6
Nelson Wijnschenk keek rillend naar buiten. Eind oktober en nu al deelde de winter kleine plaagstoten uit. Soms dreef er een sneeuwbuitje over en op het water van de Ringsloot lag een laagje ijs. Aan de overkant van de vaart waren de daken van de huizen al helemaal wit. Het was een prachtig gezicht, dat wel, maar Nelson hield niet van de winter. Te koud, te weinig beweging buiten, te doods, te kaal. Dan werd hij overmand door heimwee naar Suriname, met zijn luidruchtige geroezemoes, de geuren, de warmte en de intens blauwe hemel met een stralende zon. Hij zuchtte. Het werd tijd dat hij weer eens op vakantie ging naar zijn geboorteland.
Sabine kwam de woonkamer in. Ze had zich dik ingepakt om de kou te trotseren. Alleen haar das moest ze nog omslaan.
Nelson keek op zijn horloge. ‘Ga je nu al? Ben je niet wat aan de vroege kant?’
‘Jan komt later, omdat hij vanmorgen vroeg inkopen doet bij een Surinaamse groothandel in Den Haag. Daarom ga ik wat eerder. Dan is de winkel al open en kan ik alvast koffiezetten.’
‘Werk je niet te hard?’
‘Welnee, ik doe het graag, vooral nu met dit koude weer. Allerlei stamppotten en wintersoepen… Jan geeft mij alle vrijheid bij het koken. Het is zo’n lieve man. Jammer dat hij…’ Sabine zweeg plotseling.
‘Wat is zo jammer?’
‘Ach… Ik weet het niet, maar…’
‘Zit-ie in de problemen? Laat ik nou denken dat die winkel juist een groot succes was.’
‘Het gaat niet om de zaak. Ik vermoed dat er iets mis is bij hem thuis. Ik hoorde hem toevallig bellen met zijn dochter en toen werd hij behoorlijk kwaad. “Is je moeder er vanavond nu wéér niet?” hoorde ik hem zeggen.’
‘Is die moeder dan zo uithuizig?’
‘Dat weet ik niet. Ze doet mee aan een tv-programma, maar duren die opnames dan tot ’s avonds? Daar heb ik nog nooit van gehoord.’
‘Nou, meissie, verstandig zijn: niet mee bemoeien. Ja, ik ken je, jij wilt het liefst iedereen gelukkig zien, maar dat is nu eenmaal niet mogelijk. Laat die mensen alsjeblieft hun eigen problemen oplossen.’
‘Ja, maar…’
‘Sabine…’ waarschuwde Nelson haar op scherpe toon.
‘Oké, ik zal niets zeggen. Maar nu moet ik toch echt gaan.’
‘Voordat je weggaat… Vanavond ben ik niet thuis. Ik heb afgesproken met een paar vrienden en het wordt tamelijk laat. Blijf dus niet op en maak je vooral geen zorgen over hoe ik thuiskom. Ik word als een pakketje thuisbezorgd.’
‘Waar ga je naartoe?’
‘Zoals ik al zei: naar een paar vrienden, in de Bijlmer – gezellig herinneringen ophalen aan Suriname.’
‘Nou, tot vanavond dan.’
Sabine gaf hem een kus en verliet de kamer. Buiten groette ze nog een keer, waarna ze gehaast naar de bushalte liep. Het was buiten inderdaad glad. Hier en daar waren plassen, die ontstaan waren tijdens de overvloedige regenval van de laatste dagen, veranderd in gevaarlijke ijsbanen. Een koude sneeuwwind prikte in haar gezicht. O, Suriname, wat verlang ik naar je, dacht ze.
Door de plaatselijke gladheid kwam ze later dan anders aan bij het Centraal Station.
Amsterdam zag eruit als een ouderwetse kerstkaart: de Sint-Nicolaasbasiliek met de besneeuwde torens tegen de blauwe hemel, het ouderwetse Noord-Hollandse Koffiehuis en de hoge koopmanshuizen aan de overkant van het water met hun witte daken die weerspiegelden in het water… Sabine kon er niet genoeg van krijgen. Helaas reed de tram er in een vaartje voorbij.
Toen ze in de P.C. Hooftstraat aankwam, was Jan van den Homburg al aanwezig. Bij het openen van de winkeldeur kwam de geur van vers gezette koffie haar tegemoet.
‘Ben je er nu al? Ik had jou nog helemaal niet verwacht,’ begroette Sabine hem verbaasd.
‘Ik ben vanochtend extra vroeg vertrokken in verband met het weer,’ zei Jan. ‘Lucie moest ook al vroeg op stap, dus…’
Hij zag er wat betrokken uit, vond Sabine toen ze aan de koffie zaten. ‘Heb je niet goed geslapen?’ informeerde ze. ‘Je ziet er zo vermoeid uit.’
