9
Toen Jan van den Homburg de volgende morgen wakker werd, bleef hij doezelig nog even liggen. Toen merkte hij de lege plaats op naast hem in bed. ‘Lucie?’ fluisterde hij. Ze zou vandaag toch thuis zijn? Waar was ze dan? Langzaam kwam hij overeind en hij keek op zijn horloge op het nachtkastje. Zeven uur al? Hij moest voortmaken. Over een uur zou Sabine op de zaak zijn. Voor die tijd wilde hij eerst nog een paar warme broodjes kopen. Dicht bij de Singelgracht had hij een warme bakker ontdekt die al vanaf zeven uur open was. Als hij daar geweest was, reed hij naar de P.C. Hooft, zette koffie en ontbeet vervolgens gezellig samen met Sabine. Die routine was ontstaan sinds Lucie voor het televisieprogramma Lucies Chocoladekeuken werkte en voor dag en dauw naar Eemnes reed. Natuurlijk hield hij nog van Lucie, dacht Jan een beetje schuldig, maar Sabine… Kom, hij moest voortmaken.
Hij stapte uit bed en repte zich naar de badkamer. Opgewekt begon hij zijn gezicht in te zepen. Gek, tegenwoordig voelde hij zich weer helemaal jong worden. ‘Fris en fruitig,’ mompelde hij met een glimlach tegen zijn spiegelbeeld in de grote badkamerspiegel.
Toen hij de trap af liep, kwam de geur van gebakken eieren hem tegemoet. Verbaasd stapte hij de keuken in, waar Lucie in haar duster bezig was eieren te bakken op het grote fornuis. Ze had de tafel expres mooi gedekt met een gezellig servies uit haar grote collectie, want Lucie verzamelde al jaren prachtige serviezen, die in allerlei kasten verspreid door het huis stonden.
‘Wat ben jij aan het doen zo vroeg op de morgen?’ vroeg hij.
‘Goeiemorgen, lieverd. Dat zie je: jou verrassen. We hebben al zo lang niet meer samen ontbeten, omdat ik ’s morgens vaak zo vroeg weg moest. Ik voelde me gewoon een beetje schuldig,’ antwoordde Lucie zonnig. ‘De broodjes staan in de oven. Straks zet ik even koffie. Daisy en Kevin komen ook zo. Hè, heerlijk. Dit heb ik wel gemist.’ Met een keukenspatel draaide ze voorzichtig de eieren om in de koekenpan.
‘Eh… Luus, heel gezellig, maar ik moet echt weg. Ik ben al laat’ – Jan keek op zijn horloge – ‘en anders staat Sabine straks voor een dichte deur. Jammer, meis, dat ik niet eerder wist dat je dit van plan was, anders had ik je kunnen waarschuwen. Maar ja, je sliep al toen ik gisteravond in bed stapte. Schat, een andere keer beter. Maar ik waardeer het wel, hoor.’ Hij kuste haar snel op de wangen en voordat ze nog iets kon zeggen, was hij verdwenen.
Maar Lucie liet hem niet zomaar gaan. ‘Jan!’ riep ze.
In de winkel bleef hij staan. ‘Ja?’ vroeg hij ongeduldig.
‘Kom je vanavond wel op tijd thuis? Ik wil dat we vanavond, net als vroeger, weer gezellig met elkaar eten.’
‘Ik zal proberen op tijd te zijn, Luus, ik doe mijn best.’ Hij draaide zich om en liep haastig de winkel uit.
Verbaasd keek Lucie hem na. Ze begreep er helemaal niets van en liep langzaam terug naar de keuken. Bijna op hetzelfde moment kwam Daisy de keuken in. ‘Wat is er met jou aan de hand?’ vroeg ze toen ze het gezicht van haar moeder zag.
‘Je vader… Heb ik me uitgesloofd om een lekker ontbijtje voor hem klaar te maken, gaat hij weg,’ antwoordde Lucie, nog steeds verbaasd.
‘Moet hij soms nog naar Den Haag? Daar koopt hij toch altijd zijn spullen in?’ merkte Daisy op.
‘Nee. Hij wilde op tijd zijn voor Sabine. Anders kwam ze voor een dichte deur te staan, zei hij.’
‘Wat raar. En hij houdt nog wel zo van gebakken eieren,’ zei Daisy. Ze fronste haar wenkbrauwen en dacht koortsachtig na. Sabine had toch een sleutel van de winkel, of vergiste ze zich nu? Nee, ze wist het zeker. Dat moest wel, omdat er dagen waren dat haar vader pas om tien uur ’s morgens uit Den Haag terugkeerde. Pap was toch niet verliefd…? Hè get, dat mocht niet en dat kon niet.
