20
Aomame: Als onderdeel van mijn nieuwe uiterlijk

Zondag gaat de wind liggen. Het is warm en stil, heel anders dan de vorige avond. De mensen trekken hun dikke jassen uit en laten het zonlicht over hun lichaam spelen. Aomame laat zich door het weer niet verleiden. Ze houdt haar gordijnen stijf dicht en brengt de dag zoals altijd binnenshuis door.

Ze zet Janáčeks Sinfonietta zachtjes aan en doet strekoefeningen, en daarna neemt ze haar spieren nog eens grondig onderhanden op haar oefenbank. Elke dag maakt ze haar programma iets langer en voller, en nu heeft ze bijna twee uur nodig om het helemaal af te werken. Dan eet ze iets, maakt de flat schoon en gaat op de bank zitten om Proust te lezen, waarin ze nu eindelijk tot De kant van Guermantes is gevorderd. Ze heeft besloten zichzelf zo weinig mogelijk vrije tijd te geven. Ze kijkt alleen tv om twaalf uur ’s middags en zeven uur ’s avonds, en dan alleen naar het NHK-journaal. Er is nog steeds geen belangrijk nieuws. Nee, dat is er wel. Over de hele wereld verliezen talloze mensen het leven, het merendeel op tragische wijze: in treinen die op elkaar botsen, veerboten die zinken, vliegtuigen die neerstorten. In opstanden, moordaanslagen, etnische zuiveringen. In droogten, overstromingen en honger, veroorzaakt door klimaatveranderingen. Ze leeft met heel haar hart met de slachtoffers mee, maar hoe vreselijk het allemaal ook is, ze ziet nog steeds niets op de tv wat rechtstreeks met haar te maken heeft.

In het speeltuintje aan de overkant spelen kleine kinderen uit de buurt. Ze roepen elkaar toe. Ze hoort ook het scherpe krassen van de kraaien die op de daken zijn neergestreken en op deze manier met elkaar communiceren. De lucht ruikt naar vroege winter in de grote stad.

Dan beseft ze plotseling dat ze sinds ze in deze flat is komen wonen niet één keer behoefte aan seks heeft gehad. Ze heeft geen moment het idee gehad dat ze graag eens met iemand naar bed zou willen, en ze heeft ook geen enkele keer gemasturbeerd. Misschien komt het doordat ik zwanger ben. Daardoor is mijn hormoonspiegel veranderd, of zo. Ze is daar eerlijk gezegd alleen maar blij om. Stel je voor dat ik nu opeens met iemand wil stoeien! Hoe zou ik dat moeten aanpakken? Dat ze niet meer elke maand ongesteld wordt, is ook een bron van opluchting. Ze had er wel nooit zo’n last van, maar nu ze ervan af is, is het een pak van haar hart. Nu heeft ze weer één ding minder om aan te denken.

In de afgelopen drie maanden is haar haar ook een heel stuk langer geworden. In september kwam het nog maar nauwelijks tot haar schouders, maar nu reikt het al tot aan haar schouderbladen. Toen ze nog klein was, knipte haar moeder het altijd zelf in een kort pagekopje, en op de middelbare school had ze altijd intensief aan sport gedaan en haar haar nooit laten groeien. Nu vindt ze het eigenlijk iets te lang, maar omdat ze het niet zelf kan knippen, zit er niets anders op dan het gewoon lang te laten. Alleen haar pony, die knipt ze af en toe een beetje bij. Overdag steekt ze haar haar op, maar ’s avonds laat ze het weer los, en dan haalt ze er honderd keer een borstel doorheen terwijl ze naar een muziekje luistert. Zoiets kun je alleen doen als je zeeën van tijd hebt.

Ze heeft zich altijd al weinig opgemaakt, en nu ze in deze flat zit opgesloten, is dat nog minder nodig. Maar om toch een zo normaal en regelmatig mogelijk leven te leiden, besteedt ze extra aandacht aan haar gezicht. Ze masseert de huid met crème en reinigingslotion, en voor het slapengaan doet ze altijd een maskertje op. Omdat ze zo gezond is, begint haar huid met een beetje verzorging al te glanzen dat het een lieve lust is. Of zou dat ook komen doordat ze zwanger is? Ze heeft wel eens gehoord dat je huid mooier wordt als je zwanger bent. Wat de reden ook is, wanneer ze voor de spiegel zit en ze kijkt naar zichzelf met los haar, dan krijgt ze het gevoel dat ze mooier is dan voorheen. Ze straalt in elk geval de kalmte en rust uit van een rijpere vrouw. Denkt ze.

Aomame heeft zichzelf nooit mooi gevonden. Al van jongs af aan heeft niemand haar ooit mooi genoemd. Haar moeder behandelde haar eerder alsof ze lelijk was. ‘Als je nou een klein beetje aantrekkelijker was’, was een van haar geliefde uitdrukkingen. Als Aomame een klein beetje aantrekkelijker was geweest, als ze er wat snoeziger uit had gezien, had haar moeder veel meer zieltjes kunnen winnen – dat bedoelde ze ermee. Daarom keek Aomame al van jongs af aan zo weinig mogelijk in een spiegel. Alleen als het nodig was, ging ze even voor de spiegel staan voor een vliegensvlugge, praktische inspectie. Dat was zo een gewoonte geworden.

Maar Tamaki Ōtsuka vertelde haar dat ze een leuk gezicht had. ‘Er is niks mis mee,’ had ze gezegd. ‘Ik vind je er heel lief uitzien. Je moet meer vertrouwen in jezelf hebben.’ Aomame was dolblij toen ze dat hoorde. De warme woorden van haar vriendin bezorgden haar de innerlijke rust die ze aan het begin van de puberteit zo hard nodig had. Ze begon te geloven dat ze misschien echt niet zo lelijk was als haar moeder haar steeds had verteld. Zelfs Tamaki gebruikte het woord ‘mooi’ echter niet één keer.

