17

Het was tegen de Sinterklaastijd dat Marten op een avond vroeg: „Hoe is het, heb je de spulle voor alle pakjes al zowat ankocht?" „De meeste wel," zei Annemie. „Voor mijn ok?" „Jazeker."

„Dus dan dien je van mijn ok wel wat te hewwen dat je an de één en de

aar zien late kenne."

„Dat zal wel moeten."

„Heb je an vijfentwintig gulden genoeg?"

„Ik denk van wel."

„Mooi. Dan is dat weer afhandeld."

Hij ging naar zijn bureau en reikte haar even later het geld over. „Wat heb je voor Stevie kocht?" wilde hij dan opeens weten. Annemie keek verwonderd op.

„Een houten treintje," zei ze stroef. „Omdat hij altijd zo graag met het trammetje mee wil." „Laat het r*s zien."

Ze haalde het te voorschijn. Een kleurig locomotiefje met een sliert watten in de schoorsteen - wat de rook moest voorstellen - en vier verschillend geverfde wagentjes.

Marten haakte ze in elkaar en reed het treintje op de tafel heen en weer, terwijl om zijn mond de glimlach speelde die ze zo zelden meer van hem zag.

„Is het goed?" vroeg ze na een poosje.

„Het is best," prees hij haar keus. „Ons manje zal er vast blijd mee weze." „Dat denk ik ook."

Even later vertrok hij naar een vergadering en zat Annemie weer alleen. Ze borduurde wat, ze las een uurtje, ze keek eens naar de kinderen en telkens naar de wijzers van de klok die zo tergend langzaam voortschoven. De Sinterklaascadeautjes ... Ze had voor iedereen wat en vond zelf dat ze heel goed met haar aankopen geslaagd was.

Zelfs voor Marten, die twee jaar geleden al graag het scheerapparaat had willen hebben dat hij nu kreeg. Een mooi sterk doosje waarin naast het ding zelf twee zuiver nikkelen huisjes lagen. Het ene met een kwast er in geborgen, terwijl het andere een staaf scheerzeep als inhoud had. Verder was er nog een etui met mesjes in de doos. De dekselrand omvatte een spiegel die naar voren kon worden gezet. *

Maar wat moest ze nu voor zichzelf kopen als cadeau? Het diende iets persoonlijks te zijn dat dan Martens keus moest lijken. Opeens ... ze wist het. Tijdens haar laatste bezoek aan de stad had ze daar in een meubelwinkel een eenvoudige kaptafel gezien. Misschien kostte die wel wat meer dan Marten haar gaf, doch dat geld paste ze zelf wel bij. En misschien werd de slaapkamer er wat gezelliger door. Het nare vertrek boven de kelder zag er immers ook heel anders uit nu de bedjes van de kinderen er stonden. Wat een geluk dat je de leegten in de kamers tenminste zélf kon vullen. Die andere leegte... die tussen Marten en haar ... daar hielpen geen meubelen voor.

Foei, wat tochtte het weer bij de ramen. Dit was haar de eerste dag al opgevallen en het werd gelijdelijk erger. Geen kleed of gordijn kon dat meer keren. Vooral dat ene scheve venster liet heel wat wind door. En Marten deed maar net of hij niets voelde of zag. En er zelf over praten, dat nooit. Ze had indertijd, voor dat praatje over hem en Nelleke Vlaar, al genoeg over dit huis gezegd. En wat toen niet hielp zou het nou helemaal niet doen.

Negen uur? Ze zou maar naar bed gaan. Even de kachel voorzien, alles voor het ontbijt gereed zetten en dan naar de slaapkamer. Alleen, net als bijna iedere andere avond in deze lange winter.

Hoe laat Marten thuiskwam wist ze niet. Ze ontwaakte pas toen het licht aan was en hij voorovergebogen naar haar stond te kijken met een gretige trek om zijn mond en glanzende ogen. Ze zag naar hem op, nog weerloos van de slaap en opende in onbewust liefdesverlangen haar lippen voor een kus. Die hij niet gaf. Weer tot besef van hun verhouding gekomen wendde ze zich haastig af en deed alsof ze weer insliep. Zij wou immers voor niets ter wereld de minste van hun tweeën zijn.