‘Waar denk je aan, Dais?’ vroeg Lucie. Wist haar dochter iets wat zij niet wist?
‘Ik dacht gewoon even na. Er is helemaal niets, hoor mam,’ antwoordde Daisy vlug. ‘Pap is gewoon wat uit zijn doen, denk ik.’
‘Hoezo?’ vroeg Lucie opeens ongerust.
‘Tja, hoe zal ik dat nu zeggen? Vooral niet schrikken, maar dat ellendige stel Thea en Arthur Augustijn loopt weer vrij rond.’
‘Hè? Hoe kan dat nou? Nu al? Ze moesten toch een paar jaar zitten?’
‘Wegens goed gedrag vrijgelaten,’ antwoordde Daisy schouderophalend. ‘Ik kwam Arthur tegen in de Bijenkorf.’
‘Sprak hij je aan?’
Daisy knikte. ‘Hij deed eerst poeslief, maar daar trapte ik niet in.’
‘Wat zei hij?’
‘O, dat ze wisten dat pap een winkel in de P.C. Hooft had geopend en dat ze beslist een keertje zouden langskomen. Alsof pap ze hartelijk zou binnenlaten! Mam, kijk niet zo ongerust. Ze kunnen ons niets meer maken.’
‘Maar ik vertrouw die vrouw niet. Het leek mij nogal een wraakzuchtig type.’ Lucie had Thea Augustijn maar één keer gezien, maar ze herinnerde zich haar als de dag van gisteren. Eigenlijk was ze opgelucht. Even was ze bang geweest dat Daisy haar iets anders zou vertellen, iets over Jan en… Sabine.
‘Toch vond ik dat je vader wel erg veel haast had. Hij gunde zichzelf niet eens zijn favoriete ontbijtje en vloog werkelijk weg.’
‘Mam, ze zijn toch bezig met de verbouwing? Pap vertelde gisteravond dat er problemen waren met de afvoer in de keuken. En je weet dat hij elke dag met zijn neus boven op de werkzaamheden staat. Je kent hem toch?’
Lucie knikte. Natuurlijk, de verbouwing, daar had ze helemaal niet aan gedacht. Daisy had gelijk: Jan hield graag de touwtjes in handen. Maar kwamen de bouwvakkers dan niet ’s avonds, vroeg ze zich af. Ach, die hele verbouwing ging langs haar heen. Waarschijnlijk had Jan andere afspraken met de mannen gemaakt.
‘Wanneer is de verhuizing?’ informeerde Daisy.
‘Ik dacht over twee weken.’
‘Gaan we gezellig helpen. Ik houd wel van verhuizingen,’ zei Daisy opgewekt.
Jan parkeerde zijn auto dicht in de buurt van de zaak en pakte de zak met verse broodjes van de achterbank. Zo, hij was mooi op tijd, want het licht in de winkel was nog niet aan. Wat een geluk dat Lucie niet had doorgevraagd over de sleutel, want dan had hij echt een probleem gehad.
Hij liep langs de dichte winkels. Alleen de boekhandel was al open. Dat kwam goed uit, want hij had een paar balpennen nodig. Notities maakte hij nog steeds op papier. Dat elektronische gedoe met die smartphones… Hij moest er nog steeds niets van hebben. Jan liep de winkel in en kocht de balpennen. Bij het verlaten van de winkel werd zijn blik getrokken naar een blad in het tijdschriftenschap. Het was een roddelblad met op de voorkant de tekst Keukenprinses nieuwe vriendin presentator Nachtgedichten?. Verbaasd en geschokt pakte hij het blad en bekeek de foto’s onder de tekst. Dat kon toch niet waar zijn? Daar zat zijn Lucie aan tafel met die Millo Hermsen en je kon duidelijk zien dat er iets bijzonders bestond tussen die twee. De manier waarop die slijmbal naar Lucie keek, verklaarde alles: die man was smoorverliefd op haar. Waar waren deze foto’s gemaakt, vroeg hij zich af. Toch niet in Amsterdam? Was het soms in de plaats waar de televisieopnames werden gemaakt, in Eemnes of zo? Maar wat deed die stomme gedichtenpresentator daar dan? Die hoorde toch niet bij de medewerkers van Lucies programma? Wat was hier aan de hand? Snel rekende hij ook het blad af, waarna hij woedend naar zijn eigen zaak liep. Lucie en die kerel… Eerlijk gezegd had hij altijd al wel zoiets verwacht, die kerel met zijn fluwelige ogen en zijn vleierige stem die ’s nachts de vrouwen een beetje zat op te vrijen, want daar kwam het gewoon op neer. Lucie…
Hij opende de winkeldeur en stampte door de winkel naar de keuken, waar hij het koffiezetapparaat aanzette. Met een woest gebaar smeet hij het blad op een werkbank. Dat zou hij straks uitvoerig gaan lezen, maar nu moest hij de tafel in de keuken dekken, want straks kwam Sabine. Sabine… Tjonge, en hij zich maar schuldig voelen tegenover Lucie omdat hij een ietsepietsie verliefd was op Sabine, terwijl zijn vrouw het achter zijn rug om hield met dat televisiemannetje. Waar haalde ze het lef vandaan?
