14
Het was zeven uur in de avond, het liep tegen sluitingstijd. Daisy van den Homburg stapte de winkel van haar vader binnen. ‘Hoi Brenda,’ groette ze de vrouw die achter de toonbank bezig was de vuile glazen platen uit de vitrines te halen.
‘Hai, Daisy.’ Brenda knikte opgewekt terug. ‘Je vader is achter.’
Daisy liep door naar de keuken, waar haar vader bezig was de vaatwasser te vullen. Een vreemd gezicht, vond ze: haar pap die huishoudelijk werk verrichtte. Dat had hij vroeger nooit willen doen.
‘Hoi pap,’ zei ze.
‘Ah, Daisy, wat een verrassing. Kom je je oude vader helpen?’
‘Eenenvijftig is nog niet oud, pap. Maar daar kom ik niet voor.’
‘Je maakt me nieuwsgierig.’
Daisy stond op en sloot de deur. Nieuwsgierige oren kon ze niet gebruiken.
‘Een tijdje geleden kwam ik Arthur Augustijn tegen.’
‘Dat had je toch al verteld?’
‘Dit was de tweede keer.’
‘Jullie komen elkaar nogal eens tegen.’
‘Dit was waarschijnlijk de laatste keer, want ze gaan verhuizen… naar het buitenland.’
‘Opgeruimd staat netjes,’ vond Jan. Het was een pak van zijn hart dat dat ellendige stel zou vertrekken. Na de laatste brief had hij niets meer van hen gehoord. Zijn angst voor de ontdekking van de foto’s van Sabine en hem was langzaam weggeëbd, maar was nooit helemaal verdwenen.
Daisy aarzelde. ‘Hij zag er nogal toegetakeld uit.’
Jan keek zijn dochter vragend aan. ‘Toegetakeld?’
‘Hij droeg een mitella en hij had een paar flinke meppen op zijn gezicht gehad.’
Jan begon te grinniken. ‘Eindelijk gerechtigheid!’
‘Pap, hij zei dat jij daar iets mee te maken had,’ ging Daisy voorzichtig verder.
‘Hè? Ik? Hoezo? Ik heb die kerel in jaren niet meer gezien,’ merkte Jan verbaasd op.
Zijn verbazing was echt, zag Daisy tot haar grote opluchting, maar voor de zekerheid vertelde ze toch verder. ‘Volgens Arthur had jij je Surinaamse of Antilliaanse vriendjes op hem af gestuurd.’
‘Nou breekt mijn klomp. Surinaamse of Antilliaanse vrienden? Die heb ik niet. Dat weet jij toch ook? Die kerel is gestoord, Daisy. En als ik die vrienden al had, waarom zou ik ze dan nu op hem af sturen?’
‘Hierom.’ Daisy haalde de foto’s die ze van Arthur had gekregen uit haar tas.
‘Als ik het niet dacht,’ zei Jan knarsetandend. ‘Dais, dit kan ik uitleggen.’
‘Goh, ik luister.’
‘Weet jij nog dat Sabine werd aangevallen door die kerels?’
Daisy knikte. Dat kon ze zich nog heel goed herinneren.
‘De eerste dag toen ze weer begon te werken, zei ik tegen haar dat ze die etage mocht huren, zodat ze geen last meer had van dat geteisem. Ze vloog me om de hals. Dat is wat je nu ziet. Toevallig was Thea Augustijn in de buurt en heeft die foto’s genomen. Achteraf dus helemaal niet zo toevallig, want ik denk dat ze al een paar dagen op de loer had gelegen. Ze wilde nu eenmaal wraak nemen.’
Daisy geloofde haar vader meteen. Maar nu kwam het moeilijkste deel van haar missie: ze vond het vreselijk om zich te bemoeien met het liefdesleven van haar vader, maar ze zag dat haar ouders langzaam maar zeker uit elkaar dreven, en dat maakte haar bang en treurig. Ze keek haar vader aan en zei: ‘Pap, ik wil het eigenlijk niet vragen, maar het moet. Zeg eens eerlijk: ben je nu verliefd op Sabine of niet?’
Jan zuchtte. ‘Ja, Dais, ik kan er echt niets aan doen. Ik vind haar ontzettend leuk en… lief.’
Daisy voelde het bloed uit haar gezicht wegtrekken. ‘Je wilt dus scheiden?’ vroeg ze onzeker.
‘Nee, natuurlijk niet. Nee… Ach, ik weet het gewoon niet. Als ik bij Sabine ben, voel ik me anders – jong, vrolijk. Zoals je moeder heel vroeger tegen mij was, zo doet Sabine nu tegen mij. Ze luistert naar me en ik, eh… Ik tel mee.’