Twee weken later werd het scheerapparaat gebruikt, stond de kaptafel in de slaapkamer en kleedde Annemie zich verwonderd in het cadeau dat Gonne haar had gegeven. Een kort, zwart rokje van glanzende stof met een zeer lange tricotzijden jumper die tot over de heupen viel en rond de hals een smalle en aan de voorzijde van de onderkant een brede rand van

kleine, fel gekleurde kraaltjes had. Het ding dat Gonne een kazak noemde. Zelf had ze het al eens stilletjes gepast. En het stónd... Straks, als Marten uit de kerk kwam, kon hij wel eens grote ogen opzetten. Ook Paulien zou dit doen en verder iedereen die haar zag.

Ja, Paulien ... vandaag wilden ze allebei beslissen of ze hun haar zouden laten afknippen. Doortje en enkele jonge meisjes uit het dorp droegen het al kort en het stond hen beeldig.

Maar Marten en Arend konden daar wel heel anders tegenover staan. Ze keek naar de klok. Nog vijf minuten en dan kon Marten terug zijn. Langzaam paradeerde ze in de kamer heen en weer, keek even in de haard, voelde vluchtig aan de hete koffiepot en reikte Klaartje een popje aan dat die uit de box had gegooid. Voor de spiegel staande tastte ze ook nog even naar de vlechten die ze nu al enige tijd in een rol tegen haar achterhoofd vaststak. Een dracht die haar niet beviel. Het voelde niet prettig aan en ook stond het haar niet. Maar je kon je nu moeilijk meer kappen alsof je nog een jong meisje was.

Daar kwam Marten. Staande wachtte ze hem op. Ze wou zijn gezicht zien, want woorden zouden er wel niet komen. En Marten keek. Van onder naar boven en weer terug. En dan nog eens.

„Lieve tijd, de mode wordt al gekker," was daarna zijn enig commentaar. Annemie schonk koffie in. Zij wist genoeg. Al beet Marten eerder zijn tong af dan dat hij het tegenover haar erkende, hij vond haar mooi. 's Middags, toen hij op de motor naar zijn moeder ging en Klaartje sliep, ging Annemie even naar Paulien om daar haar nieuws te tonen Ze trof haar alleen.

„Arend en opa benne effies met Broertje en Stevie naar ons bouwtje," vertelde ze met tevens de reden van die wandeling er achter aan en nog enkele voorvalletjes van deze dag. Annemie luisterde rustig. Daar hield ze van. Het was haar aangenaam als het geluid van een mooie stem langs haar heen kabbelde met woorden die haar weinig te denken gaven. Toen Paulien was uitgepraat trok ze haar mantel uit.

„Kind, wat een droom van een jurk!" riep die nu enthousiast. „En het ding staat je of ie voor je knipt is. Draai je nog ï^s om. Geweldig, wat mooi."

Annemie was voldaan. Paulien zou nooit iets zeggen wat ze niet meende. Nu ze haar beter leerde kennen, ontdekte ze in haar vele eigenschappen die haar tante Stijn ook bezeten had. Een mild oordeel óver en veel liefde vóór anderen, terwijl ieder op haar hulp kon rekenen in zover zij die te geven had.

Ze bleef nog even en keek intussen naar Pauliens grove, blonde haar dat in een onwillige wrong was bijeengestoken, terwijl twee kleine kammetjes tevergeefs trachtten een stel losse pieken vast te houden, en vroeg dan: „Heb je Arend al gepolst over onze haren?" „Gistermiddag al. Maar het is louwloenen 'oor. Hij wil er niet an." „Waarom niet?"

Paulien schoof met een onverschillig gebaar de afzakkende dot weer op.

 zijn plaats.

„Hij vindt het zonde en jammer van dit zootje haar."

„Dat spijt me echt," zuchtte Annemie, teleurgesteld.

„Heb jij er al met je man over praat?" vroeg Paulien.

„Nee, dat zal ik vanavond doen. Maar nou het bij jou niet doorgaat, laat ik

het maar rusten."

„Niks daarvan," verbood Paulien dit. „As het bij jou gebeure mag, valt

Arend wel vlak 'oor. Die kijkt erg tegen Marten op, weet je. Volgens hem

heb die het altijd bij het rechte end in zijn oordeel."

„Laten we het in dit geval dan maar hopen. Was Arend er boos om?"

„Welnee. Die is nooit kwaad, hoewel ie drommels goed weet wat ie wil.

Vandaar dat ik er niks meer over zeg, voor ik weet hoe Marten hier over

denkt. Maar ik wil het dolgraag, want het zal mijn erg veel gemak geve."

