22
Scarpetta zat nog alleen aan het werkstation in het opleidingslaboratorium. Lucy en Marino waren een paar minuten geleden vertrokken om Berger en Benton te gaan zoeken.
Ze zat nog steeds afbeeldingen te bekijken die Geffner haar stuurde, en op de twee andere beeldschermen bestudeerde ze uit meerdere lagen bestaande verfschilfers, een felgele en een knalrode, en de data die lieten zien hoe het leven van Toni Darien langzaam maar zeker ten einde liep.
‘De schilfers die je uit Toni Dariens hoofdwond hebt gehaald en vooral uit haar haren,’ zei Geffner door de luidspreker. ‘Ik heb de twee waar je nu naar kijkt met elkaar vergeleken, maar ik heb nog geen tijd gehad om de monsters te smelten en te prepareren, dus dit is een eerste indruk. Snel en vuil. Heb je de plaatjes?’
‘Ik heb ze voor me.’ Scarpetta keek naar de verfschilfers en ze wierp weer een blik op de tabellen, kaarten en verschillende grafieken.
Duizenden meldingen van de BioGraph, en ze kon de beelden niet stilzetten, terugspoelen of versnellen. Ze kon niets anders doen dan steeds weer haar blik over de gegevens laten glijden die door Lucy’s programma’s werden gesorteerd. Het proces ging niet snel genoeg en het was onoverzichtelijk. Het probleem was Caligula. Lucy beschikte niet over de software die door de onderzoekers was ontwikkeld om de miljarden gegevens die door de BioGraph-apparaten werden verzameld bijeen te voegen en te rangschikken.
‘De chroomgele schilfer is van een verf op oliebasis, een acrylaatmelamine en alkydhars van een oudere auto,’ legde Geffner uit. ‘En dan die rode schilfer. Die is veel nieuwer. Het verschil is organische verfstoffen en anorganische zware metalen.’
Scarpetta was Toni Darien al zevenentwintig minuten, Toni Dariens minuten, gevolgd door het huis van Hannah Starr – van zesentwintig minuten over drie tot zeven minuten voor vier afgelopen dinsdagmiddag. In die tijd had de omgevingstemperatuur in het huis in Park Avenue geschommeld tussen de 20 en 22 graden Celsius terwijl Toni er langzaam doorheen liep en af en toe stilstond. Haar hartslag werd niet hoger dan 67, alsof ze zich op haar gemak voelde en misschien intussen met iemand praatte. Maar plotseling werd het kouder. Van 20 graden zakte de temperatuur naar 17 graden en nog lager, terwijl Toni zich in hetzelfde tempo bewoog: tien tot twintig stappen elke vijftien seconden, dat was slenteren. Ze was op een plek aangekomen waar het een stuk koeler was.
‘Die verf was dus niet afkomstig van het wapen,’ zei Scarpetta tegen Geffner. ‘Tenzij het was geschilderd met autoverf.’
‘Het was eerder een passieve overdracht,’ zei Geffner. ‘Van het voorwerp waarmee ze is geslagen of van de auto waarmee ze later is vervoerd.’
15 Graden, 14, 13 en nog lager terwijl Toni langzaam doorliep. Acht stappen. Drie stappen. Zeventien stappen. Geen stap. Vier stappen. Elke vijftien seconden. De temperatuur was inmiddels 12 graden. Dat was vrij koud. Ze bewoog zich nog steeds. Ze liep en stond stil. Misschien praatte ze dan of misschien keek ze ergens naar.
‘Niet van dezelfde bron, tenzij het een andere passieve overdracht is,’ zei ze. ‘De gele schilfer is afkomstig van een oudere auto, de rode van een veel nieuwere auto.’
‘Juist. De pigmenten in de chroomgele schilfer zijn anorganisch en bevatten lood,’ zei Geffner. ‘Ik weet nu al dat ik lood zal vinden, ook al heb ik nog geen micro-FTIR en pyolysis GC-MS gebruikt. De schilfers die je voor je ziet zijn niet even oud, dat zie je meteen. De nieuwere verf heeft een dikke, doorzichtige, beschermende bovenlaag, een dunne onderlaag met rood organisch pigment en drie lagen gekleurde grondverf. De chroomgele schilfer heeft geen doorzichtige bovenlaag, maar een dikke onderlaag en een laag grondverf. De zwarte schilfers zijn ook nieuw. Alleen die gele zijn oud.’