Maar nu gelooft Aomame voor het eerst van haar leven dat er in haar gezicht misschien ook mooie dingen te zien zijn. Ze zit langer voor de spiegel en ze bestudeert haar gezicht aandachtiger dan ze ooit heeft gedaan. Ze doet dit echter niet uit ijdelheid. Ze inspecteert het gezicht in de spiegel vanuit alle mogelijke hoeken en op dezelfde harde, zakelijke manier alsof het aan heel iemand anders toebehoort. Is haar gezicht werkelijk mooier geworden, of is het gezicht hetzelfde gebleven, maar zijn de gevoelens veranderd van degene (zijzelf dus) die ernaar kijkt? Ze weet het antwoord zelf niet.

Af en toe gaat ze voor de spiegel zitten en trekt het ergste gezicht dat ze kan. Dan ziet ze er nog net zo afstotend uit als vroeger. Haar spieren vliegen alle kanten uit, en de gelaatsuitdrukking die ze had, verdwijnt op een manier die bijna bewonderenswaardig te noemen is. Alle emoties van de hele wereld komen er ineens op tot uitdrukking. Met mooi of lelijk heeft dit niets meer te maken. Vanuit de ene hoek bekeken lijkt ze op een demon, vanuit een andere op een clown. Vanuit weer een andere ziet ze er alleen maar uit als pure Chaos. Wanneer ze haar spieren weer ontspant, is het of de rimpels op het wateroppervlak langzaam tot bedaren komen, en dan keert de oorspronkelijke uitdrukking weer op haar gezicht terug. Daarin ontwaart ze een nieuw zelf, dat een tikkeltje veranderd is vergeleken bij een tijdje geleden.

‘Wat jammer dat je niet een beetje natuurlijker kunt glimlachen!’ zei Tamaki vaak. ‘Als je glimlacht, ziet je gezicht er veel zachter uit. Probeer het nou eens!’ Maar Aomame kan niet natuurlijk glimlachen waar anderen bij zijn. Als ze het toch probeert, produceert ze een kille grijns waarmee ze de ander alleen maar zenuwachtig en gespannen maakt. Tamaki daarentegen had een natuurlijke, stralende glimlach. Iedereen die haar voor het eerst ontmoette, wilde meteen vriendschap met haar sluiten. Maar toen puntje bij paaltje kwam, zag ze geen andere uitweg dan uit wanhoop en met een gebroken hart een eind aan haar eigen leven te maken – en daarbij liet ze Aomame, die niet zo goed kon glimlachen, alleen achter.

==

Het is een stille zondag. Verleid door de warme zonnestralen zijn er heel wat bezoekers in het speeltuintje aan de overkant. Ouders laten hun kinderen spelen in de zandbak of op de schommels. Sommige glijden van de glijbaan. Oude mensen zitten op de banken en kijken vertederd naar het spelende grut. Aomame gaat in de tuinstoel op haar balkon zitten en staart vaag door de kier in het plastic schuttinkje naar beneden. Het is een vredig schouwspel. De wereld draait onverdroten verder. Hier is niemand die naar het leven wordt gestaan of die een moordenaar achternazit. Laat staan iemand die een semiautomatisch pistool geladen met 9-mm-kogels in een panty heeft gewikkeld en in haar ladekast heeft gestopt.

Zal ook ik ooit deel kunnen uitmaken van zo’n vredige, normale wereld, vraagt ze zich af. Zal ook ik ooit op een dag met de kleine aan de hand naar zo’n parkje kunnen lopen en het op een schommel of een glijbaan kunnen zetten? Zal er ooit een dag komen dat ik een gewoon leven kan leiden, zonder eraan te hoeven denken dat ik iemand moet vermoorden of zelf vermoord kan worden? Zou die mogelijkheid bestaan, in 1q84? Of zou het alleen mogelijk zijn in een andere wereld? En wat het belangrijkst is: zal ik Tengo dan aan mijn zijde hebben?

Ze wendt haar blik van de speeltuin af en gaat naar binnen. Ze sluit de glazen deur en trekt het gordijn dicht. Ze hoort de kinderstemmen niet langer. Een zacht verdriet kleurt haar hart. Ze zit opgesloten op een plaats die vanaf elk punt is geïsoleerd en die vanbinnen op slot is gedaan. Overdag niet langer naar de speeltuin kijken, denkt ze. Tengo komt overdag niet naar de speeltuin! Wat heeft hij daaraan? Hij wil die twee manen goed kunnen zien.

==

Die avond eet ze iets eenvoudigs, en dan wast ze de vaat, trekt iets warms aan en gaat naar buiten, het balkon op. Ze slaat de deken om haar knieën en laat zich in de stoel zakken. Er staat vanavond geen wind. Vederwolkjes hangen in de lucht, van het soort waar aquarellisten van houden. Maar dan moeten ze wel een vederlicht penseel hebben. Onbelemmerd door die wolken werpt de wassende maan zijn heldere stralen onbekommerd naar de aarde. Op dat tijdstip kan ze vanaf de plek waar zij zit de gedaante van de tweede, kleinere maan niet zien. Die wordt precies door een ander gebouw aan het zicht onttrokken. Maar ze weet dat hij er is. Ze kan zijn aanwezigheid voelen. Onder deze hoek is hij toevallig nog niet zichtbaar, maar het duurt niet lang of hij zal zich aan haar laten zien.

