4
Het was eind augustus. De bomen aan de gracht begonnen voorzichtig te kleuren en ook het licht werd zachter en diffuser. Lucie van den Homburg was er blij mee. Gelukkig geen helblauwe hemel meer met een brandend hete zon die de temperatuur tot ver boven de dertig graden deed oplopen. Behoedzaam schoof ze een blad met bonbons in de glazen vitrine. Elke woensdagmiddag en zaterdag was ze in de winkel te vinden, want Lucie wilde het contact met haar klanten beslist niet verliezen. Het was nu even minder druk, dus tijd om de bonbons aan te vullen.
De winkelbel ging en Lucie keek op. In de deuropening stond een lange man met een vriendelijk gezicht. Lichtbruin krullend haar omlijstte zijn gezicht en warmbruine ogen keken zachtmoedig en belangstellend de wereld in. ‘Dag Lucie,’ groette hij met donkere stem.
‘Millo!’ riep Lucie blij verrast uit. Er verscheen een brede glimlach op haar gezicht. ‘Ik dacht dat je nog in het buitenland zat. Daar maakten jullie toch opnames voor je programma? Tenminste, zoiets heb ik gelezen in de tv-gids.’
Millo Hermsen was de producer en presentator van het televisieprogramma Nachtgedichten, dat alleen in de herfst en in de winter elke nacht vanaf één uur werd uitgezonden. Hij had een grote schare fans. Vooral Sijtske Blom, Lucies vriendin, sloeg geen nacht over en was stiekem verliefd op hem. De andere vriendinnen vonden hem helemaal niets. Stefanie Holleman noemde hem Klaas Vaak. ‘Je ogen beginnen al te tranen als je hem ziet, meiden,’ verkondigde ze altijd luidkeels. ‘Als-ie zijn mond opendoet, ben je gelijk van de wereld.’ Josie Bonekamp vond hem een halve zachte met doezelige hondenogen, die alleen maar zemelgedichten over de liefde kon produceren, terwijl Melanie Hordijk hem de nationale slaappil van Nederland noemde. Maar Lucie hield van zijn programma. Millo Hermsen was een geweldige vriend, die veel voor haar betekende, meer niet. In het begin, toen ze hem nog maar net kende, was ze een beetje verliefd op hem geweest. Dat kwam ook doordat haar relatie met Jan toen op een wel erg laagje pitje stond. Maar na een periode vol problemen was de rust weergekeerd en was alles weer normaal geworden.
‘Ik ben weer terug, Lucie, inderdaad iets vroeger dan verwacht, maar september staat weer voor de deur. Binnenkort beginnen de uitzendingen weer. Hoe gaat het met jou? Ik hoorde een heel leuk nieuwtje. Krijg jij nou echt een bakprogramma of…?’
‘Ja, maar dat mag eigenlijk nog niet bekend worden.’ Ze keek even schichtig naar de winkeldeur, waarachter een vrouw op het punt stond om binnen te stappen.
‘Oké,’ lachte Millo. ‘Heb je vanavond tijd? Kom even langs. Dan kunnen we elkaar bijpraten.’
Lucie knikte haastig. ‘Het wordt wel iets later. Zullen we zeggen halfnegen?’
‘Prima. Heb je misschien nog nieuwe bonbons gecreëerd?’ informeerde hij toen.
Lucie wees op een glanzend metalen tray in de vitrine. ‘Deze zijn net nieuw en ik denk dat ze wel goed gelukt zijn.’
‘Bescheiden als altijd,’ grinnikte Millo.
‘Ik heb hem “bonbon framboise” genoemd. Het is een bonbon gevuld met een mengsel van framboos, waar ik een ietsepietsie roze peper in heb gedaan, met gehakte chocola en gedompeld in pure chocolade. O, en deze is ook lekker. Hierin zit een vulling van gemalen walnoot, pistachenoten, honing en slagroom. Daarna heb ik de bonbon voor de ene helft door warme witte chocola en voor de andere helft door vloeibare melkchocola gehaald.’
‘Ze zien er geweldig uit. Geef van elk maar vier,’ besloot Millo.
Lucie verpakte de bonbons in een luxe doosje, dat ze versierde met een strikje van sierband.
Er kwamen nog meer klanten de winkel binnen. Millo groette met een knikje en verliet de zaak. Niemand zou denken dat Lucie en hij vrienden waren, en dat wilden ze ook zo houden. Beiden hadden geen behoefte aan foto’s en sensatieberichten in de roddelbladen.
‘Hoi mam.’ Daisy kwam de keuken binnen, waar Lucie bezig was met de avondmaaltijd. Ze sloeg haar armen om haar moeder heen en kuste haar op de wang. ‘Wat zie je er moe uit.’