‘Alsof je niet meetelt bij mam! Doe niet zo dwaas, pap, jij bent mams grote liefde.’
‘Daar merk ik soms niet veel van. Het grootste deel van de tijd zit je moeder met haar gedachten bij die chocoladetroep om nieuwe bonbonnetjes te verzinnen. Ik denk af en toe dat ze er ook nog over droomt. Ik word er niet goed van!’
‘Je overdrijft. Vooral sinds ze niet meer hoeft te werken voor dat televisieprogramma, heeft ze weer alle tijd voor ons. Jij bent degene die nu vaak niet thuis is en jij schenkt mam heel weinig aandacht. Geen wonder dat jullie uit elkaar groeien. Jij bent nu degene die háár wat meer aandacht moet geven. Je houdt toch nog van haar?’ Daisy vond haar vader een warhoofd. Nu eens zei hij dat hij van mam hield en dan weer was hij gek op Sabine, die hem zogenaamd zo goed begreep. Volgens haar was het een van tweeën: of je hield van iemand, of je werd verliefd op iemand anders, maar allebei ging niet.
Plotseling flitste er een gedachte door haar hoofd. Toen haar moeder zo razend op haar vader was geworden vanwege de affaire met Thea Augustijn dat ze hem niet meer wilde zien, was hij als een blad aan een boom omgedraaid. Weg waren zijn achteloze behandeling van haar moeder en zijn chagrijn. Hij was veranderd in een aardige, lieve man die weer dol was op zijn vrouw en die bang was om haar te verliezen. Het werd tijd dat mam hem weer eens stevig aanpakte. Ze moest weer eens met haar vuist op tafel slaan; dan was haar vader meteen genezen van die rarigheid. Het was echter de vraag of haar moeder dat zou doen. Ze leek hard bezig om weer een doetje te worden.
‘Pap, haal je vooral niets in je hoofd. Sabine zal nooit met je trouwen. Ze is namelijk niet verliefd op jou. Dat merkte ik tijdens de verhuizing hiernaartoe. Ze vindt je alleen maar aardig, meer niet,’ zei ze een beetje uit de hoogte.
Jan zuchtte bijna onhoorbaar. Zoiets vermoedde hij al.
Er viel een lange stilte.
‘Je moeder mag hier niets van weten,’ zei Jan voorzichtig.
‘Je denkt toch niet dat ik gek ben? Natuurlijk niet. Mam mag deze foto’s nooit zien, want zij is anders dan ik: zij zal je absoluut niet willen geloven. Dat weet ik bijna zeker.’ Daisy verscheurde de foto’s tot kleine snippers en gooide ze weg in de grote pedaalemmer die bij de werkbank stond. ‘Met een beetje geluk komt alles weer goed, pap.’ Ze sloeg haar arm bemoedigend om de schouders van haar vader. ‘Je moet gewoon wat afstand nemen van Sabine. Probeer nou eens om niet zoveel aan haar te denken en geef meer aandacht aan mam, want dat heeft ze echt nodig.’
Dat was makkelijker gezegd dan gedaan, dacht Jan. Volgende week kwam Sabine weer terug. Hij zag er nu al naar uit. Hij mocht toch stiekem wel een heel klein beetje dromen? Eigenlijk voelde hij zich opgelucht dat Daisy nu ook van de foto’s wist. Gelukkig had ze geen moment aan zijn uitleg getwijfeld. Ach, met een beetje goede wil kwam alles weer goed. Maar of hij dat werkelijk wilde…?
‘Schiet het al wat op met die stille, geheimzinnige vreemdeling van je?’ informeerde Claire.
‘Jij moet boeken gaan schrijven, je weet wel, van die romantische verhalen die in stapels bij de kassa van de supermarkten staan,’ antwoordde Daisy kribbig. ‘Je hebt beslist aanleg.’
‘Je brengt me op een idee,’ lachte Claire. ‘Hè, Dais, doe niet zo boos. Ik leef alleen maar met je mee. Zou je die man maar liever niet vergeten? Je kunt nu wel elke dag even langsgaan bij hem in de bakkerij, maar je schiet er helemaal niets mee op. Waarom leg je je er niet bij neer dat hij meer van chocola houdt dan van vrouwen?’
‘Ik kan er niets aan doen, ik ben nu eenmaal verliefd op hem.’ Daisy haalde mistroostig haar schouders op.
‘Waarom zoek je hem niet eens een keer op in Durgerdam?’
‘En dan?’
‘Dan vraag je of er nog hoop voor je is.’
‘Ja hoor, ik ben gek! Waar zie je me voor aan?’ antwoordde Daisy verontwaardigd.
