1
Na dagen van striemende regen- en hagelbuien waren de grijze wolken ten slotte verjaagd naar het oosten en een aangename, koele wind blies kleine schapenwolkjes langs de stralend blauwe lucht. Het was lente.
Het leek wel of de Grote Markt meteen in feestsfeer werd gedompeld: grote parasols werden uitgeklapt en stonden als stijve, maar kleurige bloemen bij de terrassen; de sierranden van de fleurige zonneschermen klapperden zacht in de wind en het carillon van de Martinikerk goot zijn vrolijke klanken uit over het plein.
Daisy van den Homburg zat aan een tafeltje op een terras en genoot van de zon. Haar tentamen was goed verlopen. Er was gelukkig weer tijd voor andere dingen dan haar studie. Ze pakte haar smartphone om de berichten te checken: van haar hartsvriendin Claire Hoogervorst: Ik mis je. Amsterdam is zo saai zonder jou!; van haar broer Kevin: Succes met je tentamen; en van haar moeder Lucie: Lieve Dais, je vader heeft een winkelpand op het oog in de P.C. Hooftstraat. Hij wil er een groentewinkel in beginnen. Maak je niet zenuwachtig voor je tentamen, lieverd.
Wat? Verbaasd staarde Daisy naar het kleine scherm. Ze kon haar ogen niet geloven. Haar vader die een groentewinkel wilde beginnen in de rijkste straat van Amsterdam? Het volk dat daar winkelde, kookte toch niet? Dat at toch in dure restaurants of, als het echt niet anders kon, kant-en-klaarmaaltijden? Wat bezielde haar vader, was hij soms gek geworden? Daar had hij het geld toch helemaal niet voor? Ze moest nodig naar huis toe. De laatste keer was met kerst geweest. Daisy kreeg opeens een onbedwingbaar verlangen naar Amsterdam: de drukke winkelstraten, de stegen met de bijzondere winkeltjes en de gezellige cafés, maar vooral de sfeervolle grachten met de oude bomen die hun takken breed over het water spreidden.
Plotseling viel er een schaduw over haar heen. Ze keek op. Een vrij jonge, tengere vrouw stond voor haar tafeltje. Een waterval van blond krulhaar viel over haar schouders. Hazelnootkleurige ogen in een mooi gezicht keken Daisy wat nieuwsgierig aan.
‘Mag ik even…?’ De vrouw wees op een lege stoel, en voordat Daisy iets kon zeggen, was ze al gaan zitten.
Daisy keek haar verbaasd aan. Ze kende de vrouw wel, maar waarvan? College? Een flard van herinnering schoot haar door het hoofd. Dit was Marjolein, de ex van haar vriend Niek Mazurel; haar achternaam was Daisy ontschoten. Wat wilde die vrouw van haar?
‘Dat je hier nog zit! Ik dacht dat je al terug was gegaan naar Amsterdam. Daar kwam je toch vandaan? Tenminste, Niek vertelde zoiets,’ zei de vrouw op neerbuigende toon.
‘Sorry?’ Daisy keek haar verbaasd aan. Waar had ze het over? Terug naar Amsterdam?
‘O, dan weet je het zeker nog niet? Wat vervelend. Ik dacht echt dat Niek het je al had verteld.’
‘Wat moet hij mij verteld hebben?’
‘We zijn weer bij elkaar. Je hebt toch niet werkelijk gedacht dat je hem zomaar van me af kon pakken?’ De stem kreeg iets triomfantelijks, de bruine ogen glinsterden nu vol leedvermaak.
Waar had dat mens het over, vroeg Daisy zich af. Niek en zij bij elkaar? Die vrouw was geschift.
‘Nou ja, ik kan me ook wel voorstellen dat je er niets vanaf weet. Je werd volgens Niek zo opgeslokt door je studie dat er amper tijd overbleef voor hem. Niet dat hij klaagde… Zo is hij niet, maar ik hoorde het wel tussen de regels door. Hij voelde zich nogal verwaarloosd, en dat moet je mannen nooit aandoen. Zo stom! Heb je hem bijvoorbeeld gisteravond nog gevraagd waar hij was geweest? Ik denk het niet, want anders zou je hier niet zo rustig zitten. We zaten samen in ons stamcafé, net als vroeger, heerlijk vertrouwd. Het leek Niek echter verstandiger om het voorlopig nog maar even onder de pet te houden.’
Daisy voelde hoe haar hart met zware slagen begon te bonzen. Wat had er zich onder haar ogen afgespeeld? Was Niek werkelijk met deze vrouw op pad geweest terwijl zij thuis zat te studeren en waren ze echt weer bij elkaar? Had hij heus met deze Marjolein over haar gepraat? Als dat zo was, was het… om misselijk van te worden. Daisy kon het zich nauwelijks voorstellen, maar toen ze naar het gezicht van de vrouw keek, begon ze toch te twijfelen.
‘Ben je klaar?’ vroeg ze koeltjes.
