20

Toen Hendrik bij het station in Hoorn Adriaans meisje begroette keek hij haar met opgetrokken wenkbrauwen een poosje aan. Zo!n fijn, rank schepseltje had hij nog zelden gezien. Ze deed hem aan een hertje denken. Doch de heldere ogen die hem uit haar levendig gezichtje tegenblonken

 toonden aan dat ze ver van. schichtig was en haar mannetje wel stond. „Theodora," herhaalde hij toen ze naar zijn auto liepen. Adriaan fors en donker van haar en ogen en zij klein, smal en blond. „Wat een plechtige naam, nietwaar?" vroeg ze schalks achteromziende. „Gelukkig noemt iedereen mij Thera. Wilt u dat ook doen?" Hendrik knikte en verbaasde zich dan over zijn zoon die het meisje galant in de wagen hielp en dan hun bagage een plaatsje gaf voor hij zelf op de achterbank schoof. Waar haalde die altijd zo onhandige lummel deze manieren vandaan? Toch wel niet in de garage van zijn baas, want daar deed die ouwe heer niet aan. Die zei in tamelijk ongekuiste taal wat hij op het hart had. Hoewel hij aardig op jaren was, werkte hij zelf nog hard mee in zijn garage en eiste dat ook van zijn personeel. Het enige wat de man bijzonder dwars zat was dat zijn zoon, de vader van deze Thera, in wie hij eens zijn opvolger had gezien, daar niets van wou weten en agent van politie was geworden. Dat gebeurde in de tijd dat er van een garagebedrijf nog geen sprake was en de ouwe heer in een nietig werkplaatsje wat fietsen repareerde en tegen afbetaling van één gulden per week af en toe eens een nieuwe fiets leverde. En toch was de stevige rente die dit systeem hem opleverde het begin geweest van zijn investering in de bloeiende zaak van nu. Daarom was de man heel blij dat hij nu in Ruud en, door deze verkering, meer nog in Adriaan een paar betrouwbare opvolgers had gevonden, die bovendien in staat waren om later uit eigen middelen het bedrijf uit te breiden tot wat hij er in de toekomst van verwachtte. Die Adriaan toch ...

En met deze zoon reed hij nu over dezelfde wegen waar hij eens dag aan dag met zijn fiets langs ploeterde in weer en wind en dan, in hun H.B.S.- jaren, nog zoveel mogelijk de wind brekend voor de zoveel zwakkere Dirk Veer. Later, toen hij in Hoorn op het kantoor van een grossierderij zat, fietste hij alleen en droomde dan onderwijl over zijn grote liefde voor Kristien Dijkhuis.

Een vraag van Adriaan brak zijn gedachten af en voerde hen samen in een gesprek dat duurde tot hij aan het Wilgenpad de brug op reed. „Is dit nu uw nieuwe huis?" vroeg Thera met duidelijke bewondering in haar stem. „Wat heeft het een aparte en toch mooie vorm." „Dat hoort ook zo in een dorp," vond Adriaan. „Daar moeten nooit twee huizen precies hetzelfde zijn. Zo zijn wij mensen immers evenmin en ieder wil toch graag zijn eigen smaak tot uitdrukking brengen." „Je hebt gelijk," gaf Thera toe. „En op wie van je ouders lijkt dit?" Hendrik liet zijn ogen lang Gonnes nieuwbouw glijden. Het huis was laag, had een ingebouwde voordeur en overal dezelfde, rechthoekige, niet te grote ramen. Het dak was zó gemaakt dat elk der twee slaapkamers een wijd uitzicht had, terwijl die van beneden dit aan twee zijden bezat. De keuken had dit eveneens. Hij haalde zijn schouders op.

„Mijn vrouw heeft het zo gewild," zei hij dan stroef.

De kennismaking met Gonne viel wederzijds mee. Ze had één van haar

 goede dagen en vond het plezierig dat haar zoon met zo'n meisje naar de bruiloft kwam, waar ze haar met trots aan iedereen kon vertonen.