‘Het was ook druk vandaag in de winkel.’
‘Waarom laat je pap dan geen maaltijd meenemen?’
‘Omdat ik even genoeg heb van een soepje en een bak salade, hoe speciaal die ook zijn klaargemaakt. Thuis kook ik zelf.’
Enigszins verbaasd keek Daisy haar moeder aan. ‘Zijn we jaloers?’
‘Op wie?’
‘Nou, op Sabine. Die kookt heerlijk. Daar kun je toch mooi gebruik van maken? Jij hebt de hele dag al gewerkt.’
‘Nee, ik kook zelf,’ zei Lucie heel beslist. ‘Bloemkool, kruimige aardappels, een kogelbiefstukje en een toetje van gekaramelliseerde peer.’
‘Ik moet toegeven, het klinkt heerlijk, mam,’ grinnikte Daisy. Die mam… Wat kon ze soms toch jaloers zijn.
‘Dais, als jij even de tafel dekt, kunnen we straks meteen eten als je vader thuiskomt. Ik snap niet dat hij er nog niet is.’
‘Ach, die is zo druk met zijn nieuwe zaak. Het ziet er geweldig uit,’ vond Daisy. ‘En wat je ook vindt van haar salades en soepjes, Sabine is een geschenk uit de hemel. Dat moet je toch toegeven. Ze werkt zich elke dag een slag in de rondte.’
Lucie zweeg. Jan was wel erg vol van Sabine. Het was Sabine voor en Sabine na. Sabine met haar geweldige ideeën, zo bescheiden en toch zo doortastend, Sabine die zo geweldig met de klanten om kon gaan en zulke geweldige salades en soepen kon maken. Sabine die precies wist hoeveel groenten en vlees er voor die dag nodig was. Af en toe werd Lucie er chagrijnig van. Nog nooit had Jan zo over háár opgeschept. Het leek wel of er tegenwoordig maar één vrouw op deze wereld bestond: Sabine. Natuurlijk, ze was jaren jonger dan Jan, maar hoe vaak hoorde je niet dat oudere mannen er met heel jonge vrouwen vandoor gingen?
‘Mam?’ klonk de stem van Daisy naast haar.
‘Wat, Dais?’
‘Je kijkt zo… bezorgd. Is er iets?’
Lucie schudde haar hoofd. ‘Nee, wat moet er zijn? Weet je wie er vanmiddag langskwam?’ ging ze snel over op een ander onderwerp. ‘Millo. Millo Hermsen.’
‘Leuk. Is-ie alweer terug? Dat is waar ook. Hij begint natuurlijk binnenkort weer met zijn slaapprogramma.’
‘Doe niet zo flauw, Daisy. Millo helpt mensen juist de nacht door met zijn programma.’
‘Nou, mam, ik heb hem een keer gehoord en ik kon mijn ogen echt niet openhouden. Wat een slaapverwekkende stem.’
‘Nee, hij heeft alleen een… een bronzen stem.’
‘Ik dacht het niet,’ ging Daisy tegen haar in. Er was er maar één die een bronzen stem had, en dat was die raadselachtige man in de banketbakkerij van haar moeder. Daisy kwam geen stap verder met hem. Als ze binnenkwam, was hij meestal zo geconcentreerd bezig dat het leek alsof hij haar niet eens zag. O ja, hij was heel aardig, voorkomend en behulpzaam, maar hij zag haar niet echt staan. Zoiets had ze nog nooit meegemaakt, en het maakte haar, vreemd genoeg, een beetje treurig. Daisy begreep niets van zichzelf. Niek Mazurel was volledig achter de horizon verdwenen. En nu… Die lange man met zijn steile blonde haar had een heel ander gevoel bij haar wakker gemaakt. Ze wist niet goed hoe ze daarmee om moest gaan. Ze zuchtte licht.
Lucie keek haar dochter onderzoekend aan. ‘Waar denk je aan, lieverd?’
Kon ze haar moeder maar vertellen wat ze werkelijk dacht, dacht Daisy, maar dat ging echt niet. ‘Zei je vriendje nog iets?’ vroeg ze toen opgewekt.
‘Vriend, Dais,’ verbeterde Lucie. ‘Een vriendje is iets anders dan een vriend. Een vriendje veronderstelt een relatie, met een vriend ga je gewoon om.’
‘Oké, vriend dan. Nou, had hij nog leuke nieuwtjes?’
‘Er was nauwelijks tijd om te praten. Er kwamen te veel klanten in de winkel.’ Lucie keek op haar horloge. Waar bleef Jan nou?
‘Moet je soms vanavond nog ergens heen?’