Nog meer tabellen en kaarten. Een minuut voor vier, Toni Dariens tijd. Een minuut over vier. Drie minuten over vier. Zuurstofpercentage in haar bloed 99 procent, hartslag 66, snelheid acht tot zestien stappen, lichtsterkte 300 lux. De temperatuur bleef 12 graden. Ze liep ergens rond waar het koud was en schemerig verlicht. Haar vitale gegevens toonden aan dat ze nog steeds ontspannen was.
‘Hoe lang is het geleden dat er lood in verf zat?’ vroeg Scarpetta. ‘Een jaar of twintig?’
‘Verf met zware metalen dateert uit de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw en was niet milieuvriendelijk,’ antwoordde Geffner. ‘En die komt dus voor in de schilfers die je uit de wond, haar haren en van andere lichaamsdelen hebt gehaald. Lagen synthetisch monoacryl zwart, minstens vijftien verschillende soorten tot nu toe, dat me doet denken aan goedkopere vezels, de mindere kwaliteit van matten en kofferbakbekleding in oudere auto’s.’
‘En vezels van een nieuwere auto?’ vroeg Scarpetta.
‘Bij wat je naar me toe hebt gestuurd, heb ik alleen oude vezels gezien.’
‘Wat kan betekenen dat haar lichaam wel in een auto is vervoerd, maar niet in een gele taxi,’ zei Scarpetta.
Tien minuten over vier, Toni Dariens tijd, en er was iets gebeurd. Heel plotseling, snel en gruwelijk definitief. In dertig seconden was haar snelheid verlaagd van twee naar nul stappen en bewoog ze niet meer. Haar armen, benen of welk ander deel van haar lichaam dan ook bewogen niet meer, het zuurstofpercentage in haar bloed liep terug naar 98 en toen naar 97 procent, en haar hartslag zakte naar 60.
‘Ik dacht wel dat je dat zou noemen, omdat je het steeds op het nieuws hoort,’ zei Geffner. ‘Een gele taxi in New York is gemiddeld nog geen vier jaar oud. Je kunt je wel voorstellen hoeveel kilometers die dingen afleggen. Het is niet waarschijnlijk en zelfs hoogst onwaarschijnlijk dat die chroomgele schilfer afkomstig is van een gele taxi. Hij is van een veel oudere auto, vraag me niet welke.’
Zestien minuten over vier, Toni Dariens tijd. Ze begon zich weer te bewegen, maar ze liep niet, dat werd bijgehouden door de pedometer in haar horloge. Ze bewoog, maar waarschijnlijk niet rechtop. Iemand bewoog haar. Het zuurstofpercentage in haar bloed was 95 procent, haar hartslag 57. Dezelfde omgevingstemperatuur en verlichting. Ze was nog in hetzelfde deel van het huis en ze was stervende.
‘… ook een spoor van roest. En microscopische deeltjes zand, steen, klei, verrotte organische stoffen en stukjes van insecten. Met andere woorden: aarde.’
Scarpetta zag voor zich hoe Toni Darien een klap op haar achterhoofd had gekregen, een harde klap op de linkerkant. Ze zou meteen op de grond zijn gevallen. Ze was niet meer bij bewustzijn. Twintig minuten over vier, het zuurstofpercentage in haar bloed was 94 procent en haar hartslag was 55. Ze bewoog weer. Er was sprake van veel beweging, maar ze liep niet. Iemand verplaatste haar.
‘… Daar kan ik je ook beelden van sturen,’ zei Geffner, maar Scarpetta luisterde nog maar met een half oor. ‘Stuifmeel, stukjes haar met restjes van insecten erop, insectenmest en natuurlijk mijten. Een heleboel mijten over haar hele lichaam, en ik denk niet dat die uit Central Park komen. Misschien uit de auto waarmee ze is vervoerd. Of van een andere plaats waar veel stof lag.’