Hij wilde net het artikel gaan lezen toen de winkelbel ging. Sabine stapte naar binnen, haar gezicht rozig van de kou. Meteen verdween Jans kwaadheid. Hij zag alleen maar haar vrolijke, mooie gezicht.
‘Goedemorgen. Wat ruikt het hier heerlijk.’ Sabine snoof de koffiegeur diep op en liep verder de winkel in.
‘Ook goeiemorgen. Heb je al gegeten?’ Jan pakte de zak broodjes en legde die op een schaal.
‘Alleen maar een boterham, maar ik heb nu best trek in een bolletje. Gezellig.’ Sabine trok haar jas uit en ging aan de kleine tafel zitten. Jan schonk de koffie in.
‘Je vrouw heeft het echt met jou getroffen,’ zei Sabine lachend. ‘Zo attent als je bent.’
‘Nou, dat valt behoorlijk tegen,’ merkte Jan schamper op. De woede borrelde weer in hem op. Hij kneep zijn lippen op elkaar en zijn ogen vlamden.
‘Wat valt tegen – dat je attent bent of dat je vrouw je niet attent vindt?’ Jee, wat keek haar baas boos. Zo had ze hem nog nooit meegemaakt. ‘Moeilijkheden?’ vroeg ze toen voorzichtig.
‘Ik ben bang van wel.’
‘Wil je erover praten? Misschien lucht dat je wel op,’ drong Sabine aarzelend aan.
Jan reikte naar het blad op de werkbank. ‘Hier, kijk maar.’
Verbaasd bekeek de jonge vrouw de foto op de cover. ‘Ik begrijp er niets van. Je vrouw leek me helemaal geen type voor zoiets. Ze komt zo eerlijk, hartelijk en aardig over.’
‘Ja, vast, maar ondertussen. Mijn vader waarschuwde altijd: Jochie, je kunt alles op een gezicht lezen, behalve de waarheid.’
Sabine bladerde het tijdschrift door tot ze het artikel gevonden had en begon te lezen.
‘Bah,’ zei ze daarna vol afkeer. ‘Je gelooft die onzin toch niet? Het is toch een roddelblad? Roddelbladen verzinnen vaak maar wat. Dat weet je toch?’ probeerde ze hem op te beuren. Ze legde bemoedigend haar hand over de zijne.
Jan zuchtte diep. Wat heerlijk voelde haar hand aan, dacht hij, en wat fijn dat hij zijn problemen met haar kon delen. Zij begreep hem. Zo’n fijngevoelig meisje. Ze leek sterk op zijn Lucie van vroeger.
‘Het ergste vind ik nog dat Lucie tegen ons gelogen heeft,’ merkte hij bitter op. ‘Ze maakte ons wijs dat ze elke avond na afloop van de opnames met de medewerkers van het programma een hapje ging eten. Dus niet. In plaats daarvan bracht ze elke avond door met die kerel, die Millo. Bah.’
‘Maar wie zegt dat ze een relatie hebben? Je vrouw en die man kunnen toch ook gewoon bevriend met elkaar zijn?’
‘Ik merk het al, liefje, jij bent veel te goed van vertrouwen,’ zei Jan hoofdschuddend.