‘Daar hoef je heus niet gek voor te zijn. Mannen en vrouwen zijn toch gelijk? Je vraagt gewoon wat hij voor je voelt.’
‘Gestoord!’ vond Daisy.
‘Dan moet je het zelf weten en blijft deze toestand nog maanden doorzeuren. Net een ontstoken kies. Ik wist het wel.’
Misschien had Claire wel gelijk, dacht Daisy ineens. Ze kon toch niet eindeloos in stilte verliefd zijn op iemand? Als Sil echt niets voor haar voelde, was het einde verhaal.
‘Je hebt gelijk, Claire,’ zei ze vastbesloten. ‘Het is beter als ik weet waar ik aan toe ben.’
‘Heel goed,’ merkte Claire tevreden op. Zij had niet zoveel op met Sil Frens. Ze vond hem ongrijpbaar en ondoorgrondelijk. ‘Wanneer ga je ernaartoe?’
‘Zaterdagmiddag,’ besloot Daisy ter plekke.
‘Is hij dan thuis?’
‘Gunst, Claire, hoe moet ik dat nu weten? Ik ga er gewoon naartoe. Als hij er niet is… pech gehad.’
Die zaterdag was het regenachtig weer. Dat kwam goed uit, vond Daisy. Als de zon scheen moest je maar afwachten of iemand thuis was. Als het regende, had je meer kans. Ze was benieuwd of Sil een eigen huis had of dat hij bij iemand inwoonde, bijvoorbeeld bij zijn ouders. Dat kon toch? Hoewel ze het betwijfelde. Daar was Sil niet het type voor. Veel te onafhankelijk. Die koesterde vast zijn vrijheid. Als hij nu maar niet een vriendin had, want dan stond ze mooi voor paal. Voor dat geval kon ze maar beter een smoes klaar hebben. Een beetje zenuwachtig zocht ze haar kleren uit. Het moest niet opvallend en vooral casual zijn: een simpele spijkerbroek en een mooi T-shirt met een bodywarmer. Daarna pakte ze haar tas en ging ze naar beneden.
‘Wat ben jij vroeg? Heb je een afspraak?’ vroeg Lucie, die klaarstond om naar de winkel te gaan.
Daisy knikte. Wat zou mam opkijken als ze wist naar wie ze vandaag toe zou gaan.
‘Hoe laat ben je thuis?’
‘Ik weet het nog niet. Ik app je nog wel. Kan ik jouw auto lenen? Jij bent toch de hele dag thuis.’
‘Ja, maar doe wel alsjeblieft voorzichtig, lieverd. Je hebt toch wel gezien dat het regent, hè? Nou, veel plezier met wat je ook gaat doen.’
Daisy kuste haar moeder en liep weg.
Ze reed over een smalle dijk langs het IJsselmeer. Vreemd, in deze omgeving was ze nog nooit geweest. Aan de linkerkant lagen weilanden, met in de verte een paar dorpjes. Een ervan had een stompe toren. De dijk maakte een paar bochten. Plotseling zag ze door de mistige regensluier een dorp dat tegen de dijk was gebouwd. Dat moest Durgerdam zijn. In de bocht vlak voor het dorp hield ze stil.
‘Daisy van den Homburg, wat ga je in vredesnaam doen?’ mompelde ze tegen zichzelf. De zenuwen gierden door haar heen. Wat moest ze zeggen, hoe moest ze beginnen?
‘Hallo, Sil. Ik was hier toevallig…’ Nee, ze moest niet meteen met een leugentje beginnen. Hij zou haar onmiddellijk doorhebben. In zulk regenachtig weer ging een mens niet ‘toevallig’ naar dit dorpje aan het IJsselmeer. Nee, ze zou heel gewoon zeggen: ‘Hoi Sil, ik wilde toch weleens weten waar je woonde.’ Mocht hij een vriendin hebben, dan kon ze die reden ook gebruiken.
Ze startte de auto weer en reed even later Durgerdam binnen. Gespannen keek ze naar de huisnummers. Aan het eind van de weg, waar de dijk een haakse bocht maakte, stond een grappig gebouw met een torentje. Heel langzaam reed Daisy erlangs. Hier moest het ergens zijn. Ja, daar stond het huis dat ze zocht. Hier woonde Sil dus. Ze zette de auto stil voor een wit dijkhuis met een donkerblauw pannendak. In de gevel zaten twee ramen met ouderwetse roedeverdeling en donkerblauwe kozijnen, en een kussendeur in dezelfde kleur. Het huis had een sobere, bijna strenge uitstraling, net als zijn bewoner, vond Daisy.
Wat nu? Eerst maar eens op de dijk kijken. Ze sloeg een grote sjaal om zich heen en liep een trapje op naar de dijk. Toen ze boven kwam, zag ze een haven vol met plezierschepen en over het brede water aan de horizon verhieven zich de vage contouren van Amsterdam.