Annemie dacht er ook zo over en daarom zei ze 's avonds, toen ze de

haarspelden uit haar vlechten trok, tegen Marten:

„Ik ben van plan om polkahaar te nemen."

„Zo, wil jij dat?"

Hij keek naar de strengen die nu los over haar schouders hingen, nam één er van in zijn hand en duwde zijn vingers tussen het vlechtwerk. „Ja. En ik doe het ook." „Waarom?"

„Het wordt mode en daar doe ik graag aan mee. Bevalt het niet, dan laat ik het wel weer aangroeien."

Haar stem klonk koel en onverschillig hoewel haar hart bonsde van spanning door zijn spel met haar haren.

Ruw smeet Marten nu de vlecht weer tegen haar nachtjapon.

„Of je het er afknippe laat of niet, dat moet je zelf wete. As al mijn aare

vrouwtjes het dan maar niet doen," zei hij met zoveel wrange spot in zijn

stem dat Annemie er van schrok.

En toch dóe ik het, nam ze zich voor.

Zo gebeurde het. Toen Marten drie dagen later 's avonds thuiskwam zat ze hem al aan tafel op te wachten, haar blank gezicht gevat in een krans van donker golvend haar, een kapsel dat haar nog jonger deed lijken dan ze was. Verrast keek hij haar aan. Heel lang. Doch wat in die tijd zijn gedachten waren kon ze moeilijk raden, want terwijl hij ging zitten was zijn stem even vlak als anders toen hij zei:

„Zo, is dat nou een polkakop. Late we hope dat je hier geen spijt van krij-

ge"

„Dat nooit. Ik vind het fijn," bitste ze terug.

Zo is Mieke net een kind, dacht Marten onder het eten. Een dwars, koppig kind. Maar wat staat het haar lief, je zou 'r zo in je arme neme en 'r zoene zo as je dat nog nooit daan hewwe. Maar ze moet wete wie er baas is en ze moet mijn vertrouwe en ongelijk bekenne. Want om zelf de minste te wezen, dat doen ik nooit. Toch gelukkig dat het nare idee van haar over mijn en Paulien nou eindelijk van de baan is. En de rest...? Wie weet... misschien gelooft ze me nog r's een keer.

Kort daarop was Frans Hoefnagel jarig en Doortje nodigde daarvoor zijn hele familie en kennissenkring uit om 's avonds op bezoek te komen. Marten nam dit gretig aan. Hij vond het prettig om, voor ze naar de kamer gingen, eerst de hele boerderij door te lopen om alles te zien en te keuren. Vee, voedsel en gereedschap voor het bedrijf. En bij Frans was heel veel te zien dat goed was. Want al was Marten nu landbouwer, diep in hem woonde ook nog de boerenzoon die slechts na veel aandrang van zijn eerste schoonvader van toekomst veranderd was en zich daar nu met hart en ziel aan gaf. En als hij aan de bedrijfsinkomsten van het bijna afgelopen jaar dacht, dan kon hij over die keus tevreden zijn. Meer dan tevreden.

Maar zijn huis ...

En deze avond trof hij later aan tafel juist Meindert Helmus voor het eerst na diens onderzoek weer aan, die hem vroeg of hij al een besluit had genomen.

„Nee, nog niet," moest hij bekennen.

„Heb je plannen?" vroeg Hendrik die aan zijn andere zijde zat. „Wil je

toch de schuur maar vergroten?"

„Wille wel, maar er is heel wat aars te doen."

In enkele woorden vertelde hij nu hoe de voormuur van zijn huis aan beide hoeken wegzakte en wat Meinderts oordeel daarover was. „Wat raad jij mijn an?" herhaalde hij dit nog eens. t

„Dat kan ik je zo één twee drie niet zeggen," zei Hendrik na een poosje. „Dat het met je huis niet goed zit, heb ik al een hele tijd terug gezien, dat is voor mij geen nieuws. Maar hoe je nou van twee kwaaien de beste kiezen moet, dat weet ik werkelijk niet. Als ik je was, wachtte ik het nog even af. Er is heel misschien nog een andere oplossing." Terwijl hij dit zei keek Hendrik naar Gonne die duidelijk zichtbaar aan Kristien haar nood klaagde.

„Het zal wel weer over IJtje gaan," dacht hij wrevelig. „En we weten nog niet eens of dat huwelijk wel doorgaat. Maar die plannen van Gonne als dat wél zo is ..."