Allerlei gegevens rolden over het scherm. Pieken en golven van activiteitsgrafieken. Dezelfde soort beweging elke vijftien seconden, minutenlang. Iemand bewoog haar op een ritmische manier.
‘… Microscopische spinachtigen, daar zou ik er een heleboel van verwachten in een oud vloerkleed of een stoffige kamer. Mijten sterven als ze geen voedsel meer kunnen vinden, zoals de afgebladderde huidcellen waar ze binnenshuis in de eerste plaats van leven.’
Een minuut voor half vijf, Toni Dariens tijd. Zuurstofpercentage in het bloed 93 procent, hartslag 49 slagen per minuut. Ze werd langzaam hypoxisch, door het lage zuurstofgehalte in haar bloed begonnen haar hersenen af te sterven terwijl ze opzwollen en er bloed uit de fatale wond stroomde. Pieken en golven van de lijnen van de grafieken, haar lichaam bewoog op een ritme van golven en lijnen, een steeds herhaald patroon dat secondenlang, minutenlang duurde.
‘… Met andere woorden, huisstof…’
‘Dank je wel, nu moet ik weg,’ zei Scarpetta tegen Geffner, en ze verbrak de verbinding.
Het was stil in het lab. De grafieken, tabellen en kaarten scrolden nog steeds over de twee grote platte beeldschermen. Ze staarde er gefascineerd naar, terwijl de ritmische golven aanhielden en toen veranderden, schokten en stopten en weer doorgingen, hevig piekten en opnieuw begonnen. Om vijf uur Toni Dariens tijd was haar zuurstofpercentage 79 procent, haar hartslag 33. Ze was in coma. Een minuut later werden de lijnen vlakker, de beweging nam af. Vier minuten later bewoog ze niet meer en verminderde het omgevingslicht plotseling van 300 lux naar minder dan een. Iemand had het licht uitgedaan. Om veertien minuten over vijf overleed Toni Darien in het donker.
Lucy opende de kofferbak van Marino’s auto toen Benton en een vrouw uit een zwarte SUV stapten en vlug Park Avenue overstaken. Het was na vijven, donker en koud, en de vlag boven de ingang van het grote huis van de familie Starr wapperde bij vlagen in de wind.
‘Al iets gevonden?’ vroeg Benton, en hij zette de kraag van zijn jas op.
‘We zijn eromheen gelopen en hebben overal naar binnen gekeken, maar tot nu toe hebben we niets gezien,’ antwoordde Marino. ‘Lucy denkt dat er een vervormer staat en ik vind dat we de deur moeten forceren en met ons pistool in de aanslag naar binnen moeten gaan in plaats van op de politie te wachten.’
‘Waarom?’ vroeg de donkere vrouwenfiguur aan Lucy.
‘Ken ik jou?’ vroeg Lucy bits, omdat ze gek was van angst.
‘Marty Lanier, FBI.’
‘Ik ben daar wel eens geweest,’ zei Lucy, terwijl ze een tas openritste en een la opentrok van de kluis die Marino in zijn kofferbak had laten zetten. ‘Rupe had een hekel aan mobiele telefoons en bij hem thuis mocht niemand ze gebruiken.’
‘Industriële spionage…’ begon Lanier.
‘Hij haatte die dingen,’ viel Lucy haar in de rede. ‘Hij vond ze ongemanierd. Bij hem thuis kon je je mobiele telefoon niet gebruiken en ook het internet niet, want je kreeg geen verbinding. Hij bespioneerde niemand, maar hij was wel bang dat anderen dat deden.’
‘Ik denk dat er in dat huis een heleboel dode zones zijn.’ Benton keek naar het kalkstenen gebouw met hoge ramen en smeedijzeren balkons die deden denken aan hôtels particuliers, de aristocratische huizen die Lucy had gezien in het centrum van Parijs, op het Ile St. Louis.