‘Ja. Ik heb met Millo afgesproken. Hij wilde alles over mijn programma horen. Er zou toch niets met je vader gebeurd zijn?’ Ze liep naar de woonkamer, waar Kevin met zijn smartphone bezig was.
‘Kevin, heeft papa nog gebeld?’
‘Nee, hoezo?’
Lucie keek weer op haar horloge. ‘Hij is knap laat.’
‘Hij komt zo wel,’ zei Kevin, die meteen weer op zijn scherm keek. ‘En anders bel je hem toch zelf?’
Maar daar hield Jan niet van, wist Lucie. Dan raakte hij altijd wat geërgerd. ‘Je moet me niet onder druk zetten, Luus,’ zei hij dan. Ze moest maar even geduld oefenen.
Jan van den Homburg maakte de laatste saladebakken leeg en bracht ze naar de keuken, waar Sabine ze in de afwasmachine zette. Gelukkig, er was maar weinig voedsel over. Meestal bracht hij de overgebleven salades en soepen, die niet meer bewaard konden worden, naar speciale keukens waar daklozen en mensen die het niet breed hadden ze konden ophalen, want voedsel weggooien was er niet bij. Zijn vader had weleens verhalen verteld over de gaarkeukens die aan het einde van de Tweede Wereldoorlog de allerergste honger van veel Nederlanders probeerden te verhelpen. Wat een vreselijke tijd. Maar dat er nu weer mensen waren die niet genoeg geld hadden om voedsel te kopen en aangewezen waren op de hulp van anderen… ongelooflijk.
‘Sabientje, het is echt je tijd,’ zei hij terwijl hij op zijn horloge keek. Zo laat al? Hij moest voortmaken. Lucie had vast al het eten op tafel staan.
‘Het vlees heb ik klaargemaakt, dus kunnen de kruiden vannacht goed intrekken. Ik blijf nog even om straks de vaatwasser uit te ruimen,’ zei Sabine.
Verwonderd keek Jan haar aan. ‘Meissie, dat duurt nog zeker een uur. Weet je wel hoe laat het is? Bijna zeven uur. Je had allang in de tram moeten zitten.’
Sabine knikte. ‘Ik sop nog even de toonbank af, want dan hoeft dat morgenochtend niet gedaan te worden.’
Opeens keek Jan haar aandachtiger aan. ‘Wat is er aan de hand?’ vroeg hij.
Ze schrok. ‘Niets,’ zei ze, maar ze ontweek zijn ogen.
‘Jij bent ergens bang voor, hè?’ drong Jan aan. ‘Vertel het maar.’
‘Nee… echt niet.’
‘Echt wel. Ik herken bangheid, omdat ik zelf een tijdlang bang ben geweest. Zeg het nou maar, want eerder laat ik je niet gaan.’
Sabine keek hem aan. ‘Ik… De laatste tijd word ik vaak opgewacht door iemand. Johnny, Johnny ten Hope, een man die dicht bij mij in de buurt woont. Hij heeft een hekel aan me omdat ik, toen ik pas in de wijk kwam wonen, niet zijn vriendinnetje wilde worden. Hij heeft me zelfs samen met een paar vrienden een keer het ziekenhuis in geslagen.’
‘Wát?’
‘Ja. Mijn oom heeft een einde aan die pesterijen gemaakt. Een tijdlang ging het goed, maar nu begint hij weer. Hij wacht me, al of niet met zijn vriendjes, vaak op bij de bus. Tot nu toe heeft hij me nog niets aangedaan, omdat hij bang is voor mijn oom. Maar ik ben bang…’
‘… dat hij toch weer een keer toeslaat,’ begreep Jan.
Sabine knikte. ‘Ik durf het niet tegen mijn oom te zeggen, want hij is in staat die man ik weet niet wat aan te doen, maar dan krijgen we de hele wijk tegen ons. Dat weet ik zeker, en dat wil ik niet. De mensen daar zijn nogal close met elkaar, hoewel ze weten dat die man niet deugt. Hij komt uit een familie die heel slecht bekendstaat. Maar wij zijn nu eenmaal buitenstaanders.’
‘Oké. Laat de boel hier maar liggen. De vaatwasser wordt morgen uitgeruimd. Nu ga je met mij mee. Kom, pak je jas.’
Verward deed Sabine wat hij zei. ‘Wat ga je doen?’ vroeg ze vervolgens.
‘Jou naar huis brengen. Wat dacht je dan?’
‘Maar je avondeten dan?’
‘Ze wachten maar op me of anders moeten ze zonder mij beginnen.’ Jan haalde laconiek zijn schouders op. Hij pakte zijn smartphone en verzond een sms’je. ‘Kom,’ zei hij toen.
‘Hè?’ riep Lucie uit toen ze op het display van haar mobiel keek. ‘Dat kan niet waar zijn.’