Thera bleek in de loop van deze morgen meer te kunnen dan vertoond te worden. Dat ontdekten ze na de koffie toen Adriaan hun zei dat ze niet alleen verlovingsplannen hadden maar ook spoedig hoopten te kunnen trouwen. En of pa genegen was daar eens met Thera over te praten. Hendrik stemde toe en daarna ontstond er tussen hem en zijn aanstaande schoondochter een zakelijk gesprek waarnaar de andere twee met spanning luisterden omdat het grotendeels boven hun begrip ging. Slechts aan het instemmend knikken van zijn vader en Thera's blijde glimlach zag Adriaan dat ze het eindelijk eens waren.

En dat moest ook, vond hij. Wat Ruud door Koba's erfenis in het bedrijf kon steken, dat moest bij hem door zijn ouders gebeuren. Na dit bevredigend gesprek werd Thera weer het bescheiden meisje dat met belangstelling naar Gonnes verhaal over haar huiselijk werk luisterde. „Doet zij de hele boekhouding en verzorgt ze ook de correspondentie?" vroeg Hendrik intussen aan Adriaan.

„Vrijwel alles," antwoordde die. „Wel bespreekt ze soms eerst wel het één en ander met de baas of met Ruud, maar verder doet ze alles haast alleen." Wat een vrouw, peinsde Hendrik. Voor hem de ware misschien, zij vullen elkaar aan, maar ze is mij teveel mans om er mee door het leven te gaan. En ik zie nu al dat ik Adriaan geheel aan haar kwijt raak. Aan haar, en aan het werk, waar hij zo van vervuld is dat niets uit Breewoud hem meer interesseren kan. Hij vraagt naar niets en luistert nauwelijks naar wat Gonne hem er over vertelt.

In zijn auto, met Adriaan achter het stuur, tuften ze na de middag naar het huis van Kristien en voegden zich daar bij het al aanwezige gezelschap in de achterkamer om daar aan het geroes van begroeten en kennismaken mee te doen tot het tijd was om naar het raadhuis te gaan.

Wat een rust, dacht Hendrik een ruim halfuurtje later, toen hij in één der middelste kerkbanken zat en naar het orgel luisterde. Van hieruit kon hij de kleine ruimte geheel overzien. Het was nog zijn eigen plaatsje van vroeger. Vader Aries bank was iets meer naar voren en moeder zat daar precies in het midden van de voorste rij. Die droeg dan haar kap en nog zag hij in zijn herinnering hoe je dan het zilveren ijzer dat ze droeg, door het blauwe gaas en de kant heen kon zien blinken. Kristien en haar moeder zaten op de rij die gelijk was aan zijn bank. Tien, veertig ... misschien wel honderdmaal keek hij toen altijd die richting uit in de hoop één enkel glimlachje van haar te ontvangen. En daarginds, op de kosteloze plaatsen, de armenbanken en stoelen, daar zaten Meindert en zijn moeder en soms ... een heel enkele keer, Klaas Hfelmus zelf.

Weer liet hij zijn blik rondgaan tot die bleef rusten op Rikus de Vos. Ja, die hoorde er vandaag ook bij. Hij was nog een stuk neef van Kristien. Net als de twee broers Veldman waar hij nu al jaren mee in onmin leefde

 na een hevige ruzie over de verdeling van een erfenis die hun aller tante hen naliet. Het was om een luttel stukje bezit, maar ze maakten er een ruzie over of het om duizenden guldens ging. En bijgelegd was het nog nooit.

Hoe had Kristien het aangedurfd om hen hier allen uit te nodigen? Eén verkeerd opgevat woord van hen kon haar hele feest bederven. Maar misschien had ze de families wel elk aan een ander eind van dezelfde tafel geplaatst, zodat ze elkaar niet eens konden zien.

