14
Het was in het begin van november dat Annemie haar tweede kind kreeg. Een dochter ditmaal, die pas na vele moeilijke uren geboren werd. Na afloop der bevalling kuste Marten haar zacht en voorzichtig, doch toen ze even later naar hem opkeek was er weer dezelfde koude blik in zijn ogen. „Is ze helemaal goed?" vroeg ze aan dat gesloten gezicht. „Ja. Volgens de dokter is het kind kerngezond," antwoordde hij. Tevreden sloot Annemie de ogen.
„O, gelukkig," prevelde ze voldaan en het was alsof er tegelijk een last van haar afviel. Ze was de laatste weken wel eens bang geweest voor de één of andere vergelding. Om wat Marten deed. En dus ook voor haar. „Hoe moet het kindje heten?" vroeg Jaantje, die haar had bijgestaan. „Daar hewwe wij het nog niet over had," zei Marten. „We wouwe eerst zien wat het werd. En omdat het mijn vrouws beurt is, moet die het maar zegge. Mijn moeder hoeft niet, die is al meer kere vernoemd bij mijn broers en zusters."
„Dan wordt het Klara," besliste Annemie. „Klara Hillegonda naar mijn moeder en naar tante Gonne."
Marten knikte. Wat scheelden hem die namen? Met Mieke was alles goed en dat was hoofdzaak. Nooit had hij vermoed hoe dierbaar ze hem was tot in deze zware uren die ze zo moedig doorstond.
Hij hield vast veel meer van haar dan zij van hem, anders zou ze nooit dat erge over hem zo grif hebben geloofd. En nóg geloven. En hij kón dat niet dulden. Hij verdroeg het niet. Liever hield hij deze verhouding vol, al zou het zijn hele verdere leven bederven. En zijzelf dacht daar blijkbaar ook zo over. Telkens als hij haar zag stond deze kwestie als een muur tussen hen in. Het komediespelen ging hun anders al aardig goed af. Nog
niemand had hun verkoeling ontdekt. Dat kwam voornamelijk wel omdat hij zo vaak dit enigszins kon van huis was, overdag op het land of in de schuur en 's avonds overal waar hij zich welkom wist. Zijn kaartavonden, de vergaderingen, familiebezoekjes en anders bij Paulien die hem altijd vrolijk tegemoet kwam.
Ja, Paulien, dat was me nog eens een vrouw. Als die eens besloot een tweede huwelijk aan te gaan, dan werd de kerel die haar kreeg een gelukkig mens.
Maar nu zou hij eerst maar eens bij zijn schoonvader en zijn eigen volk rondgaan om over zijn nieuwe vaderschap te vertellen. Stevie en Klaartje . .. een rijkeluiswens. Eens hadden ze afgesproken dat drie of vier kinderen in hun gezin zouden passen, doch zoals het nu was hield hij het voortaan liever zo.
Zo slecht het in huis gesteld was, zoveel geluk had zijn bedrijf hem gebracht. Grote, duur verkochte bloembollen; van zijn andere produkten een overvloedige oogst en als het nu met de bloemkool ook nog wat doorging, dan was hij daarover meer dan tevreden. Ook had hij een motor voor zijn schuit aangeschaft, zo'n ding bespaarde je nou tijd en op de lange duur dus ook geld. Zelfs dacht je een doodenkele keer wel eens over een auto. Voor later, als je wat lichter zat op dit grote bedrijf. Ja, dat was alles mooi en goed. Het was dit met Mieke wat aan je vrat, wat soms on- verdragelijk was. En kon je er nog maar eens een flinke ruzie over maken dan luchtte dat wat op, maar zij zorgde wel dat zoiets je maar zelden lukte. Zij bleef bijna voortdurend die ze was en dat maakte je dan dubbel kwaad.
Annemie knapte snel op en gaf zich in deze rustige dagen helemaal aan haar kinderen, terwijl ze 's middags aanzat om bezoek te ontvangen. En wie haar zag met de van trots en geluk stralende ogen in het gave, lieve gezicht kon niet vermoeden dat in haar gedachten, zo ver als mogelijk was naar achteren gestuwd, een hevig verlangen naar de liefde en tederheid school die Marten haar onthield en zijzelf in haar trots niet wilde. Als een donkere gang zag ze de winter met zijn lange, eenzame avonden voor zich liggen. Vooral januari zou eindeloos zijn. Ook al bracht ze Stevie een uurtje later naar bed, toch bleven er nog zoveel andere over. En zij was vanaf haar jeugd nooit alleen zijn gewend. Je zou warempel blij zijn als Klaartje eens een lastige bui had en je aandacht een poos in beslag nam. Ze toonde zich dan ook stralend blij als Henk en Karei haar eens opzochten en de uren vulden met het verhaal van hun laatste belevenissen. Zelfs naar het onbenulligste gebeuren luisterde ze met genoegen en hield hen daarna zo lang mogelijk vast met kleine tractaties en veel belangstelling in hun beider leven. Vooral Karei scheen dit te waarderen en bewees het door haar zo nu en dan zijn hulp te geven bij de bezigheden die hun bezoek meebracht. En daarna was het dan voor haar een genoegen om telkens zachtjes „Dank je Karei" te zeggen op dezelfde toon waarop dit voor Karei Hertog bedoeld had kunnen zijn.