‘Wat is er, mam?’ vroeg Daisy.
‘Je vader brengt Sabine naar huis.’
‘Hoezo?’
‘Dat heeft-ie er niet bij geschreven.’
‘Wat raar.’
‘Nou, daar begint het mee.’
‘Wat bedoel je?’
‘Herinner je je niet meer dat je vader een tijd geleden ’s avonds moest overwerken, maar in werkelijkheid naar die Thea Augustijn ging?’
‘Mam, doe niet zo raar. Sabine lijkt toch in de verste verte niet op die stomme troel van Augustijn? Die was eropuit om papa eerst in te palmen en daarna voor haar karretje te spannen. Dat doet Sabine heus niet, hoor. Daar is ze veel te fatsoenlijk voor. Nee, er moet echt iets aan de hand zijn, anders zou papa dat nooit doen. Kom op, mam, je weet toch dat jij zijn grote liefde bent?’
Maar daar was Lucie niet meer van overtuigd. Wat hing haar nu weer boven het hoofd? Kon het leven dan nooit eens rustig verlopen? ‘Laten we maar aan tafel gaan, want anders verpietert het eten. Ik kan niet langer wachten, want straks heb ik een afspraak,’ zei ze ietwat verbeten.
Zwijgend reden ze door de IJtunnel naar Amsterdam-Noord. Jan was een beetje uit zijn doen. Af en toe keek hij opzij. Het leek alsof hij Sabine nu pas voor de eerste keer zag: haar zacht glanzende bruine huid, haar donkere, iets schuinstaande ogen en haar mooi gevormde volle mond. Hij rook de zachte, kruidige geur van haar parfum, zo heel anders dan het bloemige parfum van Lucie. Ja… nee… dat was natuurlijk ook heel lekker, maar dit aroma deed hem denken aan iets oosters, iets geheimzinnigs, iets van Duizend-en-een nacht, wat dat dan ook mocht betekenen, want hij had nog nooit een oosters sprookje gelezen. Maar Duizend-en-een nacht klonk zo… zo… erotisch en mysterieus.
‘Je moet maar zeggen hoe ik moet rijden,’ verbrak hij de stilte. Nog nooit was hij in dit stadsdeel geweest. De woningen en gebouwen aan de oevers van het IJ zagen er aantrekkelijk uit, maar hoe verder hij reed, hoe armelijker de buurten werden.
Sabine voelde zich schuldig. Dit had echt niet gehoeven. Als ze zelf nog een uurtje langer had doorgewerkt, had Johnny vast niet meer bij de bushalte op het Centraal Station gestaan.
Ze reden Tuindorp Buiksloot in over een lange, brede weg met aan weerszijden alleen maar lange rijen vooroorlogse huizen. Langs de rijweg lagen groenstroken met wat struikgewas en niet al te hoge bomen.
‘Bij de T-splitsing naar rechts,’ wees Sabine.
Even later reden ze op een weg met rechts lange rijen rijtjeshuizen, opgetrokken uit rode baksteen met zachtgroene gevels, en aan de linkerkant een soort vaart, waarachter een heel nieuwe wijk lag.
‘Hier is het,’ zei Sabine.
Jan zette de donkergrijze Jeep stil voor een smal rijtjeshuis.
Zou ze hem mee naar binnen vragen, vroeg Sabine zich af.
Maar dat hoefde niet.
‘Stap maar uit, dame, ik zie je morgen,’ zei Jan.
Even bleef ze nog zitten. Toen draaide Sabine haar gezicht naar de man naast haar en kuste hem snel op de wang. ‘Heel hartelijk bedankt,’ mompelde ze verlegen. Toen opende ze het portier en stapte vlug uit. Enigszins verward keek Jan haar na, tot ze in een huis verdween. Heel even streek hij met zijn hand over zijn wang. Die lichte aanraking van haar lippen, de zachte kruidige geur… Hij zuchtte diep en startte toen de motor.
De schemer was al ingevallen toen Lucie de Oudezijds Voorburgwal op liep. Voor een smal huis met een portiek hield ze stil. Een kleine stenen trap leidde naar een groengelakte voordeur, die diep glansde in het licht van de dichtstbijzijnde straatlantaarn. Lucie liep de treden op en wilde net aanbellen toen de deur werd geopend.
‘Ik zag je aan komen lopen,’ zei Millo hartelijk. ‘Kom binnen.’ Hij deed de deur wijder open.
‘Ik haal de koffie,’ zei Millo toen hij haar voorging naar de woonkamer.
