hoofdstuk 17
De kransavond
OP EEN zaterdagmiddag viel Mary Power binnen om Laura te spreken. Haar wangen bloosden van opwinding. De vrouwenvereniging hield de volgende vrijdag een kransavond in het huis van mevrouw Tinkham, boven de meubelwinkel. „Ik ga als jij gaat, Laura," zei Mary Power. „O, mag ze alstublieft, mevrouw Ingalls?' Laura wilde niet vragen wat een kransavond was. Ze hield veel van Mary Power, maar ze voelde zich altijd een beetje haar mindere. Mary Power's kleren zaten altijd als gegoten, omdat haar vader ze zelf maakte, en haar haren waren opgemaakt op de moderne manier, met een ponie. Ma zei dat Laura naar de krans mocht. Ze had nog niet gehoord dat er een vrouwenvereniging was opgericht.
Om de waarheid te zeggen, waren Pa en Ma diep teleurgesteld dat hun geliefde dominee Alden hier geen predikant was geworden. Hij had het graag gewild, en de kerk had hem gestuurd. Maar toen hij aankwam, merkte hij dat dominee Brown zich al gevestigd had. En dominee Alden was verder getrokken als zendeling, het ongebaande westen in. Pa en Ma bleven natuurlijk wel belangstelling voor de kerk houden, en Ma zou zeker meedoen met de vrouwenvereniging. Maar toch konden ze niet meeleven zoals ze gedaan zouden hebben, als dominee Alden hun predikant was geweest.
De hele volgende week keken Laura en Mary Power uit naar het kransavondje. Het kostte tien cent, en daarom dachten Minnie en Ida dat ze niet zouden mogen, en Nellie zei, dat het haar echt niet interesseerde. Voor Laura en Mary Power leek de vrijdag lang, zo verlangden ze naar de avond. Die middag deed Laura haar schooljurk niet uit, maar ze deed een lang schort voor, dat ze tot onder haar kin vastspelde. Ze aten vroeg, en zodra ze afgewassen hadden, begon Laura zich klaar te maken voor de kransavond.
Ma hielp haar met het zorgvuldig afborstelen van haar jurk. Het was een bruine wollen jurk in prinsessemodel. De kraag was een hoge, nauwsluitende band vlak onder Laura's kin, en de rok viel tot op haar hoge knoopschoenen. Het was een heel aardige jurk, met rode randjes langs de manchetten en de boord; aan de voorkant was hij gesloten met bruine benen knopen, die middenop een verhoogd kasteeltje als versiering hadden.
Voor de spiegel in de zitkamer, waar de lamp was, borstelde en vlocht Laura zorgvuldig haar haar, en ze stak het op, en liet het weer hangen. Ze kon het niet naar haar zin krijgen. „O, Ma, ik wou dat ik een ponie mocht knippen,'' smeekte ze bijna. „Mary Power heeft er ook een en het staat zo elegant." „Je haar is aardig zoals het is," zei Ma. „Mary Power is een lief meisje, maar ik vind de benaming 'gekkenlok' voor die nieuwe haardracht goed gevonden." „Je hebt prachtig haar, Laura," troostte Carrie. „De bruine kleur is heel mooi, en het is zo lang en dik, en het glanst in het licht." Laura bleef ongelukkig naar haar spiegelbeeld kijken. Ze dacht aan de korte haartjes, die altijd om haar voorhoofd groeiden. Ze waren niet te zien als ze naar achteren geborsteld waren, maar nu kamde ze ze allemaal omlaag. Ze vormden een dun ponietje.
„O, Ma, alstublieft," vleide ze. „Ik zou nooit zo'n dikke ponie knippen als Mary Power heeft, maar mag ik alstublieft iets meer afknippen, dan zou ik krulletjes langs m'n voorhoofd kunnen maken." „Toe dan maar," gaf Ma toe. Laura pakte de schaar uit Ma's naaimand en voor de spiegel knipte ze van het haar boven haar voorhoofd een korte ponie. Ze legde haar lange griffel op de kachel, en toen hij warm was, hield ze hem vast bij het koude eind en rolde het korte haar in plukjes om het verwarmde stuk. Plukje na plukje rolde ze stevig om de griffel en zo krulde ze de hele ponie. De rest van haar haar kamde ze glad naar achteren en vlocht het. Ze wond de lange vlecht een paar keer plat om haar achterhoofd en stak hem toen stevig vast met haarspelden. „Draai je eens om en laat je kijken," zei Ma. Laura draaide zich om. „Vindt u het aardig, Ma?" „Het ziet er heel aardig uit," gaf Ma toe. „Maar ik vond het toch aardiger toen het nog niet geknipt was." „Laat mij ook eens kijken," zei Pa. Hij keek haar lang aan en zijn ogen stonden voldaan. „Nou, als je beslist zo'n gekkenlok moet dragen, geloof ik dat je het er goed hebt afgebracht." En Pa ging verder met zijn krant. „Ik vind het leuk. Je ziet er heel aardig uit," zei Carrie zachtjes.
Laura trok haar bruine mantel aan en zette voorzichtig haar bruine wollen, met blauw gevoerde muts op. De bruine en de blauwe stofranden waren geschulpt, en de muts had lange, afhangende einden, die als een sjaal om haar hals werden gewonden. Ze keek nog een keer in de spiegel. Haar wangen bloosden van opwinding, en de krulletjes staken lief af tegen de blauwe voering van de muts, die haar ogen heel blauw maakte. Ma gaf haar tien cent en zei: „Veel plezier, Laura. Ik reken erop, dat je je goed gedraagt." Pa vroeg: „Zal ik met haar meelopen tot aan de deur, Caroline?" „Het is nog vroeg, en ze hoeft alleen maar de straat over, en ze gaat samen met Mary Power," antwoordde Ma.
