16

Was dit toch.maar nooit tussen ons gekomen, dacht Annemie een paar maanden later weer eens toen Klaartje in haar box rondscharrelde en Steven van lege lucifersdoosjes een lange trein had gemaakt die hij op zijn knieën kruipende langzaam voortschoof. Een mens heeft niet zo erg veel nodig om gelukkig te zijn.

Was Marten maar een beetje opener. Hij blijft steeds ontkennen dat er iets verkeerds in zijn leven was en is. En zolang hij dat doet... Diezelfde tijd verwenste Marten haar onwil om hem te geloven. Hij mocht dan niet zo'n brave broeder zijn, maar aan wat Annemie hem verweet had hij echt geen schuld. En zolang dit zo bleef... Ondertussen keek hij naar de grauwe lucht die het water in de sloten donker maakte, de omgeving triest en die aan de geschanste bonen geen kans tot drogen gaf. Ook zag hij om naar zijn huis waarover Meindert Helmus gisteren zo'n vernietigend oordeel had geveld, toen hij zei: „Het spijt mijn wel Marten, maar alles wat je hier nog an bestede is weggegooid geld. As je om wat ruimte verlegen benne ken je het best een jaar of wat as schuur gebruike, maar as ik je was liet ik voor mijn eigen een nieuw woonhuis zette."

„Je zegge nog al wat... een nieuw huis," stoof Marten op. „Hoe rijk denk je wel dat ik ben?"

„Ja, dat weet je zelf het beste éé. Elk ken zijn eigen klucht," gaf Meindert toe. „Enfin, je prakkezere er maar d'rs over dan hoor ik later wel wat je planne benne." Plannen ... jazeker ...

Daarginds werkten Dries en Arend. Beste kerels waren het. Maar ze hielden elke zaterdagavond hun hand op voor zesentwintig gulden loon. En dan Miekes zestien nog, plus de verdere onkosten die je voor de huishouding betaalde. En dan moest je die van dit bedrijf eens gaan berekenen. Neem enkel dé kunstmestrekening maar even. Plannen ...

Nog grijzer dan zijn omgeving stelde Marten zich zijn toekomst voor.

Dat ellendige huis ook. Misschien had zijn vrouw wel gelijk gehad toen ze zei dat ze zich daar nooit echt in thuis zou voelen. Marten kon niet weten dat Annemie er die middag ook ongeveer weer zo over dacht in de kil aandoende kamer, waarin hun kinderen zich zo kostelijk samen vermaakten.

Ze worden iedere dag wijzer en liever, vond ze. Evert is tamelijk bazig en ondeugend en begint steeds meer op pa te lijken en Klaartje blijft zoet en tevreden met veel in haar uiterlijk dat me aan moeder Spruit doet denken. Maar hoe kon die toen toch zo tevreden zijn in dit vertrek? Wat ik ér ook inzet of uithaal, het blijft een onvriendelijk hok. Ze zuchtte even en boog zich dan weer over haar verstelwerk.

Annemie ging zelden meer van huis nu ze twee kinderen had en deed dit ook liever niet. Bij Frans en Doortje straalde hun geluk haar bijna tegen en dat kon ze tegenwoordig moeilijk verdragen en Gonne was klaagzamer dan ooit sinds ze wist dat IJtje kennis had gemaakt met een weduwnaar die een voor hem passende vrouw zocht. De man had geen kinderen en wel een bloeiend restaurant, twee dingen die IJtje wel aanlokten. Toch wachtte ze nog even met haar besluit. Ze wilde eerst haar aanstaande echtvriend goed leren kennen.