Lucie keek het vertrek rond. Wat had Millo het toch geweldig mooi en gezellig ingericht, dacht ze: de antieke ladekast waarop kristallen karaffen en handgeblazen borrelglaasjes met gedraaide voetjes stonden, de mahoniehouten boekenkast, de kleine donkerrode fauteuils en de prachtige salontafel van kersenhout met in het midden een zachtgroene, platte bloemenschaal waarin een paar witte theerozen dreven. Alles was precies op elkaar afgestemd. Alleen de kleurige schilderijen aan de muur kon ze niet erg waarderen. Die waren haar te modern. Wat moesten ze voorstellen?
Millo had de naturelkleurige gordijnen dichtgetrokken. Lucie gaf hem gelijk: hij had veel fans die zelfs ’s avonds langs zijn huis liepen om maar een glimp van hem op te vangen.
Millo kwam terug en zette het blad met de koffie op tafel. Op een zilveren schaaltje versierd met een smalle filigrainrand lagen wellingtons, bokkenpootjes en bitterkoekjes, maar daar had Lucie even geen trek in. ‘Ik heb nogal laat gegeten,’ legde ze uit.
‘Vertel, Lucie, wat is er allemaal gebeurd tijdens mijn afwezigheid?’
‘Een tijd geleden werd ik gebeld door een producer,’ begon ze opgewekt. ‘Die had de wedstrijd Wie maakt de lekkerste bonbon van Nederland? gevolgd en was daarover zo enthousiast geworden dat hij een programma met mij wilde maken. Het gaat Lucies Chocoladekeuken heten. Er doen tien deelnemers mee die van tevoren uitgekozen zijn uit alle mensen die auditie hebben gedaan. Ze krijgen eerst een paar lessen van mij. Ik moet ze bijvoorbeeld bepaalde technieken aanleren, hoe ze bonbons met een speciaal vorkje door vloeibare chocola moeten halen, en waar je op moet letten als je eiwitten tot schuim klopt. Gewoon eenvoudige tips, die de meesten wel zullen weten, want ze zijn niet voor niets uit alle aanmeldingen gekozen om mee te doen aan de wedstrijd. Daar zie ik wel wat tegen op.’
‘Waarom?’ vroeg Millo verbaasd.
‘Ik heb nog nooit lesgegeven.’
‘Maar je kunt toch wel gewoon iets uitleggen? Dat gaat vanzelf.’
‘Ik hoop het maar.’
‘Hoe gaat het daarna verder?’
‘De deelnemers krijgen vervolgens opdrachten die ze thuis kunnen oefenen en later tijdens de wedstrijd moeten uitvoeren. Iedereen moet er een eigen draai aan geven, maar chocola moet natuurlijk wel de basis zijn. Een jury bepaalt elke keer wie de origineelste en best uitgevoerde prestatie heeft geleverd. Dat hoef ik gelukkig niet te doen.’
‘Die Lucie!’ lachte Millo hoofdschuddend. ‘En waar wordt het programma opgenomen?’
‘In de Hof van Isidorus, een enorme verbouwde woonboerderij dicht bij Eemnes.’
‘O, da’s handig. Vlak bij Hilversum,’ vond Millo.
Lucie knikte. ‘Die boerderij lijkt eigenlijk meer op een buitenplaats. Ik ben er al geweest en het is er heel mooi. Hoewel het in de polder ligt, is het huis omringd door bomen en je kunt er prachtig wandelen.’ Alle problemen met Jan waren op dit moment volledig naar de achtergrond verdwenen. In gedachten ging ze terug naar de stijlvol aangelegde tuin die om de enorme boerderij lag en het prachtige bos met de goed onderhouden wandelpaden.
‘Je maakt me nieuwsgierig.’ Millo keek haar lachend aan. Wat kon Lucie toch altijd enthousiast zijn als ze iets werkelijk mooi vond.
‘Je moet er beslist eens heen gaan,’ zei ze. ‘De boerderij ligt midden in een prachtige hof met een kruidentuin en een bloementuin vol rozen, hortensia’s, ridderspoor en andere ouderwetse bloemsoorten. En er staan gelukkig niet van die afschuwelijke bakken van leisteen die gevuld worden met water of een paar palmbomen. Ik begrijp echt niet dat mensen die in hun tuin willen hebben.’ Ze zweeg even. ‘De boerderij bestaat uit een hoofdgebouw en twee bijgebouwen met dakkapellen en rieten daken, heel romantisch,’ ging ze verder. ‘De omroep is van plan om meer kook- en bakprogramma’s in dat huis op te nemen. Dat scheelt een hoop gedoe met tenten en je bent dan niet meer zo afhankelijk van het weer. Even een enorme storm, en oeps, daar vliegt je tent!’
‘Kom, kom, dat valt toch wel mee?’ grinnikte Millo. ‘Zo’n tent wordt heel goed verzekerd.’