Het liep tegen de avond. Jan van den Homburg liep naar de tuin en ademde diep de koude vrieslucht in. De eerste sterren verschenen aan de donkere hemel, maar hij had er geen oog voor. Hij was in verwarring. Dat hij zo van streek was door het ellendige artikel uit het roddelblad begreep hij niet. De laatste tijd was zijn liefde voor Lucie immers behoorlijk bekoeld en had hij veel meer aandacht besteed aan iemand anders. Eén moment had hij zelfs gedacht dat de liefde voor zijn vrouw verdwenen was. Dat kwam natuurlijk door Lucie zelf. Die besteedde meer aandacht aan haar werk dan aan haar gezin. Geen wonder dat hij een beetje verliefd was geworden op Sabine. Maar toen hij vanmorgen die foto’s zag… Het liefst had hij het blad verscheurd. Wat een belediging! Alsof hij niet goed genoeg voor Lucie was en zij de voorkeur gaf aan iemand anders. Ja, daarom was hij zo kwaad: dat artikel was een aantasting van zijn mannelijkheid.
‘Ben je niet wat aan de vroege kant?’ vroeg Daisy toen ze haar moeder druk bezig zag met koken.
‘Welnee, je vader weet dat ik vroeg met het avondeten zou zijn. Hij heeft me beloofd om op tijd te komen. Weet je, Dais, ik heb jullie de laatste tijd een beetje verwaarloosd. Vanaf nu probeer ik weer op tijd thuis te zijn. Ik moet dan wel door de spits, maar zoveel mensen doen dat. Dat kan ik ook wel.’
‘Maar ben je dan niet te moe?’
‘Dat valt wel mee. En het is nog maar een paar keer. De finale nadert. Ik zal toch wel blij zijn als alles achter de rug is. Ik vond het ontzettend leuk en een hele ervaring, maar ook vermoeiend. Steeds moest ik wat nieuws proberen en dat viel soms niet mee.’
‘Ik bewonder je, mam,’ zei Daisy warm. ‘En je hebt ons echt niet verwaarloosd. We wisten toch van tevoren dat het zo druk zou worden?’
‘Jawel, maar toch… Hé, daar zul je je vader hebben. Ik hoor het aan zijn voetstappen,’ lachte Lucie. ‘Roep jij Kevin even?’
Daisy liep weg. Even later kwam Jan de keuken in.
‘Wat ben je lekker op tijd,’ zei Lucie. ‘Ik heb je lievelingskostje gemaakt, en deze keer geen chocoladetoetje maar een lekkere bitterkoekjespudding toe. Ik kan het woord chocolade even niet meer horen.’
Toen ze geen reactie kreeg, draaide ze zich om naar haar man. Waarom keek hij zo woedend? ‘Is er iets gebeurd?’ vroeg ze verwonderd.
‘Dat zul jij niet weten!’ merkte Jan snijdend op. Hij haalde het tijdschrift uit zijn zak en smeet het op het aanrecht.
Lucie slikte en voelde het bloed wegtrekken uit haar gezicht. O nee!
‘Dat is schrikken, hè? Je dacht zeker: daar komt Jan toch nooit achter?’
‘Waarachter?’ Lucie legde de pollepel waarmee ze de soep omroerde neer en deed het gas uit. Ze ging meer rechtop staan.
‘Hè nee, hebben jullie ruzie?’ vroeg Daisy, die samen met Kevin de keuken in liep. Opeens zag ze het tijdschrift op het aanrecht. Nee… Was dit soms het werk van die akelige Sijtske Blom? Als dat zo was, zou dat mens ervan lusten. Daar zou Daisy persoonlijk voor zorgen. ‘Waar heb je dat vod vandaan, pap?’
‘Gekocht, Dais, in een boekwinkel. En het was erg fijn om te lezen.’
‘Je gelooft die onzin toch niet?’
‘O, je hebt het artikel al gelezen, merk ik.’
‘Ja, en ik ook,’ viel Kevin, die inmiddels ook aanwezig was, zijn zusje bij. ‘Bij elkaar verzonnen troep.’
‘Dat zal wel, maar dat wil ik dan wel uit de mond van je moeder horen. Leg maar uit,’ brieste hij terwijl hij Lucie dreigend aankeek.
‘En geloof je me dan als ik uitleg wat er gebeurd is?’ vroeg Lucie kalm.
‘Dat hangt ervan af. Begin maar.’
Daisy werd witheet. De manier waarop haar vader haar moeder afblafte was zo grof, zo bot! Ze wilde iets zeggen, maar ze wist dat haar moeder dat niet wilde. ‘Ik kan mijn eigen boontjes wel doppen, Dais,’ zei Lucie altijd.