Ze draaide zich om en liep een stukje verder. In de verte lag het gebouw met het torentje. Jammer dat er zo’n miezerige regen viel, die haar tot op het bot verkilde, anders was ze er beslist even naartoe gelopen. De wind trok aan en begon in vlagen over het water te jagen. Ze huiverde en schikte de sjaal strakker om zich heen.
Er klonken opeens snelle voetstappen. ‘Ik verbeeldde me het dus niet, je bent het echt,’ klonk de verbaasde stem van Sil achter haar. Daisy bleef staan en keerde zich om.
‘Wat doe jij hier in dit weer?’ vroeg Sil.
‘Ik wilde weleens zien waar je woonde,’ antwoordde ze. Onzeker keek ze hem aan.
Hij schudde zijn hoofd. ‘Had je geen ander weer kunnen uitzoeken? Kom mee, het is hier veel te koud. Je vangt zo alle wind.’ Hij pakte haar hand en trok haar mee de trap af naar de rijweg en het huis in. Binnen in een kleine hal nam hij haar sjaal van haar aan, die hij over een kleerhanger aan de kapstok boven de centrale verwarming hing, en hij duwde haar vervolgens een lange kamer in. ‘Ga maar bij de kachel zitten. Ik heb hem net aangestoken. Dan zet ik intussen koffie.’
Halverwege de kamer stond een potkachel tegen de buitenmuur. Houtblokken knetterden en vlammen laaiden op die een heerlijke warmte uitstraalden. Rillend schoof Daisy een lage stoel dicht bij de kachel, ging zitten en keek rond. Het was een sober ingerichte kamer, met een houten vloer en een wit plafond met zwarte balken. Er stonden weinig meubels: een houten eettafel met bijpassende stoelen, een boekenkast vol boeken, een antieke meidenkast en in een van de hoeken bij het raam, dat uitkeek op de polder, een led-tv. De enige kleuraccenten waren een rood tweezitsbankje en een paar prachtige schilderijen in felle kleuren. Het was al met al een rustgevende kamer.
Even later kwam Sil binnen met de koffie en een schaal koeken waar de damp nog vanaf sloeg. ‘Houd je van stroopwafels? Ik heb ze net gebakken.’
Daisy knikte. Ze lustte op het moment alles, als het maar warm was.
Sil schoof een stoel bij en ging tegenover haar zitten. Hij keek haar doordringend, bijna streng aan.
‘Is er iets?’ vroeg Daisy ongemakkelijk. Waarom keek hij zo? Ze kon het niet uitstaan dat ze eigenlijk niet tegen hem op kon.
‘Ik vraag me gewoon iets af,’ antwoordde hij, maar hij zei niet wat hij daarmee bedoelde.
‘Je woont hier mooi,’ verbrak ze na een tijdje de ongemakkelijke stilte.
Hij knikte alleen maar.
‘Dat witte gebouw met het torentje op de hoek van de dijk, is dat een kerkje of zo?’ ging ze verder.
‘Vroeger was het afwisselend een school, een kerk, een visafslag en een raadzaaltje. Bij de laatste verbouwing hebben ze het een woonbestemming gegeven. Er wonen regelmatig BN’ers in, die het na een paar maanden of een jaar weer voor gezien houden.’
‘Waarom?’
‘Voor elke boodschap moet je naar Amsterdam-Noord rijden, en dat zijn die mensen natuurlijk niet gewend.’
‘Je houdt zeker niet van BN’ers?’ Daisy keek hem vragend aan.
‘Ik ben dol op ze,’ antwoordde Sil schamper. ‘Zij kopen de bonbons in de winkel van je moeder, dus hoe meer BN’ers, hoe liever. Wat vind je van mijn huis?’
‘Prachtig.’ Daisy stond op en liep naar de achterramen, die uitkeken op uitgestrekte weilanden, doorsneden door kronkelige slootjes met knotwilgen die op het punt van uitlopen stonden.
Tegen de achtergevel was een dakterras gebouwd. Het eenvoudige tuinmeubilair was verweerd en had een grijze kleur.
‘Daar ligt de toren van Ransdorp,’ zei Sils stem vlak achter haar. Ze kon als het ware de warmte van zijn lichaam voelen. Doodstil bleef ze staan.
‘Je sjaal is nu wel droog. Heb je zin om een stuk te rijden?’ vroeg hij. ‘Mijn ouders wonen in Broek in Waterland. Ik had afgesproken dat ik vandaag langs zou komen. Ga je mee?’