‘Het zou toch zomaar kunnen,’ hield Lucie vol, die een levendige fantasie had. ‘Ik ben tenminste blij dat de opnames in de boerderij plaatsvinden. Ik houd niet van die klapperende zeilen en plensbuien.’ Ze huiverde even. ‘Ach, het is daar zo mooi.’
‘Misschien kunnen we er samen weleens wandelen,’ stelde Millo voor.
Lucie schoot even in de lach. Jan zag haar al aankomen. Maar… als hij Sabine Wijnschenk naar huis bracht, waarom zou zij dan niet een wandeling kunnen maken met Millo?
‘Nou?’ vroeg Millo.
‘Als ik tijd heb,’ beloofde Lucie.
Jan van den Homburg liep de winkel binnen en haastte zich naar de woonkamer, maar die was leeg.
‘Waar is iedereen?’ schreeuwde hij.
Er klonken snelle voetstappen over de trap. Even later kwam Daisy de kamer in. ‘Hoi pap, waar zat jij nou? Je eten staat in de oven. Zal ik het even opwarmen? Hoewel, opgewarmde kogelbiefstuk…’ Ze trok haar neus even op. ‘Of heb je soms al bij Sabine gegeten?’ voegde ze er een beetje boosaardig aan toe.
‘Hoe kom je daar nu bij?’ Jan keek zijn dochter afkeurend aan.
‘Nou, zo gek is dat niet. Vlak voor het eten sms je dat je Sabine eerst naar huis ging brengen. Mam was daar beslist niet blij mee, en dan druk ik me nog zacht uit.’
‘Wat is hier aan de hand?’ Verbijsterd keek Jan zijn dochter aan. ‘Ik heb haar alleen maar naar huis gebracht omdat ze toevallig bedreigd wordt door een ellendig kereltje bij haar uit de buurt.’
‘Hè?’
‘Ja, hè! Wat voor verhaaltjes hebben jullie hier nu weer bij elkaar gefantaseerd? Dat meissie kan bijna mijn dochter zijn. Wat denken jullie wel van me?’ De herinnering aan de zachte parfumgeur en de aanraking van Sabines lippen op zijn gezicht drukte hij snel weg.
‘Nou pap, zo gek is dat niet, gezien je verleden,’ zei Daisy op scherpe toon. ‘En waarom heb je niet aan mam uitgelegd wat er aan de hand was? Dat was toch een kleine moeite?’
Jan zuchtte diep. ‘Ik had haast, want ik wilde niet al te laat thuiskomen. Waar is je moeder eigenlijk?’
‘Bij Millo Hermsen.’
‘O, zeker om uit te huilen?’
‘Welnee, zo is mam helemaal niet. Die bijt nog liever haar tong af dan een slecht woord over jou te zeggen. Over loyaliteit gesproken! Nou, ik zou het maar goedmaken als ze thuiskomt en haar zeker geen verwijten maken.’
Even viel er een stilte.
Plotseling kreeg Daisy medelijden met haar vader. ‘Pap, Millo was voor het eerst in de winkel en wilde alleen maar alles over mams nieuwe programma weten, meer niet, en als je vanavond uitlegt wat er aan de hand was, komt alles weer goed. Je trof het alleen niet, want mam was behoorlijk moe.’
‘Waarom staat ze dan ook in die rotwinkel?’
‘Omdat ze nu eenmaal dol is op die rotwinkel. Jij bent toch ook dol op je eigen zaak?’
Jan zuchtte diep. Van het begin af aan had hij moeite gehad met La Bonbonnière. Hij was nu eenmaal gewend dat hij alleen het geld binnenbracht, en nog steeds was hij de mening toegedaan: de man zorgde voor het gezin, de vrouw voor de huishouding.
‘We leven wel in de eenentwintigste eeuw,’ zei Daisy, die wel zag dat haar vader het er nog steeds moeilijk mee had. ‘Ze heeft jou toch ook geholpen met het geld dat ze met haar winkel verdiende? Die inrichting heeft bakken geld gekost, weet je nog wel?’
Haar vader knikte. ‘Dais, laten we dit gesprek maar snel vergeten. Er is helemaal niets gebeurd en er zal ook niets gebeuren, omdat ik zielsveel van je moeder houd.’
‘Dat weet ik toch ook wel? Dat heb ik ook tegen mam gezegd.’
‘Geloofde ze je?’
‘Natuurlijk,’ loog Daisy opgewekt, want ze twijfelde of haar moeder er werkelijk van was doordrongen. ‘Jullie horen bij elkaar.’ De dochter van Jan en Lucie vond leugentjes om bestwil op sommige momenten volkomen geoorloofd.