‘Elke avond na de opname ging ik inderdaad met Millo Hermsen ergens iets eten. Ik heb dus tegen jullie gelogen. Maar als ik de waarheid had verteld, wat had jij dan gezegd, Jan? “Wat aardig, Luus, en wat fijn dat je dan even helemaal tot rust kunt komen.” Ik denk het niet. Je had meteen het ergste gedacht. Weet je wat zo prettig is aan Millo, Jan? Elke avond als ik doodmoe in dat restaurant zat, vroeg hij vol aandacht hoe het met me ging en hoe de opnames verlopen waren. Of er nog iets bijzonders was gebeurd, want er gebeuren vaak dingen waar niemand op rekent. Taarten die in elkaar zakken, glazuur dat niet wil druipen, room die schift – zulke dingen, maar die zullen jou niet interesseren. Nog niet één keer heb jij als ik thuiskwam geïnformeerd hoe het was.’ Lucie keek hem kalm aan. ‘Niet één keer,’ herhaalde ze nadrukkelijk.
‘O, gaan we nu uit dat vaatje tappen? Ik heb natuurlijk niet genoeg aandacht voor je.’
‘Dat heb je inderdaad niet.’
‘Dus ik ben weer de schuld van alles. Het is mijn schuld dat die foto’s in dat blaadje staan.’
Lucie onderdrukte een zucht. ‘Nee, Jan,’ antwoordde ze bijna moedeloos.
‘Dat is de schuld van iemand die zich journalist noemt en die voor zo veel mogelijk geld vuil wil spuiten in een blaadje,’ zei Kevin minachtend. Hij kon het niet uitstaan dat zijn vader wel de rommel in dat smerige blaadje geloofde en niet zijn moeder. ‘Waarom luister je niet naar haar?’
‘Dat doe ik toch?’
‘Nee, dat doe je niet. Anders zou je wel anders reageren,’ viel Daisy haar broer bij. ‘Trouwens, voor iemand met zoveel boter op zijn hoofd blaas je wel erg hoog van de toren, pap.’
‘Hoe… Hoe bedoel je?’ vroeg Jan, opeens verschrikt. Van zijn opgeblazen ego was niets meer over. Vermoedde Daisy iets? Vermoedde ze dat hij verliefd was op Sabine, vroeg hij zich af.
‘Wat dacht je van Thea Augustijn? Was je haar soms vergeten?’ vroeg Daisy met opgetrokken wenkbrauwen.
Jan kon nauwelijks een zucht van verlichting onderdrukken. ‘O, die… Dat is verleden tijd,’ zei hij achteloos. ‘Die gebeurtenis hebben je moeder en ik allang uitgesproken. Trouwens, ik was toen helemaal niet echt verliefd op haar.’
‘Nee, maar je deed wel alsof. Kun je je nog die foto’s herinneren?’ Daisy’s ogen glinsterden gevaarlijk.
Lucie zuchtte. Wat een narigheid. Waarom moesten alle problemen uit het verleden weer opgediept worden? Treurig keek ze naar de pannen en de schalen waarin het eten langzaam verpieterde. Ze had zich deze avondmaaltijd heel anders voorgesteld.
Jan schokschouderde. ‘We hebben het nu over je moeder.’
‘Je wilt weten of ik verliefd ben op Millo?’ vroeg Lucie vermoeid.
‘Ik wil weten wat er waar is van dat artikel en die foto’s,’ hield Jan koppig vol.
‘Ik heb je al verteld dat ik na afloop van de opnames samen met Millo in dat restaurant zat, maar ik ben niet verliefd op hem, mocht je dat soms denken. Ik vind hem wel heel aardig en heel attent, en ik ben graag in zijn gezelschap.’
En ik ben ook waarschijnlijk een beetje verliefd op hem, vulde Daisy in gedachten aan. Ze kon haar moeder goed begrijpen. Iedereen had toch aandacht nodig en niemand wilde toch op de tweede plaats komen in een relatie? Dat had haar toch ook zo gestoord bij Niek? Haar vader was soms een ongelooflijke botterik.
‘En hij?’ vroeg Jan.
‘Wat bedoel je?’ Lucie keek haar man verbaasd aan.
‘Millo, is hij verliefd op jou?’
‘Dat zou je aan hem moeten vragen.’
‘Maar wat denk jij?’
