10

Zoals in de meeste jaren het geval was viel ook ditmaal de Buitenvaartse kermis op een ongewoon warme zondag. Al vroeg kwam Willie Nagel, de dochter van Dries, bij Annemie om haar orders te vernemen voor de lange oppasdag die haar wachtte. Het zou tevens de laatste zijn, want het meisje ging de volgende dag in een betrekking voor dag en nacht buiten het dorp. Dit speet hen erg. Kleine Steven was aan Willie gewend en ze konden zijn verzorging en die van hun huis rustig aan haar overlaten. En waar vond je iemand die haar vervangen kon? Annemie had al eens aan Nelleke Vlaar gedacht, maar volgens Doortje waren haar vrije avonden voorlopig alle reeds besproken. Het zou slechts een enkel keertje gelukken om dit meisje als oppas te krijgen.

Maar op deze dag waren ze nog geholpen en opgewekt kleedden ze zich aan om op de motor naar Klaas Spruit en diens vrouw te gaan. Rustig tufte Marten over de Ouweweg die de dorpen verbond en beiden zagen genietend om zich heen over akkers en weiden naar het kleurige beeld van de omringende dorpenkrans. Kort daarop zat in de koele voorkamer van de ruime hoeve al een groot deel van de familie Spruit bijeen aan koffie met koek en een drankje toe, terwijl hun grappen en kwinkslagen over en weer flitsten. Annemie zat recht voor de tafel en had het volle gezicht op de riante woning van Meindert Helmus waarin ze niemand aanwezig wist, omdat diens hele gezin deze dag bij de ouders van Riek doorbracht. De uren vlogen om met een uitgebreide maaltijd, een gezellig theeuurtje en een wandeling naar de kermis, met een kort bezoek aan de balzaal waar ze Ruud Helmus met Kobie Veer zag dansen, terwijl Karei bij de tapkast rondhing. Ze danste zelf ook. Eerst met Marten en later nog een keertje met Henk tot het tijd werd om terug te gaan naar de broodtafel die nu wel gereed zou zijn.

„Zeg maar dat ik nog effies blijf," zei Henk. „Ik zien hier een ouwe vlam waar ik een keertje mee danse wil en ze houwe thuis vandaag toch open tafel. Elk ken kome wanneer het hem voegt."

En zo gebeurde het dat ze allen reeds aanzaten toen die binnenkwam met Ruud Helmus achter zich aan. Dit was heel gewoon, de jongens waren trouwe vrienden en Ruud zette zich dan ook rustig op een lege stoel naast die van Annemie. Zijn ontdaan, radeloos gezicht was echter niet gewoon en toen ze voorzichtig vroeg wat hem scheelde, vertelde hij iets over een gevecht met zijn broer en hevige twist met zijn ouders die hem daarna hun huis hadden ontzegd.

„En nou ben ik dakloos," besloot hij zijn triest verhaal.

Annemie had met hem te doen. Deze jongen scheen bij zijn ouders altijd zo'n beetje de verschoppeling te zijn, maar dat ze hem dit konden aandoen vond ze toch te bar. Meewarig bezag ze zijn mislukkend pogen om zich in deze toestand onverschillig te gedragen.

Konden zij hem niet voor twee of drie dagen ... hoogstens een week .. . ? Die bedstee in de keuken stond steeds opgemaakt klaar voor een onverwachte logé al was er nog bijna nooit één verschenen. Doch zodra ze dit plan tegen Marten, die aan haar andere zijde zat opperde, wees die dit bruusk af met het oog op de ouders. Hij wilde in deze kwestie geen partij kiezen. Zij gaf het echter niet op en wees hem de mogelijkheid van een oppas als ze deze week naar zijn zusters verjaardag gingen. En hij, de uithuizige, ging daar toen graag mee akkoord. Voor zoiets had hij alles over.

