2
Aomame: Eenzaam, maar niet alleen
Wanneer het donker wordt, gaat ze op het balkon zitten, waar ze uitzicht heeft over het speeltuintje aan de overkant van de straat. Dit is het belangrijkste deel van haar dagelijkse routine, hier draait haar leven om. Of de hemel helder is of bewolkt, of het regent of droog is, elke avond houdt ze trouw de wacht. Oktober breekt aan, en het wordt killer. Op koude avonden draagt ze een extra laagje kleren, ze legt een deken over haar knieën, en ze drinkt warme chocola. Tot ongeveer halfelf staart ze naar de glijbaan; dan warmt ze haar lichaam langzaam op in bad en gaat naar bed. Slaapt.
Natuurlijk is het niet uitgesloten dat Tengo op klaarlichte dag naar de speeltuin komt. Maar het is niet waarschijnlijk. Áls hij hier al verschijnt, zal dat na donker zijn, als de kwiklamp aan is en de manen duidelijk aan de hemel te zien zijn. Aomame werkt vlug haar avondeten naar binnen, trekt kleren aan waarin ze onmiddellijk de straat op kan rennen, fatsoeneert haar haar, gaat in haar tuinstoel zitten, en richt haar blik op de glijbaan in het nachtelijke parkje. Het semiautomatische pistool en de kleine Nikon-verrekijker heeft ze altijd binnen handbereik. Omdat ze bang is dat Tengo verschijnt net op het moment dat ze naar de wc is, drinkt ze alleen een kopje chocola en verder niets.
Aomame houdt deze routine elke dag vol, zonder één onderbreking. Ze leest geen boeken, ze luistert niet naar muziek, ze kijkt alleen naar de speeltuin terwijl ze haar oren gespitst houdt voor geluiden van buiten de flat. Ze verandert zelfs nauwelijks van houding. Slechts af en toe, en dan alleen op avonden dat er geen wolkje aan de lucht is, kijkt ze op naar de hemel om te zien of daar nog steeds twee manen staan. Maar dan richt ze haar ogen meteen weer op de speeltuin. Aomame houdt de wacht over de speeltuin, en de manen houden de wacht over Aomame.
Maar Tengo laat zich niet zien.
==
Er zijn niet veel mensen die ’s avonds de speeltuin bezoeken. Soms komen er jonge stelletjes. Ze zitten op een bank en houden elkaars hand vast en geven elkaar korte, nerveuze kusjes, als kleine vogeltjes. Maar het parkje is te klein en de lamp is te fel. Ze voelen zich er slecht op hun gemak, en na verloop van tijd geven ze het op en gaan ze ergens anders naartoe. Soms komen er mensen die van het openbaar toilet gebruik willen maken en teleurgesteld (of nijdig) weglopen als ze merken dat het op slot is. Een kantoorwerker op weg naar huis zit een hele tijd met hangend hoofd op een bank, waarschijnlijk om te ontnuchteren. Of misschien wil hij gewoon nog niet naar huis. Een eenzame oude man laat op dit late uur zijn hond nog uit. Zowel de hond als de oude man hult zich in dezelfde hopeloze stilte.
Maar het grootste deel van de avond ligt de speeltuin er verlaten bij. Er loopt zelfs geen kat doorheen. Het onpersoonlijke licht van de kwiklamp schijnt op de schommels en de glijbaan, op de zandbak en het openbaar toilet dat op slot is. Wanneer ze lang naar dit uitzicht heeft zitten staren, bekruipt haar soms het gevoel dat ze de enige overgebleven mens is op een onbewoonde planeet. Net als in die film over de wereld na de atoomoorlog. Hoe heette die ook weer? On the Beach.
Toch blijft ze zich volledig op de speeltuin concentreren, zoals een uitkijk die in zijn eentje hoog in de mast de wijde oceaan afspeurt naar scholen vis of de onheilspellende schaduw van een periscoop. Haar scherpe ogen zoeken slechts naar één persoon: Tengo Kawana.
Misschien woont Tengo in een andere stad en kwam hij die avond hier alleen maar toevallig langs. In dat geval is de kans dat hij deze speeltuin weer bezoekt gelijk aan nul. Maar dat gelooft Aomame niet. Uit de nonchalante manier waarop hij gekleed was toen hij boven aan de glijbaan zat, maakt ze op dat hij hier ergens in de buurt woont en ’s avonds even een wandelingetje was gaan maken. Onderweg was hij langs de speeltuin gekomen en op de glijbaan geklommen, waarschijnlijk om naar de maan te kijken. En dat betekent dat hij misschien wel zo dichtbij woont dat ze erheen kan lopen.