De jonge vrouw knikte voldaan. ‘Begrijp je nu waarom ik zo verbaasd was om je hier te zien? Het is over en uit, Daisy. Je kunt beter weer teruggaan naar Amsterdam. Je hebt hier helemaal niets meer te zoeken.’ Ze stond op en schudde triomfantelijk glimlachend haar lange haren over haar schouders. Toen draaide ze zich om en verdween bijna dansend tussen de mensen die over de stoep langs het restaurant slenterden.
Uiterlijk kalm, maar vanbinnen boos en ontdaan keek Daisy haar na. Dus zover was het al gekomen: Niek die het stiekem weer had aangelegd met zijn ex. De laatste tijd had ze wel gemerkt dat hij wat anders reageerde. Af en toe als ze informeerde waar hij was geweest, ontweek hij haar ogen als hij antwoord gaf. En toch… Niek was helemaal het type niet om iets stiekem te doen. Daarvoor was hij te eerlijk. Dat had ze juist zo aantrekkelijk in hem gevonden. Ze zuchtte diep. Haar blije humeur was verdwenen. Maar misschien had dat mens wel gelogen. Ze moest eerst maar eens met Niek praten.
Daisy stond op en liep het restaurant in om af te rekenen. Daarna pakte ze haar fiets en reed naar huis.
Niek Mazurel zat achter zijn notebook toen Daisy zijn studeerkamer in liep.
‘Hallo schat, weer thuis?’ zei hij afwezig.
Daisy gaf geen antwoord. Ze wachtte tot hij op zou kijken, maar dat gebeurde niet.
‘Niek…’ zei ze.
‘Nu niet, Dais, ik heb het druk. Dat zie je toch? Straks kom ik bij je.’ Hij wapperde ongeduldig met zijn hand, alsof hij een mug wegjoeg. Dat gebaar joeg haar in de gordijnen. Wie dacht hij wel dat ze was? Zijn ondergeschikte soms?
‘Nee, nu!’ zei ze hard.
Niek draaide zich geërgerd om, maar toen hij haar gezicht zag, schrok hij.
‘Dais, wat is er? Ging het tentamen soms niet? Hè, schatje, wat naar nou.’ Hij stond op, liep naar haar toe en wilde zijn armen om haar heen slaan, maar Daisy week naar achteren.
Niet-begrijpend keek hij haar aan. Wat was er gebeurd?
‘Ik heb je ex-vriendin ontmoet, Marjolein nog wat. Ze vertelde me dat jullie weer bij elkaar zijn en dat jullie gisteren weer in jullie oude, vertrouwde stamcafé zaten. Is dat waar?’
Daisy zag de plotselinge schrik op zijn gezicht. Het was dus waar.
‘Ik kan het uitleggen, Daisy, het is niet wat jij denkt. Een paar weken geleden kwam ik Marjolein gewoon tegen en raakten we aan de praat. Ze vertelde me dat ze zo onder onze scheiding leed, omdat ze nog steeds veel van me houdt. Ik kreeg medelijden en we zijn wat gaan drinken. Dat voelde inderdaad vertrouwd aan. Marjo is gewoon een lieve meid, die heel goed kan luisteren.’
Ach ja, natuurlijk: een lieve meid die heel goed kan luisteren, dacht Daisy schamper. Mannen waren ook allemaal hetzelfde. Had haar vader dat ook niet tegen haar moeder gezegd toen hij een tijdje met iemand anders uitging? Bah. Ze had zo gedacht dat Niek anders was – eerlijk, betrouwbaar en zonder leugentjes of smoezen.
‘Dais, denk nu niet meteen het ergste. Ik ben gewoon een paar keer met haar uit geweest. Jij werd namelijk zo opgeslokt door je studie. Natuurlijk begrijp ik dat wel,’ voegde hij er snel aan toe toen hij zag dat Daisy’s gezicht verstrakte. ‘Ik heb ook tijden gekend dat ik alleen maar studeerde. Ik neem je dan ook niets kwalijk.’
Dat moest er nog eens bij komen, dacht Daisy razend. Wat had ze zich vreselijk in hem vergist.
‘We kunnen er toch als volwassen mensen over praten? Dat hele gedoe stelde niets voor,’ vond Niek. Waar maakte Daisy zich druk om? Dit moest kunnen in een relatie.
‘Als het zo weinig voorstelde, waarom vertelde je het dan niet aan mij? We hadden toch afgesproken dat we altijd eerlijk tegen elkaar zouden zijn?’
‘Ik vond het zo onbeduidend dat ik het daarom niet gezegd heb. Je moet me geloven, Daisy. Wat heeft Marjolein trouwens nog meer gezegd?’
Daisy haalde haar schouders op. ‘Dat jullie weer bij elkaar zijn, maar dat doet er niet meer toe.’