Nadat ze zich in deze flat is gaan schuilhouden, heeft ze geleerd haar bewustzijn met opzet uit haar hoofd te bannen. Met name wanneer ze op het balkon naar de speeltuin zit te kijken, is ze in staat haar hoofd naar believen helemaal leeg te maken. Haar ogen slaan de speeltuin voortdurend gade, vooral het zitje boven aan de glijbaan. Maar ze denkt nergens aan. Liever gezegd: ze zit wel te denken, maar dat denken vindt hoofdzakelijk onder de oppervlakte plaats. En wat haar bewustzijn onder de oppervlakte uitvoert, weet zij ook niet. Maar het komt regelmatig even naar boven om poolshoogte te nemen, net zoals zeeschildpadden of dolfijnen op z’n tijd even hun neus boven water moeten steken om adem te halen. Op zulke momenten komt ze erachter dat ze heeft zitten denken. Wanneer haar bewustzijn zijn longen vol verse zuurstof heeft gezogen, duikt het onder de oppervlakte en verdwijnt het uit zicht. En dan denkt ze weer aan niets. Ze wordt een bewakingscamera in een zachte cocon, die haar gevoelloze blik op de glijbaan gericht houdt.

Ze ziet de speeltuin, maar tegelijkertijd ziet ze helemaal niets. Als zich iets nieuws in haar gezichtsveld binnendringt, zal haar bewustzijn daar onmiddellijk iets aan doen, maar op dit ogenblik gebeurt er niets. Er staat geen wind. De zwarte takken van de zelkova, die als voelsprieten naar alle kanten de lucht in steken, zijn roerloos. De wereld is bewonderenswaardig stil. Ze kijkt op haar horloge. Het is net acht uur geweest. Vanavond zal er ook wel weer niets gebeuren. Het is een doodstille zondagavond.

Als de wereld ophoudt stil te zijn, is het zeven voor halfnegen.

==

Wanneer ze tot zichzelf komt, is er een man boven aan de glijbaan. Hij is daar gaan zitten en staart omhoog naar een hoekje van de hemel. Aomames hart krimpt in elkaar tot het zo groot is als de vuist van een klein kind. Het blijft zo klein tot ze denkt dat het nooit meer zal gaan kloppen. Dan zet het zich plotseling uit tot het zijn oorspronkelijke grootte terug heeft en zet zich weer in werking. Met droge tikken en krankzinnige snelheid stuwt het vers bloed door haar aderen. Haar bewustzijn komt haastig naar de oppervlakte en na een siddering door haar hele lichaam te hebben laten varen maakt het zich klaar om in actie te komen.

Tengo, denkt ze automatisch.

Maar als haar trillende gezichtsveld eindelijk tot rust is gekomen, ziet ze dat het Tengo niet is. Deze man is zo klein als een kind, met een groot, hoekig hoofd, en hij draagt een gebreide muts. Zo strak over zijn hoofd getrokken heeft de muts een eigenaardige vorm aangenomen. Er zit een groene sjaal om zijn nek gewikkeld, en hij heeft een blauwe duffel aan. De sjaal is te lang, en van de duffel lijken de knopen af te springen omdat zijn buik zo dik is. Dit is het kind dat ze gisteravond uit de speeltuin zag weglopen, beseft ze. Alleen is het geen kind. Het is een volwassen man van waarschijnlijk middelbare leeftijd. Hij is alleen klein en gedrongen, met korte armen en benen. En verder heeft hij een buitengewoon groot, scheef hoofd.

Ze denkt meteen aan de ‘Dikkop’ over wie Tamaru het gisteravond in zijn telefoontje heeft gehad – de vent die rondsnuffelde bij Huize Terwilgen in Azabu en inlichtingen inwon over het vluchthuis. De man boven aan de glijbaan beantwoordt volledig aan de beschrijving die Tamaru van hem heeft gegeven. Dus deze sinistere kerel heeft daarna zijn onderzoek hardnekkig voortgezet, en nu zit hij vlak onder haar neus! Ze moet haar pistool pakken! Waarom heeft ze uitgerekend vanavond haar pistool in de slaapkamer laten liggen? Maar eerst haalt ze een paar keer diep adem om haar hart tot bedaren te brengen en haar zenuwen te kalmeren. Nee, geen paniek! Ik heb het pistool nog niet nodig.

Want de man kijkt helemaal niet naar het gebouw waar ze woont. Hij zit boven aan de glijbaan en staart in precies dezelfde houding als Tengo naar één hoekje van de hemel. En hij lijkt diep in gedachten verzonken over wat hij daar ziet. Lange tijd zit hij daar, zo roerloos alsof hij lijkt te zijn vergeten hoe hij zijn lichaam moet bewegen. Hij besteedt totaal geen aandacht aan de richting waar Aomames flat staat. Hier snapt ze echt niets van. Wat heeft dit in vredesnaam te betekenen? Die vent zit me achterna, en mijn spoor heeft hem tot zó dicht bij me gebracht! Hij is waarschijnlijk iemand van Voorhoede. En hij is ongetwijfeld een formidabele speurhond, anders had hij me nooit van de villa in Azabu tot hier kunnen volgen. Maar nu zit hij helemaal weerloos vlak voor me als in trance naar de lucht te kijken!

Ze staat zachtjes op, schuift de glazen deur open, loopt naar binnen en gaat voor de telefoon zitten. Met trillende vinger begint ze Tamaru’s nummer in te toetsen. Dit moet ze aan Tamaru doorgeven. Dikkop is nu in het zicht van mijn flat. Hij zit boven aan de glijbaan in de speeltuin aan de overkant van de straat. De rest kan ze aan Tamaru overlaten. Die weet er wel een oplossing voor. Maar na de eerste vier nummers houdt haar vinger stil. Met de hoorn in haar hand bijt ze op haar lip.