Het was Annemie een genoegen om te zien hoe Ruud hiervan opfleurde. Nu had hij voorlopig immers onderdak en hij kon bovendien in de smederij van Breewoud blijven werken. En och ... zo'n ruzie tussen ouders en kinderen was toch zo weer bijgelegd, meende ze. Annemie had misgezien. De paar dagen of de week die zij voor ogen had werden vijf maanden. Gezellige maanden, want Ruud bleek een prettige huisgenoot die altijd en overal tot hulp bereid was. Door zijn aanwezigheid kwam nu Henk ook dikwijls voor een avondje op bezoek met verhalen die Annemie deden schaterlachen om hun dwaasheid. Het maakte dat de uren van eenzaamheid voor haar omvlogen en Marten van zijn uitgaan terug was eer ze het wist. Zijn meeste avonden bracht Ruud echter in de schuur naast de Villa door om er samen met Adriaan aan de één of andere motor te knutselen, wat tot gevolg had dat Hendrik voor allebei de jongens een betrekking in Rotterdam wist te vinden, waar ze in het door hen zo geliefde werk konden worden opgeleid.

Begin januari gingen ze daar samen heen. Naast de leegte die Ruuds vertrek aan Annemie gaf liet hij voor haar ook nog een klein probleem achter, want met hem was ze nu opnieuw haar oppas kwijt en ze hadden er de dag daarop al weer één nodig.

„Dan moeten we voor deze keer toch maar proberen om Nelleke te krijgen,'' vond ze.

„Zal ik dat dan meteen maar effies met 'r regele?" stelde Marten gretig voor. „Ik wil Doortjes verjaardag beslist niet misse. Dat is altijd een knus avondje met weinig drukte." „Best. Doe dat maar."

Ze zag toe hoe hij zich tegen de kou aankleedde door zijn opzichtig geruite jekker aan te trekken en de er bijpassende muts over zijn oren te trekken.

Marten had geluk. Nelleke bleek bereid hem voor deze ene keer te helpen door een gymnastiekavond over te slaan en Marten had het, volgens de eis van haar vader, zo geregeld dat ze na afloop van het oppassen zou worden thuisgebracht.

En zo kwam de volgende avond Nelleke Vlaar bij hen binnen. Een leuk

vrolijk schepseltje. Annemie wist dat ze nu rustig van huis kon gaan. Als een moedertje zou Nelleke over Stevie waken.

Het werd een avond die aan elke verwachting voldeed. In de grote, met warme kleuren gestoffeerde kamer der hoeve raakte Hendrik aan het vertellen over de tijd dat hij als vertegenwoordiger van een groothandel in koloniale waren door Overijsel reisde. Daarbij noemde hij ook een enkele maal de naam van Annemies moeder en dat gaf haar dan telkens een klein schokje van geluk. Hij sprak zo heel zelden over haar. Na afloop fietsten ze langzaam door de uitzonderlijk lichte nacht naar huis terug. „En nou moet ik mijn meisje nog thuisbrenge," zei Marten toen ze binnen waren. „Jammer dat ik er geen uurtje opzitten mee verdiene ken." Nelleke lachte even voluit.

„Nou misschien ... Als u het dan eerst maar an vader IJsbrand vraagt éé." „Voor geen goud zou ik dat wage," ging Marten hier op in. Het was immers een publiek geheim dat Nellekes ouders haar iedere omgang met een jongeman beletten omdat ze nog maar zeventien jaar was en er zeer aantrekkelijk uitzag.

„Dan mofcte we bij onze brug maar afscheid neme," zei Nelleke op een gemaakt effen toontje.

Ze gingen weg. Annemie verzorgde daarna nog het één en ander in de keuken en wachtte dan op Marten. Een half uur... een uur... tot hij eindelijk tegen middernacht terugkwam. „Waar bleef je zolang?" vroeg ze ontstemd.

„O, ik ben zopas effies doorreden naar Paulien. Daar zate ze gezellig bij mekaar te kaarten en toe bleef ik er zomaar nog wat hangen," verklaarde hij luchtig.