Ze kende het huis van de Chandonnes, dat werd bewoond door de corrupte adellijke familie waar Jean-Baptiste van afstamde. Het huis van de Starrs had er wat stijl en grootte betrof veel van weg, en ergens binnen zaten Bonnell en Berger. Lucy was van plan er hoe dan ook binnen te komen en hen te vinden. Ze stopte onopgemerkt een breekijzer in haar tas en toen voor iedereen zichtbaar de nachtkijker die ze Marino voor zijn verjaardag had gegeven – een soort draagbare versie van de FLIR die in haar helikopter zat.
‘Ik haat politieke overwegingen,’ zei Lanier.
‘Toch moeten we er rekening mee houden,’ zei Benton. Hij klonk ongeduldig, hij was bezorgd en gefrustreerd. ‘We kunnen de deur intrappen en dan zitten ze in de kamer koffie te drinken. Maar ik ben eerder bang dat er sprake is van een gijzeling en dat wij de situatie dan verergeren. Ik ben niet gewapend.’ Het laatste zei hij tegen Marino en het klonk als een beschuldiging.
‘Je weet wat ik heb,’ zei Marino tegen Lucy. Het was een vermomde instructie.
FBI-agent Lanier deed alsof ze het niet hoorde en alsof ze niet zag dat Lucy een zachte zwarte tas pakte, ongeveer zo groot als een tennisracket, met Beretta cx4 erop geborduurd. Lucy overhandigde de tas aan Benton, die hem over zijn schouder hing, en sloot de kofferbak. Ze wisten niet wie er in het huis of in de buurt was, maar ze verwachtten dat het Jean-Baptiste Chandonne zou zijn. Hij was Bobby Fuller of iemand anders en hij werkte samen met anderen, die hem gehoorzaamden. Slechte mensen, die bereid waren om de smerigste karweitjes op te knappen. Als Benton een van hen zou tegenkomen, zou hij zich niet met zijn blote handen verdedigen, maar meteen zijn toevlucht nemen tot de compacte 9mm karabijn.
‘Ik stel voor dat we de ME bellen en wachten tot die er is,’ opperde Lanier voorzichtig, want ze wilde de New Yorkse politie niet voorschrijven hoe ze hun werk moesten doen.
Marino negeerde haar. Hij staarde naar het huis en vroeg aan Lucy: ‘Wanneer was dat? Toen je daarbinnen een vervormer zag staan?’
‘Een paar jaar geleden,’ antwoordde ze. ‘Hij had hem al sinds het begin van de jaren negentig, of nog eerder. Een heel sterk systeem, dat de radiofrequenties tussen de twintig en drieduizend megahertz kon lamleggen. De radio’s van de New Yorkse politie zijn achthonderd megahertz en zijn daar dus onbruikbaar, en mobiele telefoons ook. Wat die tactische raad betreft, ben ik het met je eens.’ Ze keek naar Lanier. ‘Bel de ME. De deur forceren is een fluitje van een cent, maar dan gaat het erom wat we doen als ze ons niet hartelijk ontvangen. We hebben geen idee wie of wat we daar zullen aantreffen. Je kunt in je eentje naar binnen gaan en aan flarden worden geschoten, of aan het kruis worden genageld door Moeder Blauw. Jij mag kiezen.’
Lucy klonk kalm en redelijk, terwijl ze het vanbinnen uitschreeuwde en op niemand wilde wachten.
‘Op welke Tac zit je als ik iemand zie?’ vroeg ze aan Marino.
‘Tac I,’ antwoordde hij.
Lucy liep snel in de richting van Central Park South en toen ze de hoek omsloeg, begon ze te rennen. Aan de achterkant van het huis leidde een geplaveid pad naar een houten garagedeur, een zwart geschilderde deur die naar links openzwaaide. Er vlakbij stond een agent in uniform, die Lucy al had ontmoet. Met een zaklantaarn doorzocht hij het struikgewas. De ramen van de vier verdiepingen achter hem waren allemaal donker.
‘Weet je wat we doen?’ zei Lucy tegen hem, en ze opende haar tas en haalde de nachtkijker eruit. ‘Ik blijf hier en bekijk de ramen om te zien of er ergens warmte is, en jij gaat naar de voorkant. Ze overwegen of ze de deur zullen forceren.’
