1 Ushikawa: Iets wat tegen het verre randje van je bewustzijn trapt

‘Wilt u alstublieft niet roken, meneer Ushikawa?’ vroeg de kleinste van de twee.

Ushikawa keek hem even aan vanachter zijn bureau en wierp toen een blik op de Seven Stars tussen zijn vingers. Hij brandde nog niet.

‘Het spijt me ontzettend,’ zei de man, druipend van beleefdheid.

Er kroop een verbaasde uitdrukking over Ushikawa’s gezicht, alsof hij zich niet kon voorstellen hoe zo’n voorwerp tussen zijn bloedeigen vingers terecht kon zijn gekomen.

‘Ach, neemt u me vooral niet kwalijk. Dit kan niet door de beugel! Nee, vanzelfsprekend steek ik hem niet aan! Ik had hem in mijn handen voor ik er zelf erg in had.’

De man bewoog zijn kin ongeveer een centimeter op en neer, maar zijn blik week voor geen millimeter van Ushikawa’s ogen. Ushikawa stopte de sigaret terug in het pakje en borg het pakje weg in een la.

De andere man, een lange vent met zijn haar in een paardenstaart, leunde zo licht tegen de deurpost dat het moeilijk te zeggen was of hij hem eigenlijk wel aanraakte en staarde naar Ushikawa alsof hij een vlek was op een muur. Nee, dit tweetal beviel hem echt niet, besloot Ushikawa. Dit was de derde keer dat ze een gesprek met hem kwamen voeren, en elke keer weer kreeg hij de kriebels van ze.

Ushikawa’s toch al niet bijzonder ruime kantoor werd grotendeels in beslag genomen door zijn bureau. Daaraan zat hij nu, en tegenover hem zat de kleinere man met het tot korte stoppeltjes geknipte haar. Hij was de woordvoerder. Paardenstaart deed van begin tot eind geen mond open. Die stond de hele tijd zo roerloos als een van de stenen honden die een shintoschrijn bewaken, en hij wendde zijn ogen niet van Ushikawa af.

‘Intussen zijn er alweer drie weken verstreken,’ zei Stoppelveld.

Ushikawa pakte zijn bureaukalender, keek naar de aantekening die hij daarop had gemaakt en knikte.

‘Inderdaad. Dat klopt. Het is vandaag precies drie weken geleden sinds uw vorige bezoek.’

‘En in die drie weken hebben we niet één rapport van u ontvangen. Hoewel elke seconde van levensbelang is, zoals ik u de vorige keer heb uitgelegd. Er is geen moment te verliezen, meneer Ushikawa!’

‘Daar ben ik me ook terdege van bewust.’ In plaats van met een sigaret speelden Ushikawa’s vingers nu met een goudkleurige aansteker. ‘Ik heb geen tijd om duimendraaiend op mijn luie achterste te zitten. Dat hoeft u me echt niet te vertellen!’

Stoppelveld wachtte tot Ushikawa verderging.

‘Maar weet u,’ zei die, ‘ik hou er niet zo van om telkens als ik achter een klein feitje ben gekomen weer een rapport uit te brengen. Een beetje van dit, en een beetje van dat – daar heb ik het niet op. Ik wacht liever tot ik het totaalbeeld kan zien – tot alle stukjes van de puzzel in elkaar beginnen te passen en je ook de achtergrond kunt begrijpen. Anders loop je het gevaar dat je maar half werk levert, met alle onnodige gevaren van dien. U denkt misschien dat ik me eruit probeer te draaien, meneer Onda, maar zo is mijn manier van werken.’

Stoppelveld, wiens werkelijke naam Onda was, bekeek Ushikawa met een kille blik in zijn ogen. Ushikawa wist dat deze man geen goede indruk van hem had, maar dat kon hem vrij weinig schelen. Voor zover hij zich kon herinneren had hij nog nooit van zijn leven een goede indruk gemaakt, op wie dan ook. Voor Ushikawa was dat zogezegd de normale stand van zaken. Zijn ouders en broers en zus hadden hem niet gemogen, en zijn leraren en klasgenoten nog veel minder. Zelfs zijn vrouw en kinderen hadden niet van hem gehouden. Als iemand hem sympathiek had gevonden, zou het hem zelfs zorgen hebben gebaard, maar het omgekeerde? Dat liet hem volstrekt koud.

‘We hebben ons uiterste best gedaan om uw manier van werken te respecteren, meneer Ushikawa, en dat respect hebben we nog steeds. Maar niet de tijd. Het spijt me verschrikkelijk, maar deze keer kunnen we ons niet de luxe permitteren te wachten tot het u schikt om ons alle feiten op een presenteerblaadje aan te reiken.’

‘Dat zegt u nu wel, meneer Onda, maar u wilt mij toch niet wijsmaken dat u drie weken lang kalmpjes hebt zitten wachten tot ik een keer contact met u opnam?’ zei Ushikawa. ‘Terwijl ik op mijn eigen manier míjn onderzoek uitvoerde, deed u op uw manier het uwe. Dat neem ik tenminste aan. Of niet soms?’

Hierop gaf Onda geen antwoord. Zijn lippen waren horizontaal op elkaar geperst en zijn gezicht veranderde niet van uitdrukking, maar die reactie zei Ushikawa dat hij in de roos had geschoten. Hun hele organisatie had de afgelopen drie weken naar die ene vrouw gezocht, waarschijnlijk langs andere wegen dan Ushikawa had gedaan. Het resultaat was blijkbaar maar povertjes geweest. Vandaar dat dit ongure tweetal hier nogmaals zijn opwachting had gemaakt.

