoolboeken staat. Maar Laura, wat ga jij doen? Pa geeft zoveel geld voor mij uit - de koffer, en een nieuwe mantel, een paar nieuwe schoenen, de treinkaartjes, en nog zoveel meer - het maakt me ongerust. Hoe kan hij straks nog schoolboeken en kleren voor jou en Carrie kopen?" „Niet aan denken, Mary. Pa en Ma weten wel hoe dat moet," zei Laura. „Je weet dat ze er altijd zijn gekomen."
De volgende morgen heel vroeg, nog voor Laura was aangekleed, stond Ma een paar vogels, die Pa geschoten had, te wassen en te plukken; ze braadde ze na het ontbijt, en toen ze koud waren, pakte ze de maaltijd voor in de trein in een schoenendoos. Pa en Ma en Mary hadden de vorige avond een bad genomen. Nu trok Mary haar beste oude katoenen jurk aan en haar op een na beste paar schoenen. Ma trok haar zomermantelpak aan, en Pa zijn zondagse kleren. Een buurjongen had beloofd om hen naar het station te rijden. Pa en Ma zouden een week weg zijn, en als ze zonder Mary terug kwamen, konden ze vanaf de stad lopen.
De wagen kwam. De sproetige jongen, met rood haar dat door een scheur van zijn strohoed stak, hielp Pa met het op de wagen tillen van Mary's koffer. De zon scheen heet en de wind blies. „Carrie en Grace, gedraag je goed en doe wat Laura zegt," zei Ma. „Denk eraan, dat je de waterpan van de kuikens geregeld vult, Laura, en let op haviken, en schuur de melkpannen iedere dag en zet ze in de zon." „Ja, Ma," zeiden ze allemaal. „Da-ag," zei Mary. „Da-ag, Laura. Carrie. Grace." „Dag," konden Laura en Carrie er met moeite uitbrengen. Grace keek alleen, met grote ogen. Pa hielp Mary langs het wagenwiel omhoog en zette haar bij Ma en de jongen op de bok. Hij ging zelf op de koffer zitten. „Alles klaar, dan gaan we," zei hij tegen de jongen. „Dag, meisjes."
De wagen zette zich in beweging. De mond van Grace ging wijd open en ze huilde hardop. „Schaam je, Grace. Schaam je! Zo'n groot meisje dat huilt!" bracht Laura er met moeite uit. Haar keel werd zo dik, dat het pijn deed. Carrie zag eruit of ze ieder ogenblik kon gaan huilen. „Schaam je!" zei Laura nog eens, en Grace slikte een laatste snik weg. Pa en Ma en Mary keken niet achterom. Ze moesten weg. De wagen, die hen meenam, liet stilte achter. Laura had nog nooit zo'n stilte gevoeld. Het was niet de prettige stilte van de prairie. Ze voelde hem tot diep in haar maag. m„Kom," zei ze. „We gaan naar binnen."
De stilte had zich in het huis genesteld. Het was zo stil, dat Laura het gevoel had dat ze moest fluisteren. Grace onderdrukte een snik. Ze stonden daar in hun eigen huis, en voelden alleen stilte en leegheid om zich heen. Mary was weg.
Grace begon weer te huilen, en er stonden twee dikke tranen in Carrie's ogen. Zo kon het niet. Vanaf nu had Laura een week lang de zorg voor alles, en Ma moest op haar kunnen vertrouwen. „Hoor eens, Carrie en Grace," zei ze flink. „We gaan het huis van boven tot onder schoonmaken, en we beginnen meteen! Als Ma dan thuis komt, is de herfstschoonmaak gebeurd."
Laura had het in haar hele leven nog nooit zo druk gehad. Bovendien was het zwaar werk. Ze had nooit beseft hoe zwaar een gestikte deken was, als hij drijfnat en druipend uit de tobbe gehaald en uitgewrongen en over een waslijn gehangen wordt. Ze had nooit geweten hoe moeilijk het soms was om nooit boos te worden op Grace, die altijd probeerde mee te helpen, maar die alleen werk maakte. Het was ook verwonderlijk hoe vuil ze allemaal werden, terwijl ze een huis schoon maakten dat er helemaal schoon had uitgezien. Hoe harder ze werkten, hoe vuiler alles werd.
De ergste dag van allemaal was het heel heet. Ze hadden de strozakken moeizaam naar buiten gewerkt en ze leeggemaakt en gewassen, en toen ze droog waren, hadden ze ze gevuld met zoet, schoon hooi. Ze hadden de spiralen uit de bedden genomen en ze tegen de wanden gezet, en Laura's vinger had in de knel gezeten. Nu haalden ze de bedden uit elkaar. Laura trok aan een hoek, en Carrie trok aan de andere. De hoeken schoten los, en opeens viel het hoofdeinde bovenop Laura's hoofd en ze zag sterretjes. „O, Laura, heb je je pijn gedaan?" riep Carrie. „Nou, niet erg," zei Laura. Ze zette het hoofdeinde tegen de wand, en het gleed meteen onderuit en sloeg tegen haar enkel. Ze kon het niet helpen dat ze „Au!" gilde. Toen zei ze: „Laat het liggen, waar het wil liggen!"