Ze draaide zich om en verliet het vertrek. Terug in haar kamer haalde ze haar weekendtas tevoorschijn, opende haar klerenkast en pakte het allernoodzakelijkste in. Vervolgens liep ze naar de badkamer en propte haar toiletspullen in een toilettas. Het was haar in één ogenblik helemaal duidelijk geworden: haar relatie met Niek Mazurel was over. Ze liep terug naar haar kamer, nam haar smartphone, zocht het telefoonnummer van een taxicentrale op en tikte dat in. Ze ging weg en ze kwam nooit meer terug.
‘Dais?’ klonk Nieks stem achter haar. ‘Daisy, wat ga je in vredesnaam doen?’
Niek Mazurel keek beteuterd naar zijn vriendin, die zwijgend nog het een en ander inpakte.
‘Ik neem nu mee wat ik echt nodig heb. De rest haal ik van de week op met de auto van mijn vader of moeder,’ zei ze kalm. ‘Ik zal mijn vader vragen of hij de meubels voor zijn rekening wil nemen. Daarom houd ik de sleutel nog even. Laten we afspreken dat ik ’s middags langskom. Dan ben jij er meestal niet en hoeven we elkaar niet meer te zien.’
‘Maar Daisy… Ik… Wat…? Toe nou!’
Nu keek ze hem recht aan. ‘Ik weet wanneer ik overbodig ben, Niek. Wij passen niet bij elkaar. Waarschijnlijk heb jij een vrouw nodig die een beetje onderdanig is en die eindeloos naar je verhalen wil luisteren. Die vooral niet al te bijdehand is. Marjolein is kennelijk precies wat je zoekt.’
‘Ik bedoelde het niet zo, Daisy, echt niet. Er is heus niets aan de hand. Marjolein heeft me niet goed begrepen.’ Hij legde zijn handen op haar schouders, maar met een snel gebaar dook Daisy weg. Ze kon zijn aanraking niet meer verdragen. ‘Ik geloof dat ik de taxi hoor.’
‘Waar ga je naartoe?’
‘Wat dacht je? Naar huis.’ Zonder verder nog een woord te zeggen pakte Daisy haar weekendtas en schoudertas en verliet de kamer.
Verdwaasd keek Niek haar na. Wat gebeurde hier? ‘Daisy, wacht!’ riep hij. Ze hadden er toch nog wel over kunnen praten? Hij had de laatste tijd inderdaad wat twijfels gehad over hun relatie, maar dat gebeurde toch zo vaak? Marjolein… Waarom had ze haar mond niet gehouden? Vrouwen…!
De buitendeur sloeg dicht en even later klonk het geluid van een wegrijdende auto.
De trein reed door het zonnige landschap. Schapen en paarden stonden in de wei. Nog even en de koeien zouden losgelaten worden. De daken van de boerderijen en huizen glansden in de zon, over de bomen lag een zacht waas van uitkomend groen, maar Daisy had geen oog voor al dat moois. Ze was met haar gedachten nog steeds in Groningen. Het avontuur van hun samenwonen had maar acht maanden geduurd. Van al haar dromen en verwachtingen was niets uitgekomen, terwijl ze in het begin zo dolverliefd op elkaar waren geweest. Niek verwende haar met cadeautjes, zorgde voor haar en had haar geïntroduceerd in de Groningse studentenwereld. Wat was er dan toch misgegaan? Pasten hun karakters werkelijk niet bij elkaar? Botsten ze te veel? Opeens sloeg de twijfel toe. Was Niek werkelijk enkel en alleen maar uit medelijden met die Marjolein uit geweest? Maar waarom had hij háár dat dan niet verteld? Nee, ze moest Niek Mazurel maar heel snel vergeten, want ze kon nu eenmaal niet tegen oneerlijkheid. Je moest elkaar volledig kunnen vertrouwen en de ander nemen zoals hij was. Al zou ze willen, ze kon zichzelf nu eenmaal niet veranderen.
Het probleem was natuurlijk wel: hoe kon ze Niek zo snel mogelijk vergeten? Liefde verdwijnt niet zomaar van het ene op het andere moment. Een geluk dat dit nu was gebeurd. Stel je voor dat ze met hem getrouwd was geweest… Ze leek op haar moeder. Die was ook door het lint gegaan toen ze erachter kwam dat haar man achter haar rug om met iemand anders uitging en had met een scheiding gedreigd als zoiets nog een keer gebeurde. Pap had zijn les geleerd. Die zou nooit meer zoiets uithalen, dat wist Daisy zeker.
Wat zouden ze thuis zeggen? Kevin en pap zouden het jammer vinden. Kevin was bevriend met de jongere broer van Niek en pap vond Niek een geschikte kerel. Maar mam… Daisy had geen idee wat haar moeder over de verbroken relatie zou zeggen. Soms was mam een raadsel, niet alleen voor haar, maar voor iedereen.