Jan zuchtte. Hij had inderdaad maar weinig geslapen. ‘Soms zie je de dingen voor je ogen veranderen, terwijl je er niets aan kunt doen. Je voelt je dan zo machteloos.’
Sabine boog zich naar hem toe en legde voorzichtig haar hand op zijn arm.
Jan van den Homburg keek ernaar. Zo’n mooi handje, zo’n prachtige kleur, net chocola… pure chocola. Hij voelde de neiging om het te pakken en naar zijn mond te brengen. O, wat gebeurde hier nu weer? Niet aan toegeven, Jan, héél gevaarlijk! Denk liever maar aan Lucie, zei hij bij zichzelf. Maar waarom wilde het beeld van de blonde Lucie maar niet voor zijn ogen verschijnen?
‘Je kunt mij alles vertellen, hoor,’ klonk de warme stem van Sabine troostend naast hem. ‘Ook als het iets van thuis is.’ Haar zachte, kruidige parfumgeur verdreef de pittige geur van de koffie.
Jan zuchtte diep. ‘Het is langzaam gegroeid. Het is allemaal begonnen met die ellendige winkel van haar. Ze was ontevreden met haar leven. Kun je je dat voorstellen?’ Jan keek Sabine hoofdschuddend aan. ‘Ze had alles, werkelijk alles! Een prachtige villa in Laren, lieve kinderen, een man die alles voor haar overhad, vriendinnen op wie ze dol was, aardige buren, geld… En nog was het niet goed. Ze dreigde met een scheiding als ik de winkel niet voor haar kocht. Tussen haakjes: dat kwam door die hartsvriendinnen, die haar opgestookt hadden. En sinds die tijd is alles veranderd. Lucie geeft meer om die verrekte bonbons van haar dan om haar gezin,’ zei Jan bitter.
Sabine hoorde hem verbaasd aan. Ze begreep hem niet zo goed. ‘Mag je vrouw dan van jou niet werken?’ vroeg ze voorzichtig. ‘Ze is toch ontzettend goed in bonbons maken? Moet ze dan alleen maar thuiszitten en nietsdoen?’
‘Nee… ja… Ik bedoel… Er moet toch iemand thuis zijn die de kinderen opvangt als ze thuiskomen?’
‘Maar jullie kinderen zijn toch al volwassen?’
‘Sabine,’ zei Jan plechtig, ‘kinderen, ook al zijn ze volwassen, willen ’s avonds hun verhaal kwijt. Kijk naar Daisy. Die had het ontzettend moeilijk toen het uitging met haar vriendje. Waar ging ze toen naartoe? Naar huis, naar haar ouders. Maar nu… Deze winkel vraagt al mijn tijd. Drie keer per week moet ik voor dag en dauw in Den Haag zijn om inkopen te doen. Ik werk me een slag in de rondte. Dan moet toch iemand anders thuis de zorg voor alles op zich nemen? Als ik ’s avonds thuiskom, mag ik toch wel verwachten dat het eten op tafel staat?’
‘Maar je vrouw werkt nu toch ook vreselijk hard voor dat programma? Ik zou juist trots op haar zijn.’
‘Ben ik ook, ben ik ook,’ zei Jan haastig. Sabine mocht geen verkeerd beeld van hem krijgen.
‘Je zult zien dat na de opnames alles weer normaal wordt.’ Sabine klopte hem zachtjes op de arm.
‘Nou, dan komt er wel weer iets anders. Ik ben mijn Pollewop, mijn lieve Lucie, kwijt, Sabine, en dat doet zeer. Héél zeer.’
‘Ach, dat loopt echt zo’n vaart niet. Jullie houden toch van elkaar?’
‘Maar dat is soms niet genoeg. Soms denk ik…’ Hij zweeg en zuchtte diep.
‘Wat denk je soms? Vertel het maar. Dat lucht op.’
Jan draaide zijn hoofd en keek in Sabines mooie, fluweelzachte ogen, die bij de buitenhoekjes iets opliepen. Wat was ze mooi en lief, flitste het door hem heen. Wat heerlijk dat er tenminste iemand was die naar hem luisterde en hem begreep.
‘Soms denk ik… Niet dat ik haar niet vertrouw, hoor, maar… De laatste tijd is ze zo gesloten. Ik krijg vaak de indruk dat ze me niet alles wil vertellen. Net alsof ze geheimen heeft.’
‘Je bedoelt dat ze iemand anders heeft?’