Laura liep de donkere sterrennacht in. Haar hart klopte van verwachting. Haar adem vormde witte wolkjes in de vrieslucht. Lamplicht wierp glanzende plekken op het trottoir voor de steengoedwinkel en de kruidenierswinkel, en boven de donkere meubelzaak waren twee helderverlichte ramen. Mary Power kwam uit de kleermakerswinkel, en samen klommen ze de buitentrap tussen hun winkel en de meubelzaak op. Mary Power klopte op de deur en mevrouw Tinkham deed open. Ze was een kleine vrouw, in een zwarte kanten japon met witte ruches aan de hals en de polsen. Ze zei goedenavond en nam de tien cent van Mary Power en Laura aan. Daarna zei ze: „Kom maar mee, hier kunnen jullie je mantels neerleggen."
De hele week had Laura er vol ongeduld op gewacht om te weten hoe een kransavond zou verlopen, en nu was het zover. Er zaten een paar mensen in de verlichte kamer. Ze voelde zich verlegen toen ze vlug achter mevrouw Tinkham aan langs hen heen liep naar een kleine slaapkamer. Zij en Mary Power legden hun mantels en mutsen op het bed. Toen glipten ze stilletjes in stoelen in de grotere kamer.
Meneer en mevrouw Johnson zaten ieder aan een kant van het raam. Het raam had gespikkelde kanten gordijnen, en ervoor stond een glanzende salontafel, waarop een grote glazen lamp stond met een witte porseleinen kap met rode rozen erop. Naast de lamp lag een groen fluwelen foto-album. Een helder, gebloemd tapijt bedekte de hele vloer. Een grote glanzende kachel met mica raampjes stond in het midden. Alle stoelen langs de wanden waren van glanzend gewreven hout. Meneer en mevrouw Woodworth zaten op een sofa met een gepolitoerde, hoge houten leuning en zijkanten en een glimmendzwarte paardeharen zitting. Alleen de houten wanden waren als die van de voorkamer thuis, en ze waren haast helemaal overdekt met afbeeldingen van mensen en plaatsen, die Laura niet kende. Er waren er met dikke, zware, vergulde lijsten. Meneer Tinkham was dan ook de eigenaar van de meubelzaak. Florence, de oudere zuster van Cap Garland, was er met haar moeder. Mevrouw Beardsley was er en mevrouw Bradley, de vrouw van de drogist. Ze waren allemaal op hun zondags en zwegen. Mary Power en Laura zeiden evenmin iets. Ze wisten niet wat ze moesten zeggen. Er klopte iemand op de deur. Mevrouw Tinkham liep er gauw heen, en dominee Brown en zijn vrouw kwamen binnen. Zijn dreunende stem vulde de kamer toen hij iedereen groette, en toen praatte hij met mevrouw Tinkham over het huis dat ze achtergelaten had in Massachusetts. „Het lijkt er hier niet veel op," zei hij. „Maar we zijn hier allemaal vreemd."
Hij boeide Laura. Ze vond hem niet aardig. Pa zei, dat hij beweerde een neef te zijn van John Brown uit Ossawatomie, die zoveel mensen in Kansas had gedood, en die er uiteindelijk in geslaagd was om de Burgeroorlog te ontketenen. Dominee Brown leek precies op John Brown in Laura's geschiedenisboek. Zijn gezicht was groot en benig. Zijn ogen lagen diep weggezonken onder borstelige witte wenkbrauwen, en er lag een broeiende, doordringende glans in, zelfs als hij glimlachte. Zijn jas hing los om zijn zware lichaam; zijn handen, aan de einden van de mouwen, waren groot en ruw, met zware knokkels. Hij was onverzorgd. Om zijn mond was zijn lange witte baard geelgevlekt, alsof er tabakssap op was gemorst. Hij praatte veel, en nadat hij gekomen was, zeiden ook de anderen iets, behalve Mary Power en Laura. Beleefd probeerden ze stil te zitten, maar af en toe draaiden ze een beetje. Het duurde lang voor mevrouw Tinkham borden uit de keuken ging halen. Op ieder bord stond een schoteltje met vla en een stuk cake.
Toen Laura het lekkers op had, fluisterde ze tegen Mary Power: „Zullen we naar huis gaan?" en Mary antwoordde: „Kom mee, ik ga." Ze zetten hun lege schoteltjes op een tafeltje naast zich, trokken hun mantels aan en zetten hun mutsen op, en ze zeiden mevrouw Tinkham goedendag. Toen ze weer beneden op straat waren, haalde Laura diep adem. „Pff! Als dat een kransavond is, houd ik niet van kransjes." „Ik ook niet," viel Mary Power bij. „Ik wou dat ik niet gegaan was. Ik had liever de tien cent gehad." Pa en Ma keken verrast op toen Laura binnen kwam en Carrie vroeg gretig: „Heb je het leuk gehad, Laura?" „Nee, eigenlijk niet," moest Laura bekennen. „U had moeten gaan, Ma, en niet ik. Mary Power en ik waren de enige meisjes. Er was niemand waarmee we konden praten." „Dit is nog maar de eerste avond," zei Ma verontschuldigend. „Wanneer de mensen elkaar later beter kennen, zullen de avondjes interessanter zijn. Ik weet uit de kerkbode, dat iedereen veel genoegen beleeft aan deze krans-avonden."