hoofdstuk 5
Werken in de stad
NIET EEN van hen kon bedenken wat voor werk er voor een meisje in de stad kon zijn, behalve het werk van een dienstmeisje in het hotel. „Het is iets nieuws van Clancy," zei Pa. Meneer Clancy was een van de nieuwe winkeliers. Pa werkte aan zijn winkelhuis. „We hebben de winkel bijna klaar, en hij brengt zijn goederen er al naartoe. De moeder van zijn vrouw is met ze mee hierheen gekomen, en die gaat overhemden maken." „Overhemden maken?" vroeg Ma. „Ja. Er zitten hier in de buurt zoveel mannen alleen op hun ontginningen, dat Clancy denkt, dat hij de grootste omzet in stoffen zal krijgen, als er iemand in de winkel is die er meteen overhemden van naait voor de mannen, die geen vrouwen hebben om hun naaiwerk te doen." „Dat is een goed idee," moest Ma toegeven. „En of! Clancy weet wat hij doet," zei Pa. „Hij heeft een machine genomen om de overhemden te naaien." Daar had Ma belangstelling voor. „Een naaimachine? Net zo een als die van dat plaatje, dat we in de krant hebben gezien? Hoe werkt hij ?" „Ongeveer zoals ik had gedacht," antwoordde Pa. „Je beweegt de trapper met je voeten, en daardoor gaat het wiel draaien en gaat de naald op en neer. Onder de naald zit een apparaatje, waar ook garen op gewonden is. Clancy heeft het aan een paar van ons uitgelegd. Hij werkt vliegensvlug en hij maakt de mooiste zoom die je je wensen kunt."
„Wat zou hij kosten?" zei Ma. „Veel te veel voor gewone mensen," zei Pa. „Maar Clancy beschouwt het als een belegging; hij krijgt zijn geld met winst terug." „Ja, natuurlijk," zei Ma. Laura wist dat ze eraan dacht hoeveel werk zo'n machine zou besparen, maar zelfs als ze hem zouden kunnen betalen, zou het dwaas zijn om er alleen een voor hun eigen naaiwerk te kopen. „Moet Laura erop leren naaien?" Laura schrok. Als er eens iets gebeurde met zo'n kostbare machine door haar schuld? „O, nee, mevrouw White gaat erop naaien," antwoordde Pa. „Ze heeft een flink, handig meisje nodig om haar te helpen met het rijgen en afwerken." Hij zei tegen Laura: „Ze vroeg me of ik zo'n meisje wist. Ik heb haar gezegd dat jij goed kunt naaien, en ze zou graag willen dat je haar komt helpen. Clancy heeft meer bestellingen op overhemden dan ze alleen af kan. Ze zegt dat een goede, ijverige kracht een kwart dollar per dag en de kost kan verdienen."
Laura had het gauw uit haar hoofd uitgerekend. Dat was anderhalve dollar in de week, ruim zes dollar per maand. Als ze hard werkte en mevrouw White beviel, kon ze misschien de hele zomer werken. Ze kon wel vijftien dollar verdienen, misschien zelfs twintig, en die zouden voor Mary zijn om naar school te kunnen gaan. Ze had geen zin om in de stad bij vreemden te werken. Maar ze kon de kans om misschien vijftien, of tien, of vijf dollar te verdienen niet voorbij laten gaan. Ze slikte en vroeg: „Mag ik, Ma?" Ma zuchtte. „Ik vind het niet erg prettig, maar je hoeft gelukkig niet alleen. Pa is ook in de stad. Ja, als je wilt, mag je." „Ik... vind het niet prettig om u met al het werk te laten zitten," zei Laura aarzelend.
Carrie bood meteen aan om te helpen. Ze kon bedden opmaken en vegen, en alleen de afwas doen, en wieden in de moestuin. Ma zei, dat ook Mary een grote hulp in huis was, en nu het vee buiten stond, was het stalwerk 's avonds niet zwaar. Ze zei: „We zullen je missen, Laura, maar we redden ons wel."