‘Ja… Nee… Misschien. Na de opnames gaat ze vaak ergens eten, maar met wie, daar is ze erg vaag over. Mensen van de televisie, maar nooit hoor ik namen. Ik wil gewoon weten met wie ze precies uitgaat.’
‘Ze gaat niet uit, maar ze eet alleen maar wat met de medewerkers. Ik kan me dat wel voorstellen. Je hebt een hele dag hard gewerkt. Voordat je dan naar huis gaat, wil je nog iets met elkaar drinken of eten. Ik denk dat dat heel normaal is in die kringen,’ legde Sabine uit.
Ze had te doen met haar aardige baas, maar ze vond hem wel wat ouderwets. En waarom wilde hij nou per se de namen van dat clubje medewerkers weten?
‘Ben je niet te wantrouwend?’ vroeg ze aarzelend.
‘Nee. Lang geleden, de winkel was nog maar net geopend, kwam die man van de televisie, Millo Hermsen, in de winkel. Hij was dol op haar bonbons. Ze raakten aan de praat en…’ Jan haalde zijn schouders op.
‘En toen?’ vroeg Sabine.
‘Ze raakten bevriend, en hoewel ze het ontkende, weet ik bijna zeker dat Lucie verliefd op hem werd. Er ontstond een ruzie. Dat was ook wel een beetje mijn schuld, hoor,’ voegde hij er snel aan toe. ‘We hebben het uitgepraat. Lucie ontkende dat ze verliefd op Millo was en ik geloofde haar.’
‘Dan is alles toch weer goed?’
Jan zuchtte. ‘Ze hebben elkaar onlangs weer ontmoet. Ik vermoed zomaar dat ze de banden weer hebben aangehaald.’
‘Je vermoedt het, maar je weet het niet zeker. En ze kunnen toch ook wel vrienden met elkaar zijn? Waarom vraag je het haar niet gewoon?’
‘O, dan weet ik zeker dat ze ontkent.’
Maar als Lucie niet verliefd was, hoefde ze toch niet te zeggen dat ze wel verliefd was, vroeg Sabine zich af. Gek, zij had een heel andere indruk gekregen van Lucie van den Homburg: hartelijk, zorgzaam en vooral eerlijk. Had ze zich dan zo vergist? ‘En nu denk jij dat je vrouw ’s avonds met die Millo eet?’
Jan knikte.
‘Hoort hij dan ook tot de groep medewerkers van het programma?’
‘Nee, hij heeft zijn eigen tv-programma, Nachtgedichten, dat elke nacht vanaf één uur wordt uitgezonden. Ik snap werkelijk niet wat Lucie in die man ziet. Hij ziet er wel aardig uit, maar als je hem hoort… Saai en slaapverwekkend.’
Sabine begreep er niet veel van. ‘Kom, ik ga maar eens koken,’ zei ze terwijl ze opstond. ‘Alles komt goed,’ zei ze nog maar eens toen ze Jans mistroostige gezicht zag. Kon ze maar iets voor hem doen.
Daisy liep de trap af. Bah, wat was het ongezellig sinds mam meedeed aan dat programma. Geen moeder die haar opwachtte met knapperige toast of verse bolletjes met alle soorten jam en vers gezette koffie. Hoe eerder dat gedoe achter de rug was, hoe beter. Natuurlijk was ze apetrots op haar moeder, maar ze vond het een stuk gezelliger als ze thuis was. ’s Avonds was het ook al niet veel beter. Als mam er ’s avonds niet was – en dat was de laatste tijd bijna altijd – kwam het koken vooral op haar neer. Natuurlijk wilde pap eten meenemen van de zaak, maar zij hield niet zo van stamppot. En het leek wel of haar vader steeds later thuiskwam. Een vreselijk ongezellige boel. Nou ja, het was niet anders.
Toen ze de keuken in liep, zag ze een briefje met haar naam op de kleine keukentafel liggen.
Lieve Daisy, kun jij mijn witte jasschorten ophalen van de stomerij? Ik ben er helaas niet meer aan toegekomen. Mijn pinpas ligt in het laatje van mijn bureau. Ik hoop dat je de code nog weet. Anders bel je me maar even. Alvast bedankt. Liefs, mama
Daisy liep naar het bureautje in de kamer van haar moeder. Ze opende de la, pakte de pinpas, maar toen ze de la weer dicht wilde schuiven, viel haar oog op een opengemaakte envelop die gericht was aan haar moeder. Even aarzelde ze; toen pakte ze hem op en draaide hem om. De afzender was S. Frens. Dit moest de sollicitatiebrief van Sil zijn, flitste het door haar heen. Dit was haar kans om meer van hem te weten te komen, maar de brief was wel aan haar moeder gericht. Om nou zomaar iemands post te openen… Anderzijds: zo geheim was de inhoud toch niet? Wat maakte het uit dat ze iets meer te weten kwam over zijn achtergrond?