‘Wat zegt het spreekwoord ook weer? “Alleen een slang kent de weg van een slang.” ’ Ushikawa opende zijn handen alsof hij nu een plezierig geheim ging verklappen. ‘En zal ik u eens iets zeggen? Ik ben die slang! Ik zie er misschien niet erg appetijtelijk uit, maar mijn neus is goed, dat verzeker ik u. Die stelt me in staat om ook het zwakste geurtje te volgen tot ik precies weet waar het vandaan komt. Maar ja, ik ben nu eenmaal een slang, dus ik kan alleen maar werken op de manier en met de snelheid die ik gewend ben. Ik begrijp heel goed dat tijd van het grootste belang is, maar ik moet u om nog een klein beetje meer geduld verzoeken. Als u dat niet kunt opbrengen, loopt u het gevaar dat u het kind met het badwater weggooit.’

Onda staarde naar de ronddraaiende aansteker in Ushikawa’s vingers, in een demonstratie van het geduld waartoe hij in staat was. Toen keek hij weer op.

‘Kunt u ons ten minste iets vertellen over wat u in de afgelopen drie weken aan de weet bent gekomen? Ik heb alle begrip voor uw standpunt, maar als wij met lege handen naar huis terugkeren, zal dat ons niet bepaald in dank worden afgenomen. En ik ben bang dat men u ook niet bijzonder dankbaar zal zijn, meneer Ushikawa.’

Deze twee voelen zich in het nauw gedreven, besefte Ushikawa. Ze waren als lijfwachten van de Leider aangesteld omdat ze uitblonken in allerlei vechtsporten, maar desalniettemin was de Leider onder hun ogen vermoord. Of nee, er was geen direct bewijs dat hij vermoord was. Verscheidene artsen die tot de sekte behoorden hadden het lichaam onderzocht, echter zonder iets te kunnen vinden wat op uitwendig letsel leek. Omdat de sekte alleen beschikte over eenvoudige medische apparatuur was dat niet zo verwonderlijk, en de artsen hadden ook niet veel tijd voor hun onderzoek gehad. Als een specialist een wettelijk voorgeschreven autopsie had verricht, had hij misschien wél iets gevonden, maar daarvoor was het nu te laat. De sekte had zich in het geheim van het lichaam ontdaan.

Dat deed allemaal echter niets af aan het feit dat deze twee de Leider niet hadden kunnen beschermen en nu in een bijzonder wankele positie verkeerden. Hun opdracht was nu om op zoek te gaan naar de verdwenen vrouw. Ze hadden strikte orders om geen steen op de andere te laten tot ze haar in hun vingers hadden, maar tot nu toe leken ze geen stap verder te zijn gekomen. Dat was ook niet zo gek, want ook al bezaten ze de nodige vaardigheid op het gebied van bewaking en beveiliging, als het erom ging iemand op te sporen die niet gevonden wilde worden, ontbrak het hun aan kennis en bekwaamheid.

‘Dat begrijp ik,’ zei Ushikawa. ‘Dan zal ik u het een en ander vertellen van wat mij in die tijd duidelijk is geworden. Niet alles, begrijpt u mij goed, maar in elk geval een gedeelte. Als u daarmee tevreden kunt zijn.’

Onda kneep zijn ogen even half toe. Toen knikte hij.

‘Goed. En wij van onze kant zullen u ook het een en ander vertellen. Misschien weet u dat al, misschien ook niet, maar in elk geval, laten we onze kennis delen.’

Ushikawa legde zijn aansteker neer en verstrengelde zijn vingers op het blad van zijn bureau.

‘Goed dan,’ zei hij. ‘Dus wat is de situatie? Deze jonge vrouw, Aomame, wordt naar het Okura Hotel ontboden om de spieren van de Leider onder handen te nemen. Dat was begin september, de avond van die verschrikkelijke wolkbreuk in hartje Tokyo. Ze behandelt de Leider ongeveer een uur lang op zijn kamer, en daarna valt hij in slaap. Ze vertelt u dat u hem twee uur in dezelfde houding moet laten rusten en hem niet wakker mag maken, en u doet wat zij zegt. Maar de Leider ligt niet te slapen. Op dat ogenblik is hij al dood. U kunt geen spoor van uitwendig letsel vinden, dus een hartaanval of iets dergelijks lijkt niet uitgesloten. Maar dan blijkt de vrouw opeens spoorloos verdwenen te zijn. Haar huur is van tevoren opgezegd en haar flat is ontruimd, helemaal leeg. En de volgende dag krijgt haar sportschool een brief waarin ze ontslag neemt. Alles was van tevoren gepland. En dan is het opeens geen simpel toeval meer. Dan kunnen we niet anders denken dan dat deze Aomame de Leider moedwillig en met voorbedachten rade om het leven heeft gebracht.’

Onda knikte. Tot zover was hij het met deze samenvatting eens.

‘Uw doel is om achter de juiste toedracht van de feiten te komen, en daarvoor is het absoluut noodzakelijk dat u die vrouw weet te vinden.’

‘Wij moeten weten of deze Aomame werkelijk de dood van de Leider heeft veroorzaakt, en zo ja, welke redenen ze heeft gehad om zoiets te doen.’

Ushikawa wierp een blik op zijn tien vingers, die nog steeds verstrengeld op zijn bureau lagen. Het was alsof hij nog nooit zulke rare dingen had gezien. Toen richtte hij zijn ogen weer op de man tegenover hem.

‘U hebt Aomames achtergrond al nagetrokken, neem ik aan? Al haar familieleden zijn vrome leden van het Genootschap van Getuigen. Haar ouders verkeren nog in goede gezondheid en nemen nog steeds actief deel aan het evangelisatiewerk van het genootschap. Haar broer is nu vierendertig. Hij is getrouwd, heeft twee kinderen en woont in Odawara, waar hij op het hoofdkantoor van het genootschap werkt. Zoals te verwachten was, is ook zijn vrouw een toegewijd lid. De enige van dit gezin die de Getuigen vaarwel heeft gezegd, is de dochter. Ze is, in hun woorden, een “afvallige” en wordt niet langer als lid van het gezin beschouwd. Ik heb nergens bewijs kunnen vinden dat Aomames ouders of broer in de afgelopen twintig jaar ook maar één keer contact met haar hebben gehad, en ik kan niet geloven dat zij haar ooit onderdak zouden verlenen. Toen deze vrouw elf was, heeft ze zelf de banden met haar familie verbroken, en sindsdien heeft ze grotendeels voor zichzelf gezorgd. Ze heeft een tijdlang ingewoond bij een oom, maar zodra ze naar de bovenbouw van de middelbare school ging, is ze in feite zelfstandig geweest. Je kunt er alleen maar bewondering voor hebben. Dit is een vrouw die weet wat ze wil.’

