8

De geschenken werden in gebruik genomen, de strijkbout was gekocht en het werd twintig december.

„Wat moeten we straks met Lokie aan?" vroeg Annemie die morgen aan Marten toen ze na het ontbijt nog even aan tafel zaten onder het lamplicht dat die tafel en de naaste omtrek er van, rijk en vol bescheen en de rest van de ongezellige kamer een milder aanzien gaf. „Wat bedoel je?" vroeg hij vaag met meer gedachten bij de prijs voor zijn nog opgehokte uien dan voor de mogelijke plannen van zijn vrouw. „Wel als we naar Deventer gaan," zei ze kortaf.

„Kind, hou daar toch over op. Wat moete wij er in vredesnaam doen?" „Logeren."

„Maar ik ken daar geen mens van jou familie. En dan is het nog de vraag of we mekaar verstaan kenne."

„Heb daar maar geen zorg over. Vergeet niet dat ze dicht onder de stad wonen." Annemies toon werd scherp. Ze voelde zich deze morgen niet prettig en nu weer dat tegensputteren van Marten. „En vader en moeder rekenen er vast op dat we komen."

„Ze kenne wel op zoveel dinge rekene." Martens toch al nooit stralend ochtendhumeur zakte nog een paar graden. „Ik heb er niks mee op om met de Kerstdage van huis te gaan."

„En ik heb jou op onze trouwdag heel iets anders horen zeggen."

„Och ja ..." Hij haalde zijn schouders op. „Maar wat een man op zo'n dag

zeidt mag je hem later nooit anrekene."

„Toe Marten..." Annemie slikte even. „Begrijp je dan niet hoe ik naar mijn thuis verlang?" „Jou thuis is toch hier?"

„Nee, dat is het niet. En dat weet jij ook heel goed."

Het prachtige blauw van haar ogen fonkelde Marten tegen toen ze verder ging:

„Jou familie woont hier allemaal in de buurt en je komt daar geregeld,

maar ik heb de mijne al in bijna twee jaar niet gezien."

„En moet dat nou juist gebeure? Toe Mieke. .." Martens stem was nu

opeens zo vriendelijk als hij het in deze vroegte opbrengen kon. „Het is

nou in het kortst van de dage, late we in het ankomend voorjaar maar d'rs

gaan, met Pasen of de Pinksterdage. Toe liefje, wacht nog wat."

Nee ... nee ... nee! dwong Annemie zichzelf hem te weerstaan. Ik ben

nu al meer dan een week over mijn tijd, dus kan ik wel bijna rekenen dat

 ik in augustus een baby krijg. En ik wete nu al dat Marten dan een nieuwe weigering op mijn toestand schuiven zal. Het moet nu! Wat een geluk dat ik hem nog niets over mijn geheimpje verteld heb.

„As je nou vandaag nog afbericht sture, wete ze het vroeg genoeg," raadde Marten haar nog dringend aan.

„Ik schrijf niks af," beet ze hem toe. „Wat jij doet moet je zelf weten, maar ik ga."

„Geen sprake van. Jij blijve thuis," beval Marten. „As ik er niet heengaan wil dan jij evenmin. Het is toch zeker zonde en jammer om zoveel reisgeld uit te geven voor een uitje van twee of drie nachte, want dag is 't om deze tijd kwalijk meer. En zo as ik al zei. . . wat moet ik er doen." „Hetzelfde wat ik bij jouw familie doe. Wat praten, vriendelijk zijn en belangstelling tonen," bracht ze hem scherp bij.

Met een snauwende verwensing stond hij op, verliet de kamer en smeet de deur achter zich dicht.

Annemie brak in schreien uit en het verlangen rees al hoger in haar op tot ze voelde dat het haar te veel werd.

Ik moet weg, nam ze zich voor. En ik zal wel zien waarheen. Als ik maar andere gezichten zie en andere mensen spreek gaat dit misschien uit me weg. Zo deed ze en toen Marten en zijn mannen later in de kamer om koffie kwamen vonden ze daar alles gereed staan terwijl op Martens plaats een haastig gekrabbeld briefje lag waarin Annemie hem schreef dat ze om een paar boodschappen uit was, de hele dag wegbleef en dat zijn maaltijd op het gascomfoor gereed stond. Hij hoefde dat enkel maar aan te steken. „Nou, dat is ok onverwachts," mopperde hij. „Ze heb vanochend nergens wat van zeid."