De volgende morgen was er geen tijd te verliezen. Laura haalde het water en molk Ellen, ze ging zich gauw wassen en haar haar borstelen en vlechten en opsteken. Ze trok haar nieuwste katoenen jurk aan, en kousen en schoenen. Ze rolde haar vingerhoed in een schoon gestreken schort.
Ze had maar even tijd om te ontbijten, en het smaakte haar niet. Ze zette haar zonnehoed op en ging haastig weg met Pa. Ze moesten om zeven uur op hun werk in de stad zijn.
De frisheid van de morgen hing in de lucht. Leeuweriken zongen, en uit het grote moeras stegen de roerdompen op met lange, hangende poten, en lange, gestrekte nekken, en ze lieten hun korte, dreunende roep horen. Het was een mooie morgen vol leven, maar Pa en Laura hadden te veel haast. Ze liepen een wedstrijd met de zon.
De zon steeg moeiteloos omhoog, terwijl zij zo vlug als ze konden over de prairieweg naar het noorden liepen, naar de zuidkant van de Hoofdstraat.
De stad was zo veranderd dat het een nieuwe plaats leek. Aan de westkant van de hoofdstraat stonden twee hele blokken nieuwe, geelhouten huizen. Er liep een nieuwe houten stoep voorlangs. Pa en Laura hadden geen tijd om de straat ernaartoe over te steken. Ze liepen haastig, achter elkaar, over het smalle, stoffige pad aan de andere kant van de straat.
Aan die kant bedekte de prairie nog alle lege bouwpercelen tot aan Pa's stal en woning op de hoek van de hoofdstraat en de achterstraat. Maar daar voorbij, aan de andere kant van de eerste achterstraat, stond het staketsel van een nieuw huis op de hoek. Daarachter liep het pad weer langs lege percelen tot het bij de winkel van Clancy kwam.
Het interieur van de winkel was helemaal nieuw en rook nog naar geschaafd dennehout. Er hing ook een flauwe stijfsellucht van de rollen nieuwe stof. Achter twee lange toonbanken liepen langs beide muren lange planken, die tot aan de zoldering volgestapeld waren met rollen moeselien en katoen en linnen, wol en kasjmier en flanel, en zelfs zijde.
Er waren geen kruidenierswaren of huishoudelijke artikelen, geen schoenen of gereedschappen. In de hele winkel waren alleen maar stoffen. Laura had nog nooit eerder een winkel gezien waar alleen maar stoffen werden verkocht.
Aan haar rechterhand stond een kleine glazen vitrine, en daarin zaten kaarten met allerlei soorten knopen erop, en papieren boekjes met naalden en spelden. Op de toonbank ernaast stond een rek met garenklosjes in allerlei kleuren. Die gekleurde garens waren prachtig in het licht dat door de ramen viel.
De naaimachine stond precies achter het voorste eind van de andere toonbank, bij het raam. De nikkelen delen en de lange naald glinsterden, en het geverniste hout glansde. Een klos wit garen stond recht op de smalle zwarte bovenkant. Laura zou hem voor geen goud willen aanraken.
Mijnheer Clancy rolde voor twee klanten, mannen in heel vuile overhemden, katoenen stoffen uit. Een grote, dikke vrouw, met glad weggetrokken zwart haar, spelde patroondelen van krantepapier op een stuk geruit katoen, dat op de toonbank naast de naaimachine lag uitgespreid. Pa nam zijn hoed af en zei haar goedenmorgen.
Hij zei: „Mevrouw White, hier is mijn dochter Laura." Mevrouw White nam de spelden uit haar mond en zei: „Ik hoop, dat je een vlugge, nette naaister bent. Kun je schuine stukken tegenrijgen en stevige knoopsgaten maken?" „Ja mevrouw," zei Laura. „Mooi, hang je hoed daar aan die spijker, dan zal ik je op gang helpen," zei mevrouw White. Pa glimlachte Laura bemoedigend toe, en toen was hij weg.