Stoppelveld zei niets. Waarschijnlijk waren dit feiten waarvan hij al op de hoogte was.

‘Ik kan me nauwelijks voorstellen dat de Getuigen hierbij betrokken zijn. Ze staan bekend om hun radicale pacifisme en geweldloosheid. Het is ondenkbaar dat zij als sekte de Leider naar het leven zouden staan. Bent u het tot dusver met me eens?’

Onda knikte. ‘Het Genootschap van Getuigen is er niet bij betrokken. Dat weten wij ook wel. We hebben haar broer voor de zekerheid aan de tand gevoeld. Zorgvuldig aan de tand gevoeld, mag ik wel zeggen. Maar hij wist nergens van.’

‘Als u “zorgvuldig” zegt, zult u wel hard hebben getrokken,’ zei Ushikawa.

Onda verwaardigde zich niet hier antwoord op te geven.

‘Het was maar een grapje. Een fláúw grapje. Kijkt u toch niet zo boos, alstublieft. In elk geval, haar broer wist helemaal niets af van wat zijn zus had gedaan of van waar ze zich schuilhield. Ik ben pacifist in hart en nieren en neem nooit mijn toevlucht tot ruwe, laat staan gewelddadige middelen, maar dát zag ik meteen. Aomame onderhoudt geen enkele betrekking meer met haar familie, of met de Getuigen. Toch weiger ik te geloven dat ze helemaal alleen heeft gehandeld. Het is godsonmogelijk zoiets in je eentje te plannen. Alles was schitterend voorbereid, en ze handelde uiterst koelbloedig, volgens een van tevoren vastgelegd scenario. En de manier waarop ze verdween leek wel toverij. Nee, dit is het werk van meerdere personen en van heel veel geld. Achter Aomame staat iemand, of een organisatie, die om de een of andere reden de Leider ontzettend graag dood wilde hebben en die kosten noch moeiten spaarde om dat voor elkaar te krijgen. Zijn wij het op dit punt met elkaar eens?’

Onda knikte. ‘In grote lijnen.’

‘Maar het is een volslagen raadsel wat voor organisatie hierachter kan hebben gezeten,’ vervolgde Ushikawa. ‘U bent natuurlijk nagegaan met wie Aomame allemaal bevriend was?’

Onda knikte zwijgend.

‘En wat blijkt? Ze had helemaal geen vrienden!’ zei Ushikawa. ‘Geen vrienden, en ook geen vriend. Natuurlijk had ze wel haar collega’s op haar werk, maar zodra ze de deur van de sportschool achter zich dichttrok, had ze daar geen enkel contact meer mee. In mijn eigen naspeuringen heb ik geen spoor van wat voor intieme relatie ook kunnen ontdekken. En bij een gezonde jonge vrouw die er bepaald niet onaantrekkelijk uitziet, moet je je dan afvragen: waarom niet?’

Ushikawa wierp een blik op Paardenstaart bij de deur. Die stond er nog precies hetzelfde bij, met precies dezelfde uitdrukking op zijn gezicht als aan het begin van het gesprek. Maar van iemand die geen moment een uitdrukking op zijn gezicht had gehad, was het te veel gevraagd om die te veranderen. Zou hij wel een naam hebben, vroeg Ushikawa zich af. Als hij er geen had, zou dat hem niets verbazen.

‘U bent de enige twee personen die Aomames gezicht met eigen ogen hebben gezien,’ zei hij. ‘Is u bij die gelegenheid iets speciaals aan haar opgevallen?’

Onda schudde kort zijn hoofd. ‘Nee. Zoals u zegt is ze een redelijk aantrekkelijke jonge vrouw, maar niet het soort schoonheid waar je naar omkijkt. Ze is kalm en bedaard. Ik kreeg de indruk dat ze een groot vertrouwen heeft in haar eigen kunnen. Maar afgezien daarvan is me niets aan haar opgevallen wat speciaal de aandacht zou trekken. Uiterlijk maakt ze eerder een onopvallende indruk. Ik kan me niet goed herinneren hoe haar gezicht er precies uitzag. Merkwaardig slecht, eigenlijk.’

Ushikawa keek nog eens naar Paardenstaart bij de deur, in de vage hoop dat die hier misschien iets aan toe zou willen voegen. Niets wees er echter op dat hij zijn mond zou opendoen.

Ushikawa richtte zijn blik weer op Stoppelveld.

‘U bent natuurlijk al haar telefoongesprekken van de afgelopen maanden nagegaan,’ zei hij.

Onda schudde zijn hoofd. ‘Dat moeten we nog doen.’

‘Dat kan ik u aanraden. Doet u dat vooral,’ zei Ushikawa met een glimlach. ‘Mensen bellen naar de gekste plaatsen, en worden vanuit de gekste plaatsen opgebeld. Alleen al door naar een lijstje van iemands inkomende en uitgaande telefoongesprekken te kijken, kun je je een beeld van zijn manier van leven vormen. Aomame is geen uitzondering op die regel. Het is niet eenvoudig om een afschrift van zo’n lijst in handen te krijgen, maar onmogelijk is het niet. Want wat zei ik u daarnet? “Alleen een slang kent de weg van een slang.” ’

Onda wachtte zwijgend tot Ushikawa verderging.