Februari bracht al enkele mooie dagen, de avonden werden korter en
maart toonde in Hendriks tuin en op zijn erf al iets van lentebeloften. Rond het huis op de Oostbuurt niet, daar lag het dorre, platgetreden gras nog als een slordige laag op de grond. En van het ontwakende leven op de keurig onderhouden akkers zag Annemie weinig meer. Die bleven haar nu even vreemd als Marten zelf.
Iedere zondagmorgen schoof hij haar zijn zestien gulden toe die ze zwijgend opstreek. Over een mogelijk tekort door het groeiend gezin en mogelijke aanschaf van iets nieuws sprak hij nooit en Annemie evenmin. Dat paste ze bij van haar eigen geld.
Was er in hun familie iemand jarig, dan gingen ze daar samen op de motor heen en was er een uitvoering in het dorp met bal na, dan vroeg Marten haar steeds een paar keer voor een dans, doch zelfs dan bleef de afstand tussen hen even groot.
Slechts een wonder kon daarover een brug slaan of de muur neerhalen die hen scheidde.
En voor hen schenen die uit de wereld te zijn.
Toch zou Annemie die uitvoeringen niet graag willen missen. Voor haar huwelijk bezocht zij die op de zogenaamde „jongeluis-avonden" indien Gonne haar dit toestond. Ze ging dan samen met Geesje Ploeg die haar dan meteen leerde dansen, een kunst die ze zich heel snel eigen had gemaakt.
De tweede uitvoeringen der plaatselijke verenigingen, die twee of drie avonden later plaatsvonden, waren hoofdzakelijk voor de „ouwelui" bestemd en zo ook de laatste van het seizoen die de rederijkerskamer op halfweg maart had gesteld.
Annemie kleedde zich hiervoor met zorg. Het was nu vier maanden na haar bevalling en ze wilde weten of haar figuur nog even onberispelijk was als tevoren. Daarom wendde en keerde ze zich herhaaldelijk voor de grote spiegel, die in de slaapkamer hing, voor ze geheel tevreden was. Ze kon dit zijn. En meer nog, want boven haar goed gevormde gestalte droeg een gevulde hals haar gave, blanke gezicht met de smalle, rechte neus, de lokkend frisse mond en de ogen in hun krans van bijna zwarte wimpers. Op het enigszins brede voorhoofd stonden de wenkbrauwen als donkere lijntjes scherp afgetekend, terwijl het zachte haar er in een sierlijke golf langsheen viel.
Ik ben mooi, wist Annemie voor de eerste maal in haar leven, terwijl ze een pasgekocht, mosgroen jurkje aantrok. Oom Frans had gelijk toen hij onlangs zei dat het eerste kind voor de gezondheid en het tweede voor de schoonheid van de vrouw was.
Doch later, in de kamer, liet dit Marten onbewogen naar het scheen. Die mopperde er alleen maar over dat zijn boord te hard gesteven was en vroeg dan nors om een schone zakdoek. Eerst toen de oppas er was, toonde hij zich iets vriendelijker.
Het werd een mooie avond voor Annemie. Tussen Gonne en Doortje gezeten genoot ze van de dolle klucht die zich op het toneel afspeelde. En als steeds verbaasde ze zich over het zuivere Nederlands dat daar gespro
ken werd door mensen die zich dagelijks voortdurend in hun dialect uitdrukten. En het was haar bijna onbegrijpelijk dat de nogal stille melkboer met de machinist van de kaasfabriek zo'n grappig duo kon vormen, terwijl de goedige slagersvrouw nu een bazige tante was. Ze namen haar mee. Allemaal. Deze gewone mensen maakten van hun liefhebberij een kunst waarmee ze anderen uit de werkelijkheid meevoerden naar de schijn die zij vertolkten.
Toen na afloop van de voorstelling de burgemeester in een vlotte toespraak de spelers namens alle aanwezigen bedankte, zag Annemie hoe Kristiens vingers zich ineenklemden onder het luisteren. Het bal begon. Met ieders hulp werd het midden van de zaal ontruimd, de muzikanten kozen hun plaats en lieten een eerste waarschuwing horen waarna de heren elk hun dame kozen.
Zou ik ... ? dacht Annemie. Maar wie . .. ? Marten komt enkel een paar keertjes om zijn fatsoen op te houden voor de mensen. Dit deed hij ditmaal reeds nu. En het was haar een droevig genot om te voelen hoe zijn armen haar tijdens een wals omvatten en ze dan ongemerkt even haar hoofd tegen zijn schouder kon drukken.
Nog voor het begin van de volgende dans was het Karei Helmus die voor haar stond.
„Hoe kom jij hier?" vroeg ze verwonderd toen ze dansten. „Op de fiets," antwoordde hij nuchter.
„Dat vermoedde ik al," gaf ze lachend toe. „Maar wat zoek je bij ons oudjes?"