Doch Gonne was nu al bijna in paniek bij de gedachte aan een nieuwe dienstbode die misschien net zo was als de reeks meisjes die elkaar opvolgden voor ze Annemies voorgangster kreeg. Alleen de herinnering daaraan maakte haar al ziek van ellende. Daarom wachtte Annemie liever af tot deze twee zelf bij haar op bezoek kwamen en dat gebeurde maar zelden. Geesje Ploeg, die voorheen nog wel eens aanliep was nu zelf ook getrouwd en naar Alkmaar vertrokken. Hoewel ze haar bezoekjes erg miste speet dit Annemie tegenwoordig niet. Geesje zag scherp en zou misschien snel ontdekken dat ze verdriet had.

Met Jaantje was dit heel anders. Die kwam 's morgens dikwijls een kopje koffie halen en beloonde dat met allerlei nieuwtjes uit de omgeving en wat klachten over Dries die zo slordig op zijn kleren was en altijd tabak morste, ondanks alles wat ze daarover zei. En dan waren er de vermakelijk vertelde verhalen over hun kinderen. Annemie hoefde zelf nooit veel te zeggen. Als zij maar koffie inschonk en daar iets bij presenteerde was Jaantje allang tevreden.

Nee, deze korte visites zou Annemie niet graag willen missen. Zij brachten wat fleur in haar trieste leven.

Paulien kwam maar hoogst zelden. Zoals die zelf zei, kon dat niet door het vele werk dat de commensaals haar gaven, terwijl ze ook haar grootvader vaak hielp met karweitjes die hij niet meer aankon, maar Annemie weet, in onredelijke, doch pijnigende jaloezie dit wegblijven aan haar verhouding met Marten. Was die zuiver, of... ? Verder durfde ze niet meer te denken. Maar die avondbezoeken dan? Twee, soms drie maal per week was hij daar.

Daarom schrok ze wel enigszins toen Paulien deze middag zomaar bij

 haar binnenliep. Ze had haar zoontje meegenomen die door Steven blij werd begroet en mee naar diens speelplaats geloodst om hem te helpen met zijn lastige doosjestrein.

„Goeie middag," zong Pauliens volle stem door de kamer. „Voegt het je dat ik effies een kopje thee bij je haal?"

„Oh ... jawel..." deed Annemie niet al te gastvrij. „Ga maar zitten. Ik heb net thee gezet."

„Ja, dat ruik ik. Het is zo'n gezellig geurtje éé, al vind ik dat van koffie heel wat pittiger."

Paulien sprak door over onbenullige dingen. Zij lijkt wel wat nerveus vond Annemie. Zou ze misschien over Marten willen praten? Maar dat duld ik niet. En wat ze ook wil... ik sta hem niet af. Nooit en nooit. We moeten satrienblijven. Om mijzelf en ook om de kinderen. Ik kan en ik wil hem niet missen.

„Ik heb eigelijk een boodschap an je," zei Paulien na haar tweede kopje thee. „Ik kom vrage of Marten en jij zondagochend bij ons om de koffie kome. Ken dat? Je neme de kindere maar mee 'oor." „Dat zal wel gaan." Iéts van haar paniek viel uit Annemie weg. Dit leek heel gewoon. „Als het Marten ook schikt, dan komen we. Maar waarom? Is er iemand jarig?"

„Nee, dat niet. Ik word overmorgen de bruid," zei Paulien blozend. Annemie liet zich tegen de rug van haar stoel vallen en keek haar verbijsterd aan.

„Ga jij trouwen," bracht ze uit. „Maar met wie? Met Willem, of is er een ander?"

Ja het moest die botermaker wel zijn. Nou, Paulien kon slechter, Willem was een flinke man al kon hij, volgens Arend, soms erg humeurig zijn. „Nee, met Arend," zei Paulien nu.

„Arend..." Een stroom van ongeloof en opluchting vergezelde deze naam. „Al wat ik gedacht heb," - en ze wist nu zelf hoeveel en ook hoe dwaas dat was .geweest - „dit echt nooit. Arend praat nooit over jou. Wel heeft ie steeds zijn mond vol over Broertje." En ze keek naar Pauliens zoontje dat gehoorzaam alles deed wat Steven hem beval. Paulien volgde haar blik en bekeek het peenharige, sproeterige jongetje met de trotse blik van een tevreden moeder.