„Ja man, zuk heb je soms met die jonge vrouwtjes," zei Dries wijsgerig. „En as ze zó benne ken je hulle beter maar wat uitdrave late." Dit vond Marten nu ook. Vanavond was die koppige bui wel over en dan hadden ze straks een rustige Kerstmis in hun eigen huis. Zo dronk Annemie die morgen koffie bij Gonne, zat dan nog een poosje bij haar vader in diens kantoor om over de aanstaande reis te spreken en schreef daar tegelijk de aankomst- en vertrektijden van de treinen uit diens spoorweggids over. Daarna ging ze met het trammetje naar Hoorn waar ze doelloos langs de winkels slenterde in mist en kou. Tweemaal zocht ze wat warmte in een lunchroom en at of dronk daar iets. Later zat ze zomaar een hele tijd op één der bankjes dicht bij het station en probeerde daar met zichzelf in het reine te komen.

Volhouden of toegeven? Ze verlangde zo hevig naar al het vertrouwde van vroeger. En ze had immers dit huwelijk gewild omdat ze vrij wou zijn; om in het redelijke te doen wat ze wou en te gaan waar ze wou. Juist om die dingen welke Gonne haar verhinderd had te doen.

„Een mooie vrijheid," mokte ze zachtjes. „Ik ben net zo gebonden als vroeger. Ik kreeg alleen maar een andere cipier. Hoewel... wat hém betreft had ik het slechter kunnen treffen," bracht ze zichzelf dan met een zwak glimlachje tot een andere mening. „Marten is er één waar ik die vrij

heid immers graag voor over heb. Ik zal hem dus zijn zin maar geven. En

dan ... ik kan toch niet tegen hem op. Lukt het hem niet met zijn drift

dan wel met zijn tedere woordjes en zijn liefkozingen."

Traag stond ze op, ging naar het station en liet kort daarna op de harde

bank van het treintje haar lichaam zachtjes meedeinen met de licht

schommelende beweging waarmee dat in het donker langs de dorpen

reed.

In de Oostbuurt vond ze het huis onverlicht en de kachel uit, terwijl enkel Lokie haar welkom heette. Ze had dit kunnen weten, het was immers Martens quadrille-avond en die sloeg hij voor niets ter wereld over, naar hij zelf zei.

„Dan zeg ik het hem morgen wel," nam ze zich voor. „En ik ga nou maar meteen naar bed want ik ben doodmoe van al dat gesjouw. En waarom ei- gelijk...?"

„Wat het weer aangaat zal jullie het met Kerstmis nog treffen," zei Hendrik op dat moment, tussen het spelen door, tegen Marten. „Hoe bedoel je dat?" vroeg die verbaasd. „Wel bij Berend en Stijn. Jullie gaan toch naar Deventer." „Ik weet nog helegaar niet of dat wel doorgaat 'oor," hield Marten zich weifelend.

Hendrik keek hem even strak aan. Een blik die, naar het Marten voorkwam, een waarschuwing inhield.

„Je vrouw blijkbaar wel," zei hij dan. „Die heeft vanmorgen bij mij in het kantoor de reis al uitgezocht."

„Zo, zo ..." Meer zei Marten niet, doch zijn aandacht voor het spel was weg, zodat hij zich meermalen vergiste tot ergernis van zijn partner. Ja, het trekje dat Mieke's mond vanmorgen zo veranderde en haar flikkerende ogen vertelden hem toen al genoeg. Ze moest en zou naar die oom en tante van haar. En toch was ze anders zo zacht en gewillig. Dan zal ik haar voor deze ene keer haar zin maar geve, dan hou ik de eer an mezelf, vond hij. Ik wil niet de kans lope dat ze er alleen naar toe gaat. Stel je voor ...

Vier dagen daarna reisden ze met slecht weer in overvolle treinen naar Deventer waar ze pas aankwamen toen het al donker was en Annemie moeite had om het pad te vinden dat naar de hoeve leidde. Toen ze daar aankwamen voelde ze zich ijskoud en misselijk en verlangde meer dan ooit naar de troostende zorg van moeder Stijn. Het was echter niet vrouw Mees die hen in het gangetje tegemoet kwam en begroette, doch de inwonende schoondochter, een fleurig vrouwtje bij wie Marten zich dadelijk thuisvoelde. Annemie liep echter rechtdoor naar de kamer waar ze Stijn in een ruststoel aantrof met een uiterlijk dat haar meer vertelde dan woorden konden doen.

„O moeder toch ... is u ziek?" bracht ze uit.

„Nee mijn kind, helemaal ziek ben ik niet. Wel heb ik af en toe wat pijn en voel ik me niet zoals het zijn moet. Maar als het weer voorjaar is wordt het wel beter."