Het is niet zo eenvoudig om in Kōenji een plaats te vinden waar je de maan kunt zien. Het landschap is bijna helemaal vlak, en echt hoge gebouwen zijn er vrijwel niet. Om naar de maan te kijken is de glijbaan van de nachtelijke speeltuin zo’n slechte plaats dus nog niet. Het is er rustig, en je wordt er door niemand lastiggevallen. De volgende keer dat Tengo de maan wil zien, komt hij beslist weer hier, veronderstelt Aomame. Maar het moment daarop denkt ze: nee, zo soepel loopt het beslist niet. Misschien heeft hij een plaats gevonden waar hij de maan veel beter kan zien, zoals het dak van een hoog kantoorgebouw.
Aomame schudt kort met haar hoofd. Ik moet niet te veel denken! Ik moet blijven geloven dat Tengo ooit weer naar deze speeltuin komt en hier op hem blijven wachten. Een andere keus heb ik niet! Ik kan hier niet vandaan. Op dit moment is deze speeltuin het enige wat ons met elkaar verbindt.
==
Aomame haalde de trekker niet over.
Op een stralende ochtend vroeg in september stond ze tijdens een file in een vluchthaven op de Shuto-snelweg no. 3, met de zwarte loop van een Heckler & Koch in haar mond. Gekleed in een Junko Shimada-mantelpakje, en met Charles Jourdan-naaldhakken aan haar voeten.
De mensen keken vanuit hun auto’s toe alsof ze zich niet konden voorstellen wat voor voorwerp ze in haar hand hield. De dame van middelbare leeftijd in de zilverkleurige Mercedes-Benz Coupé. De mannen die met bruinverbrande gezichten op haar neerzagen vanaf hun hoge stoel achter het stuur van hun vrachtauto. Aomame stond op het punt om zich voor hun ogen een 9-mm-kogel door de hersens te jagen. Ze kon alleen aan de wereld van 1q84 ontsnappen door zichzelf van het leven te beroven, maar in ruil daarvoor zou Tengo’s leven gespaard blijven. Dat had de Leider haar tenminste beloofd. Dat had hij haar gezworen toen hij haar om zijn eigen dood vroeg.
Aomame vond het niet zo erg dat ze zelf moest sterven. Het was allemaal al beslist op het moment dat ik 1q84 werd binnengetrokken. Ik volg alleen maar het scenario. En wat heeft het voor zin om in mijn eentje verder te leven in een absurde wereld waar een kleine en een grote maan aan de hemel staan en het leven van de mensen wordt beslist door wezens die Little People heten?
Toch haalde ze de trekker niet over. Op het allerlaatste moment verslapte de kracht in haar rechterwijsvinger en haalde ze de loop uit haar mond. Toen zoog ze de lucht diep in haar longen, zoals een drenkeling die er eindelijk in is geslaagd om uit de diepte van de zee naar de oppervlakte te komen, en blies die net zo hard weer uit, alsof ze alle zuurstof in haar lichaam in één keer wilde verversen.
Ze had haar poging om te sterven onderbroken omdat ze heel in de verte een stem had gehoord. Op dat ogenblik bevond ze zich in een wereld zonder geluid. Vanaf het moment dat ze kracht op de vinger om de trekker had gezet, was alle lawaai om haar heen opeens weggevallen. Ze verkeerde in een diepe stilte, alsof ze op de bodem van een zwembad lag. Hier was de dood niet donker of angstaanjagend, maar natuurlijk, vanzelfsprekend, zoals vruchtwater voor een ongeboren kind. Dit is zo slecht nog niet, dacht Aomame. Het scheelde niet veel of ze had zelfs gelachen. En toen hoorde ze een stem.
Het was of die stem tot haar kwam van een verre plaats en tijd. Ze geloofde niet dat ze hem ooit eerder had gehoord. Hij had zijn oorspronkelijke klank en eigenschappen verloren doordat hij verscheidene hoeken had moeten omslaan. Het enige wat ervan was overgebleven, was een holle echo, ontdaan van elke betekenis. Maar zelfs in die echo ontdekte Aomame een warmte die oude herinneringen bij haar opriep. En blijkbaar riep de stem haar naam.