Naar zijn ouders? Wilde hij haar op deze manier iets duidelijk maken, vroeg Daisy zich af. Ze was verrast door zijn voorstel. Er gloorde een zweem van hoop. Als hij haar aan zijn ouders wilde voorstellen, kon dat toch betekenen dat hij meer voor haar voelde dan hij deed voorkomen? Misschien, heel misschien…
Ze reden in Sils auto over de IJsselmeerdijk en passeerden verschillende schilderachtige dorpjes. Nog steeds regende het, maar voor Daisy leek de zon te schijnen. Alles om haar heen leek mooi geworden door de regen: stralend en glanzend. Tersluiks nam ze de man naast haar op. Hij was niet knap, maar wel fascinerend met dat strenge, onverstoorbare gezicht. Trouwens, alles aan hem vond ze interessant en aantrekkelijk, vooral zijn slanke handen, met lange vingers, die nu losjes het stuur vasthielden. Was hij nu maar niet zo bezeten van de droom om ooit de beste chef patisserie van Frankrijk te worden: Meilleur Ouvrier de France. Waarom droomde hij er nu niet van om de beste chef patisserie van Nederland te worden? Dan hoefde hij tenminste niet naar Frankrijk te verhuizen. Ze moest er niet aan denken dat Sil Frens uit haar leven zou verdwijnen. Even zuchtte ze onmerkbaar.
Broek in Waterland bleek een prachtig dorp te zijn, met sfeervolle oude huizen, de meeste in oude stijl gerestaureerd. Ook Sils ouders bleken in zo’n huis te wonen. Enigszins zenuwachtig liep Daisy met Sil mee.
‘Hoi mam, pap, dit is Daisy, de dochter van mijn werkgeefster Lucie van den Homburg,’ begroette hij zijn ouders toen ze binnen waren. Een steek van teleurstelling ging door Daisy heen. Nou ja, wat had ze dan verwacht? ‘Dit is Daisy, een vriendin van me’, of iets dergelijks?
Ze zag meteen dat Sil uiterlijk veel leek op zijn vader Frank: die had dezelfde ogen en hetzelfde gezicht, maar met een veel opener en zachtmoediger uitstraling dan zijn zoon. De man schudde glimlachend haar hand.
Toen Daisy in het gezicht van zijn moeder keek, wist ze bijna honderd procent zeker dat Sil haar karakter had. Ze herkende hem in haar strenge, bijna onaandoenlijke gelaatsuitdrukking. Alleen was de zoon beslist charmanter en vriendelijker.
‘Wat leuk om je te ontmoeten,’ zei Aletta Frens. ‘Sil heeft veel over je moeder Lucie verteld.’
Natuurlijk, haar beroemde moeder. Hoe kon ze dat nu toch vergeten, dacht Daisy kribbig en onredelijk.
‘Willen jullie koffie? Wij hebben die al gedronken, want ik had je zo laat eigenlijk niet meer verwacht, Sil. Dat ben ik niet van je gewend,’ zei Aletta op licht verwijtende toon tegen haar zoon.
‘Dat is waarschijnlijk mijn schuld. Ik kwam hem zomaar op zijn dak vallen,’ merkte Daisy snel op.
Sil begon te lachen. ‘Lieve Daisy, je hoeft het echt niet voor me op te nemen. Er is geen man overboord. Gelukkig hoef je geen koffie meer te zetten, mam, want we hebben al koffiegedronken,’ zei hij opgewekt tegen zijn moeder, maar zijn ogen hadden zich versmald.
‘Ik neem jullie niets kwalijk, hoor,’ reageerde zijn moeder.
‘Er wás ook niets om ons kwalijk te nemen,’ zei hij kalm. ‘Ik heb vanmorgen speciaal voor jou nog wat stroopwafels gebakken. Alsjeblieft, voor vanmiddag.’ Sil gaf zijn moeder het zakje met stroopwafels.
Oeps, de relatie tussen moeder en zoon was kennelijk niet optimaal, dacht Daisy. Waarschijnlijk was Sils moeder niet de gemakkelijkste van het gezin.
‘Jullie blijven toch zeker eten?’ vroeg Aletta. ‘Het wordt wel een heel eenvoudige lunch, van hartige taart met een frisse salade. Ik hoop dat je van olijven en geitenkaas houdt,’ zei ze tegen Daisy. ‘De taart is al klaar. Die zet ik zo meteen in de oven. Ik moet alleen nog de salade maken.’
‘Zal ik u misschien even helpen?’ vroeg Daisy, die een goede beurt wilde maken.
Aletta aarzelde, maar knikte toen.
De prachtig gerenoveerde keuken had twee openslaande deuren die naar een zorgvuldig onderhouden patiotuin leidden. Middenin stond een houten tuinstel.