‘Niemand heeft me geroepen.’ De agent keek Lucy aan, maar in het schaarse licht van de straatlantaarns was zijn gezicht niet te onderscheiden. Op zijn manier liet hij Bergers computerfreak weten dat ze zich niet met hem moest bemoeien.
‘De ME is onderweg en niemand zal je roepen. Je kunt het Marino vragen, hij zit op Tac Ida.’ Lucy zette de nachtkijker aan en richtte die op de ramen van de bovenverdieping, die in het infrarode licht een goorgroene kleur kregen, met grauwwitte vlekken waar gordijnen hingen. ‘Misschien warmte die doorstraalt vanuit de gang,’ zei ze.
De agent liep weg en verdween in het donker naar de deur die niet zou worden geforceerd. De deur die wel zou worden geforceerd, lag aan de achterkant. Lucy haalde de Rabbit Tool uit de tas, een draagbaar hydraulisch breekijzer met een kracht van maximaal tienduizend pond per vierkante inch. Ze schoof de uiteinden van de kaken tussen de linkerkant van de garagedeur en het kozijn, zette haar voet op de pomp en begon te pompen. Het hout knarste en er klonken een paar harde knallen toen de ijzeren scharnieren krombogen en knapten. Ze pakte haar gereedschap en wrong zich door de opening, en ze trok de deur achter zich dicht zodat niemand vanaf de straat kon zien dat de deur kapot was. In het koele donker bleef ze staan om te luisteren en zich in de ondergrondse garage van de Starrs te oriënteren. Aan de nachtkijker had ze hier niets, die nam alleen warmte waar, dus pakte ze haar SureFire-zaklantaarn en klikte die aan.
Het alarmsysteem van het huis was niet ingeschakeld, wat moest betekenen dat degene die Bonnell en Berger had binnengelaten het niet opnieuw aan had gezet. Misschien Nastya, dacht Lucy. Ze had haar bij haar laatste bezoek aan dit huis ontmoet en herinnerde zich een onverschillige, arrogante vrouw, die nog niet lang daarvoor door Hannah of misschien door Bobby in dienst was genomen. Ze had het vreemd gevonden dat Rupe plotseling zo iemand als Nastya om zich heen had. Nastya was absoluut niet zijn type, maar waarschijnlijk had hij er geen zeggenschap in gehad, en Lucy had zich sindsdien wel eens afgevraagd wat er werkelijk met hem was gebeurd. Ze dacht niet dat je iemand kon vermoorden met salmonella of dat er een fout in de diagnose was gemaakt, niet in Atlanta, de stad die bekendstond om zijn geneeskundige instituten voor het beheersen en voorkomen van besmettelijke ziekten. Misschien had hij dood gewild omdat Hannah en Bobby zijn leven ruïneerden en hij wist wat hem nog te wachten stond: niets meer over hebben, oud en machteloos aan hen overgeleverd zijn. Dat zou best kunnen. Zulke dingen gebeurden. Mensen kregen kanker of een ongeluk en namen een kortere weg naar het onvermijdelijke.
Ze zette de tas neer en trok haar Glock-pistool uit de holster om haar enkel. De lange bundel van haar extra sterke zaklantaarn gleed over witgepleisterde stenen muren en terracotta tegels. Meteen links van de deur lag de autowasplaats; water druppelde langzaam uit een slordig opgerolde slang. De vloer lag bezaaid met vuile doeken, een plastic emmer lag op zijn kant en er stonden een paar grote jerrycans met bleekwater. Ze zag schoenafdrukken en sporen van banden, en een kruiwagen en een schop met korsten opgedroogd cement.