‘Als je de lijst van Aomames telefoongesprekken doorneemt, vallen je verscheidene dingen op. Voor een vrouw is dit betrekkelijk zeldzaam, maar Aomame houdt blijkbaar niet erg van telefoneren. Ze belde weinig, en ze hield het kort. Er zitten wel eens lange gesprekken tussen, maar dat zijn altijd uitzonderingen. Het merendeel van haar gesprekken is met haar sportschool, maar ze was half freelance, dus ze nam ook werk op privébasis aan – met andere woorden, ze maakte afspraken voor privélessen buiten de sportschool om. Dat soort telefoontjes zijn er ook veel. Op het eerste gezicht niets wat argwaan kan wekken.’

Hier laste Ushikawa een korte pauze in. Hij bestudeerde de nicotinevlekken op zijn vingers van diverse kanten en stelde zich een sigaret voor. In gedachten stak hij die aan, inhaleerde, en blies een wolkje rook uit.

‘Er zijn echter twee uitzonderingen. De eerste is dat ze twee keer naar de politie heeft gebeld. Niet naar het alarmnummer, maar naar de afdeling Verkeerspolitie op het hoofdbureau in Shinjuku. En er zijn ook verschillende telefoontjes van die afdeling naar Aomame. Omdat zij geen auto rijdt en politieagenten geen privélessen bij luxe sportscholen nemen, lijkt de veronderstelling gewettigd dat ze ergens op die afdeling een persoonlijke kennis had. Wie, dat weet ik niet. De tweede uitzondering staat hier los van en baart me enigszins zorgen: ze heeft verscheidene malen lange gesprekken gevoerd met een niet-geïdentificeerd nummer. Zij wordt telkens door dat nummer gebeld, maar nooit andersom. Niet één keer. En ik kan er maar niet achter komen van wie dat nummer is. Natuurlijk zijn er genoeg mensen die hun telefoonnummers niet openbaar willen maken, maar met wat kunst- en vliegwerk is daar makkelijk genoeg achter te komen. In dit geval loop ik echter steevast met mijn kop tegen de muur. Dit nummer is niet te kraken, en dat is niet gewoon.’

‘Met andere woorden, de eigenaar van het nummer is tot ongewone dingen in staat.’

‘U slaat de spijker op zijn kop. We hebben zonder enige twijfel met een vakman te maken.’

‘Een andere slang,’ zei Onda.

Ushikawa streek met zijn hand over zijn kale, scheve schedel en grijnsde.

‘Heel mooi gezegd, meneer Onda! Een andere slang. En wel een bijzonder grote.’

‘In elk geval wordt het steeds duidelijker dat Aomame niet alleen is geweest, maar professionele hulp heeft gehad,’ zei Onda.

‘Inderdaad. Ze wordt bijgestaan door een organisatie. En ik heb het vermoeden dat deze organisatie dit niet als bijbaantje doet.’

Onda liet zijn oogleden tot halverwege zakken en staarde Ushikawa daaronder vandaan aan. Toen draaide hij zich om en wisselde een blik met Paardenstaart, die nog steeds bij de deur stond. Die gaf een kort knikje, ten teken dat hij de inhoud van het gesprek begrepen had. Onda keerde zich weer naar Ushikawa.

‘En verder?’ vroeg hij.

‘En verder? Nu is het mijn beurt om vragen te stellen. Hebt u echt geen enkel idee wat voor organisatie of genootschap uw Leider naar het leven zou kunnen hebben gestaan?’

Onda fronste zijn voorhoofd tot zijn lange wenkbrauwen zich bij elkaar hadden gevoegd. Boven zijn neus verschenen drie rimpels.

‘Wij zijn een religieuze beweging, meneer Ushikawa. Begrijpt u wat dat betekent? Wij streven vrede na in het menselijk hart, en spirituele waarden. Wij zouden niets liever doen dan leven in harmonie met de natuur en onze dagen vullen door op het land te werken en verstervingen te doen. Waarom zou iemand ons als zijn vijand beschouwen? Wat zou hij daarmee opschieten?’

Om Ushikawa’s mondhoeken verscheen een vage glimlach.

‘Maar fanatiekelingen heb je overal, en niemand kan de gedachtegang van zulke mensen volgen. Of zie ik dat soms verkeerd?’

Onda negeerde de ironie van deze opmerking.

‘Wij hebben niet het flauwste idee wie dit gedaan zou kunnen hebben,’ zei hij met een uitgestreken gezicht.

‘Wat dacht u van Dageraad? Is het niet mogelijk dat daar nog een paar leden van zijn overgebleven die het op hem gemunt hadden?’

Onda schudde nogmaals zijn hoofd, ditmaal met grote overtuiging. Uitgesloten, betekende dat. Ze hadden Dageraad dusdanig in de grond gestampt dat ze niet bang hoefden te zijn dat die organisatie ooit weer de kop zou opsteken.

‘Uitstekend. Dus ook aan uw kant heeft niemand een idee. Toch blijven we geconfronteerd met het uiterst reële probleem dat er een organisatie bestaat die het niet alleen op het leven van uw Leider voorzien had, maar er ook in geslaagd is hem daarvan te beroven. En wel op een heel behendige manier. En vervolgens is de dader in rook opgegaan. Dat zijn onloochenbare feiten.’

‘En wij moeten erachter zien te komen hoe dat in zijn werk is gegaan.’

‘Zonder de politie erbij te betrekken.’

Onda knikte. ‘Dit is óns probleem. Hier heeft de wet niets mee te maken.’

‘Heel goed,’ zei Ushikawa. ‘Het is uw probleem. De wet heeft er niets mee te maken. Heel duidelijk gesteld. Heel begrijpelijk ook. En dan is er nóg iets wat ik graag wilde weten.’

‘En dat is?’ vroeg Honda.

‘Hoeveel mensen binnen uw beweging zijn ervan op de hoogte dat uw Leider is overleden?’

‘Wij tweeën,’ zei Onda. ‘En dan de twee leden die geholpen hebben bij het vervoer van het lijk – dat zijn mijn ondergeschikten. De vijf hoogste leden van het bestuur weten het. Dat zijn al negen personen. De mediums weten het nog niet, maar die komen er vroeg of laat beslist achter. Dat zijn drie meisjes die hem persoonlijk dienden, dus voor hen kunnen we het niet lang verborgen houden. En verder, meneer Ushikawa, weet u het natuurlijk ook.’