Ze haalde de brief uit de envelop en vouwde het papier open. Haar ogen vlogen over de regels. Hij was dus zevenentwintig, woonde aan de Durgerdammerdijk in Durgerdam, Amsterdam–Noord, had met succes het vwo gevolgd en had daarna het diploma patisserie gehaald. Dus hij was ook een banketbakker, net als haar moeder, dacht Daisy. Vervolgens had hij de opleiding tot chocolatier doorlopen in Brugge en in Meulan in Frankrijk; hij had een korte tijd gewerkt bij chocolatier Richart in Parijs, maar wilde nu in dienst komen bij Lucie van den Homburg vanwege haar prachtige, creatieve chocoladewerk. Vwo… Zoiets had ze al vermoed. Claire kon haar nu wel kwalijk nemen dat ze wel heel erg naar iemands achtergrond keek, maar een beetje gelijkwaardigheid kon geen kwaad.
Ze vouwde de brief dicht, schoof hem in de envelop en legde die precies op dezelfde plaats terug. Mam mocht er beslist niet achter komen dat zij de brief had gelezen, want dan waren de rapen gaar. Eerst die jasschorten maar eens ophalen van de stomerij. Als ze vanmiddag terugkeerde van college kon ze weleens langsgaan bij Sil. Gewoon een praatje beginnen, een beetje belangstelling tonen.
Met een plastic tas vol jasschorten liep Daisy door het centrum van Amsterdam.
‘Hallo, Daisy,’ hoorde ze plotseling een stem achter zich.
Verbaasd draaide ze zich om. ‘Niek? Wat doe jij hier?’
‘Ik heb op je gewacht tot je de winkel uit kwam en ben je gevolgd naar de stomerij. Ik moet je spreken, Daisy. Alsjeblieft.’ Smekend keek Niek Mazurel haar aan.
Daisy was verbijsterd. ‘Ben je vanmorgen speciaal voor mij hiernaartoe gereden?’
Niek aarzelde even. ‘Ik moest vandaag bij mijn studiebegeleider zijn. Die is onlangs hiernaartoe verhuisd. Laten we even ergens heen gaan voor een kop koffie. Dat is toch niet te veel gevraagd?’
Nee, dat was niet te veel gevraagd, maar het had geen zin, dacht Daisy. Niek was echt verleden tijd. Toch knikte ze.
‘Geef mij die tas maar,’ zei Niek.
‘Dat hoeft niet. Hij is niet zwaar,’ wimpelde ze zijn aanbod af.
‘Is hier geen leuk café in de buurt?’ vroeg Niek.
‘Ja, hier dichtbij.’
Niek legde losjes zijn arm om haar schouders, maar Daisy trok zich terug. Nee, dit wilde ze niet. Waarom wilde Niek nu niet begrijpen dat het over en uit was?
Ze namen tegenover elkaar plaats aan een tafel in een café met uitzicht op het Spui.
‘Ik mis je zo,’ begon Niek nadat een serveerster de koffie had gebracht.
Moest ze nu zeggen dat zij hem helemaal niet miste, vroeg Daisy zich af. Dat was kwetsend, maar wel de waarheid. Ze haalde even haar schouders op.
‘Ik kan me niet voorstellen dat dat bij jou niet zo is,’ ging hij verder. ‘Jij was toch ook stapelverliefd op mij? Dat met Marjolein hield helemaal niets in.’
‘Maar als het helemaal niets inhield, waarom vertelde je het me dan niet? We hadden toch afgesproken dat we helemaal eerlijk tegen elkaar zouden zijn?’
‘Ik vond het te onbetekenend voor woorden,’ hield hij vol. ‘Marjolein zocht er te veel achter. Echt, je moet me geloven. Ik ben alleen maar een paar keer met haar uit geweest omdat ik medelijden met haar had. Ze kon maar niet geloven dat het uit was, dat ik niet meer van haar hield.’
‘Is ze daar nu wel achter?’
‘Ja. Kom alsjeblieft teug, Dais.’
Maar Daisy schudde haar hoofd. ‘Je vorige vriendinnetje was eigenlijk niet de oorzaak dat ik het heb uitgemaakt. Langzaam maar zeker sloop er een soort achteloosheid in de manier waarop je met mij omging. De laatste keer dat ik je iets vroeg, wuifde je me weg alsof ik een lastige mug was. Dat neem ik niet… van niemand. Het leek wel alsof ik ontzettend blij mocht zijn dat jij mij had uitgekozen als vriendin.’