Kijk, er kwam een zuchtje wind. De al geel wordende bladeren der platanen bewogen licht en een enkele liet los en verdween uit het gezicht. De klimop was dit jaar weer aardig uitgegroeid. Talloze ranken hadden zich rond de ramen vastgezet en lieten hun blaadjes zien. Gelukkig had tot heden niemand het plan geopperd om die begroeiing weg te slopen, want juist dat was het, waar het oude kerkje zijn bijzondere bekoring aan te danken had. Aan dat en aan het geboomte er omheen. Doch als dat gebeurde, dan kon hij daar zelf niets tegen doen. Hij had zijn band met he{ kerkelijk leven afgebroken in de tijd dat Kristien hem uit zijn toekomst schoof en later nooit lust of behoefte gevoeld om die draad weer op te nemen. Toch, als Gonne er op aandrong, kon hij wel eens een keertje met haar meegaan. Zo'n uurtje van bezinning in een omgeving die je aantrok had ieder mens wel eens nodig. En als ze Kreeltje dan ook meenamen ... Al zou die lang niet alles van de preek begrijpen, er bleef altijd iets van in zijn gedachten achter dat hem later van nut kon zijn. Aanvoelend dat iemand naar hem keek trof zijn blik nu die van Annemie. Wat zag ze er aardig uit in al dat blauw. Ze leek weer helemaal op te bloeien na de duidelijke neerslachtigheid die ze van Klaartjes geboorte had overgehouden. En aan Marten kon je ook duidelijk merken dat hij geen zorgen meer had. Voor hen was het goed geweest dat hij de Villa had afgestaan. Nu boog Marten zijn hoofd naar Annemie voor een onderonsje met elkaar en ze glimlachten allebei.

Wat een geluk dat ze van de praatjes die er een tijd over Marten en dat dienstmeisje van Doortje gingen blijkbaar nooit iets hadden gehoord. Als je hen zo samen zag waren die moeilijk te geloven. En och .. . over iedereen werd er wel eens wat verteld. Maar waar zat hij hier eigenlijk voor? Niet om van alles en nog wat iets te denken, maar om te luisteren en toe te zien.

Dit laatste deed hij later op de dag, in het kwartiertje dat tussen de receptie en het diner verliep, dan ook volop. In stil genieten zag hij de schare rond de ene tafel waaraan ze nog zaten terwijl de andere gedekt werd, aandachtig aan. En toen viel het hem plotseling op hoezeer Adriaan op zijn oom Frans Hoefnagel ging lijken als je diens hoofd rechtop dacht. Hij zag nog meer. Hij zag de man die naast Kristien zat. De man die Meindert Helmus heette en die . ..

Zoals Meindert daar nu iets achterover op zijn stoel in het scherpe, reeds dalende zonlicht zat dat elke trek van zijn gezicht duidelijk deed uitkomen, met zijn grijzende haar voor het eerst recht achterover gekamd zoals

 vader Arie dat altijd droeg, zou je werkelijk denken dat die daar zelf schuin tegenover je zat. En als je dan weer eens goed naar die ogen keek ... Het was vader. Meindert leek veel meer op hem dan hijzelf dit deed omdat hij, naar moeder altijd zei, met de zeer markante trekken van grootvader Blauw scheen te zijn bedeeld. Behalve dan met diens ogen. En het was juist het eigenaardige blauw daarvan en hun gelijkenis met die van vader en hemzelf, die eens de eerste twijfel aan Meinderts afkomst in hem hadden opgewekt.

Maar nu wist hij. En Hendrik ontdekte meteen... en dit gaf hem een wrang genot, dat, al was hijzelf haar dan te min geweest, nu toch een afstammeling van Arie Zeilemaker, het gewone turfboertje dat in een ezelwagen reed, met Kristiens eigen dochter was getrouwd. En ook dat haar trotse bloed zich misschien binnenkort met dat van Arie zou vermengen, alsook met dat van Iske Schoen, wat op zichzelf voor haar al een vernedering moest zijn.

Doch zijn eigen vroegere vernedering was gewroken. Dubbel gewroken zelfs.

Direct na het diner moesten Adriaan en Thera weer vertrekken en Hendrik zou hen naar het station brengen.

„Jij blijft hier toch tot ik terugkom," zei hij halfvragend tegen Gonne. „We krijge toch immers nog koffie," zei ze korzelig omdat Adriaan haar zo weinig aandacht had gegeven. Hij leek wel volkomen in die Thera op te gaan.