Het was al laat toen Lucie thuiskwam. Ze liep de woonkamer in, waar Jan op haar wachtte. Hij keek haar onzeker aan.
‘Ik dacht dat jij al naar bed was gegaan,’ zei Lucie een beetje bits.
‘Je hoeft niet zo vijandig te doen.’ Jan maakte zich groot. Er verscheen een verbeten trek op zijn gezicht. Lucie kon niet zomaar alles zeggen wat haar voor de mond kwam. ‘Wat is er nu helemaal gebeurd? Ja, ik had je moeten uitleggen wat er aan de hand was, maar in de haast ben ik dat vergeten. Sorry, het zal nooit meer gebeuren.’
Lucie trok alleen even licht haar wenkbrauwen op. Ze liet nooit meer over zich heen lopen en vooral haar echtgenoot moest dat goed weten. Vragend keek ze hem aan.
‘Wat is er?’ vroeg Jan.
‘Ga je me nog uitleggen waarom je die vrouw naar huis hebt gebracht?’
‘O, nou is het opeens “die vrouw”. Ik kwam er toevallig achter dat ze bedreigd en gepest wordt door een jongen of man uit haar buurtje. Hij en zijn vrienden hebben haar zelfs een keer het ziekenhuis in geslagen.’
‘Hoe dat zo?’ vroeg Lucie geschokt en verbaasd.
‘Ze had geen zin om zijn vriendinnetje te worden. Uit de verhalen heb ik begrepen dat haar oom er een stokje voor heeft gestoken. Hoe weet ik niet. Dat heeft ze me niet verteld. Maar de laatste tijd valt die goorling haar weer lastig. Hij wacht haar op bepaalde tijden op bij de bus voor het Centraal Station.’
‘Waarom gaat ze dan niet naar de politie?’
‘Die grijpen pas in als het te laat is, dat weet je toch?’
‘Maar ze is toch al een keer door die man in het ziekenhuis terechtgekomen?’
‘Sabine wilde toen wel aangifte doen, maar haar oom heeft zeker geen hoge pet op van het politiekorps en heeft het recht in eigen hand genomen.’
‘En nu?’
‘Ik heb haar weggebracht naar huis. Voortaan moet ze maar iets eerder naar huis gaan; dan staat die kerel voor niets op haar te wachten.’
‘En haar oom…?’
‘Sabine wilde hem er absoluut buiten laten. Ze wil geen herrie in de buurt. Die hele wijk is erg op elkaar betrokken. Nog een geluk dat ze aan de buitenkant wonen.’
Er viel een ongemakkelijke stilte en ze keken elkaar aan.
‘Dat was het,’ zei Jan. ‘Meer is er niet gebeurd. Jij zou in mijn plaats hetzelfde gedaan hebben. Daisy vertelde me dat je me nog steeds niet vertrouwt. Ze dacht dat jij dacht dat ik stiekem verliefd was op Sabine en dat dat kwam door dat gedoe met Thea Augustijns. Wat moet ik in vredesnaam doen om je vertrouwen terug te krijgen? Zo kunnen we toch niet verder? Je weet toch dat ik alleen van jou houd? Ik mag dan weleens bot zijn, maar echt, ik wil alleen maar jouw geluk, en natuurlijk dat van de kinderen. Er bestaat geen ander voor mij, echt niet.’ Weer flitste de herinnering door zijn hoofd die hij steeds wanhopig probeerde weg te drukken: Sabines gezicht met die mooie donkere ogen, de lichte kus op zijn wang en de mysterieuze geur die hem zo in verwarring had gebracht.
‘Je moet mij ook kunnen begrijpen,’ zei Lucie, die opeens de vermoeidheid voelde toeslaan. ‘Je hebt het de hele dag over Sabine. Ik hoor niet anders. Dat ze zo goed is, dat ze zo goed kan koken… Je bent trotser op haar dan op mij.’
‘Hoe kom je daar nu bij? Ik ben hartstikke trots op jou, maar dat kan ik toch niet de hele dag rondtoeteren?’
‘Dat hoeft ook niet,’ vond Lucie fel, die het woord ‘toeteren’ wel heel erg overdreven vond. ‘Maar wanneer merk ik nou dat je trots op me bent? Nog steeds heb ik het idee dat je mijn winkel maar niets vindt. En ook ben ik er niet zeker van dat je mijn televisieprogramma wel een goed idee vindt. Ik hoor je er nooit over.’
‘Dat komt doordat ik me zorgen maak, Lucie. Je werkt te hard. Én bonbons maken, én in de winkel staan, én aan een programma werken – dat kan niemand.’
Daar had hij een punt. ‘Ik zal een advertentie plaatsen voor nog een winkelmeisje. Maar ik heb toch ook al iemand voor in de banketbakkerij aangenomen?’