‘O nee, dat zie je helemaal verkeerd.’
‘Laat me even uitspreken. Ik heb van dichtbij meegemaakt hoe mijn vader mijn moeder als een soort deurmat ging behandelen – heel ongeduldig, heel onaardig. Tot mijn moeder razend werd en hem dreigde te verlaten. Nou ja, de rest weet je. Dan denk je: pap heeft hier toch wel van geleerd. Maar dus niet. Tegenwoordig vertoont-ie weer dezelfde kuren. Ik heb me voorgenomen dat mij dat nooit zal overkomen.’
‘Maar ik ben toch je vader niet?’
‘Nee, maar je gedraagt je wel net zo.’
‘Geef me nog één kans, Daisy. Echt, ik beloof je dat ik nooit meer zo achteloos zal zijn, en wat Marjo betreft… Die is verleden tijd. Geen cafébezoekjes meer achter jouw rug om.’
Moest ze hem nu vertellen dat hij gerust uit mocht gaan met die muts van een Marjolein, omdat dat haar totaal niet meer interesseerde, en dat ze tegenwoordig maar aan één man kon denken: de onverstoorbare, ongenaakbare Sil Frens? Nee, dat ging hem niets aan, maar ze moest hem wel uit de droom helpen dat hun relatie nog een toekomst had.
‘Je bent echt een geweldige man, Niek. Aantrekkelijk, hartelijk. Ik denk dat de meiden in de rij zullen staan voor je. Een tijdje ben ik ook heel blij met je geweest en dacht ik echt dat jij mijn grote liefde was. Maar ik kwam er in Groningen achter dat dat niet zo was.’
Er viel een ongemakkelijke stilte. Toen keek Niek haar nadenkend aan. ‘Er is een ander,’ zei hij langzaam.
Daisy zweeg en ontweek zijn blikken.
‘Zeg maar eens dat het niet zo is,’ daagde hij haar uit. Toen ze bleef zwijgen, vroeg hij: ‘Wie is het? Ken ik hem?’
Daisy schudde haar hoofd.
‘Dan valt er inderdaad niets meer te zeggen.’ Hij stond op en liep naar de balie om af te rekenen. Daisy stond op, deed haar jas aan en liep naar de uitgang. Ze wilde de deur openen, maar Niek was haar voor. Zwijgend hield hij hem voor haar open.
Toen ze op straat stonden, zei hij met een hooghartige trek op zijn gezicht: ‘Vaarwel, Daisy van den Homburg. Succes met je nieuwe aanwinst.’ Hij draaide zich om en liep weg.
Daisy keek hem na. Aan de ene kant was ze opgelucht dat er nu een definitief einde was gekomen aan haar relatie met Niek Mazurel, maar aan de andere kant voelde ze zich treurig. Ze vond het nu eenmaal niet leuk om iemand pijn te doen.
Het sneeuwde licht. Daisy liep gehaast het universiteitsgebouw uit. Vervelend dat het college zo uitgelopen was. Ze keek op haar horloge. Zou Sil nog aanwezig zijn? Snel liep ze over het Rokin. Langzaam werd de lucht donkerder door de naderende schemering. Een licht sneeuwgordijn lag over de stad. Het etalagelicht van de winkels viel op de natte trottoirs. Ook het licht van La Bonbonnière was al aan; het leek op een ouderwetse winkel van een Anton Pieck-illustratie. Maar daar had Daisy op dit moment geen aandacht voor. Meestal vond ze sneeuw geweldig, maar nu even niet. Haar haar werd kletsnat en dat kon ze nu niet gebruiken.
Ze stapte de winkel in, groette de winkelmeisjes en hoorde, toen ze langs de deur van de patisserie liep, de klanken van een piano. Hij was er nog, dacht ze opgelucht. Snel ging ze naar het woongedeelte, deed haar jas uit en liep de trap op naar haar kamer. Ze pakte een föhn en droogde haar haar. Daarna bracht ze wat make-up aan. Vooral niet te veel, want ze had zomaar het idee dat Sil daar niet van hield.
Ze keek in de spiegel. Ach, ze zag er niet slecht uit. Toch wel een beetje zenuwachtig liep ze naar beneden naar de banketbakkerij en opende de deur.
Sil was bezig met een papieren spuitje decoraties aan te brengen op een plaat met bonbons, een en al concentratie. Hij leek Daisy niet op te merken, want hij ging zonder op te kijken door met het specialistische werkje.
Daisy kwam naderbij. Pas toen ze naast hem stond, keek hij op. ‘Daisy,’ groette hij met een knikje. Daarna ging hij verder. ‘Sorry, de chocola koelt anders te snel af en dan kan ik hem niet meer gebruiken,’ legde hij uit.