Het is nog te vroeg, denkt ze. Er zijn te veel dingen die ik nog niet over deze man weet. Maar als Tamaru hem als een te groot risico beschouwt en een ‘radicale oplossing’ voor hem vindt, kom ik ze nooit te weten. Goed beschouwd doet hij precies hetzelfde als Tengo een tijdje terug: dezelfde glijbaan, dezelfde houding, hetzelfde hoekje van de hemel – alsof hij Tengo bewust nadoet. Hij kijkt ook naar die twee manen, dat voelt Aomame. En als dat zo is, dan bestaat er misschien een of andere connectie tussen deze man en Tengo. Dan is hij er misschien ook nog niet achter dat ik in dit gebouw en in deze flat zit ondergedoken. Dat zou verklaren waarom hij mij nu weerloos de rug toekeert. Hoe meer ze erover nadenkt, des te overtuigender deze theorie haar lijkt. En in dat geval, als ik deze man volg, brengt hij me misschien naar de plaats waar ik Tengo kan vinden! Ik kan hem als gids gebruiken! Bij dat idee gaat haar hart nog harder en sneller kloppen. Ze legt de hoorn terug op de haak.

Tamaru krijgt het later wel te horen, besluit ze. Eerst moet ik iets anders doen. Daar is natuurlijk gevaar aan verbonden. Want degene die gevolgd werd, draait nu de bordjes om, maar degene die ze gaat volgen, is een vakman die waarschijnlijk heel wat vaker met dat bijltje heeft gehakt dan zij. Maar Aomame kan het zich niet veroorloven deze buitengewone kans te laten schieten. Dit is misschien de laatste die ik ooit krijg. En zo te zien is deze man een poosje met zijn gedachten heel ergens anders.

Ze rept zich naar de slaapkamer, trekt een la open en pakt de Heckler & Koch. Ze haalt de veiligheidspal eraf, zendt met een droge klik een kogel naar de kamer, en doet de veiligheidspal er weer op. Ze steekt het pistool tussen de riem van haar spijkerbroek en gaat het balkon weer op. Dikkop zit nog steeds in dezelfde houding naar de lucht te kijken. Zijn scheve hoofd verroert zich voor geen centimeter. Hij lijkt helemaal geboeid door wat hij in dat hoekje van de hemel ziet. Aomame begrijpt heel goed wat er door hem heen gaat. Het is inderdaad een boeiend gezicht – in elke betekenis van het woord.

Ze gaat terug de flat in, trekt haar donsjack aan en zet haar honkbalpet op. Verder zet ze een bril op met een eenvoudig zwart montuur en gewoon glas; alleen al daardoor maakt haar gezicht een heel andere indruk. Ze slaat een grijze sjaal om en stopt haar portemonnee en de sleutel van de flat diep in de zak van haar jack. Dan rent ze de trap af, het gebouw uit. Haar gympen maken geen geluid op het asfalt van de straat. Het is lang geleden dat ze voor het laatst dat harde, zekere gevoel onder haar voeten heeft gehad. Het beurt haar op.

Terwijl ze over straat loopt, kijkt ze of Dikkop er nog is. Die zit nog steeds op dezelfde plaats. Na zonsondergang is de temperatuur merkbaar gedaald, maar er staat nog steeds geen wind. Het is koud, maar lékker koud. Witte wolkjes uitblazend loopt Aomame zo zacht en nonchalant als ze kan langs de speeltuin. Dikkop kijkt haar kant niet eens uit. Zijn blik gaat van de top van de glijbaan recht de lucht in. Vanwaar zij loopt kan ze het niet zien, maar ze weet zeker dat zijn blik gericht is op de kleine en de grote maan, die broederlijk naast elkaar aan de ijskoude, wolkeloze hemel staan.

Als ze de speeltuin voorbij is, loopt ze door tot de eerste kruising, steekt over, en keert in dezelfde richting terug. Wanneer ze weer bij de speeltuin is, verschuilt ze zich in een donker hoekje en houdt de glijbaan in de gaten. In haar rug voelt ze het pistool, koud en hard als de dood zelf. Dat helpt om haar zenuwen tot bedaren te brengen.

==

Ze hoeft maar ongeveer vijf minuten te wachten. Dan komt Dikkop langzaam overeind, slaat het stof van zijn jas, en na nog een blik naar de lucht te hebben geworpen daalt hij van het trapje van de glijbaan af met het air van iemand die een beslissing heeft genomen. Hij gaat de speeltuin uit en slaat de richting van het station in. Het is niet bijzonder moeilijk om hem te volgen. Op zondagavond zijn de straten in deze woonwijk niet erg druk, dus zelfs als ze vrij ver achter hem blijft, verliest ze hem niet uit het zicht. Hij lijkt er ook helemaal niet op verdacht te zijn dat iemand hem wel eens zou kunnen schaduwen. Hij kijkt niet één keer om, maar loopt steeds in hetzelfde tempo door – het tempo van iemand die diep in gedachten verzonken is. Is het niet ironisch, denkt Aomame. De blinde vlek van de achtervolger is dat hij het zelf niet merkt als hij achtervolgd wordt.

Gaandeweg wordt het duidelijk dat Dikkop niet op weg is naar het station van Kōenji. In haar flat heeft Aomame een gedetailleerde kaart van Centraal-Tokyo, die ze zorgvuldig heeft bestudeerd om de omgeving waar ze woont te leren kennen. In geval van nood moet ze immers weten welke kant ze uit moet? Ze ziet daarom meteen dat Dikkop onderweg naar het station een andere richting inslaat, en ze ziet ook dat hij in deze buurt niet goed thuis is, want tot twee keer toe blijft hij bij een kruispunt staan en kijkt weifelend om zich heen, tot hij op een elektriciteitspaal de plaat vindt waar het bloknummer op staat.[1] Hij is hier vreemd.

Eindelijk zet Dikkop er een beetje meer vaart achter. Hij is nu zeker terug op vertrouwd terrein, veronderstelt ze. Die veronderstelling klopt. Hij loopt langs een openbare lagere school, over een vrij smalle straat, tot hij een oud flatgebouw van twee verdiepingen hoog in gaat.