Laura hoopte, dat het trillerige gevoel dat ze had, langzamerhand zou verdwijnen. Ze hing haar hoed op, bond haar schort voor, en stak haar vinger in de vingerhoed. Mevrouw White gaf haar de stukken van een overhemd om te rijgen, en zei haar dat ze de stoel bij het raam naast de naaimachine moest nemen. Vlug trok Laura de stoel met de rechte rug een eindje achteruit, zodat de naaimachine haar gedeeltelijk vanaf de straat verborg. Ze boog haar hoofd over haar werk en begon vlug te rijgen.
Mevrouw White zei geen woord. Zenuwachtig legde ze zorgvuldig de patroondelen op de stof en knipte ze overhemd na overhemd met een lange schaar. Zodra Laura een overhemd geregen had, nam mevrouw White het bij haar weg en gaf ze haar een volgende te rijgen.
Na een poosje ging ze achter de machine zitten. Ze draaide het wiel met haar hand rond en bewoog daarna de trapper vlug met haar voeten, zodat het wiel bleef draaien. Het luide gesnor van de machine klonk in Laura's hoofd als het gonzen van een reusachtige hommel. Het wiel was een vage vlek en de naald een lichtflits. De dikke handen van mevrouw White roffelden de stof vlug onder de machine door.
Laura reeg zo vlug als ze kon. Ze legde het geregen overhemd op de minderende stapel links van mevrouw White, pakte de stukken van het volgende van de toonbank, en reeg ze. Mevrouw White pakte geregen overhemden van de stapel, naaide ze op de machine, en stapelde ze rechts van zich op.
Er was regelmaat in de weg, die de overhemden aflegden: van de toonbank naar een stapel bij Laura, van de stapel naar mevrouw White, en onder de machine door naar een andere stapel. Het had iets van de cirkels, die de mannen en de paarden gemaakt hadden op de prairie, toen ze de spoorweg bouwden. Maar alleen Laura's handen bewogen, als ze de naald zo vlug als ze kon langs de zomen liet gaan. Haar schouders begonnen pijn te doen, en de achterkant van haar hals. Ze had kramp in haar borst, en haar benen voelden moe en zwaar. Het harde geluid van de machine zoemde in haar hoofd.
Opeens stond de machine stil. „Ziezo!" zei mevrouw White. Ze had het laatste geregen overhemd genaaid. Laura moest nog een mouw dichtrijgen en het armsgat en de onderarmzoom rijgen. En de stukken van een laatste overhemd lagen op de toonbank te wachten. „Dat ene rijg ik," zei mevrouw White en griste het weg. „We zijn achter." „Ja, mevrouw," zei Laura. Ze had het gevoel dat ze harder had moeten werken, maar ze had gedaan wat ze kon. Een dikke man keek naar binnen. Zijn vuile gezicht was bedekt met de ongeschoren stoppels van een rode baard. Hij riep: „Overhemden klaar, Clancy?" „Dadelijk na het middageten," antwoordde meneer Clancy.
Toen de dikke man weg was, vroeg meneer Clancy aan mevrouw White wanneer zijn overhemden klaar zouden zijn. Mevrouw White zei, dat ze niet wist welke overhemden het waren. Toen vloekte meneer Clancy. Laura maakte zich klein in haar stoel en reeg zo vlug als ze kon. Meneer Clancy griste overhemden uit de stapel en gooide ze bijna naar mevrouw White toe. Nog altijd vloe- kend en schreeuwend zei hij, dat ze ze voor het middageten af moest hebben, want anders zou er wat zwaaien. „Ik wil niet opgejaagd en opgehitst worden!" zei mevrouw White woedend. „Niet door jou, en door gemene kale Ier!"