Daisy keek naar de mooie, slanke handen die de sierlijke decoraties op de glanzende bonbons tekenden. Het ontroerde haar een beetje.
Toen hij klaar was, rechtte hij zijn rug en keek Daisy aan. ‘Wat kan ik voor je doen?’
‘Ik zocht een paar speciale bonbons…’
‘Wij maken hier alleen maar speciale bonbons,’ onderbrak hij haar met een spoor van een glimlach.
‘Ja, natuurlijk, maar het gaat om die bonbons met een vulling van pecannoten, honing, kaneel en whisky.’
‘O, die. Ach, staan die niet in de winkel?’
‘Daar heb ik niet gekeken.’ Daisy raakte een beetje van haar stuk door zijn ontoegankelijke houding. Het leek wel of hij met haar spotte.
‘Maar gelukkig heb ik er hier ook nog een paar.’ Hij pakte een luxe doosje en liep naar een kast. ‘Hoeveel wil je er hebben?’ vroeg hij terwijl hij de deur opende.
‘Vier is genoeg.’
Heel voorzichtig deed hij vier grote bonbons in het doosje en deed het deksel dicht.
‘Alsjeblieft.’ Hij zette het doosje voor haar neer op de werkbank. ‘Misschien moet je voortaan eerst even in de winkel kijken.’
Plotseling werd ze boos. Ze had helemaal geen raad van hem nodig over wat ze wel en niet moest doen. Wie dacht hij wel dat hij was? Een leraar die een lastige leerling even de les las? Dus niet.
‘Je mag me zeker niet?’ ging ze in de aanval.
‘Beste meid, hoe kom je daarbij?’
‘Ik ben je beste meid niet. En hoe ik daarbij kom? Je kijkt me nooit recht aan en je doet soms erg onhebbelijk, zoals nu.’
Nu keek hij haar wel aan. ‘Sommige mensen hebben dromen. Ben jij iemand die ook een droom koestert?’
Nog steeds boos, maar toch ook wel verbaasd keek ze hem aan. Wat had haar vraag te maken met dromen?
‘Nou?’ drong hij aan.
Ze dacht even na. Ja, zij had inderdaad een droom. ‘Ik wil een webwinkel beginnen met tapijten. En niet zomaar gewone vloerkleden zoals die van Ikea, maar heel mooie exemplaren die je bij wijze van spreken ook aan de wand kunt hangen. Zijden tapijten uit India, vloerkleden uit IJsland en Alaska.’ Daisy keek de man tegenover haar niet meer aan. Er verscheen een ingekeerde blik op haar gezicht, alsof ze ergens ver weg was. Daardoor lette ze niet op Sil, die haar met speciale aandacht aankeek.
‘Vooral geen ouderwetse Perzische tapijten, zoals die vreselijke pluchen tafelkleden. Nee, wol, zijde, linnen in alle kleuren met moderne patronen,’ droomde ze hardop voor zich uit.
Plotseling realiseerde ze zich waar ze was. Bah, had ze zich zomaar laten gaan in het bijzijn van iemand die haar eigenlijk niet mocht. ‘Sorry,’ zei ze.
‘Waarom verontschuldig je je? Het is toch geweldig als je een droom hebt?’
Daisy keek hem aan en raakte in verwarring door de speciale blik in zijn ogen. Had ze iets raars gezegd? Ze begreep hem niet.
‘Ik heb ook een droom, Daisy van den Homburg – een chocoladedroom. Op een keer vertrek ik naar Frankrijk om mee te doen aan de wedstrijd Meilleur Ouvrier de France. Die titel wil ik hoe dan ook een keer winnen. Als ik die binnen heb, ligt de hele wereld voor me open. Ik wil bij de wereldtop van de chocolatiers horen en mijn bonbons moeten zelfs een merk worden. De Frens-bonbons. Niets of niemand kan me daarvan afhouden.’
‘Maar wat heb ik daar nu mee te maken?’ vroeg Daisy. Zij hield hem toch niet tegen?
Sil boog zich voorover tot zijn gezicht dicht bij het hare was. Nog steeds had hij die merkwaardige blik in zijn ogen. Daisy werd er warm van. Toen schudde hij zijn hoofd en zei heel zachtjes: ‘Je bent een heel gevaarlijke vrouw, Daisy van den Homburg.’ Zijn ogen dwaalden naar haar mond. Eén moment dacht ze dat hij haar ging kussen, maar hij trok zijn hoofd terug. ‘Heel gevaarlijk,’ zei hij nog een keer. Hij stond nu weer rechtop, zijn gezicht weer onaandoenlijk. ‘Ik ga afronden. Het is al laat.’