En hij rimpelde zijn voorhoofd eer hij weer aan het gesprek deelnam. Annemie, die tussen Doortje en de vrouw van Meindert zat, vroeg zich af hoe het toch mogelijk was dat zo'n miezerig, kleurloos mensje als Riek een zoon als Karei was kon krijgen. En Meindert leek haar toch ook maar een doodgewone man toe. Ruud en hun oudste zoon, van wiens gezin en hemzelf Riek nu de foto's toonde, pasten veel beter bij hun ouders. Maar, zoals pa zei, leek Karei op de moeder van Meindert, op Iske Schoen, het oude mensje dat eens op het Wilgenpad woonde. Daar werd nu ook het tweede huisje gesloopt, dat waar eens Neel Kos gewoond had. Was dat maar twee jaar eerder gebeurd, dacht ze, als zo dikwijls wanneer iets haar aan de breuk in haar huwelijk herinnerde.

Nu'niet naar Marten kijken, hield ze zich voor. Ik doe wijzer met belangstelling te tonen voor al wat Riek me laat zien en vertelt. Hoe zou die indertijd haar verdriet en vernedering hebben verdragen?

 „En dit is Kareis leste portret," vertelde die nu trots en ze schoof diens foto voor Annemie op de tafel. En weer zag die het gezicht voor zich dat ze zo graag vergeten wou. Het gezicht dat haar levenslang een waarschuwing zou zijn om geen oordeel te vellen over de zwakheden van een ander. Tenminste ... indien ze die wilden erkennen.

„Wat zien jij er schattig uit," had Frans haar uiterlijk zojuist geprezen en pa had er nog een schepje op gedaan door liefkozend over haar haren te strijken, terwijl hij zachtjes zei:

„Ik ben heden de meest trotse vader van heel Breewoud." Maar Marten stond er bij alsof ze een vreemde was. Ook haar jurkje was een succes gebleken. Alle dames vonden het iets heel bijzonders, tot glorie van Gonne die het met zoveel zorg had gekozen. „Ja, dat personeel van opheden.. klaagde die nu tegen een overbuurvrouw die ook met haar man aanwezig was. Die knikte instemmend, hoewel ze zelf geen klachten had. Bij Simón Vink bleven de meisjes van school af tot aan hun trouwdag toe.

„Ik zat gister ook weer zonder hulp," vertelde Doortje nu aan Annemie. „En dat trof dit keer slecht. Juist op wasdag. Maar gelukkig kwam Lieske vanmorgen weer blij aanfietsen."

„De maandelijkse ziekte?" stelde Annemie halfvragend vast. Doortje knikte.

„Dat arme kind is dan doodziek. Nelleke tobde daar ook zo mee. Twee dagen voor ze verdronk heeft ze er hier nog een halve dag door in bed gelegen. Ze had zo'n pijn en ze was zo naar dat ik het niet waagde om haar naar huis te laten gaan."

Annemie klemde haar handen om de zitting van haar stoel, want de kamer draaide een moment om haar heen. Daarna was alles weer gewoon. De vrouwen babbelden, dronken hun koffie en snoven aan met eau de cologne besproeide zakdoeken, de mannen praatten en rookten. Zo nu en dan klaterde uit hun midden een luid gelach op om een grappig verhaal of een raak gezegde. En zij zat daar tussenin, opgesloten in haar eigen kleine wereldje van verdriet waarin ze zich plotseling een verdoolde voelde, nu al haar wrok en jaloezie om Nellekes toestand en Martens wrede onverschilligheid daarover, zonder reden bleken te zijn geweest. Wat is dan wél waar en wat niet? flitste het door haar denken. Ben ik niet meer dan dwaas geweest om dat verhaal van Betje zomaar te geloven tegen Martens ontkenning in?

Maar die kleren dan? Die jekker en die muts?

Toch... Had Neel dat indertijd wel goed gezien? Het was nacht en de vrouw was al zo oud. Er was immers meer gelijk dan eigen. En stel nu eens dat het Marten wel was geweest? Kon zij hem dan veroordelen? Hoe na was ze deze zomer niet aan een gelijke daad geweest? Zonder liefde nog wel, enkel in de roes van een ogenblik omdat ze zich zwak en zonder weerstand liet gaan voor wat tederheid en de herinnering aan een naam. Dit kon een ander toch ook overkomen, al viel het nooit goed te praten.