Ze ontspande de vinger om de trekker, kneep haar ogen half toe, spitste haar oren. Ze deed haar uiterste best om de woorden van de stem te kunnen verstaan. Maar het enige wat ze kon onderscheiden – of meende te kunnen onderscheiden, en dat nog maar ternauwernood –, was haar naam. De rest was niet meer dan het klagen van de wind in een holte. Uiteindelijk stierf de stem weg, verloor zijn betekenis geheel, en werd opgeslokt in de stilte. Opeens verdween de leegte die haar omgaf, en het lawaai om haar heen kwam in één keer terug, alsof er een kurk uit een fles was getrokken. Voor ze het zelf wist, had ze haar besluit om te sterven herzien.
Misschien kan ik Tengo nog eens in dat speeltuintje ontmoeten, dacht ze. Sterven kan ik daarna nog altijd. Laat ik daar een gokje op wagen. Leven – niet sterven – betekent dat ik Tengo misschien nog eens kan zien. Ik wil leven, dacht ze duidelijk. Het was een gek gevoel. Goed beschouwd wist ze niet zeker of ze deze wens ooit eerder had gehad.
Ze ontspande de haan van het pistool, zette de veiligheidspal erop en stopte het terug in haar schoudertas. Toen strekte ze haar rug, zette haar zonnebril op en ging terug naar de taxi waarin ze gekomen was. De mensen keken zwijgend toe hoe ze met grote stappen op haar hoge hakken over de snelweg liep. Ver hoefde ze niet te gaan. In de zware file had de taxi maar nauwelijks vooruitgang geboekt. Hij was tot vlak voor de vluchthaven gevorderd.
Ze tikte op het raampje van de chauffeur.
‘Mag ik er weer in?’ vroeg ze toen die het had laten zakken.
De chauffeur aarzelde.
‘Wat u daar in uw mond stak, was dat een pistool?’
‘Ja.’
‘Een echte?’
‘Ben je mal?’ zei Aomame smalend.
De chauffeur opende het portier en Aomame stapte in. Ze deed haar schoudertas af, zette die op de bank en veegde haar lippen af met haar zakdoek. Ze had de smaak van staal en wapenolie nog in haar mond.
‘En? Hebt u uw noodtrap gevonden?’ vroeg de chauffeur.
Aomame schudde haar hoofd.
‘Ziet u wel? Een noodtrap, hier? Daar heb ik nog nooit van gehoord,’ zei de chauffeur. ‘Dus wat doet u? Doorrijden tot Ikejiri, en daar eraf, zoals u eerst van plan was?’
‘Ja, doe maar,’ zei Aomame.
De chauffeur liet zijn raampje weer zakken, gaf een handsignaal en ging voor een grote autobus de rechterrijstrook op. De meter stond nog op dezelfde stand als toen ze was uitgestapt.
Aomame zakte terug op de bank en keek zachtjes ademhalend naar het nu zo vertrouwde Esso-reclamebord: een glimlachende tijger die deze kant uit kijkt met een benzineslang in zijn hand, en de tekst ‘Stop ’n tijger in uw tank’.
‘Stop ’n tijger in uw tank,’ fluisterde ze zachtjes.
‘Zei u iets, mevrouw?’ vroeg de chauffeur in zijn spiegeltje.
‘O, niets. Ik praatte wat in mezelf.’
Nog even verder leven, kijken wat er gebeurt. Doodgaan kan altijd nog. Denk ik.
==
Wanneer Tamaru opbelt, de dag nadat ze haar zelfmoordpoging heeft onderbroken, vertelt ze hem het nieuws. De plannen zijn veranderd: ze gaat nergens heen, ze neemt geen andere naam aan, en ze wil geen cosmetische chirurgie.
Aan de andere kant van de lijn is Tamaru een tijdlang stil. In zijn hoofd wordt een aantal theorieën geluidloos opnieuw gerangschikt.
‘Begrijp ik het goed? Je wilt daar niet weg?’
‘Nee,’ zegt Aomame kortweg. ‘Ik wil nog een poosje hier blijven.’
‘Die flat was niet bedoeld om er iemand lang in te laten onderduiken.’