„Was Arend ok nog op?" vroeg ze ongelovig.

„Nee, die lag al in bed en die schooljuffrouw ok. Zouwe wij dat ok maar niet 'rs doen?"

„Ik vind tenminste dat het tijd wordt," zei Annemie strak, met een speurende blik naar zijn onbewogen gezicht. „Wat zoek jij toch altijd bij Paulien?"

„Och, dat weet ik zelf niet. Het is daar altijd zo bedrijvig." Bedrijvig . .. ? Hoe kan ik maken dat het hier ook zo wordt? dacht Annemie verdrietig, terwijl ze zich uitkleedde voor de nacht. Hier zijn 's avonds geen andere mensen dan Stevie en ik en het kleine ventje moet op tijd naar zijn bed. Toch zal ik het straks even aan Marten vragen. Ergens moet daar een oplossing voor zijn.

Doch toen ze naast hem onder de dekens schoof sliep hij reeds diep en rustig.

Steven was een voorspoedig kind. Iedere nieuwe dag zag Marten iets in zijn begrip en zijn doen dat hem trots en blij maakte en waarvan ze dan later samen genoten. En omdat zij dit geluk graag met anderen wilde delen beschreef Annemie deze vorderingen naast het andere nieuws dat hem interesseren kon in de brieven, die ze geregeld aan Ruud zond en

 die hij nu en dan beantwoordde. Eén ding schreef ze hem echter niet. Ze voelde aan dat hij dit beter niet kon weten. Het zou hem vast grieven dat Henk Spruit na Ruuds vertrek zijn vriendschap op Karei had overgedragen waar hij nu geregeld mee optrok tot zijn bezoeken aan Marten en haarzelf toe. Karei met zijn voor haar nog steeds dierbare naam, zijn mooi gevormd gezicht en de prachtig stralende ogen. Het was bijna piet te geloven dat hij een broer van Ruud was. Hendrik kwam meestal in de namiddag bij hen op bezoek. Hij koos de tijd waarop hij wist dat Marten van het veld terugkwam en dan samen met Annemie een kop koffie dronk voor hij zich ging wassen en omkleden. Een tevreden Hendrik, omdat Adriaan gelukkig was met zijn werk en zijn leven daar in Rotterdam en omdat Kreeltje, met zijn snel begrip en zijn nog prille zucht naar kennis, beloofde te worden wat hij voor zijn oudste zoon zozeer had gehoopt. Soms, totaal onverwachts, belde Adriaan hem op met groeten van Ruud voor iedereen en een klein verhaal over zijn vorderingen. De winter liep ten einde, het landwerk begon reeds al meer beslag op ieders tijd te leggen en over vele van Martens akkers spreidde zich reeds een donkergroen waas van het opkomende tulpenblad dat iedere weersgesteldheid weerstond. Iets van dat ontwakende leven drong zich op zo'n gewone morgen ook aan Annemie op toen ze na enige twijfel de zekerheid kreeg opnieuw in verwachting te zijn. De walgelijke geur van de kaas op haar boterham vertelde haar genoeg. Temeer waar Marten juist de smaak en de kwaliteit daarvan geprezen had. Vlug waste en kleedde ze daarna Steven, zette hem in zijn speelhoekje en maakte het werk aan kant. Ze was blij, meer dan blij. Het liet haar nog onverschillig of deze nieuwe baby een jongen of een meisje zou zijn, het was haar genoeg om weer een brokje eigen leven naast zich te hebben dat ook bij Marten hoorde en waaraan ze een deel van haar liefde kon geven. Zodra het werk gedaan was lag er nog een heel stuk van de lange morgen voor haar nu Marten en zijn volk niet meer naar huis kwamen om daar hun konkeltijd te houden. Ze waren daarvoor te ver van huis bezig met het poten der aardappels en hielden de tevoren door haar gezette koffie warm op een aangloeiende briket in de theestoof.