Schuw gluurde ze even naar Marten die met een wat bedrukt gezicht iets tegen haar vader zei en een flauw glimlachje vertrok haar mond. Wat had ze hem gekweld met haar argwaan en hoe fel had hij teruggeslagen. Maar wat nu?

Hulpeloos keek ze de in gevlamd geel en bruin geschilderde kamer rond, het deftig aandoende vertrek met het degelijke ouderwetse meubilair dat er precies in paste tot de oude hangklok toe, wiens zware tik in dit stem- mengeroes ten onder ging.

„Je hewwe ons huis zeker nog nooit van binnen zien?"

Riek had zojuist een gesprek met haar andere buurvrouw afgebroken en

stelde nu deze vraag aan haar. „Ik zien jullie wel oftig an de overkant bij

Martens broer ingaan. Kom dan ok i^s effies bij mijn."

„Graag. Dat doe ik," beloofde Annemie.

„Ik wil wel d'rs volk bij mijn hewwe. Ik ben altijd zo alleen," klaagde Riek nu. „Meindert heb overdag zijn werk en 's avonds zit ie te kranten of te schrijven en Karei heb opheden weer een meid, dus die gaat dan veelal vort. En met Klaas in de Haag en Ruud in Rotterdam heb ik weinig meer over."

„Met wie is Karei?" wou Annemie graag weten.

„Ze is een dochter van Jaap Harder," vertelde Riek met een duidelijke klank van voldoening in haar stem. „En as hulle planne doorgaan, dan wordt het met mei wel trouwen." „Dan al?"

„Dat is maar het beste voor alles. Mijn ouwelui gaan over een week of wat in een bejaardenhuis, dus het stel ken zo in de zaak en in de woning stap- pe. En de leeftijd hewwe ze."

„Ja, die hebben ze," moest Annemie toegeven. Karei zou wel al ver in de twintig zijn en zijn aanstaande meer dan dertig jaar. Het was een zich wat kinderlijk voordoende jonge vrouw met een gedrongen figuur en een hoogrood gezicht. Doch als alles normaal verliep kon ze heel wat erven en dat vergoedde veel.

„Ja, het wordt een druk voorjaar," ging Riek verder. „En dan ben ik meteen weer een kind kwijt, want zo gaat het toch as er een zoon van je trouwt."

„Dat hoeft helemaal niet," vond Annemie. „Marten gaat wekelijks vast twee keer even naar zijn moeder. Hij komt daar meer als ik bij mijn vader en tante Gonne."

„Daar zeg je nogal wat," zei Riek. „Bij vrouw Spruit lag iedereen altijd thuis, dat mens trekt gewoon het volk naar d'r toe." Dit gaf Annemie grif toe. Vandaar ook dat ze veel van Martens moeder hield. Al ging die zelf zelden Van huis, de hele familie zwermde geregeld naar haar toe. Ook zijzelf zat graag in het eenvoudige kleine huis in Broek om zich daar te laten koesteren in de zorg en belangstelling van deze vriendelijke, echt moederlijke vrouw.

De gesprekken roesden genoeglijk verder tot Simon Vink met een blik op de klok zei:

 „Wat mijn angaat ken jullie hier gerust nog wel een tijdje blijve, maar ik gaan vort. Het is bedtijd. Kom vrouw." Dit was het sein tot een algemeen vertrek.

In de vestibule greep Meindert de mantel van Annemie van de kapstok, hielp haar die aan te doen en reikte dan naar haar hoed en handschoenen. „Zat jullie een beetje gezellig?" vroeg hij intussen.

„O ja. En ik heb uw vrouw beloofd om haar eens op te zoeken als we in Buitenvaart zijn."

„Dat moet je doen. Riek wil graag jong volk om zich heen," zei hij en tikte even met zijn wijsvinger tegen haar wang.

Buiten gekomen omhulde hen de duisternis en nauwelijks op de weg gekomen struikelde Annemie over een losse steen, waarna ze zich slechts met moeite staande hield.

„Doen toch niet zo stom," viel Marten uit. „Kijk beter uit je doppe of geef

mijn aars liever een arm."

„Heb over mij maar geen zorg," snibde ze terug.

„Daar heb je Meindert wel liever voor éé," zei hij met het treiterige lachje dat hij zich tegen haar de laatste tijd had aangewend. „Wat verbeeldt die wijvegek zijn eigen wel om jou an te kleden en met je te smoezen?" „Hij heeft geen verkeerd woord tegen me gezegd," ging Annemie hier tegenin. „Wie eens steelt blijft altijd geen dief."