‘Zolang ik binnenshuis blijf, geloof ik niet dat iemand me zal vinden.’
‘Je moet die lui niet onderschatten,’ zegt Tamaru. ‘Ze zullen je achtergrond helemaal natrekken en elke voetstap volgen die je ooit hebt gezet. Dat wil zeggen dat niet alleen jij gevaar loopt, maar ook de mensen om je heen. En dat zou mij in een heel moeilijke positie brengen.’
‘Dat weet ik, en dat spijt me verschrikkelijk. Echt. Maar ik wil hier nog even langer blijven.’
‘ “Nog even langer” is vrij vaag uitgedrukt,’ zegt Tamaru.
‘Het spijt me, maar ik kan het echt niet anders zeggen.’
Tamaru verzinkt in gedachten. Hij lijkt uit de klank van Aomames stem te hebben begrepen hoe vast haar beslissing staat.
‘Ik ben iemand die zijn positie altijd voor laat gaan. Bíjna altijd. Dat begrijp je zeker wel?’
‘Dat doe ik zeker.’
Hij is weer even stil.
‘Goed. Zolang we elkaar maar niet verkeerd begrijpen. Als je zo vastbesloten bent, zul je daar wel een reden voor hebben.’
‘Die heb ik,’ zegt Aomame.
Aan de andere kant van de lijn schraapt Tamaru kort maar krachtig zijn keel.
‘Zoals ik je al eerder heb gezegd, hebben we een zorgvuldig plan opgesteld, en al onze voorbereidingen zijn getroffen. We staan klaar om je over te brengen naar een veilige plek hier ver vandaan, al je sporen uit te wissen, en je naam en je gezicht te veranderen. We veranderen je in een... Nou, misschien niet een helemaal ander mens, maar het komt er toch erg dichtbij. Dat hadden we geloof ik afgesproken.’
‘Natuurlijk weet ik dat. En tegen het plan op zich heb ik geen enkel bezwaar. Er is me alleen iets overkomen wat ik absoluut niet had verwacht, en dat maakt het noodzakelijk dat ik hier nog even langer blijf.’
‘Ik heb niet het gezag om daar ja of nee op te zeggen,’ zegt Tamaru. Hij maakt een zacht geluidje achter in zijn keel. ‘Je zult even moeten wachten tot je antwoord krijgt.’
‘Ik ga hier voorlopig niet weg,’ zegt Aomame.
‘Dat is je geraden ook,’ zegt Tamaru. Hij hangt op.
==
De volgende ochtend voor negen uur rinkelt de telefoon drie keer, zwijgt, en rinkelt daarna weer. Dat kan alleen Tamaru zijn.
Tamaru wenst haar niet eens goeiemorgen, maar komt onmiddellijk ter zake.
‘Madame maakt zich de grootste zorgen dat je daar langer blijft dan gepland. De flat is niet afdoende beveiligd. Hij was uitsluitend bedoeld als tussenstation. Ze wil het liefst dat je zo snel mogelijk naar een verre, veilige plek verhuist, en ik ben het roerend met haar eens. Kun je het tot zover volgen?’
‘Heel goed zelfs.’
‘Maar je bent een koelbloedig, voorzichtige mens, die geen domme vergissingen zal maken, en je lijkt er je zinnen op te hebben gezet. En in de grond van de zaak hebben wij een groot vertrouwen in je.’
‘Dank je.’
‘Als je er echt op staat om “nog even langer” in die flat te blijven, zul je er wel een belangrijke reden voor hebben. Wat voor reden weten we niet, maar je doet het vast niet voor de lol. Madame wil je dus zo veel mogelijk tegemoetkomen.’
Aomame spitst haar oren en luistert zwijgend terwijl Tamaru verdergaat.
‘Je kunt tot het eind van dit jaar daar blijven. Maar absoluut geen dag langer.’
‘Met andere woorden, na Nieuwjaar moet ik ergens anders naartoe.’
‘Wat ons betreft is dat de uiterste termijn. Langer kunnen we je niet geven.’
‘Goed,’ zegt Aomame. ‘Tot het eind van dit jaar blijf ik hier, en daarna verhuis ik.’