‘Hè, wat jammer van het weer. Anders hadden we mooi buiten kunnen eten,’ zei Aletta spijtig terwijl ze de tuin in keek. ‘Nou ja, het is niet anders. Als jij de radijsjes en de knolselderij in dunne plakjes wilt snijden – ik heb ze al gewassen –, dan haal ik de blaadjes van de kropsla uit elkaar.’
Daisy kreeg een mesje in haar handen geduwd en begon met snijden.
‘Sil lijkt op mij,’ merkte Aletta na een korte stilte op.
Dat vermoedde ik al, dacht Daisy.
‘Ik herken veel in hem. Wat wij eenmaal in ons hoofd hebben, haalt niemand eruit. En Sil is even ambitieus als ik. Dit huis’ – ze maakte een gebaar met haar arm – ‘hebben Sils vader en ik van de grond af aan opgebouwd, plank voor plank, steen voor steen. En het resultaat mag er zijn, vind ik.’
‘Het is een prachtig huis,’ beaamde Daisy.
‘Sil is net als ik: een doorzetter van het zuiverste soort. Heeft hij je weleens over zijn droom verteld?’
Doelde ze soms op het chocoladeproject in Frankrijk, vroeg Daisy zich af.
‘Hij droomt ervan om ooit tot de top van de Franse chocolatiers te behoren. Zijn hele leven is daarop gericht en alles en iedereen die hem dwarszit, schuift hij weg. Af en toe is hij een en al berekening.’ Er verscheen een ondeugende glimlach op haar gezicht. ‘Daarom wilde hij dolgraag in dienst komen bij jouw moeder. Volgens Sil gaat zij heel creatief om met chocola. Ik weet zeker dat hij eens de top zal bereiken. Niemand houdt hem tegen… ook geen vrouw.’ Even zweeg ze. Toen draaide ze haar hoofd opzij en keek Daisy aan: ‘Ik wil je niet kwetsen, Daisy, integendeel,’ ging ze verder. ‘Ik wil juist voorkomen dat je gekwetst wordt. Er zijn al zoveel meisjes en vrouwen op Sil afgeknapt.’ Aletta schudde treurig haar hoofd, maar haar ogen keken Daisy scherp aan. ‘Ik denk – nee, ik weet wel zeker dat jij heel verstandig bent. Jij maakt je vast geen illusies. Kom, ik ga even de sla wassen.’
Daisy sneed werktuiglijk de plakken knolselderij tot reepjes. Wat deed ze hier eigenlijk bij deze mensen, die ze niet eens kende, vroeg ze zich af. Zelfs Sil was voor haar een gesloten boek. Ze kon wel hartstochtelijk verliefd op hem zijn, maar het had geen zin. Vreemd dat ze in het begin echt gedacht had dat Sil en zij bij elkaar hoorden. Dat was dus een waanbeeld gebleken. Ze moest de waarheid onder ogen zien: het werd niets met hem.
‘Ziezo, het is klaar,’ merkte ze tegen Aletta op. ‘Kan ik even mijn handen wassen? Ze ruiken anders zo naar de selderij.’
Daisy waste haar handen, ging terug naar de woonkamer en ging op een stoel tegenover Sil zitten, die haar glimlachend aankeek, maar ze ontweek zorgvuldig zijn blik.
Het liefst was ze in haar auto gestapt en teruggereden naar Amsterdam, maar haar auto stond nu eenmaal in Durgerdam.
Sil zag dat Daisy er teruggetrokken bij zat en alleen maar naar buiten staarde. Er was vast iets gebeurd in de keuken. Had zijn moeder iets gezegd? Hadden ze ruziegemaakt? Dat kon hij moeilijk geloven, maar wat was er dan?
Hij stond op en liep naar de keuken. ‘Is er iets gebeurd? Hebben jullie ruziegemaakt of heb jij iets tegen Daisy gezegd?’ vroeg hij aan zijn moeder.
‘Hoezo, lieverd?’ vroeg Aletta verbaasd.
‘Daisy ziet er zo afwezig uit. Dat is helemaal niets voor haar. Voor den dag ermee, mam, heb je echt niets gezegd?’
Aletta zuchtte. ‘Ik heb alleen gezegd dat ze nergens op hoeft te rekenen.’
‘Wat bedoel je daarmee?’
‘Gewoon, dat jij één droom hebt: topchocolatier in Frankrijk worden. En dat je daarvoor alles opzijzet en dat niemand je in de weg moet staan, want dat pik je niet. Nou, wat heb ik in vredesnaam miszegd? Toch helemaal niets? Ik ben gewoon eerlijk geweest, en dat moet jij ook doen, Sil. Je moet haar vertellen hoe het zit, want dat meisje is, evenals vele andere vrouwen, verliefd op je. En als ze het nog niet is, wordt ze het wel. Wek geen valse verwachtingen bij Daisy van den Homburg.’