„Daar hoef je niets eens voor te stelen," spotte Marten. „As ze dat alleen maar van je denke word je al veroordeeld." „Toe Marten ..." smeekte ze. „Het is toch zeker zo," hield hij aan.

Dit is mijn kans. Nu moet ik het meteen zeggen, nam ze zich voor. Maar hoe ...?

Een sterke wind blies hen tegemoet waar ze voorovergebogen tegenin liepen. Suizend joeg hij langs hen heen en om de, naar het oosten toe steeds eenzamer staande huizen.

Wat ik te zeggen heb kan ik Marten moeilijk toeschreeuwen, vond Annemie. Ik moet dus wel dicht bij hem gaan lopen. Ze deed het dus en zei dan:

„Zeg Marten ..."

„Ja, wat moet je?" Het klonk onvriendelijk.

„Doortje vertelde me net zo dat Nelleke Vlaar twee dagen voor ze verdronk nog ongesteld werd. Ze was dus niet zwanger." „Wél wel, wat is dat een pak van mijn hart. Dus dan heb ik daar tenminste geen schuld an," zei hij op dezelfde toon als te voren. „En nu weet ik niet meer wat ik wel en niet geloven moet," ging Annemie door. „Je neme maar wat je het beste anstaat. Mijn geloof je toch niet. Kom, niet zo treuzele. Schiet een beetje op asjeblieft."

Nou zijn we nog net even ver, dacht Annemie verdrietig. Of nog verder, want zo nors en zwijgzaam als in de laatste tijd is Marten nog nooit tegen me geweest.

 Die proefde de wind aan zijn lippen en bedacht hoe erg het in zijn huis nu weer tochten zou.

Dit jaar was, wat de uitkomst van zijn bedrijf betrof, geweldig goed geweest. Eerst van al zijn tulpen, dan de rest en zelfs nu stond er bij hem nog heel wat bloemkool te veld dat een beste prijs opbracht. Als het nog even zo doorging zou dit voor hem met recht een topjaar worden. Was die strop met zijn huis er niet, dan kon hij heel wat van zijn stille wensen vervullen. De schuur zó laten verbouwen dat daarin de ruimte verdubbeld werd en een auto. Ja, die ook. De motor was door zijn beste jaren heen en om daar weer een nieuwe voor in de plaats te nemen was onzin. In een auto kon je je hele gezin meenemen en iedereen zat dan droog en veilig tegen regen, wind of wat voor weer dan ook.

Nu kon hij al die plannen echter wel voor jaren en jaren opschorten. Je kon je geld helaas maar één keer uitgeven.

Tenzij vader Hendrik met zijn oplossing op de proppen kwam. Dat zou dan wel iets zijn dat uitvoerbaar was ook, die zei nooit wat zonder rijpe overdenking.

Wat was die stil vanavond. Zou hem ook wat dwarszitten?

„We hadde beter op de motor heen en weer gaan kennen," schoot hem nu

in gedachten. „Om te lopen is het toch nog een heel end."

„Je wou het zelf," verweet ze kortaf.

Mieke had gelijk. Hij had er tegen de avond echt zin in gehad om zijn benen eens te strekken en zij had zwijgend toegestemd. Ze leek de laatste tijd wel al toegevender te worden. Zou zij het zoetjesaan ook nodig vinden dat hun geschil begraven werd? Maar dat moesten ze dan samen doen en ieder zijn eigen deel.

Mieke zag er vanavond erg lief uit in het zachte lamplicht dat ze daar in de kamer hadden en dat overal hetzelfde schijnsel gaf. En om dan later in de vestibule die ouwe bok van een Meindert om haar heen te zien draaien, dat smaakte je niet. Jijzelf niets ... een ander evenmin. Zo, ze waren al in de Oostbuurt en de straatlantaarn dicht bij zijn huis lonkte hem al tegen. Het verwenste huis dat hem de das om doen wou. De januarimaand bleef zacht. En het was in het begin van februari 1927 dat Marten Spruit zijn allerlaatste bloemkolen naar de veiling bracht en daar een hoge prijs voor kreeg. Toen viel de vorst in. Snijdend koud joeg de oostenwind op het huis aan en drong zich door de gescheurde muur naar binnen. In het opkamertje boven de kelder lagen de kinderen 's nachts heerlijk in hun door kruiken verwarmde bedjes, in de grote slaapkamer was het echter weinig beter dan buiten. Op één der eerste koude avonden verhuisde Marten tafel en stoelen dieper de kamer in tot bij de haard en verhing de lamp zover het snoer dit toeliet. „Nou hangt ie scheef," waarschuwde Annemie.