Dat meent ze niet serieus. Ze is niet van plan om één stap van deze flat vandaan te gaan voor ze Tengo weer heeft kunnen zien, maar als ze daar nu over begint, is het eind zoek. Ze heeft nog wel even de tijd tot het eind van dit jaar, en daarna kijkt ze wel weer.
‘Goed dan,’ zegt Tamaru. ‘Van nu af aan krijg je eens per week levensmiddelen en huishoudelijke artikelen bezorgd. Elke week op dinsdagmiddag komt de bevoorradingsploeg bij je langs. Ze hebben een sleutel, dus ze laten zichzelf binnen, maar ze gaan niet verder dan de keuken. In de tussentijd trek jij je terug in de slaapkamer en je doet de deur op slot. Je laat je gezicht niet zien en je laat je stem niet horen. Als ze klaar zijn en weer buiten staan, drukken ze nog eens op de bel van de voordeur. Dat is voor jou het sein dat je weer uit de slaapkamer kunt komen. Als er iets is wat je graag bezorgd wilt hebben, moet je het nu zeggen, dan krijg je het bij de volgende bevoorrading.’
‘Het zou fijn zijn als ik een fitnessapparaat had om mijn spieren in conditie te houden,’ zegt Aomame. ‘Alleen met strekken en gymnastiek kom je niet ver.’
‘Aan apparaten zoals ze die in gymzalen hebben staan hoef je niet te denken, maar iets wat niet veel plaats in beslag neemt kan ik je wel bezorgen.’
‘Ik ben met erg weinig tevreden,’ zegt Aomame.
‘Wat dacht je van een hometrainer en wat eenvoudige hulpmiddelen om je spieren te versterken? Heb je daar genoeg aan?’
‘Meer dan genoeg. En doe er een metalen softbalknuppel bij, als dat kan.’
Tamaru is een paar seconden stil.
‘Je kunt een knuppel voor allerlei doeleinden gebruiken,’ zegt Aomame. ‘Alleen al door er een binnen mijn bereik te hebben, kom ik tot rust. Ik ben met zo’n ding opgegroeid, vandaar.’
‘Goed, ik zal er zo’n knuppel bij doen,’ zegt Tamaru. ‘Als je verder nog iets te binnen schiet, schrijf je het maar op een papiertje en leg je het op het aanrecht. Dan krijg je dat de keer daarop.’
‘Dankjewel. Maar ik geloof niet dat ik verder iets tekortkom.’
‘Geen boeken of video’s of zo?’
‘Ik kan zo gauw niets bedenken.’
‘Wat dacht je van Op zoek naar de verloren tijd van Proust?’ zegt Tamaru. ‘Als je dat nog niet gelezen hebt, heb je daar nu mooi de gelegenheid voor.’
‘Heb jij het dan gelezen?’
‘Ik heb nooit in de gevangenis gezeten, en ik heb mezelf ook nooit voor langere tijd schuil hoeven te houden. En ze zeggen dat je anders Op zoek naar de verloren tijd niet doorkomt.’
‘Ken je iemand die het helemaal heeft uitgelezen?’
‘Ik ken wel mensen die lange tijd gevangen hebben gezeten, maar dat waren geen van allen types die veel belangstelling voor Proust aan den dag legden.’
‘Goed, ik zal het proberen,’ zegt Aomame. ‘Als je het boek kunt vinden, doe je het er maar bij.’
‘Om je de waarheid te zeggen: ik had het al klaargelegd,’ zegt Tamaru.
==
Dinsdagmiddag precies om één uur komt de bevoorradingsploeg, zoals Tamaru hem noemt. Aomame trekt zich terug in de slaapkamer, zoals haar is opgedragen, doet de deur vanbinnen op slot en houdt haar adem in. Ze hoort het geluid van een sleutel die in het slot van de voordeur wordt gestoken. Dan gaat de deur open en een aantal mensen komt binnen. Ze weet niet wat voor mensen er in Tamaru’s bevoorradingsploeg zitten. Uit de geluiden die tot haar doordringen, maakt ze op dat de ploeg uit twee personen bestaat, maar stemmen hoort ze niet. De mensen dragen pakjes en dozen naar binnen, die ze zonder een woord te zeggen in de flat neerzetten. Aomame hoort het geluid van groente die onder de kraan wordt afgespoeld en in de koelkast gestopt. Waarschijnlijk hebben ze van tevoren afgesproken wie welk werk doet. Ze hoort het geluid van verpakking die wordt geopend, en van pakpapier en dozen die bij elkaar worden geraapt. Blijkbaar wordt de vuilnisemmer in de keuken ook geleegd. Aomame kan niet zelf de trap af om haar afval naar de gemeenschappelijke container achter de flat te brengen. Iemand moet dat voor haar doen.