‘Dat is toch niet belangrijk? Ja, ik vermoed dat Millo een beetje verliefd op me is, maar dat heeft geen zin. Zie je, Jan, jij was mijn grote liefde. Ik had er alles voor over om met jou te trouwen en daarvoor cijferde ik mezelf helemaal weg. Op het stadhuis heb ik je trouw beloofd. Daar houd ik me aan,’ zei Lucie waardig.
Er viel een korte stilte. Zelfs Jan was onder de indruk. ‘Je zei dat ik je grote liefde wás. Ben ik dat nu dan niet meer?’ vroeg hij op een heel andere toon.
‘Je maakt het me de laatste tijd niet makkelijk, Jan van den Homburg. Soms kwam het zelfs even in me op dat je verliefd zou kunnen zijn op iemand anders. Dat was natuurlijk verkeerd van me om te denken, want anders zou je nu niet zo boos zijn om dat artikel. Sorry, Jan.’
Jan wist niet meer wat hij zeggen moest. Schaamte overviel hem. Hier stond Lucie, zijn vrouw, loyaal, eerlijk en argeloos, terwijl hij met zijn grote mond… ‘Luus, laten we dat misselijke blaadje maar gauw vergeten,’ zei hij berouwvol. ‘We beginnen helemaal opnieuw.’
Opnieuw beginnen? Hoezo? Waarmee, vroeg Daisy zich af. Vreemd, ze was er honderd procent zeker van dat haar moeder de waarheid had gesproken, maar haar vader vertrouwde ze voor geen cent. Ze dacht diep na. Er was een opmerking geweest die haar geraakt had. Plotseling wist ze het weer. Het ging erover dat haar vader in het verleden was vreemdgegaan, en Daisy had gevraagd of hij Thea Augustijn vergeten was. Hij reageerde toen met: ‘O, die…’ Was er dan nog iemand anders? Zo gek was die gedachte van haar niet. Ook haar moeder had toch even gedacht dat haar vader verliefd was geworden op een ander? Ach, en mam had daar nota bene ook nog haar excuses voor gemaakt.
Lucie kon niet in slaap komen. Natuurlijk was ze blij dat het weer in orde was gekomen met Jan en dat alles uitgesproken was; dat hij haar net als vroeger weer omhelsd had en met haar naar bed was gegaan. Ze hield niet van geheimen en stiekem gedoe. Maar wat deed ze met Millo? Ze was eigenlijk al van plan geweest om na afloop van een opnamedag niet meer samen te gaan eten, omdat ze vond dat het thuis niet goed liep. Lucie had het beslist niet leuk gevonden dat haar kinderen als zij niet thuis was bij haar vriendin Truus gingen eten. Het leek dan net of zij tekortschoot en dat voelde niet goed. Daar kwam nu ook nog dat akelige roddelblad bij. Ze wist dat als één roddelblad met iets begon, de andere tijdschriften er meteen ook bovenop doken. Van Millo begreep ze wel dat hij interessant voor die bladen was, maar wat was er zo aantrekkelijk aan haar?
Emma, de gastvrouw van het programma, had haar echter al voorbereid. ‘Lucie, je was al bekend doordat je die bakwedstrijd won, maar nu je aan dit programma meewerkt, ben je helemaal voer voor de journalisten van de roddelbladen. Kijk dus uit,’ had ze gewaarschuwd. Lucie had ongelovig geglimlacht, omdat ze het zich niet kon voorstellen dat iemand over haar wilde schrijven. Dat was dus een vergissing gebleken. Ze moest dus stoppen met de gezellige etentjes met Millo. Morgen zou ze hem meteen maar vertellen dat ze niet meer met hem meeging. Ontzettend jammer.
De twee dagen van de kwartfinale van de wedstrijd verliepen hectisch. Op de laatste dag moesten de vijf overgebleven deelnemers acht taartjes maken met verschillende vullingen. De gebakjes moesten afgewerkt worden met een topping van botercrème of bavarois, en voor elk taartje moest natuurlijk een chocoladeonderdeel worden gebruikt. De druk waaronder de deelnemers werkten was groot, want iedereen wilde de halve finale bereiken. Niemand zei een woord en geen deelnemer had meer in de gaten dat er gefilmd werd. Alleen de geluiden van de ronddraaiende mixers, het fanatieke kloppen van gardes tegen metalen en glazen kommen en het getinkel van messen en lepels waren te horen.