Wat zou die rook weer stinken. De gedachte aan de benauwende geur ervan stond haar nu reeds tegen.

Hoe zou Marten op deze nieuwe verwachting reageren? Het was immers ook zijn wil geweest dat die zou ontstaan. Vanavond ging ze het hem zeggen. Veel kosten bracht het niet mee, ze bezat alles nog van Stevie en de rest betaalde ze wel uit haar eigen inkomentje. In het verlopen jaar had het woordje „geld" nauwelijks meer tussen hen gestaan, ze waren allebei gelukkig met de toestand zoals die geleidelijk aan was gegroeid. Op dit moment wist Annemie zeker... ze was helemaal gelukkig. Zelfs ondanks Martens vreemde voorkeur voor Paulien Sluiter en zijn zucht naar ontspanning buitenshuis.

Zou ze even een uurtje met Stevie het dorp ingaan om bij tante Gonne of bij Doortje een kop koffie mee te drinken? Voor het middagmaal stond al

les reeds gereed, er was dus niets dat haar dit plan beletten kon. „Stevie, ga je met mamma mee op de fiets?" riep ze in de kamerdeur. „Mee ... fiets ..

In één vlugge beweging stond het kind op zijn voetjes, liet zijn speelgoed in de steek en kwam naar haar toe. Zijn stevig lijfje en de trekken in zijn gezichtje deden haar steeds meer aan het uiterlijk van haar vader denken. Niet dat Annemie hier iets op tegen had, doch wel hoopte ze dat hij later minder aan zichzelf en meer aan anderen zou denken dan Hendrik tot nu toe had gedaan.

Terwijl de kleine jongen even later ongeduldig wachtte, trok ze zelf haar mantel aan en zette daarna voor het gangspiegeltje haar muts zo dat die haar vlechten stevig omvatte, want rond het huis joelde duidelijk hoorbaar een noordenwind die al iets van de lente overbracht. Met het kind aan de hand liep ze dan door de achterdeur naar buiten en haalde haar fiets uit de schuur. Tegelijk kwam het geluid van een jodelende stem naar haar toe en zag ze hoe een paar huizen verder Paulien bezig was het wasgoed aan de lijn te hangen dat dadelijk opbollend langs haar heen woei. Paulien wuifde nu naar haar en Annemie zwaaide terug waarna ze haar blik zoekend over het veld liet gaan naar de drie gestalten in de verte met daar rondom een snel bewegend stipje dat Lokie moest zijn. Liefdevol bezag ze de grootste die telkens met een korte beweging rij na rij gaten in de grond boorde waarin de aardappels werden gelegd om te ontkiemen. Nog deze morgen had ze Marten met Dries over de naam van het ras horen spreken en ook over de soort kunstmest die straks zou worden uitgestrooid, doch vervuld als ze was van de eigen gedachten waren die haar ontgaan. Kali, super, ammoniak of kalksalpeter, ze waren haar om het even. Als het spul maar deed wat Marten er van verwachtte. Haar Marten. Haar alles.

Nog gisteravond gaf hij haar al zijn liefde in een stroom van tedere woordjes tot ze bereid was zich aan zijn onstuimige hartstocht over te geven, waarin voor haar de wereld wegviel.

Nu was hij weer aan het eind van een rij en keek hierheen naar zijn huis. Naast de schuur staande stak ze allebei haar armen omhoog en zag hoe hij hetzelfde deed. Het was hun groet van iedere dag evenals het plagend fluitsignaal waarmee hij haar 's avonds zijn thuiskomst liet weten. Het waren slechts enkele noten, die tezamen het refrein van een liedje vormden, dat in deze dagen tamelijk populair was en waarvan de eerste woorden luidden:

„Éénmaal nog slechts wil ik bij je wezen ..."

Het was dit „éénmaal" waartegen ze in het begin hevig geprotesteerd had, iets wat hij zo vermakelijk vond dat hij het wijsje als aankondiging behield.