De mensen werken energiek en efficiënt door. Ze maken niet meer lawaai dan noodzakelijk, en hun voetstappen zijn nauwelijks te horen. Na ongeveer twintig minuten zijn ze klaar. De voordeur gaat open, ze gaan naar buiten, en Aomame hoort het geluid van een sleutel die de deur op slot draait. De bel zoemt één keer. Dat is het afgesproken signaal, maar voor de zekerheid wacht Aomame nog vijftien minuten voor ze de slaapkamer uit komt. Na zich ervan te hebben verzekerd dat er niemand in de flat is achtergebleven, schuift ze de grendel op de voordeur.
De grote koelkast staat vol levensmiddelen, voldoende voor een hele week. Ditmaal is het hoofdzakelijk normale verse etenswaar, in plaats van makkelijk in een magnetron op te warmen kant-en-klaarmaaltijden. Allerlei groente en fruit. Vis en vlees. Tofu en zeewier en nattō.[1] Melk en kaas en sinaasappelsap. Een dozijn eieren. Om te voorkomen dat ze te veel afval krijgt, is alles uit de verpakking gehaald en slim opnieuw in cellofaan gewikkeld. Ze zijn er vrij nauwkeurig van op de hoogte wat voor dingen Aomame normaal gesproken eet. Hoe zouden ze daarachter zijn gekomen?
Bij het raam staat een hometrainer – klein, weliswaar, maar van uitstekende kwaliteit. Op het schermpje zijn snelheid, afstand en verbruikte energie af te lezen, evenals het aantal pedaalomwentelingen per minuut en zelfs je hartslag. Verder is er een soort bank waarop je je buik-, rug- en deltaspieren kunt trainen. Met het gereedschap dat erbij is geleverd, kan het gemakkelijk in elkaar worden gezet en weer uit elkaar worden gehaald. Aomame weet heel goed hoe ze dit apparaat moet gebruiken. Het is het nieuwste model. Het zit heel eenvoudig in elkaar, maar het levert uitstekende resultaten op. Met de hometrainer en de oefenbank kan ze alle lichaamsbeweging nemen die ze nodig heeft.
Er is ook een plastic draagzak met een metalen softbalknuppel. Aomame haalt hem eruit en zwaait er een paar keer mee. De splinternieuwe zilverachtig glinsterende knuppel zoeft door de lucht. Het is lang geleden dat ze zo’n ding in haar vingers heeft gehad, en het brengt haar tot rust. Het gevoel van de knuppel in haar hand roept herinneringen op aan haar tienertijd en haar vriendschap met Tamaki Ōtsuka.
Op de eettafel ligt een stapel van vijf dikke boeken: Op zoek naar de verloren tijd van Proust. Ze zijn wel niet nieuw, maar ze vertonen geen sporen dat ze ooit gelezen zijn. Ze pakt een deel op en bladert er wat doorheen. Verder liggen er nog wat week- en maandbladen. Vijf videobanden, het cellofaan eromheen nog intact. Ze weet niet wie ze heeft uitgekozen, maar het zijn allemaal nieuwe films die ze nog niet heeft gezien. Aomame gaat nauwelijks naar de bioscoop, dus aan films die ze nog niet heeft gezien is er geen gebrek.
In de grote papieren zak van een warenhuis vindt ze drie nieuwe sweaters, van dik tot dun, twee dunne flanellen hemden, en vier T-shirts met lange mouwen, allemaal in effen kleuren en van een eenvoudig model. De maat klopt. Warme sokken en panty’s zijn er ook. Als ze hier tot december blijft, heeft ze die nodig. Heel goed bekeken.
Ze neemt de kleren mee naar de slaapkamer en stopt alles in de laden of hangt het op in de kast. Wanneer ze terug in de keuken een kopje koffie zit te drinken, gaat de telefoon: drie keer, dan even niet, en dan weer opnieuw.
‘Is alles goed aangekomen?’ vraagt Tamaru.