Met stijgende boosheid had Sil zijn moeder aangehoord. ‘Dacht je soms dat ik niet in staat ben mijn eigen zaken af te handelen? Waar bemoei je je mee? Je bent veel te ver gegaan.’
‘Ben je soms verliefd op haar?’ vroeg Aletta vol ongeloof.
‘Dat gaat je helemaal niets aan. Trouwens, wie zegt dat Daisy verliefd op mij is? Nog maar een jaar geleden had ze een relatie met een andere man. Ik vraag me af of ze daar al overheen is. Misschien heb je haar wel diep gekwetst met je opmerkingen. Je wordt bedankt!’
‘Ik heb je alleen willen helpen. Als je niet eerlijk blijft en alles op alles zet, zul je nooit Meilleur Ouvrier de France worden. Daar moet je alles voor geven. Als je je laat afleiden door een vrouw…’ Ze haalde haar schouders op.
Sil keek zijn moeder nadenkend aan. Ze was hard, maar daardoor had ze ook veel in haar leven bereikt. Meilleur Ouvrier de France… Hij wilde dolgraag die titel binnenhalen, maar Daisy dan…
Het werd een rustige maaltijd. Daisy at bijna niets. Als haar iets gevraagd werd, antwoordde ze weliswaar, maar zonder haar gebruikelijke enthousiasme.
‘Voel je je soms niet lekker?’ vroeg Sils vader ten slotte bezorgd.
‘Nee, misschien heb ik wel kou gevat. Ik ga straks maar vroeg naar huis.’
Hoe eerder ze weg was uit dit dorp met zijn pittoreske houten huizen en schattige bloementuintjes, hoe beter. Ze snakte naar Amsterdam. Jammer van de dag, maar ze wist nu tenminste waar ze aan toe was.
In alle stilte vond de terugtocht plaats. Daisy antwoordde beleefd op Sils vragen, maar zo gauw ze een kant op gingen die ze niet wilde, hield ze de boot af en gaf ontwijkende antwoorden. Het lukte Sil niet om door de muur die ze had opgetrokken heen te breken.
‘Ga je nog even mee naar binnen?’ vroeg hij ten slotte toen ze in Durgerdam terug waren. Ze moesten dit echt uitpraten.
Daisy schudde kort haar hoofd. ‘Nee, als je het niet erg vindt, ga ik meteen naar huis. Bedankt voor de leuke dag.’ Ze stapte uit en liep meteen naar haar auto.
‘Daisy,’ riep Sil haar nog na, maar ze reageerde niet. Waarom had zijn moeder zich nu in vredesnaam met zijn zaken bemoeid, vroeg hij zich af. Achteraf bezien had hij Daisy beter niet mee kunnen nemen naar zijn ouders.
Daisy was ingestapt en startte de auto. Even keek ze in haar achteruitkijkspiegeltje naar de lange gestalte op de weg. Van nu af aan zou ze proberen Sil Frens voorgoed uit haar gedachten te bannen. Zeker weten dat dat haar zou lukken.
Het was maandagmorgen. Jan van den Homburg keek met een opgewekt gezicht in de spiegel. Hij had extra zorg aan zijn uiterlijk besteed. Nog één keer haalde hij een borstel door zijn haar. Vanmorgen zou Sabine weer terugkomen in de zaak. Gelukkig, want hij had haar erg gemist. Hij was de woorden en de waarschuwing van zijn dochter helemaal vergeten.
‘Wat ben jij vroeg,’ merkte Lucie verbaasd op. ‘Ik zal snel koffie zetten.’ Ze keek naar haar man. Er was iets met hem aan de hand, wist ze heel zeker. Meestal kwam Jan knorrig naar beneden en werd hij pas weer mens als hij een kop koffie had gedronken.
‘Nee, Luus, laat maar. Ik zet straks wel koffie op de zaak. Ik moet nog wat rommel opruimen, want meestal vergeet Brenda dat. En het is sneu voor Sabine om in een zooi terug te komen, terwijl ze de keuken zo schoon heeft achtergelaten voordat ze naar Suriname ging,’ zei Jan.
Sabine… Kwam daar die vreugde vandaan, vroeg Lucie zich af. Wie had verwacht dat er ooit nog eens een verwijdering tussen hen zou ontstaan? Kwam dat nu alleen maar doordat zij er niet voor Jan was geweest in de tijd van de televisieopnames? Ze hadden het van tevoren toch helemaal met elkaar doorgesproken? Maar dan nog…
‘Ik ga, Luus. Tot vanavond.’ Jan kuste haar vluchtig op de wang en verdween.