Als het voorjaar wordt...? dacht Annemie terwijl ze met moeite de snik weerhield die in haar keel oprees en een uitweg zocht. „Waarom schreef u me dit niet moeder," verweet ze zachtjes. „Ik wou je niet ongerust maken. En jullie zou immers komen." Annemie knikte. Hoe weinig had het gescheeld of dit was niet gebeurd. „Hoe gaat het met uw been?" wendde ze zich dan naar Berend die moeilijk overeind kwam.

„Wel goed, alleen blijft het maar zo stijf. Ik kan niet meer zo goed wegkomen als ik wel wil."

Wat zijn ze oud geworden, vond Annemie. Oud, ziek en hulpbehoevend. Wat is het gelukkig dat Evert en die vrouw hier na hun trouwen zijn gaan inwonen. Maar voor mij is dat zo vreemd, net alsof het mijn thuis niet meer is.

Toen zij daarna in het zijkamertje haar mantel en hoed een plaatsje gaf hoorde ze hoe in de keuken Marten en het jonge vrouwtje samen hartelijk lachten om iets wat hij gezegd had. Ze ergerde zich daar aan. Hij deed beter om eerst de familie op te zoeken eer hij plezier met een vreemde maakte die, zoals ze nu zag, hier en daar veranderingen had aangebracht en die zelfs dit kamertje, dat eens het hare was, in een andere kleur had laten verven. Dat deed je pijn.

Ondanks deze kleine verdrietelijkheden deed Annemie haar best om gewoon te doen en even vrolijk te zijn als ze dat hier van haar gewend waren, vooral toen ze zag hoe blij iedereen was over hun komst. Marten had, in overleg met haar, zelf voor de kleine verrassingen gezorgd die ze meebrachten en later in de avond overreikten. Hij verstond nu eenmaal de kunst om een geschenk zo te verzorgen dat het veel meer leek dan het was. Tot haar verwondering kon hij het met de stille Evert net zo goed vinden als met diens vrouw. De tweede dag maakten ze een lange wandeling langs vele, voor haar eens zo bekende plekjes. Annemie vond nu niet alleen dat het huis veranderd was doch ook de omtrek. „Het lijkt wel alsof de stad hier naartoegroeit," zei ze bij hun terugkomst. En ze wees naar een rij nieuwgebouwde huizen in de verte. „Dat doet ie ook. Over een paar jaar zal hij mijn hele bedrijf ook wel opslokken," meende Berend.

„Maar waar moet jullie dan heen?" vroeg Marten.

„Als het zo ver komt zoek ik werk in de stad en dan verhuizen we daarheen," had Evert reeds zijn plannen klaar.

„Vindt u dat niet erg?" Annemie keek beurtelings haar oom en tante aan. „Och, zover is het nog lang niet. Er kan voor die tijd nog zoveel gebeuren," vond Stijn, terwijl Berend zich al verheugde om de meerdere drukte die hij hoopte dan om zich heen te zien.

Toen ze afscheid nam van haar vroeger tehuis en haar pleegmoeder wist Annemie dat dit voor altijd was. En van de anderen misschien ook. Want wat ze hier gezocht had, dat was er niet meer. De vrolijke, gezonde moeder Stijn, de bedrijvige Berend, twee jongens die als broers voor haar waren, veel oude, lieve dingen, de tijd had ze allemaal meegenomen. Maar

 die had er haar Marten voor teruggegeven en straks hun eerste kind. Weer thuis, vertelde ze Marten van haar verwachting en hij was blij; verheugend blij, dat zag je aan alles. „En wanneer komt het dan zowat?" vroeg hij. „In de eerste helft van augustus."

„Gelukkig zeg. Dan is het bollepellen net achter de rug." „Gaan die tulpen dan vóór bij je kind?" deed ze verontwaardigd. „Niks daarvan. De jongen komt er immers achteran. Hij weet nou al wanneer het zijn vader schikt dat ie verschijnt." „Een jongen? Maar het kan immers net zo goed een meisje zijn." „Dat is ook goed, schat. Dan komt mijn zoon later nog wel." „Jouw zoon? De onze toch zeker. Maar heb je wel bedacht dat ik straks een lelijk figuur krijg?"

„Jij lelijk? Geen sprake van. Voor mij blijf jij altijd het mooiste en het liefste vrouwtje van de hele wereld."

Annemie was gelukkig. Zó gelukkig dat ze zingend door de dagen ging, al waren die soms koud doordat het kleine kacheltje het nooit van de kille en soms ijzige oostenwinden kon winnen die rond het onbeschutte huis vrij spel hadden.

En de herinnering aan Karei Hertog lag vergeten ergens op de achtergrond van haar gedachten.