Zo waren er meer dingen. Klein en onbeduidend, maar die toch een vaste en bindende kracht aan hun samenleven gaven. Een licht, strelend gebaar, een speciaal liefdewoordje, of soms enkel maar een glimlach met een blik in eikaars ogen. Het had allemaal tijd nodig gehad om te ontstaan

en uit te groeien tot de betekenis die het nu voor hen had. Met Steven achter zich op de bagagedrager fietste ze langzaam de Oost- buurt uit naar de Middent. In de droge lucht tekenden alle vormen en kleuren van het nabijgelegen Buitenvaart zich scherp af tegen het effen blauw van de wolkeloze hemel. Daar stond kaal en eenzaam het notarishuis waarvan het uiterlijk sterk op dat van haar vader geleek, doch dat de bekoorlijke voornaamheid van de Villa miste die de beuken en de heesters daaraan gaven. Dat verre huis zag er even onvriendelijk uit als dat van Marten waar ze voor zichzelf nog steeds geen thuis in kon zien. Bij de tegenover elkaar gelegen boerderijen van Frans Hoefnagel en Si- mon Vink rook ze duidelijk dat vandaar de mest naar het land werd gereden en toen bovendien nog een driewielige kar vol mest haar passeerde had ze moeite om de walging die haar dit gaf te verbergen. Toch scheen de koetsier die welgemoed op de staart van de kar zat er iets van te ontdekken, want hij keek haar met een spottend lachje aan. Ze reed het pad over tot bij de keukendeur, stapte daar af, zette Steven op de grond en ging de knusse, blauw en wit geverfde en bemeubelde keuken in, waar de geur van koffie haar tegelijk met een hartelijke groet van IJtje tegemoet kwam.

„Je benne krek op tijd," zei die vrolijk. „De koffie is klaar en de koek staat

al op tafel."

„Is tante daar ook?"

„Jazeker. Die zit al druk te breien. Er is vanochend geen pijn in 't hoofd." „Gelukkig maar."

Met het kind aan de hand ging Annemie naar de zonnige kamer, haar droomvertrek waarin ze zich nu als gast zoveel gelukkiger voelde dan in de kil aandoende ruimte van haar eigen huis. Was er in de sfeer der beide keukens al enig verschil, hier was dat nog veel groter. Hier viel het zuivere licht van deze heldere dag aan drie zijden naar binnen, maakte de bij- eenpassende kleuren van wanden, kleden en meubelen nog aantrekkelijker dan ze al waren, terwijl het uitzicht overal even mooi was door de sneeuwklokjes en krokussen die tussen gras en heesters en rond de perken hun wit, geel en blauw lieten prijken, terwijl de hyacinten en blauwe druifjes dit al schenen te beloven.

Had ik zo maar één klein perkje, dacht Annemie spijtig. Ik zal daar deze herfst Marten nog eens een keer om vragen. En dan beloof ik hem tegelijk dat ik het zelf helemaal zal onderhouden.

„Goeiemorgen tante," zei ze toen Gonne snel opkeek bij haar komst. „Schikt het dat wij even bij u binnenvallen?" „Dat doet het altijd. Weet IJtje dat je hier benne?" „Ja, ze is bezig met koffiezetten. Staan Kreekjes blokken nog hier?" „Dat denk ik wel. En aars neem zijn bouwdoos maar. Daar is Stevie ok wel zoet mee. Maar krijgt oma eerst nog een zoentje van 'r kleine man?" Gewillig stak het kind haar zijn gezichtje toe. Hij hield wel van deze vrouw die hem veel meer toestond dan zijn moeder deed. Daarna verdiepte hij zich volkomen in het kostelijke speelgoed dat die hem toeschoof.

 „Jij hewwe het nuuws zeker ok wel al hoord?" vroeg Gonne nu.

„Nieuws? Is er dan iets gebeurd?" vroeg Annemie verwonderd.