Daisy liep over het grote stationsplein voor het Centraal Station en genoot van de drukte: de trams die met een schurend metaalgeluid over de rails gleden, de meeuwen die schel krijsend af en aan vlogen vanaf het IJ, het Damrak dat bevolkt was met drommen toeristen en in de verte de Bijenkorf en de hoge gebouwen van de Dam die zich koesterden in de stralende zon. Even was ze haar narigheid vergeten. Ze was weer thuis. Hier hoorde ze en niet in het koude noorden, hoewel Groningen best wel een gezellige stad was. Maar Amsterdam leek haar te omarmen met een weids welkomstgebaar.
Ze nam de tram tot aan de Munt, stapte uit en liep naar de Singelgracht. Ze slikte. Daar tussen de oude bomen zag ze de winkel La Bonbonnière van haar moeder met daarboven hun woning. Nu pas realiseerde ze zich hoelang ze er al niet was geweest en hoe erg ze het had gemist. Maar dat behoorde voorgoed tot het verleden. Wat er ook gebeurde, zij zou altijd in deze stad blijven wonen.
Snel liep ze de gracht af. Het halfronde winkelraam met de prachtige glas-in-lood bloemenrand glansde zacht in de middagzon. Daisy liep de winkel in. Het winkelmeisje keek haar verbaasd aan. ‘Hoi, Daisy, jij hier?’
‘Dag Ricky, is mam binnen?’
Het meisje knikte en Daisy liep door, het trapje op naar het woongedeelte.
‘Mam?’ zei ze toen ze de kamer binnenkwam.
Lucie van den Homburg keek op van de papieren die voor haar op de tafel lagen. ‘Daisy? Wat een verrassing!’ Lucie stond op en omarmde haar dochter. Plotseling barstte Daisy voor het eerst in tranen uit. ‘O, mam!’ zei ze.
‘Lieverd, wat is er gebeurd? Ging je tentamen zo slecht? Maar dat hindert toch niet?’
Daisy schudde haar hoofd. Ze kon even niet uit haar woorden komen.
‘Toch niets vervelends met Niek?’
Daisy knikte en snoof diep. Ze veegde haar tranen met de mouw van haar jasje van haar gezicht.
‘Is het uit?’
Weer knikte Daisy.
Lucie zweeg. Waarom had haar dochter niet naar haar geluisterd en was ze meteen gaan samenwonen met die jongen? Zij was misschien heel ouderwets, maar ze hield niet van samenwonen. Het was zo zonder enige verplichting tegenover elkaar. Je leefde een tijdje met elkaar alsof je getrouwd was en als je het op een dag niet meer zag zitten, kon je gewoon je koffers pakken en weglopen. Er was altijd een partij die met de brokken achterbleef, vooral als er niets geregeld was. Aan de andere kant… Je leerde elkaar natuurlijk wel kennen. Stel je voor dat Daisy met die jongen getrouwd was geweest… Gelukkig had de verhouding niet zo lang geduurd. Daisy zou er wel snel overheen komen.
‘Dais, had hij…? Ik bedoel, ik kan het me haast niet voorstellen, maar was er iemand anders in het spel?’ informeerde ze voorzichtig.
‘Ja,’ antwoordde Daisy verontwaardigd terwijl ze diep snoof.
‘Ongelooflijk! Mannen!’ Er klonk duidelijk minachting door in Lucies stem. ‘Maar Dais, er zijn ook aardige en betrouwbare mannen, hoor,’ voegde ze er snel aan toe. ‘Wat ga je nu doen?’
‘Ik ga weer studeren in Amsterdam.’
‘Dat is verstandig, lieverd. Wat zal Claire blij zijn. Die miste je verschrikkelijk, en wij natuurlijk ook. Je blijft toch wel hier wonen, of ga je op kamers ergens anders in de stad?’
‘Nee!’ riep Daisy uit. ‘Ik wil mijn oude kamer terug als dat mag.’
‘Natuurlijk mag dat. Dat hoef je toch niet te vragen? Heerlijk dat je weer terug bent. Vergeet die narigheid maar snel. En denk erom, Dais: geen handvol, maar een landvol mannen.’
Daisy glimlachte kleintjes. ‘Voor het eerst in mijn leven hoef ik geen man meer te zien. Nu wil ik even douchen. Ik heb het idee dat ik altijd vies uit de trein kom. Kan ik morgen je auto lenen om de rest van mijn spullen op te halen of heb je hem zelf nodig?’
‘Nee, neem hem morgen maar. Ga je alleen of moet er iemand met je mee?’
‘Lief van je, mam, maar ik red het alleen wel.’
‘Het lijkt me verstandig als je even gaat liggen na het douchen. Je ziet er moe uit. Ik zal dadelijk je bed wel opmaken. Of wil je eerst nog thee?’
Daisy schudde haar hoofd. Ze hoefde even helemaal niets te hebben. Een douche en daarna naar bed. Ze was doodmoe.
Hoewel ze niet veel had geslapen, kwam Daisy toch een stuk opgeknapt naar beneden. Haar moeder was bezig in de keuken. Het rook er heerlijk.
‘Heb je iets in de oven, mam?’ vroeg ze.
‘Ik heb een hartige taart met gebakken lof, geitenkaas en honing klaargemaakt, en een lichte groentesoep. Ik wilde het een beetje luchtig houden. Hoe voel je je, lieverd?’