Langzaam en vooral voorzichtig liep Lucie langs de werkbanken. Hier en daar zei of vroeg ze wat. Vanuit haar ooghoek zag ze opeens dat iemand zijn plek verliet en wegliep. Lucie draaide zich om en zag nog net dat Agnes, een oudere vrouw, razendsnel haar arm uitstak en met haar hand een kom met cakebeslag van de werkbank van Kira, de jongste deelnemer, stootte. De chaos die daarop volgde was groot. Het beslag vloog over de vloer en zorgde voor een gevaarlijke situatie.
‘Neem me niet kwalijk,’ riep Agnes theatraal. ‘O, lieve Kira, neem me niet kwalijk. Vreselijk, dat mij dat nu moest overkomen! Ik ben ook zo onhandig!’ Ze stak haar handen in de lucht en schudde haar hoofd heftig heen en weer.
Lucie werd razend. Ze wist dat de vrouw loog. Agnes had al eerder zogenaamde ongelukjes veroorzaakt en deed werkelijk alles om deze wedstrijd te winnen.
Kira keek ontzet toe. Tranen sprongen haar in de ogen. De jonge vrouw wist bijna zeker dat Agnes met opzet de kom met beslag van haar werkbank had geveegd.
Een schoonmaker schoot te hulp en dweilde razendsnel het beslag op.
Lucie zat met haar handen in het haar. Wat nu? Hoe moest ze dit in vredesnaam oplossen? Maar dat hoefde zij gelukkig niet te doen.
De programmaleider ging voor de groep staan. ‘Lieve mensen, dit kunnen we niet uitzenden. We moeten weer van voren af aan beginnen,’ besloot hij. ‘Iedereen moet een eerlijke kans krijgen. We lassen nu een pauze van een halfuur in. Jammer, maar het is niet anders.’
Niemand was er blij mee. Verslagen zaten ze bij elkaar, met uitzondering van Agnes, die ergens apart bij een werkbank stond.
‘Ik was al zo lekker ver,’ klaagde een deelnemer.
‘Wat denk je van mij: mijn cakejes stonden al in de oven,’ zei een ander boos. Met boze blikken keken ze naar Agnes, die met een uitdrukkingsloos gezicht voor zich uit staarde. Het leek alsof ze het totaal niet erg vond dat iedereen haar met afkerige en boze blikken bekeek.
Het hele voorval zat Lucie dwars. Zo oneerlijk gedroeg je je toch niet tijdens een wedstrijd? Ze had meer dan genoeg van de trucjes van Agnes en ging daarom naar de productiemanager en de programmaleider om te overleggen.
‘Dit is de zoveelste keer dat ze iets uithaalt,’ zei Lucie. ‘Alleen maar om te winnen.’
‘Daar weten we wel raad op,’ zei de programmaleider glimlachend. Hij legde snel de oplossing van het probleem uit.
Even later liep Lucie naar Agnes toe en trok haar mee naar een plek buiten het gehoor van de andere deelnemers. ‘Agnes,’ zei ze kalm. ‘Ik heb zojuist een gesprekje gehad met de productiemanager en de programmaleider. We hebben afgesproken dat als er nog iets vervelends gebeurt waar jij ook bij betrokken bent, jij eruit vliegt bij de jurering, ook al heb je het beste van allemaal gebakken.’
‘Wat oneerlijk! Ik deed het toch niet met opzet?’ reageerde Agnes verontwaardigd. Het leek haar helemaal geen moeite te kosten om een paar tranen uit haar ogen te persen. Ze snufte diep en trok een paar keer wrokkig haar schouders op.
‘Natuurlijk niet,’ zei Lucie met een glimlach. ‘Maar we willen gewoon voorkomen dat je per ongeluk nog eens zoiets onhandigs doet. Heel goed uitkijken dus. Het komt helemaal goed.’ Ze gaf de vrouw een bemoedigend klopje op de arm.
De kwartfinale verliep daarna zonder problemen.
Na de jurering pakte Lucie langzaam haar tas in. Nu kwam het moeilijkste deel van de dag: ze moest Millo uitleggen dat ze niet meer met hem meeging. Wat moest ze zeggen en hoe zou hij het opvatten?
Plotseling stond Emma naast haar. ‘Ik wil me nergens mee bemoeien, maar ben je inderdaad bevriend met Millo Hermsen?’ vroeg ze.
Verschrikt keek Lucie haar aan. Had iedereen dan het roddelblad gelezen? ‘Er is niets van waar,’ zei ze snel.
‘Wat bedoel je?’
‘Heb je dan niet de foto’s gezien en het artikel in dat blaadje gelezen?’
‘Waar heb je het over, Lucie? Ik volg je even niet.’