„Hij is dan ok mirakel gek op het kind," zei ze zonder haar ogen af te wenden. „Maar Broertje is ok een erg lief jöönje. Vriendelijk en gehoorzaam, met weinig praatjes en nog anhankelijk bovendien. Kijk 'm nou weer d'rs lief met Stevie spelen."

Annemie gaf haar gelijk. Ook zij was zeer op Broertje gesteld en dat niet alleen omdat hij Stevens vriendje was. Wat haar aantrok was zijn neiging om tegen haar aan te leunen en dan om een liedje of een verhaaltje te bedelen. Iets wat Steven nooit uit zichzelf zou doen, maar wel in navolging van dit kind.

„Jij en Arend ..." ontsnapte haar halfluid. „Ik kan het nog haast niet geloven."

 „Dus jij dacht dat het Willem wel weze zou?"

„Ik dacht zomaar dat dit meer voor de hand lag. Jullie zijn samen wel eens naar een uitvoering geweest en voor het oog past hij ook beter bij jóu."

Annemie praatte maar wat voor de mond kwam, doch haar gedachten raasden van Marten naar Paulien en andersom.

Die staarde naar buiten over het verkleurende gebladerte van haar grootvaders kleine boomgaard naar de grauwe einder waar zich heel vaag een gloed van de dalende zon aftekende.

„Ik heb er ok een hele tijd zo over dacht," bekende ze dan. „Temet net zolang as Willem bij ons in huis is. Het is een flinke kerel, hij is niet onknap en ik mocht hem graag lije. Nou ja ... eigelijk wel effies meer as dat." Ze zweeg even en ging dan verder:

„Och en je wete misschien wel hoe het dan zoetjesan gaat éé. Willem hielp mijn wel d'rs met dit of dat, we hadden d'rs een beetje gekheid met mekaar, hij gaf r's een kneepje in mijn arm en toe oplest een keertje een zoen. Dat gaat dan allegaar zonder erg. Het komt net zo zachtjes anslui- pen as een dief in de nacht. As je er erg in krijge is het te laat. En ja... toe maakte we al wat trouwplanne, al was opa er heel niet voor. Die mag Willem zijn natuur niet erg, hij vond 'm nogal nukkig." „En die gingen dus niet door?" hielp Annemie haar, toen ze een hele poos niets meer zei.

„Nee ... die ginge niet door..." Pauliens stem haperde even. „Toch zou het tussen Willem en mijn wel gaan hewwe as Broertje er niet was. Hij kon niks van dat kind verdrage en snauwde hem oftig zomaar af. Om niks. Alleen omdat Broertje wel d'rs mijn aandacht vroeg as Willem zelf an het woord was. Ik kon dat niet verdrage en opa helegaar niet. Zuk zou- we wij Broertje zelf wel aflere, maar dan op een aare manier. Maar verleden week liep het over korf en klamp. Toe gaf Willem om een kleinigheidje Broertje zo'n klap in zijn gezicht dat het kind van zijn stoel viel." Ze wendde nu haar hoofd om en liet haar blik door de kamer dwalen tot die op de kleine gestalte van haar zoontje bleef rusten. „En as je toe het gezicht van Arend zien had, Annemie... Mens, ik schrok er zelf van. Hij sprong zo van zijn plaats op Willem toe en as opa er niet tussen komen was, dan ware er bij ons ongelukke beurd, dan had het vechtpartij worren van heb ik jou daar." „Och wat erg," leefde Annemie er in mee.