„Dat zal ie over een jaar wel helemaal doen," zei hij bitter en hij liet het zoals het was.

Annemie begreep niet wat hij daarmee bedoelde. Marten had zich nog niet verwaardigd om haar over zijn moeilijkheden in te lichten. Die zou

 ze wel zien als het zover was.

„Zeg, leid er nog beddegoed in één van de bedstede?" vroeg hij later op de avond.

„In dat aan jouw kant wel. Dat heb ik opgemaakt voor Dries zijn dochtertje als die hier de volgende week oppassen moet en het voor haar wat laat wordt om naar huis te gaan " „Zo, mag ik die ok al niet meer naar huis brenge?"

„Dat mag je van mij iedereen dóen als je dat ene maar vergeten wil," smeekte ze zachtjes. „Maar wat wil je met dat bed?" vroeg ze dan. „Er op slape. Wat jij aanstonds doen wil dat moet je zelf wete, maar ik gaan hier vannacht te bed. Het is mijn in die slaapkamer veels te koud." „Ga jij in die bedstee?" vroeg Mieke verbaasd.

„Het is er lekker veilig en warm," zei Marten. „Ik sliep er vroeger altijd maar wat lekker in."

„Maar ik wil niet in zo'n benauwd hok," verklaarde Annemie. „Koud of niet, ik ga naar de slaapkamer."

„Zelf wete 'oor. Dan heb ik het vannacht mooi ruim," gaf hij haar opgewekt gelijk en maakte zich meteen gereed voor de nacht. Toch keek ze, aleer naar haar eigen ijzig slaapvertrek te gaan, nog even door de nu open bedsteedeuren in de kleine, glanzend blauw geverfde ruimte, die er met zijn dekens en kussens toch wel aanlokkelijk uitzag. Maar hierin had Marten met zijn eerste vrouw geslapen, met de haar vreemd blijvende Agaat, van wier karakter ze zich geen andere voorstelling kon maken dan dat ze een bij de hand en nogal eigenzinnig meisje was geweest. En Marten had beslist heel veel van haar gehouden. Zijzelf zou er op dit ogenblik haar hele bezit voor over hebben als ze daar slechts een deel van zijn liefde voor haarzelf mee terug kon winnen. Al moest ze er voor in die bedstee kruipen, want op een andere manier kwam je dat hol niet binnen.

Ze deed het. Om het over de beddeplank heen te beklimmen zette ze er eerst een stoel voor eer ze het licht uitknipte en stapte dan diep bukkend over Marten heen naar het plaatsje achter hem, waarvan hij de dekens voor haar opensloeg.

„Nee maar zeg ... Mieke in de bedstee," deed hij verbaasd. „En je wou zo graag in de frisse lucht slape." „Maar niet alleen," zei ze ronduit.

„O nee? Dan hore we dus toch nog een beetje bij mekaar?"

„Dat deden we aldoor, maar ik heb alles verknoeid," zei ze met een klein

stemmetje.

„Dus je gelove mijn nou wel as ik je nog één keer zeg dat het hele verhaal over mijn en Nelleke een leugen was?"

Heel even aarzelde ze nog. Maar wat er wel van waar was en wat niet, het

deed er immers niet meer toe. Zij had haar les geleerd. Kalm en helder

klonk nu door het donker:

„Ja! En ik wil er nooit meer over praten ook."

„Goed zo. Nou ken ik mijn eigen lieve Mieke weer."

Hij sloeg een arm om haar heen, trok haar dicht naar zich toe en dacht aan huis noch zorgen meer. Deze nacht werd een nieuw begin.

Toch ... later... twijfelde Marten nog. Kon een vrouw, tegen beter in, anderhalf jaar een man zoveel verdriet aandoen als zij van hem zoveel hield als hij van haar?

Zijn eigen houding in die tijd? Nou ja, dat moest wel, die werd hem opgedrongen.

Over dit was hij voorlopig tevreden. Maar nu dat andere nog ... En daar zag hij eerlijk geen uitkomst voor.