Daisy knikte en liep weg.
‘Daisy?’
Ze draaide zich om. ‘Je bonbons.’ Hij wees op het doosje op de werkbank.
Haastig liep Daisy terug en pakte het doosje. Zonder nog een woord te zeggen verliet ze de patisseriebakkerij.
‘Wat is er met jou aan de hand?’ vroeg Kevin toen ze de woonkamer in kwam.
‘Niets. Hoezo?’
‘Nou, je ziet eruit alsof je uit een achtbaan bent geklommen. Dan weet je toch ook effe van voren niet dat je van achteren leeft?’
‘Ach, gek, ik dacht gewoon even na.’
‘Wat moet je met die bonbons?’
‘Een traktatie voor vanavond,’ verzon ze snel.
Kevin keek haar niet-begrijpend aan. Bonbons? Traktatie? Waar had ze het over? Daisy was helemaal niet dol op chocola. Nou ja, meiden waren onbegrijpelijke wezens. ‘Ga jij vanavond koken?’
‘Het zal wel moeten. Mam gaat waarschijnlijk weer eten met de mensen van de televisie en paps heeft me ge-sms’t dat hij in de winkel blijft. Hij zal wel een stamppotje van Sabine eten. Dus ik ben de klos.’
‘Het klinkt alsof je er geen zin in hebt.’
‘Kev, ik ben ook de hele dag bezig geweest. Jij mag het ook weleens proberen, hoor,’ merkte Daisy vinnig op.
‘Waarom gaan we niet naar de tantes?’ stelde Kevin voor.
‘De tantes?’
‘Ja. Tante Truus vindt het heel gezellig als er mensen bij haar komen eten. Dat heb ik gemerkt toen mam en pap zo’n vreselijke ruzie hadden. Mam ging ervandoor, pap trok zich terug in zijn zaak aan de Keizersgracht, en jij… Ja, waar was jij eigenlijk?’
‘Weet ik niet meer.’
‘Nou, ik heb een hartstikke coole tijd gehad bij tante Truus.’
‘Maar het is al zo laat, Kev.’
‘Ach, welnee. Ik bel wel even.’ Kevin pakte zijn smartphone en liep de kamer uit. Als hij belde wilde hij niemand in zijn buurt hebben.
Even later kwam hij weer opgewekt terug. ‘Kat in ’t bakkie, Dais. We kunnen meteen komen. Zeg, neem dan ook effe die bonbonnetjes mee. Vindt tante Truus heerlijk.’
‘Dat was ik al van plan. Voor de zekerheid neem ik er maar wat meer mee. Misschien komt de rest van de tantes ook nog.’
Hoewel de bonbons in de winkel lagen, liep Daisy toch terug naar de banketbakkerij. Zou Sil er nog zijn, vroeg ze zich hoopvol af. Maar tot haar teleurstelling was de ruimte bijna helemaal in het duister gehuld. Een baan diffuus licht viel door het buitenraam naar binnen. ‘Je bent een heel gevaarlijke vrouw, Daisy van den Homburg,’ hoorde ze in gedachten Sils diepe stem zeggen. Wat bedoelde hij daarmee? Zij gevaarlijk? Waarom? Ze kon natuurlijk wel een reden bedenken, maar dat vond ze niet logisch. Daar was hij de man niet naar. Veel te kalm, veel te weloverwogen, veel te stoïcijns. Die werd echt niet zomaar verliefd. Met een onvoldaan gevoel pakte ze de bonbons en deed ze in een doosje.
‘Wat gezellig dat jullie er zijn,’ begroette Truus Hordijk de kinderen van haar vriendin Lucie.‘Ik heb snel iets bij elkaar gefantaseerd, maar ik denk dat jullie dat wel lekker vinden.’
‘Als het maar geen stamppot is,’ zei Kevin. ‘Die rommel komt me m’n neus uit.’
Truus schoot in de lach. ‘Krijgen jullie zo vaak stamppot?’
‘Als mam er niet is en Dais geen zin in koken heeft, neemt pap eten mee van de zaak en dat is meestal een stamppotje.’
‘Nou, niet altijd,’ vergoelijkte Daisy. ‘Maar meestal is het wel iets bijzonders, bijvoorbeeld citroenkip met gepofte pastinaak.’
‘Pastinaak?’ Truus trok een vies gezicht.
‘Wel lekker, hoor,’ zei Daisy.
‘Nou, jullie krijgen van mij bami à la Truus. Dus geen exotische groenten met kokosmelk, maar mie met gehaktballetjes, stukjes geroosterd kippenvlees, gebakken uien met tomaat, wat sperzieboontjes, een lekkere saus en een vanillepuddinkje met bramensap toe.’