‘Dus alles bij elkaar dertien personen.’

Onda zei niets.

Ushikawa slaakte een diepe zucht. ‘Mag ik u eerlijk zeggen wat ik hiervan vind?’

‘Ga uw gang,’ zei Onda.

‘Dit advies komt natuurlijk veel te laat, maar u had meteen naar de politie moeten gaan, zodra u ontdekte dat de Leider was overleden. U had zijn dood gewoon in de openbaarheid moeten brengen. Belangrijk nieuws als dit kun je niet voor altijd in de doofpot stoppen. Een geheim dat meer dan tien mensen kennen, is geen geheim meer. U moet er niet van staan te kijken als u binnenkort in een heel lastig parket komt te zitten.’

Stoppelveld vertrok geen spier. ‘Het is niet mijn werk om daarover te oordelen. Ik voer alleen de bevelen uit die me worden opgedragen.’

‘Maar wie oordeelt er dan wél?’

Geen antwoord.

‘Degene die de plaats van de Leider heeft overgenomen?’

Onda zweeg nog steeds.

‘Nu ja, dat doet er ook niet toe,’ zei Ushikawa. ‘U hebt van hogerhand een bevel gekregen en u in het geheim van het lichaam van de Leider ontdaan. In uw organisatie is een bevel van hogerhand een absoluut gebod. Maar vanuit een juridisch standpunt gezien staat wat u hebt gedaan duidelijk gelijk aan moedwillige vernietiging van een lijk, en dat is een vrij ernstig misdrijf. Dat is u uiteraard bekend?’

Onda knikte.

Ushikawa zuchtte nog eens diep. ‘Ik heb u dit al eens eerder gezegd, maar in het onwaarschijnlijke geval dat de politie er ooit navraag naar doet, zou ik het hogelijk op prijs op stellen als u mijn naam niet wilt noemen. U hebt mij nooit iets over de dood van uw Leider verteld. Ik bedank ervoor om van een misdrijf te worden verdacht.’

‘Wij hebben u nooit iets over de dood van de Leider verteld,’ zei Onda. ‘Wij hebben u alleen gevraagd om die Aomame voor ons op te sporen. U hebt niets gedaan wat in strijd is met de wet.’

‘Prachtig,’ zei Ushikawa. ‘En ik heb er niets over gehoord.’

‘Als het aan ons had gelegen, hadden wij een buitenstaander als u ook liever niet verteld dat onze Leider was vermoord. Maar degene die destijds Aomames antecedenten voor ons is nagegaan, meneer Ushikawa, bent u geweest, en u bent ook degene geweest die ons toen groen licht heeft gegeven. U bent hier dus al bij betrokken, en om haar op te sporen hebben wij uw hulp nodig. En bovendien weten we dat u uw mond kunt houden.’

‘Zonder te weten hoe je een geheim moet bewaren, kun je in dit vak niet mee. Dat is het eerste wat je leert. Maakt u zich daarover geen zorgen. Alles wat u mij vertelt, blijft strikt onder ons.’

‘Als hier iets van uitlekt, weten we dat het van u afkomstig is, en dat zal heel nare gevolgen hebben.’

Ushikawa richtte zijn ogen nog eens op zijn bureau en bestudeerde zijn tien stompe vingers met een uitdrukking op zijn gezicht alsof hij ervan versteld stond te ontdekken dat deze vingers aan hemzelf toebehoorden.

‘Nare gevolgen,’ herhaalde hij terwijl hij weer opkeek.

Onda vernauwde zijn ogen onmerkbaar. ‘Wij moeten koste wat het kost voorkomen dat het bekend wordt dat de Leider is overleden. Daartoe zullen we desnoods zelfs onze toevlucht moeten nemen tot stappen die wijzelf ook zouden betreuren.’

‘O, op mijn discretie kunt u rekenen. Dat garandeer ik u,’ zei Ushikawa. ‘Wij hebben tot nu toe altijd heel goed samengewerkt. Verscheidene zaakjes waarbij uw organisatie niet in de openbaarheid kon treden, heb ik achter de schermen voor u opgeknapt. Het was niet altijd even makkelijk, maar over de beloning heb ik nooit te klagen gehad. Ik heb dus niet één ritssluiting over mijn mond, maar twee. Hoewel ik geen greintje religieus geloof bezit, ben ik uw overleden Leider op een persoonlijk niveau heel veel verschuldigd, en daarom zet ik nu alles op alles om Aomame voor u op te sporen. Op het ogenblik ben ik druk bezig om haar achtergrond helemaal door te lichten, en ik mag denk ik wel zeggen dat mijn onderzoek nu een bijzonder veelbelovend stadium heeft bereikt. Ik vraag u dus nogmaals: kunt u nog éven geduld hebben? Binnenkort kom ik u beslist goed nieuws brengen.’

Onda verschoof nauwelijks merkbaar op zijn stoel. Alsof hij daarop antwoord gaf, verschoof Paardenstaart bij de deur het zwaartepunt van zijn benen.

‘Is dit echt alles wat u ons op dit ogenblik kunt vertellen?’ vroeg Onda.

Ushikawa dacht even na. ‘Zoals ik daarnet al zei, heeft Aomame twee keer naar de verkeerspolitie op het hoofdbureau in Shinjuku gebeld en is ze ook een paar keer van die afdeling teruggebeld. De naam van degene met wie ze heeft gesproken weet ik niet. Maar wat wilt u? Het is een politiebureau, dus als je het ze rechtstreeks vraagt, krijg je geen antwoord. Maar toen ging er in dit domme koppie opeens een lampje branden. “Afdeling Verkeerspolitie, hoofdbureau Shinjuku,” zei ik tegen mezelf. “Waar heb ik dat meer gehoord?” Nou, ik heb er lang over moeten nadenken, dat mag u best weten. Mijn geheugen is niet zo goed meer, maar toch was er iets in blijven haken. Ik wist alleen niet wat. Dat krijg je als je een dagje ouder wordt, hè? Dan gaan de laden van je geheugen gaandeweg stroever schuiven. Vroeger had ik het meteen geweten, maar dit was al ongeveer een week eerder gebeurd, dus ik had de grootste moeite om het me te herinneren.’