‘Ja, dankjewel. Ik geloof dat ik alles heb wat ik nodig heb. Aan die fitnessapparaten heb ik meer dan voldoende. Ik ben alleen nog niet aan Proust begonnen.’
‘Als we iets over het hoofd hebben gezien, moet je het vooral zeggen.’
‘Dat zal ik doen,’ zegt ze. ‘Maar het zal wel even zoeken zijn.’
Tamaru schraapt zijn keel. ‘Ik maak me misschien zorgen om niks, maar mag ik je een goede raad geven?’
‘Natuurlijk!’
‘Tot je het zelf een keer probeert, weet je niet hoe moeilijk het is om in je eentje gedurende lange tijd in een kleine ruimte opgesloten te zijn zonder ooit iemand te kunnen zien of met iemand te kunnen praten. Zelfs de taaiste mannetjesputter krijgt het na een tijd te kwaad. Vooral als er iemand achter hem aan zit.’
‘Ik dacht niet dat ik mijn leven tot nu toe in erg grote ruimtes had doorgebracht.’
‘Die ervaring kon je nu dan wel eens goed van pas komen,’ zegt Tamaru. ‘Maar toch zou ik heel goed opletten, als ik jou was. Als je een hele tijd voortdurend onder spanning staat, worden je zenuwen als een elastiekje dat te lang is uitgerekt, zonder dat je er zelf erg in hebt. En als het eenmaal zover is, is het erg moeilijk om ze weer naar hun oorspronkelijke staat terug te brengen.’
‘Goed. Ik zal oppassen,’ zegt Aomame.
‘Ik heb het je geloof ik al eens gezegd, maar je bent voorzichtig van aard. Je bent erg praktisch, je hebt geduld, en je overschat jezelf niet. Maar zelfs de voorzichtigste mens maakt beslist een foutje als hij uit zijn concentratie raakt. Alleen-zijn is als een zuur dat een mens aanvreet.’
‘Ik geloof niet dat ik alleen ben,’ verklaart Aomame, half tegen Tamaru, half tegen zichzelf. ‘Eenzaam wel, maar niet alleen.’
Aan de andere kant van de lijn is het even stil, alsof daar wordt nagedacht over het verschil tussen eenzaamheid en alleen-zijn.
‘In elk geval, ik zal nóg beter opletten,’ zegt ze. ‘Bedankt voor de waarschuwing.’
‘Ik wil dat je je één ding goed realiseert,’ zegt Tamaru. ‘Wij zullen je helpen zoveel we kunnen. Maar als er opeens bij jou iets gebeurt – onverschillig wat, van welke aard ook –, dan moet jij jezelf kunnen zien te redden. Hoeveel haast ik ook maak, de kans dat ik niet op tijd kom is levensgroot. Er kunnen zich zelfs omstandigheden voordoen die het me onmogelijk maken je te hulp te komen – bijvoorbeeld als we tot het oordeel komen dat het ons niet schikt om onze relatie met je voort te zetten.’
‘Ik begrijp heel goed waar je heen wilt. Maak je geen zorgen. Ik ben hier omdat ik dat zelf wil, dus ik ben er helemaal op voorbereid om mezelf te verdedigen. Met de softbalknuppel en dat ding dat je me gegeven hebt.’
‘Het is een harde wereld.’
‘Wie iets hoopt te bereiken, moet bereid zijn er een paar klappen voor op te vangen,’ zegt ze.
Tamaru is weer even stil. Dan zegt hij: ‘Ken je dat verhaal van het eindexamen dat die ondervrager van de geheime politie in de tijd van Stalin moest afleggen?’
‘Nee.’
‘Nou, die man wordt in een vierkante cel gestopt, en in die cel ziet hij alleen een doodgewone, ordinaire houten stoel. Verder helemaal niks. En dan krijgt hij van zijn superieur het volgende bevel: “Heb niet het lef ook maar één stap buiten deze cel te zetten tot deze stoel een bekentenis heeft afgelegd én ondertekend.” ’
‘Dat is wel een erg surrealistisch verhaal!’
‘Niks surrealistisch! Het is realistisch van begin tot eind. Stalin had in werkelijkheid zo’n paranoïde systeem opgebouwd dat er onder zijn bewind ongeveer tien miljoen mensen de dood in werden gejaagd. En dat waren bijna allemaal zijn eigen landgenoten. In dat soort wereld leven we in werkelijkheid. Knoop dat heel goed in je oren!’