‘Een stuk beter. Mam, wat doen eigenlijk al die papieren op tafel in de kamer?’
‘O, dat heb ik je nog niet verteld. Ze hebben me benaderd om een televisieprogramma te maken.’
‘En dat zeg je nu pas?’ riep Daisy verbaasd uit.
‘Ik had je het wel eerder willen vertellen, maar ik wist het, tot gistermiddag, nog niet zeker. Vanmorgen kreeg ik te horen dat het doorgaat. Die papieren werden me via de mail toegestuurd. Daarin staat wat ze precies van me verwachten.’
‘Wat leuk! Wat zei pap ervan?’
‘Hij is apetrots, en daar ben ik erg blij mee, want je vader moet het natuurlijk ook leuk vinden.’
Daisy haalde haar schouders op. Ze vond dat haar moeder altijd te veel rekening hield met de gevoelens van haar vader, maar ze zweeg. Ze kon haar moeder toch niet veranderen.
‘Wat houdt dat programma precies in, en hoe gaat het heten?’
‘Ik leer mensen wat ze allemaal met chocolade kunnen doen, dus niet alleen bonbons maken of taarten, maar ook desserts, drankjes, brood, ijs, koekjes en zo. En natuurlijk in combinatie met noten, vruchten en kaas. Er zijn zo veel mogelijkheden.’ Lucies stem kreeg een enthousiaste klank. ‘Ze willen het programma Lucies Chocoladekeuken noemen.’
‘En dat heb je al die tijd voor je gehouden?’
‘Ach, ik vond het zo opschepperig klinken. Denk erom, Dais, niemand mag het nog weten, hoor, en zeker niet de tantes, want dan weet heel Holland het in een mum van tijd en dat is niet de bedoeling. Als alle afleveringen gemaakt zijn, mag het pas bekend worden.’
‘Je wordt op deze manier een echte BN’er. Moet je straks ook met een zonnebril over straat. Doe je het programma in je eentje of komen er ook nog andere mensen bij?’
‘Er komen deelnemers bij die ik moet leren hoe ze de gerechten moeten maken, zodat de mensen die kijken, kunnen zien dat iedereen de recepten kan klaarmaken. Het wordt een soort wedstrijd, want in elke aflevering valt er een deelnemer af. Dat hoef ik gelukkig niet te beslissen, want dat doet een jury. En het mag beslist niet een moeilijk programma worden. Hoe eenvoudiger, hoe beter.’
‘Dat lijkt me nog een hele toer.’
‘Ach welnee, lieverd. Ik oefen van tevoren met een paar proefpersonen. Is het recept te moeilijk, dan schrap ik het en verzin ik gewoon iets anders.’
‘Maar hoe doe je dat met de winkel? Je kunt toch niet én bonbons maken én werken aan een televisieprogramma? Voor je het weet, heb je een burn-out.’
‘O, gunst…’ Lucie sloeg een hand voor haar mond en keek haar dochter verontschuldigend aan. ‘Heb ik je dat niet ge-sms’t? Ik heb iemand aangenomen die de bonbons voor zijn rekening neemt, Sil Frens. Hij is ontzettend creatief.’
‘Een hij?’
‘Ja, een heel aardige jongen, en supergoed in zijn vak.’
‘Sil Frens… Vreemde naam.’
‘Ik vind het wel een mooie naam,’ zei Lucie.
‘Hoelang werkt die Sil hier al?’
‘Net een maand.’
Daisy schudde haar hoofd. ‘En dat vertel je me nu pas!’
‘Er gebeuren ook zo veel dingen tegelijk. Je vader met zijn winkel…’
‘Ja, dat las ik gisteren ook. Hoe komt hij daar nu bij, een groentewinkel in de P.C. Hooft…? Wat bezielt hem? Dat publiek daar koopt toch geen aardappels en groenten bij een gewone groenteman? Weet je hoe ze daar de groenteboer noemen? De groentejuwelier! Om te gieren. Ik heb het idee dat al die omhooggevallen mensen met hun kekke brilletjes alleen maar in restaurants eten of kant-en-klaarmaaltijden naar binnen werken. Dat soort heeft nooit koken geleerd.’
‘Hè, je praat wel erg negatief over ze. Het zijn echt niet allemaal omhooggevallen mensen en er zitten vast ook heel aardige en verstandige types tussen,’ vergoelijkte Lucie. Haar dochter was vaak zo fel. ‘Je vader was al heel lang in gesprek met de makelaar van het pand, want ze konden het niet over de prijs eens worden. Pap vond die veel te hoog. We hebben zelfs op het punt gestaan om ook het huis in Laren maar te verkopen. Van mij mocht het, Dais. Je weet hoe ik over die plaats denk: ik vind Laren prachtig, maar mijn hart ligt hier in Amsterdam.’
‘De laatste tijd gingen jullie er ook niet vaak meer naartoe.’