Hier hield Ushikawa stil en staarde Stoppelveld met een theatrale glimlach aan. Stoppelveld wachtte geduldig tot hij verderging.

‘In augustus is er een jonge agente van de verkeerspolitie op het hoofdbureau in Shinjuku gewurgd in een love hotel in Shibuya – spiernaakt vastgebonden met diensthandboeien. Dat werd even een klein schandaal, dat begrijpt u wel. Nu vonden de meeste gesprekken tussen Aomame en die persoon op het hoofdbureau in Shinjuku plaats verscheidene maanden voor die moord, en daarna nooit weer. Wat zegt u ervan? Is dat niet een beetje té toevallig voor een toevallige samenloop van omstandigheden?’

Onda was even stil. ‘Met andere woorden,’ zei hij toen, ‘u denkt dat degene met wie Aomame belde die vermoorde politieagente was.’

‘Ayumi Nakano, zo heette ze. Zesentwintig jaar oud. Ze had een heel leuk gezicht. Haar vader en broer zijn ook bij de politie – wat je noemt een echt politiegezin. Blijkbaar had ze een uitstekende staat van dienst. Vanzelfsprekend stelt de politie alles in het werk, maar van de dader ontbreekt nog elk spoor. Zo gesteld klinkt het ongetwijfeld als een bijzonder grove vraag, meneer Onda, maar zou het kunnen zijn dat u iets van dit incident weet?’

Onda staarde Ushikawa aan met ogen zo koud en hard dat ze nog maar enkele seconden eerder uit een gletsjer zouden kunnen zijn gebikt.

‘Ik begrijp niet waar u het over hebt,’ zei hij. ‘Insinueert u misschien dat wij daar iets mee te maken hebben gehad, meneer Ushikawa? Denkt u dat een van ons die agente heeft meegetroond naar dat louche hotel om haar daar te boeien en te wurgen?’

Ushikawa trok een pruimenmondje en schudde zijn hoofd. ‘Welnee, absoluut niet! Hoe komt u op het idee, meneer Onda? Geen haar op mijn hoofd die zoiets zou durven denken! Nee, ik bedoelde alleen maar: hebt u misschien enig idee over de dader of de achtergrond van dit incident? Dat is alles! Ik ben al dankbaar voor het kleinste beetje informatie. Zelfs de meest onbeduidende aanwijzing is voor mij van ontzettend groot belang. Want hoe ik mijn logge hersens ook kwel en pijnig, ik ben niet in staat om verband te leggen tussen de moord op een politieagente in een love hotel in Shibuya en de dood van uw Leider.’

Een tijdlang staarde Onda Ushikawa aan alsof hij de maat van iets op zat te nemen. Toen liet hij langzaam de adem ontsnappen die hij in zijn longen had opgespaard.

‘Goed,’ zei hij. ‘Ik zal die informatie aan mijn superieuren doorgeven.’ Hij pakte zijn notitieboekje en maakte een aantekening: ‘Ayumi Nakano, 26, verkeerspolitie Shinjuku. Misschien kennis van Aomame.’

‘Dat klopt.’

‘Verder nog iets?’

‘Ja, er was nóg iets wat ik bijzonder graag wilde weten. Een van uw bestuursleden moet Aomame hebben aanbevolen als een fitnessinstructrice in Tokyo die heel bekwaam was in het behandelen van spierproblemen. En zoals u zojuist al hebt opgemerkt, heb ik daarna haar antecedenten voor u nagetrokken. Ik zeg het niet om mezelf te verontschuldigen, maar dat heb ik met de grootste zorg gedaan, en ik heb toen niets raars of verdachts kunnen vinden. Er was helemaal niets op haar aan te merken! Daarna hebt u haar naar de suite in het Okura Hotel laten komen, en de rest weet u zelf ook wel. Maar wie is degene geweest die haar het eerst heeft aanbevolen?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Dat weet u niet?’ zei Ushikawa. Hij zette een gezicht als een kind dat een woord hoort dat hij niet begrijpt. ‘Met andere woorden, een van uw bestuursleden moet Aomame hebben aanbevolen, maar niemand kan zich herinneren wie dat was. Bedoelt u dat?’

‘Inderdaad,’ zei Onda zonder een spier te vertrekken.

‘Ik kan het nauwelijks geloven,’ zei Ushikawa, met een ongelovig gezicht.

Onda zei niets.

‘Ik begrijp het niet. Aomames naam komt zomaar uit de lucht vallen, en dan gaan de zaken opeens hun eigen gang, zonder dat iemand ze in beweging zet. Wilt u werkelijk beweren dat het zo is gegaan?’

‘Als u echt wilt weten hoe het in zijn werk is gegaan,’ zei Onda, en hij koos zijn woorden met de grootste zorg, ‘degene die er het sterkst voor was dat het op deze manier gebeurde, was de Leider zelf. Verscheidene bestuursleden waren van mening dat het wel eens gevaarlijk kon zijn om zijn lichaam toe te vertrouwen aan iemand van wie we zo weinig wisten, en wij, als zijn lijfwachten, waren het daar natuurlijk mee eens. Maar de Leider deelde die bezorgdheid niet. Integendeel zelfs. Hij drong er sterk op aan de nodige voorbereidingen te treffen.’

Ushikawa pakte zijn aansteker weer, haalde het kapje eraf en stak hem aan, alsof hij wilde zien of hij het nog deed. Hij deed het kapje er onmiddellijk weer op.

‘Ik had altijd begrepen dat de Leider een bijzonder voorzichtig mens was,’ zei hij.