‘Wat ken je toch veel hartverwarmende verhalen!’
‘Zoveel zijn het er niet. Ik heb maar een kleine voorraad, voor als het nodig is. Ik heb nooit een systematische opleiding gehad, dus ik heb alleen de dingen onthouden waarvan ik op dat ogenblik dacht dat ze goed van pas zouden komen. “Wie iets hoopt te bereiken, moet bereid zijn er een paar klappen voor op te vangen.” Daar heb je volkomen gelijk in. Dat klopt als een bus. Alleen had ik erg weinig hoop, en die was grotendeels abstract, terwijl de klappen zowel veelvuldig als concreet waren. Daar ben ik door schade en schande achter gekomen.’
‘Dus wat voor bekentenis heeft die ondervrager de stoel uiteindelijk afgedwongen?’
‘Over die vraag zou je eindeloos kunnen nadenken,’ zegt Tamaru. ‘Net als over een zen-koan.’
‘Maar dan zen volgens Stalin,’ zegt Aomame.
Tamaru wacht een seconde voor hij de telefoon neerlegt.
==
Die middag probeert ze de hometrainer en de oefenbank uit. Voor het eerst in lange tijd geniet ze weer van een behoorlijke hoeveelheid lichamelijke oefening en van de vermoeidheid die je daarna voelt. Daarna neemt ze een douche en wast het zweet van haar lijf. Ze maakt een eenvoudige maaltijd klaar terwijl ze naar de FM luistert. Ze kijkt voor de zekerheid ook naar het avondjournaal (er is geen nieuws dat haar interesseert). En als de zon ondergaat, verhuist ze naar het balkon om de wacht te houden over de speeltuin. Met een dunne deken over haar knieën, en haar verrekijker, en haar pistool. En haar mooie, glinsterende, nieuwe metalen knuppel.
Als Tengo zich niet in deze speeltuin laat zien, wil dat zeggen dat ik op dezelfde eentonige wijze in dit hoekje van Kōenji zal moeten wachten tot dit van raadselen vervulde jaar 1q84 ten einde loopt. Eten klaarmaken, lichaamsbeweging nemen, naar het nieuws kijken, en bladerend in Proust blijven wachten tot Tengo verschijnt. Mijn hele leven draait nu om wachten – wachten op Tengo. Dat ene dunne draadje is het enige wat me in leven houdt. Ik ben net zoals de spinnetjes die ik zag toen ik over de noodtrap van de Shuto-snelweg naar beneden liep. Die kleine zwarte spinnetjes, die stil en teruggetrokken in een vunzig hoekje van dat metalen skelet hun miezerige webben weefden. Gerafelde webben vol stof en vuil, die hulpeloos heen en weer slingeren als de wind tussen de pijlers van de snelweg giert. Toen ik ze destijds zag, voelde ik medelijden met ze, maar nu verkeer ik in praktisch dezelfde positie als zij.
Ik moet een bandje met Janáčeks Sinfonietta zien te krijgen, denkt ze. Dat heb ik nodig als ik oefeningen doe. Die muziek heeft iets met mij te maken, ik weet alleen niet precies hoe of waarom. Hij lijkt me ergens heen te willen voeren. Ik moet hem op mijn lijstje voor Tamaru zetten, voor als ik weer bevoorraad word.
==
Het is nu oktober. Ze heeft geen drie volle maanden meer. De klok tikt onverbiddelijk de dagen af. Weggezonken in haar tuinstoel houdt ze door de kier van haar plastic schuttinkje de glijbaan in de gaten. De kwiklamp werpt zijn kille, bleke licht over de speeltuin. Het schouwspel doet haar denken aan de verlaten gangen van een middernachtelijk aquarium. Onzichtbare virtuele vissen zwemmen geruisloos tussen de bomen. Ze onderbreken dat stille zwemmen geen moment. Aan de hemel staan twee manen naast elkaar en vragen haar om hun bestaan te erkennen.
Tengo, fluistert ze. Waar ben je nu?
[1]Nattō is een gerecht gemaakt van gefermenteerde sojabonen, dat bekendstaat om zijn hoge voedingswaarde. Vanwege zijn karakteristieke sterke geur en ietwat slijmerige substantie is het weinig populair buiten Japan.