„Dat was het," ging Paulien verder. „Ik heb later Broertje maar gauw in zijn bed stopt en we ginge weer bij tafel zitten, maar er was geen mens die wat zei. We zate daar met vier boze gezichte tot Willem naar boven ging en opa effies buiten was. Toe zei Arend opeens.. . Wil jij nou echt een kerel hewwe die ons Broertje durft te slaan? As je d'rs wist hoe oftig mijn hande jeukt hewwe om de vent een trens te geven as ie zo nijdig tegen het kind uitviel. Maar dit wordt mijn toch te bar. Het is nou ... hij de deur uit of ik. Ja Annemie... en wat moest ik toe ...? Want ik kreeg er opeens erg in dat ik Arend niet misse kon en Willem wel. Na wat er net

 gebeiird was dan. Daarvóór had ik het in mijn eigen altijd een beetje vergoelijkt en voor Willems nukke een reden zocht die er niet was." „En is die nou bij jullie vandaan?"

„Ja, hij is gisteravond met pak en zak vertrokken. Voorlopig mag ie bij de machinist in huis tot ie een aar kosthuis heb. We benne zonder verdere ruzie uit mekaar gaan. De hele geschiedenis tussen ons komt me nou net voor as een roes waar ik zo'n beetje tegen mijn eigen wil inraakt ben. Wat ken een mens toch stomme dinge doen éé." Annemie gaf haar gelijk: een mens is soms zichzelf niet meer. „Maar hoe kwam je nou meteen tot een huwelijk met Arend?" vroeg ze. „Wel, ik vroeg kort na die heibel of hij geen nieuwe commensaal voor mijn wist, want. .. eerlijk gezeid ... ik kon Willem zijn kostgeld slecht misse. Toe bood Arend mijn an om dat zelf dubbel te betalen. Ik dacht dat ie het voor de grap zei en vroeg toe an 'm of ie dan maar niet beter al zijn geld an me geve kon. Ok gewoon maar uit gekheid 'oor. En laat ie daar nou op ingaan en zegge dat ie dat graag wou as ie mijn en Broertje er dan voor in de plaats kreeg. En dan niet over een paar maande of een half jaar, maar zo gauw as het kon. Hij zei. .. Gelijk oversteke, aars bedenk je je nog. En zo is het gaan."

„Ik kan er nog niet over uit," zei Annemie. „Die stille Arend en jij." „Ja, we benne een raar stel," gaf Paulien grif toe. „Wat Arend an lengte en an praat tekort komt, dat heb ik dubbel. Toch zal het tussen ons wel gaan 'oor. Arend zeidt dat ie al een hele tijd gek op mijn was, we kenne mekaar al zo door en door dat het vast wel een goed huwelijk wordt. En het voornaamste is voor mijn dat ie zoveel van Broertje houdt en alles van 'm hewwe ken. Wat wil een vrouw as ik dan nog meer verlange?" Precies, wat kon een mens meer verlangen? Doch zij, Annemie, zij deed dat wel. Zij wou Marten helemaal, met alles wat hij te geven had. Dus tussen hem en Paulien was er niets. Totaal, helemaal niets. Bij deze gedachte rees in haar een drang om iets te doen, weg te lopen, alleen te zijn. Ze moest denken ... heel veel denken.

„Heb je nog even tijd," vroeg ze gespannen. „Dan zet ik koffie en help Klaartje even."

„Gaan je gang maar 'oor," zei Paulien. „Ik heb voor opa allés opschreven wat ie doen moet, want ik wou er effies uit om i^s met een aar mens te praten. Het werd mijn allegaar opeens te veel, weet je. Aan Jaantje durf ik niks te vertellen, die is hartelijk en goéd, maar brieft al wat ze maar weet dadelijk over an de eerste de beste die ze spreekt. En toe dacht ik . . . Annemie, daar moet ik heen, die zeidt nooit wat over een aar, die ken ik wel vertrouwe en Marten helegaar." „Weet die het al?"

„Nee, Arend zou het hem vanmiddag zegge en tegelijk een ochend vrij vrage voor onze ondertrouw. Wat zulle hij en Dries er van ophore." Terwijl Annemie het water voor de koffie had opgezet en Klaartje verschoonde en eten gaf, praatten ze nog wat over de kinderen en de aanstaande trouwdag tot de koffie was gezet en ingeschonken. Toen ontviel

 haar eensklaps de vraag:

„Was Martens eerste vrouw altijd jouw vriendin?"