‘Dat komt waarschijnlijk doordat we allebei te moe zijn om op zaterdagavond laat nog de tassen te pakken en naar Laren te rijden.’
‘Waarom hebben jullie de villa dan toch niet verkocht?’
‘Papa kon er geen afstand van doen.’ Lucie haalde kort haar schouders op. ‘Het is altijd zijn grote droom geweest om in Laren te wonen.’
‘En dat gebeurde allemaal achter onze rug om. Weet Kevin het al?’
Lucie knikte. ‘Jullie mochten het pas weten als het pand gekocht was, eerder niet. Je kent je vader: hij houdt van winnen, verliezen hoort er niet bij.’
‘Maar een groentezaak beginnen in de P.C. Hooft?’ Daisy keek haar moeder vol onbegrip aan.
‘Je vader wil niet alleen groenten en fruit verkopen, maar ook kant-en-klaarmaaltijden die je alleen maar hoeft op te warmen in een oven of in een magnetron. Het worden natuurlijk wel heel speciale maaltijden.’
‘Maar hij kan toch niet koken?’
‘Nee, maar hij wil via een advertentie iemand erbij halen die hem daarbij helpt.’
‘Tjé, wat een woeste plannen.’
‘Vraag hem er straks maar naar. Ga anders vanavond even met hem mee, dan kun je zien hoe die winkel eruitziet. Maar je moet niet schrikken: het pand ziet er op dit moment nog erg verwaarloosd uit. Het moet helemaal verbouwd en aangepast worden.’
‘Hebben jullie daar dan nog wel genoeg geld voor? Want het is ook jouw geld, mam.’
‘Natuurlijk, Dais, maar dat pand in de P.C. Hooft is een goede investering, hoor. Anders was je vader er toch nooit aan begonnen? De boete die hij aan justitie moest betalen na afloop van die ellendige rechtszaak viel heel erg mee. Het geld dat hij kreeg voor de boerderij en de wijngaard in Italië was meer dan genoeg om ook de schadeloosstelling aan de supermarkten te betalen. En het zakenpand aan de Keizersgracht bracht boven verwachting enorm veel op, veel meer nog dan de vraagprijs.’
Er viel een korte stilte. Toen zei Daisy nadenkend: ‘Goh, mam, wat een gedoe was dat. Als ik daar nog aan denk: pap die in zijn onnozelheid met open ogen in dat plan van dat stelletje oplichters stonk: etiketten van zíjn allerbeste wijnsoorten op flessen met middelmatige wijn van anderen plakken, om die vervolgens aan de grote supermarkten te verkopen. Hoe kwam hij er toch bij?’
‘Je vader was veel te goed van vertrouwen.’ Lucie haalde haar schouders op. Ze wilde niet meer aan die ellendige tijd herinnerd worden. Geweest is geweest.
‘Als hij er nu maar van geleerd heeft,’ merkte Daisy op.
‘Je vader is niet gek. Hij zal zoiets nooit meer uithalen, geloof mij maar,’ verdedigde Lucie haar man.
‘Hé, jij hier?’ Kevin, Daisy’s twee jaar jongere broer, kwam de keuken in. ‘Leuk. Is die flap van jou er ook?’
‘Nee, Kevin, het… is uit tussen Niek en je zus,’ antwoordde Lucie in Daisy’s plaats.
‘O, sorry. Heb jij het uitgemaakt?’
Daisy knikte. ‘Hij ging, achter mijn rug om, weer uit met zijn vroegere vriendinnetje, dus…’
‘Wat rot voor je, Dais, en wat een slijmbal. Dat had ik nou helemaal niet achter hem gezocht.’ Hij zweeg even. Toen vroeg hij voorzichtig: ‘Houd je nog veel van hem?’
‘Ja, Kev, maar ik zie ook dat het niet langer gaat tussen ons. Ik vind eerlijkheid nou eenmaal superbelangrijk. Je moet elkaar kunnen vertrouwen. En drie mensen in een relatie is er één te veel. Daarom ben ik maar weggegaan.’
‘Heb je helemaal gelijk in,’ zei Kevin knikkend. ‘Zou ik ook doen.’ Hij keek naar zijn zus en had medelijden met haar. Daisy kon er nu wel nuchter over praten, maar je kon aan haar gezicht zien dat ze er verdriet van had. Die vervelende Niek Mazurel ook!
Een halfuur later kwam Jan van den Homburg thuis. Hij was even blij verrast over de thuiskomst van Daisy als de rest van het gezin, maar toen hij de reden hoorde, werd hij razend. Zijn mooie, bijdehante dochter op zo’n miezerige manier behandeld!
‘Goed dat je er een punt achter hebt gezet, Dais. Wat een kerel! Jammer, ik vond hem altijd een toffe peer. Zo zie je maar weer: een mens kan zich aardig vergissen. Nee, dat had ik echt niet van hem verwacht. Maar je weet het, meissie, beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald. Je gaat toch zeker niet terug naar Groningen om die studie af te maken?’