En dit ontdekte Hendrik ook op zijn rit. De jongelui waren zo vervuld van elkaar en hun toekomst en huwelijksplannen dat er voor hem nauwelijks aandacht meer Was.

„Dus jullie huwelijksfeest staat ook gauw voor de deur?" vroeg hij toen ze er bijna waren.

„Voor mij geen feest," beweerde Adriaan. „Het gezicht van Ruud heeft me al genoeg verteld."

Doch Thera liet ook haar plannen niet los en toen de auto stilstond waren

ze het nog steeds niet eens geworden.

„We zijn er. Ben jullie klaar?" vroeg Hendrik lachend.

„Nog niet. Maar we komen er wel uit!" riep Thera vrolijk.

Of ze daar de auto of hun feestplannen mee bedoelde moest Hendrik

maar raden.

Na een vluchtig afscheid ging het paar naar binnen en reed hij terug. In de Oostbuurt beperkte hij zijn snelheid tot niet meer dan dertig kilometer en zoefde zo zachtjes langs de plaats waar vroeger Joris Dijkhuis woonde en dan verder naar de stolp die zijn geboorteplekje was en waar aan de overkant de nog altijd zo trotse hoeve van wijlen Dirk Veer stond, die nu het eigendom van zijn kinderen was en aan een vreemde verhuurd werd. Hij ging langs huizen, winkels, akkers en weiden waarvan vele voor hem tevens een cijfer betekenden van de hypotheek die er op gegeven was door hemzelf of van Gonnes geld.

Wat bezaten ze samen veel en wat hadden ze samen weinig. Elk leefde al

 leen in zijn en haar eigen wereldje. Zij in die van huiswerk en pijntjes en kwaaltjes met af en toe een bezoek of een feestje ertussendoor; en hij had zijn plaats in het verenigingsleven, zijn kaart- en kolfavondjes, het tui- nierswerk waar hij veel genoegen aan beleefde en dan zijn zakelijke beslommeringen die nu echter slechts een minimum van de tijd in beslag namen die hij daar vroeger aan moest geven, tijdens zijn maatschap met Meindert. Toen was hij overdag meestal een reiziger in brongasinstallaties en 's avonds en 's morgens tevens klerk en boekhouder van de zaak. Toen had hij geen tijd om over hun beider eenzaamheid te piekeren. En heel in het begin daarvan, toen hij als jong weduwnaar in het huis woonde dat hij nu passeerde, het huis dat nu een manufacturenwinkel en ook nog zijn eigendom was, toen was hij nog minnaar bovendien.

En wat voor één. Hendriks mond vertrok tot iets dat op een glimlach moest lijken.

Die tijd kwam hem nu soms voor als een verloren paradijs, waaruit hij zichzelf verdreven had om Gonne, wier koele aard hem geen nieuw geluk vermocht te geven.

Nog steeds als hij Doortje zag prikkelde hem een verlangen naar al wat zij hem eens zo graag geschonken had.

Nu naderde hij de boerderij van Frans en haar, waar het nog stil en leeg was. Zij zaten zeker nog in de herberg. Kristien zou deze dag wel zo lang rekken als ze maar kon.

Maar Annemie was er wel. Martens motor stond op het pad; die had hun kinderen dus al thuisgehaald.

De auto aan de weg parkerend liep Hendrik naar de Villa langs de middelste beuk waarin de figuur aan de stam steeds meer uiteengroeide. Het zuchtje wind dat er was deed de bladeren zachtjes ruisen, terwijl zij die reeds waren afgevallen, ritselden onder zijn voeten. Hij verliet het pad en ging langs de afscheiding tussen de erven achter de nog vol in het blad staande heesters om, naar de boomgaard. Daar rijpten de laatste vruchten nog, die hij deze week zou gaan plukken. De schapen van Frans hadden het gras onder de bomen keurig afgegraasd. Tegen de scheefgegroeide stam van een appelboom leunend genoot hij een poosje van de rust om hem heen en de roepende kinderstemmen in de verte. Hoeveel zouden er daar bij de Villa wel ronddartelen? De sterke stem van Kreeltje klonk boven alle andere uit.