Lucie zuchtte. ‘Ach, iemand heeft over Millo en mij een heel vervelend artikel geschreven. Heel vervelend.’ Ze zweeg even. ‘Maar hoe weet je eigenlijk dat Millo en ik vrienden zijn?’ ging ze toen verder.
‘Aan het eind van een opnamedag zag ik jullie een keer samen wegrijden en daarom wilde ik je waarschuwen. Ik weet dat jij getrouwd bent en Millo niet. Er komen snel praatjes in de wereld.’
‘Ik begrijp het, maar het is al te laat. Een journalist van een roddelblaadje heeft ons gezien en toen allerlei onzin over ons geschreven. Dat ik niet meer van mijn man zou houden en zo.’
‘Wat naar. Wat nu?’
‘Gelukkig weten ze het thuis. Ze vonden dat artikel leugenachtig. Dat is het belangrijkste, vind ik zelf.’
‘Je hebt gelijk. Weet Millo het ook al?’
‘Ik ga het hem straks vertellen, maar ik zie ertegen op. Het lijkt me namelijk beter als we elkaar voorlopig niet meer zien en na afloop van een opnamedag niet meer met elkaar gaan eten. Ik vind het heel jammer, maar ik wil niet dat er meer over ons geschreven wordt.’
‘Dat kun je wel niet willen, maar zo werkt het niet, Lucie. Leg je er maar bij neer: je stopt die vuilspuiters niet. Eén geluk: verstandige mensen kopen en geloven die troep niet. Trek je er maar niets van aan.’
Dat kon Emma nou wel zeggen, maar Lucie trok het zich wel degelijk aan. Ze was nog niet aan bekendheid gewend en had er grote moeite mee dat mensen die haar niet kenden zich met haar leven bemoeiden en leugens over haar verspreidden.
Toen Lucie zenuwachtig de grote boerderij uit liep, stond Millo haar al op de parkeerplaats op te wachten. Hij wilde haar een kus geven, maar Lucie trok zich haastig terug en keek schichtig om zich heen.
‘Hé, Luus, wat is er?’ vroeg hij verwonderd.
‘Millo, het is beter als we elkaar voorlopig niet meer zien. Ik vind het vreselijk jammer, maar… Misschien kunnen we beter even in mijn of jouw auto gaan zitten.’ Weer keek ze om zich heen.
Millo begreep er niets van, maar deed wat Lucie voorgesteld had. Toen ze samen in Millo’s grote auto zaten, vroeg hij: ‘Waarom kijk je zo bezorgd, bijna angstig, en waarom mogen we elkaar niet zien? Dat betekent dan dus ook dat je niet meer met me wilt eten. Waarom?’
Lucie schudde haar hoofd. ‘Het gaat echt niet meer. Er wordt allerlei onzin over ons geschreven, en dat wil ik niet.’
‘Hè? Wie doet dat dan en waarin?’
Lucie legde in het kort uit wat er aan de hand was.
‘Wie gelooft die onzin van een roddelblaadje nou?’ zei hij minachtend.
‘Heel veel mensen. Ik wil het gewoon niet. Tegelijk vind ik het ook erg jammer dat er een eind aan onze etentjes komt. Ik vond het heerlijk om na een drukke dag samen met jou ergens te zitten en tot rust te komen.’
‘Ach, Lucie…’ Millo sloeg een arm om haar heen.
O, nee, dat moest hij nu net niet doen, dacht ze bang. Stel je voor dat er ergens een fotograaf achter de struiken op de loer lag. Maar ze durfde zijn arm niet af te schudden. Daar zou ze hem mee kwetsen en dat wilde ze onder geen beding. Daar was hij te goed en te lief voor.
‘Dus hier nemen we afscheid,’ zei hij.
Lucie knikte.
‘Kom je ook nooit meer bij me thuis op bezoek?’
‘Ik weet niet of dat wel zo verstandig is. Voorlopig niet. Als het programma eenmaal op de televisie is geweest, denk ik dat het wel weer kan.’
Hij liet haar los. ‘Ga maar,’ zei hij treurig.
‘Dag.’ Lucie stapte uit. Ze voelde zich afschuwelijk. Dit was het gevolg als zogenaamde journalisten voor geld in het leven van bekende mensen wroetten.
Millo Hermsen reed weg en Lucie keek hem met tranen in de ogen na. Het voelde alsof ze iets heel kostbaars had verloren. Langzaam verdwenen de achterlichten in het duister van de avond.