„We moeten de vloer schrobben," zei Carrie. „Dat weet ik," zei Laura woest. Ze zat op de grond en hield haar enkel vast. Er plakten losse haren aan haar bezwete hals. Haar jurk was nat en heet en vuil, en haar nagels waren bepaald zwart. Carrie's gezicht zat onder de vegen van het stof en het zweet, en er zaten plukjes hooi in haar haar. „We moeten ons wassen," zei Laura moe. Opeens riep ze: „Waar is Grace?" Ze hadden een poosje niet aan Grace gedacht. Grace was een keer verdwaald op de prairie. Er waren eens een paar 92 kinderen verdwaald op de prairie, en ze waren gestorven voor ze gevonden waren. „Hier is ik," antwoordde Grace lief en kwam binnen. „Het regent." „Nee!" riep Laura uit. Werkelijk, er viel een schaduw over het huis. Er vielen een paar dikke druppels. Op dat ogenblik rommelde de donder. Laura riep: „Carrie! De .strozakken! De dekens!"
Ze renden. De strozakken waren niet erg zwaar, maar ze waren volgestopt met hooi. Ze waren moeilijk aan te pakken. De kanten glipten voortdurend uit Laura's en Carrie's handen. Toen ze er een bij het huis hadden, moesten ze hem op zijn kant zetten om hem de deur door te krijgen. „We kunnen hem óf rechtop houden of dragen, maar allebei tegelijk gaat niet," zei Carrie hijgend. Het plotselinge onweer raasde al boven hun hoofden en het regende hard. „Ga uit de weg!" riep Laura. Op de een of andere manier drukte en rukte ze de hele strozak het huis in. Het was te laat om de andere binnen te brengen of de dekens van de waslijn te halen. De regen stroomde. De dekens zouden drogen aan de lijn, maar de andere strozak moest weer leeg gemaakt, weer gewassen, en weer gevuld worden. Strozakken moeten volkomen droog zijn, anders ruiken ze muf.
„We kunnen alles uit een van de slaapkamers naar de zitkamer brengen, en verder gaan met schrobben," zei Laura. En dat deden ze. Een tijdlang was er niets anders te horen dan het geluid van de donder en het neerslaan van de regen, en het geschuur en gewring van de dweilen. Laura en Carrie hadden op handen en knieën achteruit gewerkt en bijna de hele slaapkamervloer gedaan, toen Grace opeens blij riep: „Ik help!" Ze stond op een stoel de kachel te poetsen. Ze zat van onder tot boven onder de kachelpoets. De vloer om de kachel zal vol spatten en vegen kachelpoets. Grace had de poetsdoos vol water gedaan. Terwijl ze vol stralende verwachting opkeek naar Laura, streek ze nog één keer met poetsdoek over de ingesmeerde bovenkant van de kachel, en daardoor schoof ze de doos met de zachte kachelpoets eraf. Haar blauwe ogen schoten vol tranen.
Laura wierp één wilde blik door dat verschrikkelijke huis, dat Ma zo keurig en gezellig achtergelaten had. Ze bracht er met moeite uit: „Het hindert niet, Grace; huil maar niet. Ik ruim alles wel op." Toen viel ze neer op de stapel beddeplanken en ze verborg haar hoofd tussen haar opgetrokken knieën. „O, Carrie, het lijkt wel of ik helemaal niet weet hoe Ma alles doet!" zei ze bijna huilend.
Dat was de ergste dag. Op vrijdag was het huis bijna klaar, en ze waren ongerust, dat Ma te vroeg thuis zou komen. Ze werkten die avond tot heel laat, en op zaterdag was het bijna middernacht voor Laura en Carrie een bad namen en doodvermoeid in slaap vielen. Maar op zondag was het huis onberispelijk. De vloer bij de kachel was hagelwit geschuurd. Er waren alleen flauwe sporen van de kachelpoets te zien. De bedden waren opgemaakt met schone, frisse dekens en ze roken zoet naar vers hooi. De ruiten glommen. Alle planken van de kast waren geboend en alle borden waren afgewassen. „En van nu af aan eten we alleen nog maar brood en drinken we alleen melk, en die borden blijven schoon!" zei Laura. Ze hoefden alleen nog maar de gordijnen te wassen en te strijken en op te hangen, en natuurlijk moest de gewone was gedaan worden op maandag. Ze waren blij dat zondag een rustdag was.