Kalm wandelde hij terug naar de tuin waar in de reeds vochtige avondlucht na deze, voor de tijd van het jaar ongewoon warme dag, de planten en bloemen sterker geurden dan gewoonlijk. Er waren er zo vele. Herfst- en gewone asters, dalia's, gladiolen, flox en chrysanten. Er waren zinnia's en afrikaantjes, doch boven alles uit rook hij de heel kleine, witte bloempjes van het kruipend gewas dat rond de perken groeide en waarvan hij de naam niet kende, omdat het er op een keer zomaar was. Eén nietig plantje dat een vogel of een ander dier er had gebracht en dat uitgroeide tot wat het nu was.

Rond de twee voorste perken speelde Kreeltje krijgertje met twee van

 Doortjes kinderen; Stevie zat op de schommel die Hannes en hij voor hem hadden gemaakt en op het overdekte stukje terras voor de openstaande tuindeuren zat Klaartje met één van haar speelgoedbeesten. De allerjongste spruit van Frans en Doortje kroop in zijn box rond. In de schemerig wordende kamer zaten Marten en Annemie, nog in hun bruiloftskleren aan tafel.

Zoals het hier nu wak, zo had hij zich eenmaal zijn toekomstig leven in dit huis voorgesteld. Deze deuren wijd open, kinderen die 's avonds af en aan renden en hij en Gonne genietend en bewakend in het brede gedeelte van de kamer waar het nooit helemaal ordelijk en netjes zou zijn. En wat was het geworden ...?

Hij zuchtte even doch bukte zich, nam Klaartje en ook het beest in zijn armen en liep met haar naar binnen. „U is de koffie misgelopen," zei Annemie.

„Maar jij hebt toch nog wel een bakje voor je ouwe vader?" bedelde hij. „Natuurlijk wel. Jij ook nog Marten?"

Zo moet het zijn, dacht Hendrik. Want een altijd opgewekte vrouw hoorde ook nog in mijn toekomstbeeld. Wie weet ... als ik met Doortje gebleve was ...

Nee. Dan had ik dit evenmin bereikt. Want deze grond en de beuken waren immers Gonnes eigendom en zo'n huis als dit was er zonder haar ook voor mij nooit gekomen.

En al is het dan wat laat, mijn wens is nu toch eindelijk vervuld geworden. Wat kan een man als ik nog meer verlangen?

Annemie kwam binnen en zette koffie voor hem neer. Hij sloeg zijn vrije arm losjes om haar taille, terwijl zijn andere het kind omvat hield. „Dank je wel, meisje. Als ik jou niet had .. .!" riep hij plagend. „Wat dan pa?" ging ze er vragend op in. „Ja ... wat dan ... T Hendrik werd opeens ernstig. Wat zou nu zijn leven zijn zonder het kind dat hij nooit begeerd, en jarenlang nauwelijks érkend en gékend had?

Hij zag het voor zich. Adriaan weg; Kreeltje meer hiernaast dan thuis en hij daar eenzaam aan het Wilgenpad. Met Gonne.

Hendrik dronk zijn koffie op, streelde Klaartje over haar hoofd en zette haar op de grond. Dan stond hij op en gaf Annemie een zoen. „Waar heb ik dat aan te danken?" vroeg ze verwonderd. „Wel, omdat ik jou heb," zei hij met een nadruk van tevredenheid in zijn stem. „En nou ga ik, want anders wordt mijn vrouw ongeduldig." Buiten gekomen keek hij nog eenmaal om naar het huis, de kinderen, de beuken. Naar alles wat voortaan zijn geluk moest zijn. Deze dag had hem weer veel geleerd. Duidelijker dan ooit had hij begrepen dat een mens dikwijls moet opgeven wat hij begeert om er iets anders voor terug te ontvangen.

De zon ging onder in een koepel van vlammend licht. Hendrik stapte in zijn auto en keek voor zich uit naar de grauwe einder waar ergens het Wilgenpad lag.