Nadat hij naar binnen is gegaan, wacht ze nog eens vijf minuten, want ze bedankt er feestelijk voor om hem in de hal tegen het lijf te lopen. Boven de ingang is een betonnen afdak, en een ronde lamp werpt een geel schijnsel in de deuropening. Ze kan geen uithangbord of plaat ontdekken die de naam van het gebouw vermeldt. Misschien heeft het wel geen naam. In elk geval lijken er heel wat jaren te zijn verstreken sinds het gebouwd is. Ze kijkt op een elektriciteitspaal en prent het adres dat daar staat vermeld zorgvuldig in haar geheugen.

Als de vijf minuten voorbij zijn, gaat ze op de ingang af. Ze loopt snel onder de gele lamp door en doet de deur open. Er is niemand in de kleine hal. Het is een kale, lege ruimte. De zacht zoemende tl-buizen moeten nodig worden vervangen. Ergens staat een tv aan. Een schrille kinderstem zeurt om iets bij zijn moeder.

Ze haalt de sleutel van haar eigen flat uit de zak van haar donsjack en laat hem nonchalant door haar vingers gaan. Als iemand haar ziet, moet hij denken dat ze een van de bewoners is. Dan leest ze de namen op de brievenbussen. Misschien dat een daarvan die van Dikkop is. Ze verwacht er niet veel van, maar het is de moeite van het proberen waard. Het is maar een klein gebouw, dus erg veel mensen wonen er niet. Dan ziet ze op één brievenbus het naamplaatje KAWANA, en alle geluid om haar heen verstomt.

Aomame blijft stokstijf voor die brievenbus staan. De lucht in de hal wordt vreselijk ijl, ze kan bijna niet ademhalen. Haar lippen openen zich een heel klein beetje, ze trillen nauwelijks merkbaar. De tijd verstrijkt. Ze weet zelf drommels goed hoe stom ze zich nu gedraagt. Dikkop is hier ergens in de buurt. Hij kan elk ogenblik in de hal verschijnen. Maar ze is niet in staat zich van die brievenbus los te scheuren. Dat ene kleine kaartje met de naam KAWANA erop heeft haar vermogen tot rationeel denken verlamd en haar lichaam bevroren.

Natuurlijk staat het helemaal niet vast dat de Kawana die hier woont dezelfde is als Tengo Kawana. Kawana is weliswaar geen veelvoorkomende naam, maar lang niet zo’n ongebruikelijke als bijvoorbeeld Aomame. Maar als er, zoals zij vermoedt, een connectie bestaat tussen Dikkop en Tengo, dan is de mogelijkheid levensgroot dat deze Kawana inderdaad niemand anders is dan Tengo. Het nummer van de flat is 203 – toevallig hetzelfde nummer als dat van de hare.

Wat moet ze doen? Ze bijt hard op haar lip. Haar gedachten draaien almaar in dezelfde cirkel rond. Ze kan nergens een uitweg vinden. Wat moet ze doen? Maar ze kan niet eeuwig voor die brievenbus blijven staan. Ze neemt een besluit en klimt de onvriendelijke betonnen trap op naar de tweede verdieping. In het halfduister ziet ze overal fijne scheurtjes in de vloer waaruit blijkt hoe oud het gebouw al is. De zolen van haar gympen maken een piepend geluid.

En nu staat Aomame voor flat no. 203. Een anonieme stalen deur, met in de daartoe dienende sleuf een gedrukt kaartje: KAWANA. Weer alleen de achternaam. Op die manier klinken die drie lettergrepen verschrikkelijk abrupt en levenloos. Tegelijkertijd ligt er echter een groot raadsel in ze geconcentreerd. Ze blijft voor de deur staan en spitst haar oren. Ze concentreert al haar zintuigen. Maar achter de deur klinkt geen enkel geluid. Ze kan ook niet zien of er binnen licht brandt. Naast de deur is het knopje van een bel.

Ze aarzelt. Ze bijt op haar lip en denkt hard en diep na. Moet ik echt op deze bel drukken?

Misschien is dit niet meer dan een sluw opgezette valstrik. Achter de deur zit Dikkop verscholen, als de boze dwerg uit het donkere bos, en nu wacht hij met een valse grijns op zijn gezicht tot ik verschijn. Hij is naar de glijbaan gegaan zodat ik hem te zien zou krijgen, en hij heeft me hierheen gelokt om me in zijn klauwen te krijgen. Hij weet dat ik naar Tengo zoek, en daar heeft hij slim gebruik van gemaakt. Hij weet precies wat mijn zwakke plekken zijn, de gemene gluiperd! Dit was de enige manier om me zover te krijgen dat ik mijn deur vanbinnen van het slot haalde.

Aomame kijkt om zich heen, en als ze er zeker van is dat niemand haar ziet, pakt ze het pistool uit de band van haar spijkerbroek. Ze haalt de veiligheidspal eraf en steekt het pistool in de zak van haar donsjack, maar zo dat ze het meteen kan trekken. Ze houdt haar rechterhand om de kolf en haar wijsvinger om de trekker. Met haar linkerduim drukt ze op de bel.

Ze kan de bel binnen horen. Het is een statig ding-dong! – veel te langzaam voor het ritme van haar heftig kloppende hart. Met het pistool in haar hand geklemd wacht ze tot de deur opengaat. Maar er gebeurt niets. Er kijkt zelfs niemand door het spionnetje naar buiten. Ze wacht even voor ze het weer probeert. ding-dong! In de hele wijk Suginami spitsen mensen hun oren, zo luid klinkt die bel. Haar hand op de kolf van het pistool is overdekt met een waas van zweet. Maar de deur blijft dicht.