‘Nee, pap, ik hoor thuis in Amsterdam. Ik laat me per september overschrijven.’
‘Heerlijk. Je kunt zo weer in je kamer trekken.’ Vol genegenheid keek hij naar zijn dochter. Gelukkig had dat gedoe daar in Groningen maar kort geduurd. Zeker weten dat ze er snel overheen kwam. Ze was immers niet van suiker.
Die avond reed Jan van den Homburg met zijn dochter naar de P.C. Hooftstraat. Chic geklede mensen flaneerden door de dure winkelstraat op weg naar hun favoriete restaurant.
Jan parkeerde de auto voor een pand dat er door de verwaarloosde gevel erg onaanzienlijk uitzag. Tot Daisy’s verbazing zaten er twee voordeuren naast elkaar in de gevel.
‘Vroeger bestond dit pand uit drie woonappartementen, maar nadat het een paar jaar geleden van eigenaar was gewisseld, werd de onderste woonlaag verbouwd tot winkel en kwam er een deur bij. Omdat de koper zelf op de eerste verdieping ging wonen, heeft hij een doorgang in de winkelmuur naar het trappenhuis laten maken.’ Hij wees op een binnendeur in de muur vlak bij de ingang.
Daisy liep achter haar vader verder de winkel in.
Verbluft bleef ze staan en keek om zich heen. ‘Pap, hoeveel geld heb je hier wel niet voor moeten neerleggen?’ vroeg ze bezorgd toen ze de lange, grote ruimte zag.
‘Daisy, die wijngaard met de boerderij heeft heel veel geld opgeleverd. Daarvan kon ik met gemak al mijn schulden betalen,’ stelde Jan zijn dochter gerust. ‘Toen was het kantoorpand aan de Keizersgracht aan de beurt. Dat bracht zoveel op dat ik daar makkelijk deze winkel van kon kopen en dan hield ik nog geld over. Weliswaar niet veel – eigenlijk wat te weinig om de boel hier mooi en stijlvol te gaan verbouwen. Daarom heb ik een kleine hypotheek genomen, die ik gebruik voor verbouwing. Nou, wat vind je van je vader: is-ie slim of is-ie slim?’
‘Wat ben je toch een opschepper. Je zegt nu wel steeds “mijn geld”, maar het is ook mama’s geld, dat moet je vooral niet vergeten. Als je haar niet had gehad…’ Er klonk een scherpe ondertoon door in Daisy’s stem.
‘Ach ja, natuurlijk, natuurlijk, je moeder heeft me altijd gesteund,’ gaf Jan schoorvoetend toe. Eigenlijk wilde hij daar niet aan herinnerd worden. Zijn dochter moest niet zo kritisch zijn.
‘Ik wil eerst weleens zien wat hier precies achter zit.’ Nieuwsgierig opende Daisy de deur die de winkel verbond met het trappenhuis en liep vervolgens een kleine hal in. Ze zag twee trappen, die halverwege gescheiden werden door een overloop.
‘Helemaal boven is nog een trap, die je nu niet zo goed kunt zien omdat het te donker is, maar die leidt naar een zolder,’ zei haar vader. ‘Zo zie je maar, Dais: als de zaak hier niet aanslaat, is er nog niets aan de hand. Dan verkoop ik gewoon de zaak en die ben ik echt zo kwijt. Ze staan in de rij. Kom, ik zal je de appartementen even laten zien.’
‘Ga je die verhuren?’
‘Verhuren? Ik ben toch niet gek?! Nee, geen huurders boven mijn winkel, ik wil vrij zijn. Geen lawaai en geen gedoe met lastige klantjes die om de haverklap komen zeuren en klagen over een verstopte afvoer, een krakende vloer, een lekkende kraan of een deur die piept. En als je ze weg wilt hebben omdat je de ruimte zelf nodig hebt, krijg je ze er alleen maar uit via de rechter, wat je dan weer een bom duiten kost. Nee, geen huurders boven mijn hoofd.’
Jan haalde diep adem na dit vrijheidslievende betoog. Hij liep de trap op. ‘Ik ben benieuwd wat je ervan vindt.’
Op de overloop opende hij de voordeur en hij liep, op de voet gevolgd door Daisy, naar binnen. Nieuwsgierig keek Daisy rond. De woning zag er slecht onderhouden uit. Het verkleurde behang was gescheurd en hing op sommige plekken in grote flappen naar beneden, de verf op de deuren en houten balken was afgebladderd en in de oude parketvloeren zaten krassen en schaafplekken. Tussen de grote voor- en achterkamer bevonden zich verveloze houten schuifdeuren, maar wel met prachtige glas-in-loodramen. De smalle openslaande deuren in de voorkamer vormden de toegang tot een breed balkon met een hek van prachtig smeedwerk. Daisy opende met een verrukt gezicht een van de balkondeuren en liep naar buiten. ‘Pap, kijk, geweldig.’