Laura hoorde nauwelijks wat meneer Clancy toen antwoordde. Ze wenste wanhopig dat ze ergens anders was. Maar mevrouw White zei, dat ze mee moest om te gaan eten. Ze gingen naar de keuken achter de winkel en meneer Clancy kwam donderjagend achter hen aan.
De keuken was heet en vol en rommelig. Mevrouw Clancy zette het eten op tafel en drie kleine meisjes en een jongen probeerden elkaar van hun stoelen te duwen. Meneer en mevrouw Clancy en mevrouw White ruzieden met harde stemmen, maar ze gingen zitten en begonnen smakelijk te eten. Laura begreep niet eens waar ze ruzie over hadden. Ze kon niet onderscheiden of meneer Clancy ruzie maakte met zijn vrouw of met haar moeder, en evenmin of zij ruzie maakten met hem of met elkaar.
Ze leken zo boos, dat ze bang was dat ze elkaar zouden slaan. Dan zei meneer Clancy opeens: „Geef het brood eens aan," of: „Schenk m'n kop nog eens vol, wil je?" Mevrouw Clancy deed dat dan, terwijl ze elkaar ondertussen luidop uitscholden. De kinderen letten er niet op. Laura was zo van streek, dat ze niet kon eten; ze wilde alleen maar weg. Zo gauw als ze kon, ging ze weer aan haar werk.
Meneer Clancy kwam fluitend de keuken uit, alsof hij net een prettige, rustige maaltijd met zijn gezin had gehad. Hij vroeg mevrouw White opgewekt: „Hoe lang duurt het voor die overhemden klaar zijn?" „Hoogstens een paar uur," beloofde mevrouw White. „We zullen er alletwee aan werken." Laura dacht aan Ma's gezegde: „Er zijn mensen van allerlei soort nodig om een wereld te maken."
In twee uur hadden ze vier overhemden klaar. Laura reeg zorgvuldig de boorden; het is moeilijk om boorden goed aan een overhemd te zetten. Mevrouw White naaide 40 ze op de machine. Daarna moesten de manchetten aan de mouwen worden gezet, en de smalle zoom langs de onderkant van het hemd moest gestikt. Daarna moesten de voorpanden en de openingen van de manchetten tegengenaaid worden. Alle kleine knoopjes moesten er stevig aangezet worden, en de knoopsgaten moesten genaaid worden.
Het is niet gemakkelijk om knoopsgaten op precies dezelfde afstand van elkaar te maken, en het is heel moeilijk om ze precies op de goede maat te knippen. Het kleinste foutje van de schaar maakt het gat te groot, en één enkel draadje dat niet doorgeknipt is, maakt het te klein.
Toen ze de knoopsgaten geknipt had, naaide Laura de randjes vlug om en ze werkte ze vlug af met festonneersteekjes, die allemaal precies even groot moesten zijn en die vlak naast elkaar moesten zitten. Ze had zo'n hekel aan knoopsgaten maken, dat ze geleerd had ze heel vlug te maken om er vanaf te zijn. Mevrouw White zag haar werken en zei: „Je kunt vlugger knoopsgaten maken dan ik."
Toen die vier overhemden klaar waren, bleven er nog maar drie werkuren over. Laura ging weer overhemden rijgen, terwijl mevrouw White nieuwe knipte. Laura had nog nooit zo lang stil gezeten. Haar schouders deden pijn, haar hals deed pijn, haar vingers waren ruw van de naaldeprikken, en haar ogen waren heet en befloerst. Twee keer moest ze rijgwerk uithalen en overdoen. Ze was blij, dat ze op kon staan en haar werk opvouwen toen Pa binnen kwam. Ze liepen samen vlug naar huis. De dag was om en de zon ging onder. „Hoe vond je je eerste dag van betaald werk, halfmaatje?" vroeg Pa. „Gaat alles goed?" „Ik geloof het wel," antwoordde ze. „Mevrouw White zei, dat ik goed knoopsgaten kon maken."