Dit kan ze maar beter opgeven. Wie de Kawana ook is die in flat nummer 203 woont, hij of zij is niet thuis. Maar de sinistere Dikkop wel. Die houdt zich nu ergens in dit gebouw verscholen. Het is gevaarlijk om hier nog langer te blijven. Ze rent de trap af, werpt nogmaals een vlugge blik op de brievenbus in de hal, en gaat het gebouw uit. Met afgewend gezicht loopt ze gauw onder de gele lamp door, naar de straat. Daar kijkt ze nog een keer om, om te zien of niemand haar volgt.

Ze heeft veel dingen om over na te denken. Ze heeft evenzoveel beslissingen te nemen. Op de tast zet ze de veiligheidspal weer op het pistool. Op een plek waar niemand haar kan zien stopt ze het pistool weer terug in haar broekband. Mijn verwachtingen mogen niet te hooggespannen zijn, zegt ze tegen zichzelf. Ik moet niet te veel wensen. Misschien is de Kawana die daar woont Tengo wel, maar misschien ook niet. Als je iets verwacht, ga je hopen, en als die hoop de bodem wordt ingeslagen, voel je je helemaal machteloos en nergens toe in staat. Op zulke momenten ben je het minst op je hoede en het meest in gevaar. En dat kan ik op dit ogenblik niet gebruiken.

In hoeverre Dikkop van de feiten op de hoogte is weet ik niet. Maar één ding weet ik zeker: hij zit me op de hielen. Hij hoeft zijn hand maar uit te steken om me te kunnen grijpen. Ik kan het me niet veroorloven mijn aandacht één ogenblik te laten verslappen. Ik heb te maken met een levensgevaarlijke tegenstander. De kleinste vergissing kan me fataal worden. In de buurt van dat oude flatgebouw vertoon ik me in elk geval niet meer. Daar ligt hij op de loer, en ik durf te wedden dat hij er zijn netten heeft gespannen om mij erin te strikken – als een giftige, bloed zuigende spin die alleen in het donker actief is.

Tegen de tijd dat ze terug is in haar flat staat haar besluit vast. Er ligt maar één weg voor haar open.

==

Deze keer toetst ze Tamaru’s telefoonnummer tot het allerlaatste cijfertje in. Ze laat de telefoon twaalf keer overgaan; dan hangt ze op. Ze zet haar pet af, trekt haar jack uit, stopt het pistool terug in de la en drinkt twee glazen water. Ze doet water in de fluitketel en zet theewater op. Door de kier in de gordijnen kijkt ze naar de speeltuin aan de overkant, maar daar is niemand. Dan borstelt ze haar haar voor de spiegel in de badkamer. Ze kan haar vingers nog steeds niet goed bewegen. De spanning zit er nog steeds een beetje in. Als ze het kokende water in de theepot schenkt, rinkelt de telefoon. Het is Tamaru. Natuurlijk.

‘Ik heb Dikkop net gezien,’ zegt ze.

Stilte. ‘Net gezien. Wil dat zeggen dat hij er nu niet meer is?’

‘Ja,’ zegt ze. ‘Hij was daarnet in de speeltuin aan de overkant. Maar nu is hij weg.’

‘Daarnet? Hoe lang geleden?’

‘Ongeveer veertig minuten.’

‘Waarom heb je me dan niet veertig minuten geleden opgebeld?’

‘Omdat ik meteen achter hem aan moest. Ik had geen tijd om je te bellen.’

Tamaru ademt zo langzaam uit dat het lijkt of hij de lucht uit zijn longen moet wringen.

‘Achter hem aan?’

‘Ja. Ik wilde hem niet uit het oog verliezen.’

‘Ik dacht dat ik je had gezegd dat je onder geen beding de deur uit mocht gaan.’

Ze is heel voorzichtig met haar antwoord. ‘Ik kon niet passief blijven toekijken hoe het gevaar letterlijk steeds dichter bij me kwam. Zelfs als ik jou opbelde, had je toch niet meteen kunnen komen. Of wel soms?’

Tamaru maakt een zacht geluidje achter in zijn keel. ‘Dus toen ben je maar achter Dikkop aan gegaan.’

‘Hij leek er anders geen idee van te hebben dat hij gevolgd werd.’

‘Dat idee geeft een vakman je altijd,’ zegt Tamaru.

Daar heeft Tamaru gelijk in. Misschien was het echt een listig opgezette val. Maar dat wil ze niet toegeven.

‘Natuurlijk. Jíj kunt zoiets, dat weet ik. Maar voor zover ik kon zien, heeft Dikkop dat niveau nog niet bereikt. Hij is misschien wel goed, maar niet zo goed als jij.’

‘Misschien had hij hulp.’

‘Nee, uitgesloten. Hij was alleen, daar durf ik een eed op te doen.’

Tamaru is even stil voor hij verdergaat. ‘Goed dan. Heb je gezien waar hij heen ging?’

Ze geeft Tamaru het adres van het flatgebouw en beschrijft hoe het er vanbuiten uitziet. De appartementen zelf heeft ze natuurlijk niet vanbinnen gezien. Tamaru noteert alles. Hij stelt haar nog een stuk of wat vragen, die ze allemaal zo zorgvuldig mogelijk beantwoordt.

‘Toen je Dikkop zag, was hij in de speeltuin aan de overkant van de straat, zei je?’ vraagt Tamaru.

‘Ja.’

‘Wat deed hij daar?’

Ze legt uit dat hij van boven aan de glijbaan een hele poos naar de nachtelijke hemel heeft zitten kijken. Over de twee manen zegt ze wijselijk maar niets.

‘Hij keek naar de lucht?’ zegt Tamaru. Je kunt over de telefoon zijn hersens horen overschakelen naar een hogere versnelling.

‘Ja. De lucht, de maan, de sterren – zoiets.’

‘En hij zat boven aan de glijbaan, zonder enige dekking, zomaar waar iedereen hem kon zien?’

‘Ja.’