‘Jan! Jan, luister!’ Ze stond op en liep hem achterna. ‘Hoe laat kom je thuis? Daisy en Kevin zijn er vanavond niet. Zullen we dan ergens gaan eten?’
Er kwam echter geen antwoord, want Jan was de trap af gerend en had de winkeldeur al achter zich dichtgetrokken.
Zo ging dit niet langer, dacht Lucie moedeloos. Aan deze situatie moest een einde komen. Ze was Jans houding meer dan beu. Hij was zo achteloos, zo afwezig… Ze voelde zich telkens weer vernederd en werd boos. Nee, ze pikte dit niet meer. Binnenkort moesten ze echt praten. Als hij werkelijk verliefd was op Sabine, dan moesten ze hun huwelijk maar beëindigen. Bij de gedachte alleen al werd ze misselijk.
‘Wat zie je er geweldig uit,’ zei Jan nadat hij Sabine warm had begroet. ‘Paramaribo heeft je goedgedaan. Daar ben ik blij om.’
Sabine lachte gelukkig. Ze stak haar hand uit. De ring van Millo glansde om haar vinger.
Verbaasd keek Jan naar de bijzondere, in elkaar gedraaide gouden ring. Betekende dat…? Hij voelde het bloed wegtrekken uit zijn gezicht, maar Sabine had niets in de gaten. Zij had alleen maar oog voor de prachtige ring.
‘Ik heb eindelijk iemand gevonden die helemaal bij me past en me begrijpt,’ zei ze stralend. ‘Hij is nog in Suriname, maar over een paar weken komt hij terug. Hij woont ook in Amsterdam. O, ik ben zo gelukkig!’
Weg spannend weerzien, weg vrolijke verliefdheid. Jan duikelde in één klap van een roze wolk weer met beide benen op de grond.
‘Och, wat leuk, gefeliciteerd,’ zei hij geforceerd vrolijk. Met moeite zette hij een enthousiast gezicht op.
‘En raad eens? Mijn vriend kent jouw vrouw heel goed. Hij werkt ook bij de televisie: Millo Hermsen. Is dat niet ontzettend toevallig? We kwamen naast elkaar te zitten in het vliegtuig. Het klikte meteen tussen ons en dat had ik echt nog nooit meegemaakt. Ik ben zo gelukkig!’
Sabines woorden kwamen als mokerslagen op hem neer. Uitgerekend Millo Hermsen! Van alle mensen juist die man met zijn slaapverwekkende, zogenaamde fluwelen stem! Dat Sabine op zulke kerels viel! Ja, nu werd het Jan opeens duidelijk waarom zij niet hetzelfde voelde voor hem als hij voor haar. Het viel hem bitter van haar tegen.
‘Kom, de winkel gaat straks open en er moet nog veel werk worden verzet,’ merkte hij op, en hij liep naar de keuken. Stommeling, dacht hij intussen, hoe kun je nu zo onnozel zijn om verliefd te worden op deze vrouw? Daisy had gelijk gehad toen ze zei dat Sabine niets voor hem was, dat ze te jong was. Nou ja, het was gelukkig nog niet te laat. Lucie en hij moesten vanavond maar eens een goed gesprek hebben en allebei moesten ze heel duidelijk uitspreken waarom ze de laatste tijd zo uit elkaar gegroeid waren, hoeveel ze ook van elkaar hielden. Sabine was gewoon een bevlieging geweest. Misschien zat hij wel in een midlifecrisis, zoals zoveel kerels van zijn leeftijd.
Maar elke keer als hij naar Sabine keek, voelde hij een steek bij zijn middenrif. De lieve blik uit die mooie en tegelijk grappige donkerbruine ogen was van nu af aan alleen bestemd voor Millo Hermsen, die hij niet uit kon staan. Stiekem had hij weleens gedroomd van een toekomst met Sabine, maar aan het eind van de droom had hij telkens weer beseft dat een relatie tussen hem en haar niet realistisch was. Hij had zich in gedachten laten gaan ten koste van Lucie, die er altijd voor hem was geweest. Lucie…
Het werd tijd voor verandering. Het roer moest om. Maar om nu meteen de daad bij het woord te voegen en bloemen voor Lucie te kopen, was net even te veel gevraagd. In de loop van de week, wanneer de ergste teleurstelling achter de rug was, kon hij weleens over een bos bloemen gaan nadenken. Eerlijk gezegd had hij niet verwacht dat Sabines stralende blijdschap hem zo zou kwetsen en hem zelfs een beetje boos maakte.
Nu moest hij weer terug naar Lucie. Lieve, gedweeë Lucie. Zijn relatie met haar was een sleur geworden.