Ze is een geweldige vrouw. West was... die erfde je.
Ja. J.B. West, hoofd huishouding van het Witte Huis. Hij kwam er als bediende onder Franklin Roosevelt. Ik geloof dat hij hoofd huishouding is geworden onder Truman. En, wel, hij leidt alles, weet je. Hij was een van de mensen die het meeste hebben bijgedragen aan de gelukkige tijd daar. Deed gewoonweg alles. Ik kom nu superlatieven te kort, of energie.
Mrs. Pearce?[231]
Oh, Mrs. Pearce. Wel, ze kon geen betere geloofsbrieven hebben voor een conservator... alles van Winterthur en dit slimme, slimme meisje. Mr. West heeft me uitgelegd wat er met haar gebeurd was. Want hier kwam dit meisje, en ze was zo opgewonden over wat ze deed en plotseling hield ze op met werken en werden brieven niet meer beantwoord. Iemand had vijftigduizend dollar geschonken of zoiets, of iemand had zes maanden geleden geschreven, of zes weken, en geen antwoord gekregen, en ze dronk altijd thee met andere conservatoren. Mr. West vertelde me toen: ‘Er is iets waarvan ik geloof dat ik het u moet vertellen, Mrs. Kennedy. Er heerst hier een ziekte die we White House-itis noemen, en het treft meer mensen... sommigen van degenen waarvan je het het minst verwacht.’ En die ziekte trof Lorraine Pearce echt. Op een dag trof ik haar aan in Jacks slaapkamer met Mr. Ginsburg en Levy... die een heel goede meubelwinkel... winkel in Amerikaanse meubels hadden in New York. Maar daar, in Jacks slaapkamer, op onze privéverdieping, op de grond, terwijl ze onder zijn tafel of zijn bed keken. En ik zei: ‘Lorraine, waarom heb je die mannen mee naar boven genomen?’ Ze werd woedend en ze zei dat als ze hen niet het parket of zoiets kon laten inspecteren, ze persoonlijk naar de president zou schrijven. Ze werd zo verwaand dat ze na een tijdje niet nuttig meer was en je haar kwijt moest zien te raken. Ze zei tegen mij dat het schrijven van die gids tien jaar ging duren en ik zei, ‘Sorry, we hebben geen tien jaar’... en ‘als de president allemaal kan doen wat hij doet.’ Dus toen kwam die kleine grijze muis, de archivaris, Bill Elder,[232] als conservator en hij was als conservator heel goed. Hij wilde geen enkele publiciteit, maar hij keek zo graag naar de onderkant van het meubilair en zo dat hij ook nooit een brief of een telefoontje beantwoordde. Maar hij was veel beter. Maar uiteindelijk kwam het met Lorraine, onder druk van mij, toch goed, geloof ik, en schreven we samen de gids. Zij stuurde een stapel illustraties en schreef een deel van de tekst en ik koos de foto’s die ik erin wilde hebben. Weet je, het was als het trekken van kiezen en Jack zei: ‘Wat is er mis met dat meisje? Ze had de kans van haar leven, de beste baan in heel Amerika voor iemand in haar vakgebied... om dat nu te hebben, met al die belangstelling.’ En de Witte Huis-itis steeg haar naar het hoofd. En Tish kreeg het ook. Pam kreeg het nooit. Ik geloof dat heel weinig mensen aan Jacks kant het kregen. Ik weet het niet, daar zou jij meer van moeten weten. Tish vond het heerlijk om de telefoon te pakken en te roepen, ‘White House calling’ of ‘Stuur al het servies van het Witte Huis met een vliegtuig naar Costa Rica’ of te roepen dat er snijbonen moesten komen voor een staatsbanket. En ze regelde min of meer Ierland, toen ze daar hadden gezegd: ‘We telen hier heerlijke erwten.’ Weet je, alles wat op een of andere manier met macht samenhing. En White House-itis is fascinerend. Je kunt zien welke van je vrienden het treft omdat ze zich ineens anders gaan gedragen. Ik dacht wel eens dat, als ik ooit een boek zou schrijven, dan ging dat ‘Het vergif van het presidentschap’ heten, omdat het zoveel relaties met andere mensen vergiftigd heeft.
Wat gebeurde er dan?
Sommige mensen die jou niet zo vaak zagen als ze wel zouden willen, gingen vreselijke dingen over je rondbazuinen. Sommige oude vrienden bleven altijd hetzelfde, maar anderen vonden het zo opwindend dat je hen kende, maar dan gingen ze onbenulligheden over je vertellen, dingen als, ik weet niet: ‘Caroline zei dit of dat.’ Ze verzonnen gewoon iets, alleen maar om te laten merken dat ze bij ons geweest waren. Of andere mensen die eerder nooit met je gepraat hadden, maar nu gaan bellen of gaan proberen je een geweldig cadeau toe te sturen. En een man, André Meyer,[233] die de eerste was die een schenking deed voor Jacks bibliotheek, die humeurige man, hij is de baas van Lazard Frères in New York, die eerst niets wilde geven voor het Witte Huis... hij zei dat hij er genoeg van had om te worden lastiggevallen en toen ik hem zei dat ik niets van hem wilde, toen begon hij me, geloof ik, te mogen en was hij de grootste steun die er maar was. Toen Jack dood ging, kwam hij tien dagen later met een cheque van $250.000 voor de bibliotheek, terwijl wij er nog nauwelijks een woord aan hadden gewijd. Ik zag hem als ik naar New York ging omdat hij in Carlyle een appartement had onder het onze, en als ik het zat was daar, dan ging ik gewoon naar beneden om bij hem te eten en toen zei hij: ‘Je zult zien, als je het Witte Huis verlaat, zullen veel mensen van wie je dacht dat het je vrienden waren, dat niet meer zijn. Maar ik zal altijd je vriend blijven, omdat...’ Ik zie dat nu zo goed, ik bedoel, ik wist altijd...
Oh, echt?
Ik bedoel, ik wist altijd al wie. Iedereen is nog steeds een vriend, maar je ziet degenen die zo belust zijn op macht en naar het nieuwe overstappen, wat niet erg is. Je ziet het in wat sommige mensen schrijven, wel, je hebt altijd geweten... Mr. Kennedy zei altijd dat je... als je je vrienden op de vijf vingers van een hand kunt tellen, dan heb je geluk. Ik heb de vrienden van wie ik altijd wist dat ik ze had, die ik...
Ik ontmoette André Meyer kortgeleden in New York. Ik dineerde met Mendès France,[234] die ook in het Carlyle logeerde. Ze kwamen elkaar tegen in de lift. Een erg aardige man, hij sprak met genegenheid over je.
Ik denk eigenlijk dat hij nogal een misantroop is...
Hij is humeurig.
Totdat hij je mag en dan... en hij mocht Jack zeer en bewonderde hem, zonder dat hij hem ooit echt heeft gekend. Hij zei altijd dat hij de enige Democraat was... hij zei: ‘Ik schaam me zo voor mijn collega’s in Wall Street. Ze begrijpen niet waar deze man mee bezig is.’
Ik vind het genoeg voor vandaag.
Yeah.