‘Vind je dat niet vreemd?’ vraagt Tamaru. Zijn stem klinkt hard en droog, als een woestijnplant die alle seizoenen moet doorkomen op één dag regen per jaar. ‘Die vent zit je op de hielen. Hij hoeft nog maar één stap te doen en hij heeft je ingehaald. Hoe hij het heeft gedaan weet ik niet, maar ik neem er mijn petje voor af. En dan gaat hij op een glijbaan uitgebreid en op z’n gemak naar de winterse nachtlucht zitten koekeloeren. Zonder de flat waar jij woont één blik waardig te keuren. Persoonlijk, hè, persóónlijk zou ik zeggen: ik heb nog nooit zo’n raar verhaal gehoord.’

‘Dat geef ik toe. Het ís een raar verhaal, en er klopt geen steek van. Dat heb ik allemaal ook al gedacht. Maar dat doet allemaal niets af aan het feit dat ik hem bezwaarlijk zomaar weg had kunnen laten lopen.’

Tamaru zucht. ‘Volgens mij was het levensgevaarlijk wat je daar deed.’

Ze trekt een pruimenmondje.

‘En ben je een beetje dichter bij de oplossing van dat raadsel gekomen door achter hem aan te gaan?’ vraagt Tamaru.

‘Nee,’ zegt ze. ‘Maar ik heb wel een ander raadsel gevonden.’

‘O ja? Welk dan?’

‘Toen ik de namen op de brievenbussen controleerde, zag ik dat er op de tweede verdieping iemand woonde die Kawana heet.’

‘En?’

‘Je hebt toch wel gehoord van dat boek Een pop van lucht, dat van de zomer zo’n bestseller was?’

‘Zelfs ik lees wel eens een krant. De schrijfster Eriko Fukada is de dochter van een lid van Voorhoede. Ze wordt nu vermist, en er zijn vermoedens dat ze door de sekte is ontvoerd. De politie heeft een onderzoek ingesteld. Het boek heb ik nog niet gelezen.’

‘Eriko Fukada is niet de dochter van zomaar een lid. Haar vader was de Leider van Voorhoede. Met andere woorden, ze is de dochter van de man die ik met deze handen naar de andere wereld heb gestuurd. En Tengo Kawana is de naam van degene die door haar redacteur als ghostwriter is ingehuurd om haar manuscript te “herzien”. Dat boek is in feite door hen allebei geschreven.’

Er valt een lange stilte – lang genoeg om naar de andere kant van een langgerekte kamer te lopen, een woordenboek te pakken, daarin iets na te slaan, en weer terug te lopen. Dan doet Tamaru zijn mond weer open.

‘Het is nog niet gezegd dat de bewoner van die flat Tengo Kawana is.’

‘Nóg niet,’ geeft ze toe. ‘Maar als die een en dezelfde figuur blijkt te zijn, komt er misschien enige tekening in de zaak.’

‘Dan beginnen de stukjes van de puzzel in elkaar te passen,’ zegt Tamaru. ‘Maar hoe weet jij dat Tengo Kawana de ghostwriter is van Een pop van lucht? Met dat soort informatie lopen ze echt niet te koop. Het zou een groot schandaal worden als zoiets algemeen bekend werd.’

‘Dat heb ik van de Leider gehoord. Hij heeft het me vlak voor zijn dood verteld.’

Tamaru’s stem verkilt nog meer. ‘Dat had je me wel eens eerder mogen vertellen, vind je zelf ook niet?’

‘Op dat moment vond ik het niet zo belangrijk.’

De stilte duurt weer voort. Wat Tamaru tijdens die stilte denkt weet ze niet. Ze weet echter wel dat hij niet van uitvluchten houdt.

‘Nou ja,’ zegt Tamaru eindelijk. ‘Laat ook maar. Dus om het even kort samen te vatten, komt het volgens jou hierop neer: Dikkop is daar allemaal ook van op de hoogte, en daarom houdt hij Tengo Kawana in de gaten, in de hoop dat die hem naar jou brengt.’

‘Dat zou het denk ik wel eens kunnen zijn.’

‘Ik begrijp het niet goed,’ zegt Tamaru. ‘Waarom kan die Tengo Kawana Dikkop naar jou brengen? Er bestaat geen enkel verband tussen Tengo Kawana en jou. Behalve dat jij Eriko Fukada’s vader uit de weg hebt geruimd en hij als Eriko Fukada’s ghostwriter dienst heeft gedaan.’

‘Dat verband bestaat wél,’ zegt ze met vlakke stem.

‘Bedoel je dat Tengo Kawana en jij elkaar ooit persoonlijk hebben ontmoet?’

‘We zaten vroeger in dezelfde klas van de lagere school. En verder geloof ik dat hij de vader is van het kind dat ik ter wereld ga brengen. Maar meer kan ik er op dit moment niet over zeggen. Het is iets... heel persoonlijks.’

In de telefoon klinkt het tikken van een balpen op een bureau. Maar dat is ook het enige geluid dat ze hoort.

‘Iets heel persoonlijks,’ zegt Tamaru, op een toon alsof hij op een tegel in de tuin een uiterst zeldzaam beest heeft gevonden.

‘Het spijt me,’ zegt ze.

‘O, ik snap het best, hoor. Het is iets heel persoonlijks. Ik vraag ook niet verder,’ zegt Tamaru. ‘Wat wilde je nou van me? Precies?’

‘Ik wil weten of die Kawana in de flat Tengo Kawana is of niet. Ik zou dat het liefst zelf willen nagaan, maar voor mij is het te gevaarlijk om in de buurt van dat gebouw te komen.’

‘Dat spreekt vanzelf,’ zegt Tamaru.

‘Dikkop houdt zich daar waarschijnlijk ergens binnen schuil. Hij voert iets in zijn schild, en als hij er ook maar een vermoeden van heeft waar ik ben, moet er iets tegen hem ondernomen worden.’