„Ik zocht jou," zei hij met nadruk op elk woord.
„Dat is te laat joh. Ik was al voorzien. Geef maar een betere reden op," raadde Annemie hem aan.
„Ik ben hier met een meisje dat dit toneelstuk graag zien wou," vertelde Karei nu. „Ze logeert bij onze bure en die ouwe baas kon niet meegaan, want die fietst niet meer. Ze komt uit Abbekerk en is daar lid van de rederijkerskamer die de volgende winter dit stuk ok opvoere wil. En zodoende ben ik maar met 'r meegaan."
„Dat is braaf van je," prees Annemie. „En waar zit ze?" vroeg ze dan nieuwsgierig.
„Daar," wees Karei aan. „Achter Paulien."
„Die ... ? Maar dat is toch allang geen meisje meer," zei ze teleurgesteld. „Nee ... nou je het zegge ..." deed hij stuntelig. „Ze heb trouwens al een man en drie kindere ok."
Ze keken elkaar aan, lachten allebei om hun eigen onzin en dansten daarna samen nog tweemaal in diezelfde stemming. „Mag ik het volgende deuntje ok weer kome?" vroeg Karei toen. „Mij best. Tenzij er een betere komt," beloofde Annemie. Die kwam. Het was Hendrik zelf die zijn dochter vroeg. Annemie stemde graag toe. De enkele malen dat ze met haar vader danste waren haar een genoegen geweest. Jammer dat hij er zich zo zelden aan waagde. „Geniet je wat?" vroeg hij, op haar neerziende.
„O ja. We zitten daar heel gezellig en ik heb aan elke dans meegedaan." „Het wordt tijd dat je man dat ook eens doet." Hendriks stem hield een waarschuwing in. „Hij drinkt rijkelijk veel vanavond en is daar niet aan gewend. Marten is altijd bijzonder matig."
„Zal ik hem vragen om mee naar huis te gaan?" stelde Annemie voor. „Je kunt het proberen. Maar of het je lukken zal... Dans in elk geval niet meer met een ander."
Ze dansten verder en Hendrik sprak intussen over andere dingen. Hij had haar gewaarschuwd en verder moest ze het zelf maar doen. Dit lukte haar echter niet. Zodra ze voor hem stond zag ze aan Martens verbolgen uiterlijk dat hem iets dwarszat.
„Het is bijna afgelopen. Zullen we alvast maar naar huis gaan?" vroeg ze zachtjes.
„Ik gaan wel as het mijn voegt," zei hij nors. „Dans jij nog maar een tijdje
met Jan en alleman."
„Dat moet ik wel als jij me niet vraagt."
„Moet dat dan?"
„Het is wel gebruikelijk, hé? Ik kan moeilijk naar jou toe komen." „Vooruit dan maar. Aars zouwe de mense misschien denke dat het tussen ons niet goed zit," spotte hij wrang en liep met haar de zaal in. „Was het nodig dat jij telkens met Kareltje danse ging?" vroeg hij onderwijl. „Die vroeg me tenminste," verdedigde ze dit. „As ie er dan maar geen gewoonte van maakt," mokte hij. Zodra de muziek begon sloeg hij zijn armen om haar heen in de bezittende greep die ze nu zo goed van hem kende. En vreesde. Het wees er op dat drank en jaloezie zijn kwellende hartstocht hadden opgewekt tot een begeren zonder liefde.
Toen het dansen was afgelopen stemde hij er mee in naar huis te gaan. „Maar dan enkel as Paulien ok meegaat," stelde hij als voorwaarde. „Vooruit dan maar," bemoedigde Annemie zichzelf om dit te doen en ze liep naar de plaats waar haar buurvrouw het middelpunt was van een vrolijk groepje.
„Wij willen graag weg. Ga je met ons mee?" noodde ze haar zo vriendelijk als dit gelukken wou.
„Best. Dat doen ik." Paulien stond tegelijk reeds op. „Ik zit hier wel rustig, want Arend heb beloofd dat ie op Broertje passé zou, maar ik moet morgenochtend al weer vroeg in de kouse."
Terwijl ze hun mantels zochten en aantrokken keek Paulien tersluiks naar Marten die bij de tapkast luidruchtig afscheid nam.
„Die heb er net eentje teveel op," waarschuwde ze goedig. „Zuk had ie vroeger ok wel d'rs. Zeg er maar niks over 'oor."
„Wel Paulientje!" riep Marten nu uitgelaten. „Wat een geluk dat ik jou nog r's een keertje naar huis brenge mag."
Met zijn arm in de hare liep hij de herberg uit, terwijl Annemie hen eenzaam moest volgen, ondanks Pauliens pogen hierin verandering te brengen.
„Nee, niks ervan. Geen Annemie vanavond," ging Marten tegen haar protesten in. „Die denkt toch alleen maar lelijke dinge van me." Als Karei nu eens naast mij liep, hoe zou het dan zijn? dacht die verdriè- tig-
Doch welke Karei ze hiermee bedoelde wist Annemie zelf niet eens.