Vroeg die maandagmorgen waste Laura de gordijnen. Ze waren droog toen zij en Carrie de gewone was aan de lijn hingen. Ze vochtten de gordijnen in en streken ze en hingen ze voor de ramen. Het huis was prachtig op orde. „We laten Grace buiten tot Pa en Ma thuis komen," zei Laura stilletjes tegen Carrie. Ze hadden niet eens zin in een wandeling. Ze gingen op het gras in de schaduw van het huis zitten en keken naar Grace, die rondholde, en ze wachtten op de rook van de trein. Ze zagen de rook opbollen uit de prairie en langzaam vervloeien aan de horizon als een regel schrift, dat ze niet konden lezen. Ze hoorden de trein fluiten. Een poosje later floot hij nog eens, en de rollende rook begon weer laag boven de horizon te schrijven. Ze meenden net, dat Pa en Ma toch nog niet meegekomen waren, toen ze ze klein en verweg op de weg van de stad zagen wandelen. Toen kwam alle verlangen naar Mary weer boven, even diep alsof ze pas weg was. Ze gingen Pa en Ma tegemoet, en ze ontmoetten ze bij de rand van het grote moeras, en een poosje praatten ze allemaal tegelijk.
Pa en Ma vonden de school bijzonder goed. Ze zeiden, dat het een mooi, groot, stenen gebouw was. Mary zou het er warm en behagelijk hebben als het winter werd. Ze zou goed te eten krijgen, en ze was samen met een heleboel aardige meisjes. Ma vond haar kamergenote erg aardig. De leraressen waren vriendelijk. Mary was met vlag en wimpel door het examen gekomen. Ma had niemand gezien met mooiere kleren. Ze zou de lessen volgen in ekonomie en litteratuur en wiskunde, en ze zou naaien en breien, en kralenwerk doen, en muziekles krijgen. De school had een huisorgel.
Laura was zo blij voor Mary, dat ze bijna kon vergeten hoe smartelijk ze haar miste. Mary had altijd zoveel van leren gehouden. Nu kon ze opgaan in de studie van zoveel dingen, die ze nog nooit eerder had kunnen leren. O, ze moet er blijven, ze moet, dacht Laura, en ze hernieuwde haar belofte om hard te leren, hoewel ze er niet van hield, en om een onderwijzeresdiploma te halen zodra ze zestien was, zodat zij het geld kon verdienen, waarmee Mary op school kon blijven.
Ze was de schoonmaakweek vergeten, maar toen ze bij huis kwamen, vroeg Ma: „Carrie, waarom lachen jij en Grace? Jullie hebt een geheimpje!" Toen danste Grace op en neer en ze riep: „Ik heb de kachel gepoetst!" „Het is waar," zei Ma toen ze het huis binnen stapte. „Hij ziet er mooi uit, Grace, maar ik weet zeker dat Laura je met het poetsen heeft geholpen. Je moet niet zeggen..." Toen zag ze de gordijnen. „Zeg, Laura," zei ze, „heb jij de gordijnen... en de ramen... en... Nee maar, heb je ooit!" „We hebben de najaarsschoonmaak voor u gedaan, Ma," zei Laura, en Carrie juichte: „We hebben de dekens gewassen, en de strozakken gevuld, en de vloeren geschrobd, en alles gedaan." Ma stak haar handen omhoog van verbazing, toen ging ze geroerd zitten en liet haar handen vallen. „Grote goedheid!"
De volgende dag, toen ze haar koffer uitpakte, had ze nog een verrassing voor hen alle drie. Ze kwam de slaapkamer uit met drie kleine, platte pakjes, en ze gaf er een aan Laura, een aan Carrie en een aan Grace. In het pakje van Grace zat een prentenboek. De gekleurde prenten op glanzend papier waren op kleurige bladen van stof geplakt, en ieder blad had een rose rand. Ook in Laura's pakje zat een mooi boekje. Het was dun, en breder dan hoog. Op de rode band stond in vergulde letters: Poëzie Album. De bladzijden hadden lichte pasteltinten en waren leeg. Carrie had er precies zo een, alleen was haar band blauw met goud. „Ik hoorde, dat poëzie-albums op het ogenblik in de mode zijn," zei Ma. „Alle meisjes in de stad waar Mary op school is, hebben ze." „Waar dienen ze precies voor?" vroeg Laura. „Je vraagt een vriendin om op een van de lege bladzijden een gedicht te schrijven en haar naam eronder te zetten," legde Ma uit. „Als zij een poëziealbum heeft, doe jij hetzelfde voor haar, en je houdt de albums, als herinnering aan elkaar." „Nu vind ik het niet meer zo erg om naar school te gaan," zei Carrie. „Ik laat alle vreemde meisjes mijn poëzie- album zien, en als ze aardig zijn, mogen ze erin schrijven." Ma was blij dat ze beiden gelukkig waren met hun poëzie-albums. Ze zei: „Pa en ik wilden graag, dat jullie alle drie een herinnering zou hebben aan de plaats waar Mary op school is."