‘Hij weet tot op zekere hoogte al dat Madame en jij een soort relatie met elkaar hebben. Al die verschillende aanwijzingen volgt hij nu zorgvuldig op tot hij ze kan combineren. Natuurlijk kunnen we hem niet zijn gang laten gaan.’

‘En dan heb ik nóg een verzoek aan je,’ zegt Aomame.

‘En dat is?’

‘Als blijkt dat degene die daar woont werkelijk Tengo Kawana is, wil ik dat hem niets overkomt. Als er echt klappen moeten vallen, zal ik die graag voor hem opvangen.’

Tamaru is weer een tijdlang stil. Nu hoort ze zelfs het tikken van zijn balpen niet. Ze hoort helemaal niets. In een wereld zonder geluid laat hij zijn gedachten de vrije loop.

‘Die eerste twee punten lukken wel, denk ik,’ zegt Tamaru. ‘Dat hoort bij mijn werk. Maar wat nummer drie betreft moet ik je het antwoord schuldig blijven. Daar zijn te veel persoonlijke factoren bij betrokken, en te veel dingen die ik niet begrijp. En verder weet ik uit ervaring dat het niet eenvoudig is om drie plannen tegelijk uit te voeren. Al doe je nog zo je best om het niet te doen, je gaat dan bijna vanzelf prioriteiten stellen.’

‘Dat hindert niet. Jij volgt gewoon jouw prioriteiten. Ik wil alleen dat je dit goed in gedachten houdt: voor ik sterf, wil ik beslist Tengo nog één keer zien. Ik heb hem iets te vertellen.’

‘Ik zal het in gedachten houden,’ zegt Tamaru. ‘Dat wil zeggen, zolang daar nog ruimte voor is.’

‘Dank je,’ zegt ze.

‘Wat je me nu hebt verteld, zal ik letterlijk naar boven doorgeven. Het is een subtiel probleem, en ik kan daar in m’n eentje geen beslissing over nemen. Ik hang nu dus even op. Ga niet meer naar buiten. Doe de deur op slot en blijf binnen. Als jij naar buiten gaat, is de ellende niet te overzien. Die is misschien al begonnen.’

‘Daar staat tegenover dat we nu ook wat meer over onze tegenstander te weten zijn gekomen.’

‘Jij je zin,’ zegt Tamaru gelaten. ‘Zo te horen heb je het er redelijk goed afgebracht, dat geef ik toe. Maar blijf op je hoede! We weten nog steeds niet precies wat hij in zijn schild voert. En de omstandigheden in aanmerking genomen, heeft hij waarschijnlijk een grote organisatie achter zich. Heb je dat ding nog dat ik je laatst heb gegeven?’

‘Natuurlijk!’

‘Nou, dat zou ik dan voorlopig maar dicht bij me houden.’

‘Doe ik.’

Een kleine pauze; dan wordt de verbinding verbroken.

==

Aomame dompelt haar lichaam diep in het warme water van de witte badkuip, en terwijl ze ligt te weken denkt ze aan Tengo – Tengo die misschien in die flat woont op de tweede verdieping in dat oude gebouw. Ze ziet het naamkaartje weer voor zich dat in de sleuf op de norse stalen deur was geschoven. KAWANA, stond erop gedrukt. Wat voor flat lag er achter die deur, en wat voor leven werd daar geleid?

Ze wrijft langzaam over haar borsten in het water. Haar tepels worden ongewoon groot en hard. Gevoelig ook. Waren dit Tengo’s handen maar, denkt ze. Ze stelt zich zijn brede, dikke handen voor. Ze zijn vast sterk, maar teder. In zijn handen zullen haar borsten zowel intens genot als diepe vrede vinden. Dan beseft ze dat haar borsten groter zijn geworden. Het is geen gezichtsbedrog. Ze zijn onmiskenbaar gezwollen, en hun welvingen zijn zachter geworden. Het komt misschien doordat ze zwanger is. Maar misschien heeft mijn zwangerschap er niets mee te maken en zijn mijn borsten gewoon groter geworden. Als onderdeel van mijn nieuwe uiterlijk.

Ze legt haar hand over haar buik. De zwelling daar is nog maar nauwelijks te voelen. Ochtendziek is ze om de een of andere reden ook nog niet. Maar onder haar hand ligt de kleine verborgen, dat weet ze. Misschien, denkt ze opeens, staan ze mij niet naar het leven, maar zoeken ze vertwijfeld naar de kleine! Misschien willen ze het samen met mij in handen krijgen, als de prijs die ik moet betalen omdat ik hun Leider heb vermoord. Die gedachte zendt een rilling door haar hele lichaam. Ik moet en ik zal Tengo vinden! Ze neem het zich nogmaals voor: ze zal haar krachten met die van Tengo bundelen om de kleine te beschermen. Ik heb in mijn leven tot nu toe al heel veel belangrijks verloren, maar dit laat ik me door niemand afpakken!

Ze kruipt in bed en leest een poosje, maar ze kan de slaap niet vatten. Ze slaat haar boek dicht en kromt haar lichaam voorzichtig, om geen druk op haar buik uit te oefenen. Met haar wang op het kussen denkt ze aan de winterse maan aan de hemel boven de speeltuin. En dan aan de kleine groene maan ernaast. Mother en daughter. Het licht van de twee manen vermengt zich en stroomt over de bladloze takken van de zelkova. Tamaru zal nu wel de laatste hand aan zijn oplossing leggen. Zijn brein werkt altijd bliksemsnel. Aomame ziet hem voor zich: wenkbrauwen gefronst, tikkend met zijn balpen op zijn bureau. Als opgeroepen door dat ononderbroken monotone ritme wikkelt de slaap zijn zachte dekens om haar heen.

[1] De meeste Japanse straten hebben geen naam. Steden en dorpen zijn verdeeld in wijken en genummerde blokken. Bloknummers staan vaak aangegeven op elektriciteitspalen.