„Jazeker. En wat heel ergs ok. Nelleke Vlaar is gisteravond naast die brug

voor het huis van 'r ouwelui met fiets en al te water reden en verdronken."

„Verdronken? In die sloot daar? Kon ze er niet uitkomen?"

„Zij niet meer. Ze lijkt met 'r hoofd tegen één van die peilers anbotst te

wezen en zo meteen buiten kennis raakt."

„Nelleke..."

Annemie kon het moeilijk geloven. Zo'n stralend mooi wezen zou er opeens niet meer zijn?

„Hoe kon dat nu?" bleef ze vragen. „Ze kon toch dat pad daar in haar dromen wel vinden?"

„Ja, hoe komt alles," zuchtte Gonne meewarig. „Ze kwam met nog een stel lui uit de zang vandaan, ze riep hulle nog blijd een nachtgroet toe en schoot toe zo bij die hoge wal neer. Nou kon ze gisteravond de oprit van de brug wel slecht zien omdat de gloeilamp in die straatlantaarn daar kapot is, maar op zó'n bekend pad .. . het is wel vreemd. En nou ... dit is beurd en Doortje zit zonder hulp. Waar vindt die ooit weer zó'n handig en blijd meidje."

Annemie zat verslagen. Nog kon ze de volheid van deze ramp niet geheel in zich opnemen toen haar vader binnenkwam en alles bevestigde. Bedrukt ging ze naar de Oostbuurt terug, doch het gebeurde bleef haar kwellen. Om dit van zich af te praten fietste ze door naar de vrouw van Dries die reeds van het gebeurde op de hoogte bleek te zijn en dit in zo'n vloed van woorden vertelde dat Annemie zelf geen kans kreeg om zichzelf te uiten. Bij Paulien gelukte haar dit later evenmin hoewel het voor haar wél nieuws moest zijn. Zij kon er echter weinig belangstelling voor opbrengen, omdat ze Nelleke niet scheen te kennen en bovendien juist op deze dag met de schoonmaak wilde beginnen, een taak die in dit grote huis al haar denken in beslag nam.

En ik moet het kwijt, vond Annemie. Dit kwelt me gewoon, het laat me niet los. Het is niet eerlijk dat zoiets gebeuren mag. Zou ik naar Marten en zijn volk gaan en het daar vertellen? Maar die hebben het ook al zo druk.

En toen wist ze het ineens. Ruud ... Die kende Nelleke beslist wel omdat hij maandenlang bij Bart Schild gewerkt had waar zij iedere dag langs moest komen on naar haar dienst te gaan. En de deuren der smederij stonden altijd van vroeg tot laat open. Ja, hij moest Nelleke vast dikwijls hebben gezien.

En Annemie schreef. In nuchtere woorden, precies zoals die aan haar waren gezegd, berichtte ze aan Ruud Helmus, naast, ander onbelangrijk dorpsgebeuren, ook de tragische dood van Nelleke Vlaar. En terwijl ze dit deed week geleidelijk de druk van dit vreselijke uit haar weg. Toen de mannen tegen het middaguur naar huis kwamen vertelde zij het ook aan hen.

 „Zuk zal naderhand r^s met je eigen kind gebeure," stelde Dries zich dit

voor. „Wel mens, daar kom je als ouders nooit meer overheen."

En Arend zei zachtjes:

„Wat is dat erg. Ze was altijd zo vriendelijk. Ik heb de vorige week na de

gymnastiekuitvoering nog een keertje met 'r danst."

Marten staarde zwijgend een poosje in de blauwe oneindigheid en mom-

pelde dan hoofdschuddend:

„Foei... zo'n kind toch ..."

Nadien werd er door hen weinig meer over gepraat. Ze waren één der ve-

len die aan IJsbrand Vlaar en diens gezin een bewijs van deelneming zon-

den. Nelleke werd begraven, Doortje kreeg haar jongere zusje als dag-

meisje in dienst en alles was voorbij.

Zo dacht men.

Maar Neel Kos was er ook nog.