‘Dat was hij ook. Bijzonder voorzichtig. Hij was voortdurend op zijn hoede.’

Er viel een diepe stilte.

‘Dan wilde ik u nog iets vragen,’ zei Ushikawa. ‘Over Tengo Kawana. Hij had een verhouding met ene Kyōko Yasuda, een getrouwde vrouw die een jaar of wat ouder is dan hij. Ze kwam eens in de week naar zijn flat, en dan brachten ze hun tijd intiem met elkaar door. Nou ja, hij is nog jong, en dan gebeuren zulke dingen. Maar op een avond kreeg hij opeens een telefoontje van haar man, die hem vertelde dat ze hem niet meer zou bezoeken, en sinds die tijd heeft hij nooit meer iets van haar gehoord.’

Onda fronste zijn wenkbrauwen. ‘Ik begrijp niet goed wat dat ermee te maken heeft. Is Tengo Kawana ook bij de dood van de Leider betrokken?’

‘Nee, of niet dat ik weet. Maar dit zit me al een hele poos dwars. Je kunt het zo bont niet maken, maar je zou van een vrouw toch op z’n minst één telefoontje verwachten. Daar was die verhouding hecht genoeg voor. Maar opeens verdwijnt ze, zonder ook maar enige waarschuwing, alsof ze nooit heeft bestaan. Ik heb een gruwelijke hekel aan zulke raadsels, dus daarom vraag ik het maar, gewoon voor mijn eigen gemoedsrust: hebt u hierover ook geen enkel idee?’

‘Zeker wat mij persoonlijk betreft kan ik u zeggen dat ik niets van deze dame weet,’ zei Onda met een stem zo vlak als een houten plank. ‘Kyōko Yasuda, had verhouding met Tengo Kawana.’

‘Getrouwde vrouw, tien jaar ouder.’

Onda noteerde deze informatie eveneens in zijn boekje. ‘Dit zal ik ook aan mijn superieuren doorgeven.’

‘Dank u wel,’ zei Ushikawa. ‘Weet u, tussen haakjes, al waar Eriko Fukada is?’

Onda keek op en staarde Ushikawa aan alsof hij een schilderij was dat recht gehangen moest worden.

‘Wat gaat ons de verblijfplaats van Eriko Fukada aan?’

‘Interesseert dat u niet?’

Onda schudde zijn hoofd. ‘Wat ons betreft kan ze gaan of staan waar ze wil. Daar hebben wij niets mee te maken. Dat zoekt ze zelf maar uit.’

‘En in Tengo Kawana ben u ook niet geïnteresseerd?’

‘Nee. Ook hij gaat ons niets aan.’

‘Toch had u een tijdlang enorme belangstelling voor die twee,’ zei Ushikawa.

Onda kneep zijn ogen even halfdicht. Toen zei hij: ‘Onze belangstelling is voorlopig helemaal gericht op één persoon: Aomame.’

‘O, uw belangstelling verandert van dag tot dag?’

Onda’s lippen trokken een klein beetje, maar antwoord gaf hij niet.

‘Hebt u het boek gelezen dat Eriko Fukada heeft geschreven, meneer Onda? Een pop van lucht, bedoel ik.’

‘Nee. Onze beweging staat niet toe dat wij boeken lezen die niet met onze leer te maken hebben. We mogen ze zelfs niet ter hand nemen.’

‘Hebt u ooit van de Little People gehoord?’

‘Nooit,’ antwoordde Onda prompt.

‘Dank u,’ zei Ushikawa.

En daarmee was het gesprek ten einde. Onda kwam langzaam overeind van zijn stoel en trok de revers van zijn colbert recht. Paardenstaart deed een stap naar voren, zodat hij bij de muur vandaan kwam.

‘Zoals ik daarnet al zei, hebben we geen moment te verliezen,’ zei Onda, recht neerkijkend op de nog steeds aan zijn bureau zittende Ushikawa. ‘We moeten er zo snel mogelijk achter zien te komen waar Aomame is. Natuurlijk stellen wij van onze kant alles in het werk om dat te bereiken, maar ik ben bang dat u uw eigen onderzoek vanuit een andere hoek net zo hard voort zult moeten zetten. Als Aomame niet gevonden wordt, kan dat namelijk bijzonder onaangename consequenties hebben, voor ons én voor u. U bent nu eenmaal op de hoogte van een groot geheim.’

‘En een groot geheim betekent grote verantwoordelijkheid.’

‘Dat hebt u heel goed gezien,’ zei Onda met een stem waaraan elke emotie ontbrak. Toen draaide hij zich om en verliet het kantoor zonder één keer om te kijken. Paardenstaart volgde hem en deed de deur geruisloos achter zich dicht.

==

Zodra de twee het kantoor uit waren, trok Ushikawa een bureaula open en zette de cassetterecorder af. Hij maakte het apparaat open, haalde het bandje eruit en schreef met een balpen de datum en de tijd op het etiket, in een mooi regelmatig handschrift dat volstrekt niet paste bij zijn asymmetrische verschijning. Daarna haalde hij het pakje Seven Stars uit de la, stak een sigaret tussen zijn lippen en gaf zichzelf een vuurtje met zijn aansteker. Hij zoog de rook diep in zijn longen en blies hem uit in de richting van het plafond. Een tijdlang bleef hij zo zitten, gezicht omhoog, ogen gesloten. Uiteindelijk deed hij zijn ogen weer open en wierp hij een blik op de klok aan de muur. Die stond op halfdrie. Een verdomd eng stel, besloot hij opnieuw.

‘Als Aomame niet gevonden wordt, kan dat bijzonder onaangename consequenties hebben, voor ons én voor u,’ had Stoppelveld gezegd.