„O ja. Dat begon al toe we op school kwame. Agaat en ik werde naast mekaar in een bank zet en dat is zo bleven ok. Vandaar onze vriendschap. Later was dat wel d'rs moeilijk voor mijn, omdat zij oftig met kermisse en zo een vrijer had en ik zowat nooit. Toch was zij net zo min een schoonheid as ik, maar ze was lang niet zo groot en zo grof van hande en voete en ze had er veel meer slag van om jongens an te halen. Ze kon ze op- smere of ze ik weet niet wat ware en daar houwe de manjes nou eenmaal van. Dat was ok wel de reden waarom ze Marten wist te vangen. Maar klamme dat dat stel kon ... het ware soms net een paar kindere. Ik had toe ok graag zuk soort vrijer had, maar zij was enig kind en haar vader en moeder zate er aardig bij. Mijn ouwelui ware maar doodarme mense. Ik was later al erg blijd dat Klaas Rol mijn vroeg, al zei iedereen dat hij geen trouwbare waar was. Maar het was een jöön waar ieder meidje toch nog wel d'rs een keertje naar omkeek. Met hem heb ik een stuk of wat heel mooie jaren beleefd. Ik hield zó groot van mijn man dat het mijn niks schele kon dat ik zelf grotendeels de kost verdiene moest. Maar behalve die tijd heb het mijn nooit meezeten in mijn leven. Agaat trouwens ok niet, ze was nog geen jaar trouwd of ze ging al dood en dat was voor Marten een dubbele strop, want kort daarop stierve ok allebei 'r ouwelui en ging al hulle geld naar de neve en nichte en Marten greep er naast. Maar dat zal je allegaar zelf ok wel wete."

„Marten spreekt maar zelden over zijn eerste huwelijk," zei Annemie. „Dat zal ok wel. Daarvoor heb het niet lang genoeg duurt. En na die tijd trok ie weer helegaar met de jongelui op, al ploeterde hij door de week hard op dit bedrijf."

„Dus jouw huwelijk was heel gelukkig?" veranderde Annemie dit onderwerp.

Over die periode in Martens leven hadden Betje en tante Gonne haar meer dan genoeg verteld.

„Dat was het. Ondanks zijn z.iekte, mijn verdriet en onze zorge." „Vertel daar eens over. Ik weet zo weinig uit jouw leven." Langzaam sloop de schemering de kamer in. Nog altijd schoven de jongetjes hun, nu gedeelde, doosjes de kamer rond, Klaartje draaide een helgekleurd blok in haar handjes om en om, de poes kwam overeind op zijn kussentje in Annemies haardstoeltje, rekte zich even en rolde zich ineen voor een nieuw slaapje. En Annemie luisterde naar de overal te herkennen volle stem die sprak over een leven vol moeilijkheden waar zij geen besef van had.

„Ik zal even licht maken," zei ze toen Paulien eindelijk zweeg. „En wil je nog koffie?"

„Nog eentje en dan gaan ik naar huis, want bijdat komt Arend en heb opa het eten klaar. Hé, ik ben er helemaal van oplucht dat ik i^s tegen eentje prate kon die luisteren wil, want ik was wel een beetje uit mijn gewone doen. Overmorgen de bruid ... ik ken het zelf nog kwalijk gelove."

„Ik evenmin. Maar ik ben er erg blij om." Hoe blij, dat kon niemand begrijpen.

Het licht uit de lampekap viel nu vol over de tafel, terwijl de groene rand dit als een mild schijnsel door de rest van de kamer wierp. Buiten verstierf het geronk van de schuitmotor en klonk wat dof gestommel van klompen op de stoep en bij de schuurdeur. De mannen kwamen dus thuis. Paulien dronk snel haar kopje leeg, stond op en waarschuwde haar zoontje om mee te gaan. Zonder protest kwam Broertje naar haar toe. „Heet hij werkelijk zo?" wou Annemie nog weten.