‘Dat was je eerste verstandige beslissing,’ zei Jan. ‘Je vertrouwt me inderdaad nog steeds niet, hè?’ vroeg hij opeens.
‘Ik, eh… Ik vind het zelf ook vervelend, maar ik kan er niets aan doen. Die ellendige foto van jou en dat mens… alsof jullie bij elkaar hoorden… Toen ik hem zag… Het leek wel of ik een stomp in mijn maag kreeg. Begrijp je dat? En op momenten als deze komt dat beeld telkens weer terug. Ik kan er niets aan doen.’
‘Maar zo kunnen we toch niet doorgaan? Je weet toch dat het me spijt? Die hele affaire had niets om het lijf. Als ik de tijd kon terugdraaien, deed ik het. Ik was niet eens verliefd op dat mens. Ze haalde het niet bij jou. Je moet me geloven.’
‘Dat doe ik ook wel, maar begrijp je mijn angst?’
Hij knikte. ‘Ik ken dat gevoel ook een beetje.’
‘Wat bedoel je?’ vroeg Lucie verbaasd. Zíj was Jan altijd trouw gebleven. Vreemdgaan was er niet bij.
‘Jij was vanavond toch ook bij Millo?’
‘Millo is een goede vriend, meer niet. Hoe kom je erbij dat ik iets met hem zou beginnen?’
‘Nou… Hij ziet er goed uit, met dat krullende haar, die knappe kop… Ik kan me best voorstellen dat vrouwen verliefd op hem worden.’
‘Hoe weet je dat? Ken je hem dan?’
‘Ik heb een keer naar zijn programma gekeken, toen jij al naar bed was. Ik moet je bekennen: ik vond hem niets. Ik ben op de bank in slaap gevallen. Die langzame, gedragen stem… Klaas Vaak is er niets bij.’
‘Ik vind zijn gedichten en wat hij zegt prachtig. Ik raak altijd een beetje ontroerd,’ verdedigde Lucie haar vriend.
‘Nou, blijf dan maar luisteren. Als je maar niet verliefd op hem wordt.’
Lucie haalde haar schouders op. Jan was niet goed snik.
‘Ga je Sabine nu elke keer naar huis brengen?’
‘Nee, ze moet gewoon een uur eerder weg; dan komt ze ’s morgens maar eerder.’
‘Moet ze lang reizen?’
‘Dat valt wel mee. Eigenlijk weet ik niet hoeveel tijd het kost met de bus en de tram.’
‘Woont ze een beetje leuk?’
‘Nou… Nee, dat vind ik niet. Zij en haar oom wonen in een rijtjeshuis van rode baksteen. Erg klein, leek mij.’
‘Ons huis op de Govert Flinck was ook klein en dat was toch ontzettend gezellig?’
‘Dat kun je niet met elkaar vergelijken. Dit huissie… nee. Sabine vindt het waarschijnlijk ook niets. Dat kon ik al merken bij ons eerste gesprek.’
‘Kevin vond het daar wel leuk, bij zijn vriend.’
Jan haalde zijn schouders op. ‘Kevin hoeft er niet te wonen.’
Lucie dacht even na. Toen zei ze langzaam: ‘Als je Sabine nou eens op de etage boven de winkel laat wonen? Dat scheelt haar in reiskosten en ze hoeft dan niet meer bang te zijn voor die ellendige man.’
‘Nou, Luus, voorlopig niet,’ antwoordde Jan snel. O nee, Sabine moest niet al te dicht bij hem komen wonen. Dat was nergens goed voor.
‘Waarom niet? Je hebt toch genoeg ruimte boven de zaak?’
‘Dat is het niet. Maar stel nou dat Sabine volgend jaar genoeg heeft van het koken en dat ze iets anders wil? Dan zit ik mooi met iemand in huis die ik er voorlopig niet uit krijg.’
‘Wat ben je toch een slimmerd, Jan,’ zei Lucie glimlachend. ‘Daar dacht ik helemaal niet aan.’
‘Ik wel. Voordat je het weet kom je in de moeilijkheden en krijg je iemand niet meer uit huis. Voorlopig moet ze maar in dat tuindorp blijven wonen.’
Lucie lachte. Eigenlijk was ze opgelucht dat Jan zo reageerde, want het gaf aan dat hij geen bijzondere gevoelens voor Sabine had. Anders had hij wel gezegd dat het een prima plan was en dat ze meteen kon verhuizen. Als je verliefd op iemand was, wilde je toch dicht in diens buurt wonen? Het was een pak van haar hart.
‘We moeten het maar een paar maanden aankijken, lijkt me,’ stelde Jan voor.