‘Voorzichtig, Dais, val niet,’ waarschuwde haar vader. ‘Dat balkon moet eerst nagekeken worden. Kom naar binnen.’
Daisy haalde haar schouders op. Haar vader deed wel heel beschermend, maar toch ging ze weer naar binnen.
‘Er is hier ontzettend veel van te maken,’ zei ze goedkeurend.
‘Je kunt er zo intrekken,’ bood haar vader aan.
‘Nee, ik blijf in mijn eigen kamer,’ antwoordde ze snel. Ze was nu eenmaal verslaafd aan het uitzicht over de Singelgracht.
‘Gezien? Dan gaan we nu weer naar beneden, of je moet nog de tweede verdieping willen bekijken, maar die ziet er hetzelfde uit als deze.’
‘Die hoef ik dus niet te zien. Komt een andere keer wel. Zullen we nu beneden maar verder bekijken?’
‘Ik laat je eerst even de tuin zien,’ zei Jan. Ze liepen door een lange, ruime keuken met een granieten aanrecht en gootsteen. Tegen de muren hingen authentieke glazenkasten.
‘Pap, die kun je heel goed gebruiken. Niet weg laten slopen, hoor,’ zei Daisy.
‘Dat had ik ook al gezien, Dais. Degelijk spul.’
Jan opende de buitendeur. ‘Alstublieft, mevrouw,’ zei hij triomfantelijk met een breed gebaar.
De tuin was inderdaad indrukwekkend. De omheining bestond uit een oude, verweerde muur die hier en daar met olijfgroen mos begroeid was. De gele bloempjes van de toverhazelaar staken helder af tegen het bleekblauw van de avondhemel en onder een knoestige kastanjeboom groeiden een paar donkerpaarse en sneeuwwitte krokussen. De oude takken van een Japanse kers bogen door onder een vracht roze bloemknoppen, terwijl de zachte, maar doordringende geur van viburnum door de tuin zweefde.
‘Wat prachtig,’ fluisterde Daisy. ‘Hier ga je toch niets aan doen?’
‘Voorlopig niet. Als jij wilt tuinieren…’
‘Daar heb ik geen tijd voor.’
‘Nou, ik ook niet. Misschien is het een klusje voor de vriendinnen van je moeder.’
Daisy schoot in de lach. ‘Hoe verzin je het, pap. Ze zien je aankomen. Dat zijn toch echte stadsmeiden? Die zie ik hier niet met hun handen in de grond wroeten.’
Toen ze weer binnen stonden vroeg Daisy: ‘Heb je al een idee hoe je de verbouwing gaat aanpakken?’
‘Dat zal ik je zeggen. Eerst laat ik de hele winkel uitbreken. Dan komt daar een glazen toonbank met gekoelde bakken voor de maaltijden en tegen die muur komen de kratten met groenten en fruit,’ zei Jan, wijzend. ‘En geen gewone kratten, hoor. Ik heb schitterende gezien op een beurs: zilverkleurig. Echt design.’
‘Tjonge,’ lachte Daisy. Er klonk een beetje spot door in haar stem. Pap en design… Plotseling betrok haar gezicht. Het woord ‘design’ herinnerde haar even aan de moeder van Niek, die dol was op design. Niek… Waar zou hij uithangen? Zat hij soms samen met Marjolein in een kroeg? Niet meer aan denken. Voorbij was voorbij.
‘Dais, wat is er?’ vroeg Jan bezorgd.
Daisy haalde haar schouders op. ‘Niks,’ mompelde ze.
‘Lieverd, over een maand lach je erom,’ merkte haar vader troostend op.
Maar daar was Daisy beslist niet van overtuigd.
Toen ze weer thuiskwamen, werden ze verwelkomd door de geur van koffie.
Lucie bracht de koffie binnen. Daarna ging ze weer naar de keuken en even later kwam ze terug met een schaal met een Schwarzwälder kersentaart, die ze al in stukjes had gesneden.
‘Heerlijk, Luus. Dat ziet er weer geweldig uit,’ zei Jan.
Alleen Daisy had geen trek.
‘Kun je me na de koffie even helpen met het opstellen van een advertentie, Dais?’ vroeg haar vader.
‘Waarom gebruik je internet niet? Ik help je er wel bij,’ stelde Kevin voor.
‘Nee, jochie, je vader is er nog een van de oude stempel. De advertentie komt in een echte, papieren krant.’
‘Wat moet erin komen?’ wilde Daisy weten.
‘Ik ben op zoek naar een creatieve, jonge, aardige, betrouwbare verkoopster die tegelijk een goeie kok is en die me helpt een zaak op poten te zetten. Graag een foto erbij.’
‘Dat kan, maar je kunt dat niet verplicht stellen, pap,’ waarschuwde Daisy.
‘En je kunt zo’n plaatje makkelijk fotoshoppen,’ zei Kevin. ‘Je wordt beduveld waar je bij staat.’
‘Oké, dan maar geen foto. Dais, maak er iets van, wil je?’
Daisy knikte. Morgen ging ze meteen aan de slag.