„Welnee, hij heet Klaas, naar mijn man, maar die naam wil er bij mijn nog niet best uit. Dat komt misschien later wel as ie naar school gaat." Ze vertrokken en lieten Annemie achter in lichte verwarring. Wat is alles toch veel en veel anders dan ik dacht, verweet ze zichzelf. Dus Marten ging daar werkelijk heen om er te kaarten en omdat het er zo gezellig is. Zijn hele bestaan speelt niet eens een rol in het leven van Paulien. O, ik schaam me over mijn eigen gedachten. Waarom heb ik in mijn leven niet meer mensenkennis opgedaan?

Terwijl ze nog in de keuken bezig was met het avondbrood kwam Marten

daar al binnen en boog zich over de aanrecht waarvan ze juist de tank in

het kastje nog even vol water uit de regenbak had gepompt zodat hij daar

volop van kon gebruiken. Snel keek ze nog even rond of ze verder ook

niets had vergeten dat hem ergeren kon.

„Wat ben je laat," bromde hij onder het wassen door.

„Paulien was hier. Die is net weggegaan," verklaarde ze dat kortaf.

„Dus je weet al dat Arend ok zijn ongeluk tegemoet gaan wil?"

„Daar kan hij het zelf naar maken."

„Hij kan ok onschuldig veroordeeld worre. Zuk gebeurt wel d'rs meer." „Ze vroeg of wij zondagochtend bij hen komen koffiedrinken," begon Annemie snel over iets anders. Vanavond geen ruzie, nam ze zich voor. „En heb je dat annomen?" „Natuurlijk. Wat moest ik anders?"

„Dat is zo. Het gelukkige echtpaar Spruit moet er ok bij weze, al deugt die kerel voor de honde niet." „Kom je straks? Alles is klaar."

Een gegrom was Martens enige antwoord. En Annemie slikte een paar maal hevig om de prop uit haar keel te verdrijven die haar na zulke gesprekken zo hinderlijk in de weg zat.

Met de kinderen bij zich gingen ze die zondagmorgen naar het grote huis van ouwe Jan Vorst. Vanuit alle omliggende dorpen stroomde op deze stille morgen het klokgelui hen tegemoet. Op Jans boomgaard graasden de schapen van zijn buurman uit de boerderij en op het akkertje er naast stonden zijn laatste herfstbloemen opgehokt om te drogen voor hij het zaad ervan kon winnen. Heel dichtbij kraaide nog een late haan, een roep die geen weerklank vond. En om hen heen was de geur van de herfst, die van rook, van stilstaand water en van halfvergaan blad, waar de allerlaatste herfstbloemen en gewassen iets kruidigs bijvoegden. Annemie snoof die

op en dacht aan haar vaders tuin waar het ook nu weer een genot zou zijn om in te lopen.

In de lage kamer van het ruime huis wachtte het bruidspaar hen op met Jan zelf en de twee overgebleven commensaals, aardige mensen die zich een weinig op een afstand hielden. Deze situatie ging hen blijkbaar boven het begrip.

Dat doet het mij ook nog steeds, wist Annemie terwijl ze naar Arend keek.

Dat die stille, bescheiden man zo flink kan zijn om hier in enkele uren alles naar zijn wil te regelen. En hij kan nog meer. Hij wil begrijpen en vergeten wat er tussen Willem en Paulien geweest is. Dat wat kwam als een dief in de nacht. Even zacht, even langzaam, en onmerkbaar. Tot het je overviel. Zij wist nu immers ook zelf hoe dit gaan kon. En zou zij niet kunnen wat Arend wel vermocht te doen?

Misschien.. . Als Marten zijn misstap met die ernstige gevolgen maar niet zo beslist en zo woedend ontkende. Ook haar begrip had grenzen.