Beide keren dat Ushikawa het hoofdkwartier van Voorhoede in de bergen van Yamanashi had bezocht, had hij de enorme vuilverbrandingsoven opgemerkt in het bos achter de gebouwen. De oven was bedoeld voor alle mogelijke afval, maar omdat de verbranding bij verschrikkelijk hoge temperaturen plaatsvond, bleef er van een menselijk lichaam, als dat erin zou worden gegooid, geen botje over. Ushikawa wist dat zoiets inderdaad al een paar maal was voorgekomen, en hij nam aan dat het lichaam van de Leider hetzelfde lot beschoren was geweest. Vanzelfsprekend wilde Ushikawa niet dat hem dit overkwam. Hoewel hij wist dat hij ooit zou moeten sterven, gaf hij toch de voorkeur aan een ietwat zachtere dood.

Natuurlijk was er een aantal feiten die hij voor Stoppelveld en Paardenstaart had verzwegen. Het was niet Ushikawa’s stijl om al zijn kaarten op tafel te leggen. Hij had er geen bezwaar tegen om zijn lage kaarten te laten zien, maar zijn troeven hield hij zorgvuldig gedekt. En verder wilde hij verzekerd zijn voor alle soorten ongevallen – bijvoorbeeld door middel van het cassettebandje waarop hij deze geheime conversatie had opgenomen. Ushikawa was een oude rot in dit soort spelletjes. Hij had hierin oneindig veel meer ervaring dan twee snotneuzen van lijfwachten.

Ushikawa had een lijstje van alle mensen aan wie Aomame privéles had gegeven. Als je niet te beroerd bent om er een beetje moeite voor te doen, en als je weet hoe je zoiets moet aanpakken, dan krijg je zulke informatie meestal wel in handen. Hij had de identiteit van die twaalf leerlingen een voor een kunnen vaststellen. Het waren acht vrouwen en vier mannen, allemaal met een vrij hoge maatschappelijke positie en een navenant inkomen. Geen van hen leek het soort persoon dat eraan zou meewerken om iemand te vermoorden. Alleen een van haar leerlingen sprong er een beetje uit: een rijke oude dame van in de zeventig, die een pand ter beschikking had gesteld van vrouwen die vanwege huiselijk geweld hun huis hadden moeten ontvluchten. Het was een appartementengebouw op een perceel naast haar eigen riante villa, waar zulke ongelukkige vrouwen van haar mochten wonen.

Op zichzelf was dat natuurlijk alleen maar prachtig. Het was ook helemaal niet verdacht. Maar toch was er iets wat tegen het verre randje van Ushikawa’s bewustzijn trapte. En als er iets tegen het verre randje van zijn bewustzijn trapte, had hij geen rust voor hij precies wist wat het was. Hij had een dierlijke reukzin, en hij had ook een ijzersterk vertrouwen in zijn intuïtie. Daaraan had hij meer dan eens zijn leven te danken gehad. ‘Geweld’ kon wel eens het sleutelwoord van deze affaire worden. Deze oude dame leek zich scherp bewust van alles wat met geweld te maken had. Vandaar ook dat ze uit eigen beweging zulke vrouwen in bescherming had genomen.

Ushikawa was er zelf op uitgetrokken om een kijkje bij dat vluchthuis te nemen. Het was een houten gebouw, op een duur stukje land boven op een heuvel in Azabu – oud, maar niet van een zekere charme ontbloot. Door de spijlen van de poort kon hij voor het portiek een fraai bloembed zien, en een grote tuin met een gazon. Een grote eikenboom wierp zijn schaduw over het huis. De ruitjes in de voordeur waren van sierglas. De laatste tijd zag je zulke huizen niet veel meer.

Maar dit serene uiterlijk stond in schril contrast met de strengheid waarmee het gebouw werd bewaakt. Het was omgeven door een hoge muur met prikkeldraad. De sterke ijzeren poort was stijf op slot. Aan de binnenkant liep een Duitse herder, die verwoed begon te blaffen als ze iemand zag naderen. Er waren een stuk of wat bewakingscamera’s, die allemaal aanstonden. Omdat er op de weg langs het huis nauwelijks andere voetgangers waren, kon Ushikawa niet lang stil blijven staan. In een rustige woonwijk als deze, waar verscheidene ambassades waren gevestigd, viel iemand met zijn eigenaardige, om niet te zeggen verdachte voorkomen onmiddellijk op.

Deze bewaking was veel te streng. Toegegeven: de vrouwen in dit huis moesten beschermd worden tegen geweld, maar dit was te veel van het goede. Hij moest de achtergronden van dit vluchthuis eens haarfijn uitpluizen, vond Ushikawa. Er is geen verdediging zo sterk of er moet doorheen te breken zijn. Of liever: hoe sterker de verdediging, hoe noodzakelijker het is om erdoorheen te breken. Hij moest een slimme manier bedenken om dat voor elkaar te krijgen. Zo goed en zo kwaad als hij kon.

Hij dacht ook aan zijn conversatie met Onda over de Little People.

‘Hebt u ooit van de Little People gehoord?’

‘Nooit.’

Dat antwoord was een tikkeltje te vlug gekomen. Als Onda nooit eerder van ze had gehoord, was het natuurlijker geweest als hij even had gewacht. Little People? Little People? Even nadenken, en dán pas antwoord geven. Dat zou een normale reactie zijn geweest.

Die vent kent de term ‘Little People’ wel degelijk. Of hij weet wat het betekent of wat de Little People zijn, kan ik niet bekijken. Maar het is in elk geval geen term die hij vandaag voor het eerst hoorde.

Ushikawa’s sigaret was gevaarlijk kort geworden. Hij doofde hem uit en verzonk in gedachten, en toen die een zeker stadium hadden bereikt, stak hij een tweede sigaret op. Hij had al jaren geleden besloten dat hij zich niet druk zou maken over het gevaar van longkanker. Om zich te kunnen concentreren, had hij nicotine nodig. Het was onmogelijk te weten wat er over twee of drie dagen voor je in het verschiet lag. Waarom zou je je er dan zorgen over maken of je over vijftien jaar nog wel gezond was?

Terwijl hij zijn derde Seven Stars rookte, kreeg Ushikawa een idee. Dit lukt misschien wel, dacht hij.