‘Een godenmaal,’ vond Daisy. Ze keek de kamer rond en kroop behaaglijk op de grote leren bank. Totaal niet haar smaak, maar zo gezellig!
‘Dus je moeder kookt niet meer zo vaak?’ vroeg Truus nieuwsgierig toen ze aan tafel zaten. Ze rook onraad.
‘Ze is met een televisieprogramma bezig,’ antwoordde Daisy. Ze durfde het nu wel te vertellen, omdat de officiële aankondiging toch binnenkort kwam.
‘Vertel.’
Daisy legde uit waar haar moeder mee bezig was.
‘Wat zullen jullie trots zijn,’ genoot Truus. ‘Ik ben het nu al. Die Lucie, wie had dat een paar jaar geleden gedacht? Wat zegt jullie vader ervan?’
Kevin en Daisy keken elkaar een moment aan. Was het wel verstandig om Truus te vertellen hoe hun vader er werkelijk over dacht?
‘Jullie kunnen mij vertrouwen, hoor. Ik vertel het heus niet verder.’
‘Ach, u kent paps. Hij is zo ouderwets,’ zei Daisy. ‘Hij kan het eigenlijk nog steeds niet verkroppen dat mam succes heeft, dat ze haar eigen gang gaat en dat ze haar eigen inkomen heeft. Een tijdlang is het goed gegaan, maar tegenwoordig… En dan jaagt-ie mam ook nog op stang door steeds maar te zeggen dat Sabine zo goed kookt.’
‘Sabine?’
‘Ja, zo heet de Surinaamse die voor hem kookt en in de winkel staat.’
‘Ach ja, die was ik even vergeten. Je ziet, ik word oud. Meneer Alzheimer heeft waarschijnlijk zijn oog op mij laten vallen. Jammer voor hem: ik houd niet van een oude minnaar.’
‘Ach, u bent helemaal niet oud,’ merkte Kevin op.
‘Wat is er met die Sabine aan de hand? Is je vader soms verliefd op haar?’
‘Nee!’ riepen Kevin en Daisy tegelijk uit.
‘Ze kan bijna zijn dochter zijn,’ zei Daisy verontwaardigd.
‘Nou, en? Er zijn wel meer mannen die verliefd worden op jonge vrouwen die bijna hun dochter hadden kunnen zijn.’
‘Welnee.’ Kevin schudde zijn hoofd. ‘Niks aan het handje. Sabine is gewoon een hartstikke tof mens. En ze kan ook lekker koken. Die soepen van haar… Echt wel lekker!’
‘Ze is ook aardig, maar pap moet eens ophouden om haar steeds de hemel in te prijzen. Daar kan mam niet tegen.’
‘Daar zou ik ook niet tegen kunnen,’ vond Truus, die Lucies man een opgeblazen schreeuwlelijk vond.
‘Op de opnamedagen komt mam meestal erg laat thuis. Dan eet ze na afloop met de medewerkers van het programma in een restaurant. Pap denkt…’ Daisy zweeg. Hé, niet verdergaan. Vooral geen slapende honden wakker maken. Wat zij dacht, was niet belangrijk.
Maar Truus keek haar nadenkend aan. ‘Jij vertrouwt het niet, hè Dais?’
‘Wat vertrouwt ze niet?’ vroeg Kevin opeens gealarmeerd. Zat er nou weer narigheid aan te komen? Net nu hij dacht dat iedereen gelukkig was?
‘Niks aan de hand, Kev,’ antwoordde Daisy sussend. ‘Mam en pap zijn allebei wat moe door het werk. Pap is net begonnen met zijn winkel en mam zit midden in de opnames van een programma. Je zult zien als dat programma klaar is en mam weer thuisblijft, alles weer normaal wordt.’
‘En tot zolang eten jullie gezellig bij mij. Ik vind dit toch zo prettig. De anderen komen ook vaak langs. Dan is het hier helemaal bal. Heerlijk!’
Als ze even alleen met Daisy was, moest ze toch maar eens informeren wat die nu bedoelde met ‘Pap denkt…’ dacht Truus. Waarom maakte dat kind haar zin niet af? Was Jan soms bang dat Lucie het met een ander aanlegde? Niet dat ze dat vreemd vond, want je moest wel een engelengeduld hebben om het met die omhooggevallen groenteboer uit te houden. Zij zou allang de kuierlatten hebben genomen. Wat haar betrof mocht Lucie zo lang wegblijven als ze wilde.Haar leven werd een stuk aangenamer met Lucies kinderen, maar dat er iets niet pluis was in de winkel aan de Singelgracht, was overduidelijk.