Ze volgde de bandensporen en zag nog meer voetafdrukken, verschillende soorten en maten, en een heleboel stof. Misschien een sportschoen of een laars, minstens van twee mensen, misschien meer. Ze luisterde terwijl ze het licht rond liet schijnen, ze wist hoe de garage er vroeger had uitgezien en wat er was veranderd. Overal zag ze tekens van bezigheden die niets met het onderhoud van oude auto’s te maken hadden. De felle lichtbundel viel op een werkruimte met werkbanken, hogedrukgereedschap, meetinstrumenten, perspompen, acculaders, krikken, vaten olie en banden. Alles was stoffig en stond door elkaar, alsof het opzij was gezet maar niet meer werd gebruikt of gewaardeerd.
Heel anders dan vroeger, toen je van de vloer kon eten omdat Rupe apetrots was op zijn garage, net als op zijn bibliotheek. De twee ruimten waren met elkaar verbonden door een deur die was verborgen achter een schilderij van schepen. Het licht gleed over een dikke laag stof en spinnenwebben naar de lift die Rupe had laten installeren toen smeerkuilen werden verboden, onveilig werden verklaard vanwege de koolmonoxide die in de kuil bleef hangen wanneer de motor draaide. Er had geen matras gelegen, een kaal matras bij de deur met grote bruine vlekken en vegen erop. Het leek bloed, en Lucy zag haren, lange haren, donkere en blonde, en ze rook iets, dat dacht ze tenminste. Ernaast stond een doos met latex handschoenen.
Tien stappen verder lag de oude smeerkuil, afgedekt met zeildoek, anders dan vroeger. De vloer eromheen was een wirwar van voetafdrukken, dezelfde als op andere plaatsen, en klodders en vegen opgedroogd cement. Ze hurkte naast de kuil, tilde een hoek van het dekzeil op en zag grote platen triplex. Ze scheen met haar zaklantaarn dieper in de kuil en op de bodem lag een oneffen laag cement van nog geen zestig centimeter hoog. Degene die het natte cement in de kuil had gegooid, had niet de moeite genomen het glad te strijken, want het oppervlak was ruw, met punten en bobbels. Ze dacht opnieuw dat ze iets rook en werd zich bewust van het pistool in haar andere hand.
Iets vlugger liep ze vlak langs de muur de opgang op naar een verdieping hoger, waar Rupe Starr zijn auto’s had geparkeerd. In de bocht van de opgang zag ze licht. Haar laarzen maakten geen geluid op de Italiaanse tegelvloer, die vroeger brandschoon was en nu vuil van het stof en de bandensporen, en waar overal zand lag en ook zout. Ze hoorde stemmen en stond stil. Vrouwenstemmen. Ze dacht dat het Berger was. Ze zei iets wat klonk als ‘geblokkeerd’ en een andere stem zei ‘Nou ja, iemand dan’ en ‘Eerst kregen we te horen’ en een paar keer ‘… natuurlijk niet waar’.
Toen vroeg Berger: ‘Welke vrienden? Waarom heb je dat niet eerder gezegd?’
Een stem met een accent gaf antwoord, gedempt, een vrouw die snel praatte. Lucy dacht aan Nastya en verwachtte ook een mannenstem te horen, die van Bobby Fuller. Waar was hij? De boodschap die Berger voor Marino had ingesproken toen hij en Lucy nog zonder hun telefoons in het opleidingslab waren, was dat zij en Bonnell een afspraak hadden met Bobby. Hij zou vanmorgen vroeg vanuit Fort Lauderdale naar New York zijn gevlogen omdat hij op het nieuws had gehoord dat er haren van Hannah waren gevonden. Berger had hem gevraagd nog een keer met haar te praten omdat ze nog een aantal vragen had. Hij had geweigerd haar op het politiebureau of in een openbare gelegenheid te ontmoeten en had voorgesteld dat ze naar zijn huis zou komen. Waar was hij nu? Lucy had het gecheckt, ze had de verkeerstoren in Westchester gebeld en de man gesproken die altijd zo onbeleefd tegen haar deed.
Hij heette Lech Peterek, hij was een stugge Pool en hij was altijd onvriendelijk aan de telefoon. Zo was hij nu eenmaal, het had niets met Lucy te maken. Hij had niet eens geweten wie ze was, tot ze haar staartnummers had genoemd en zelfs toen was hij vaag geweest. Hij had gezegd dat er vandaag geen vliegtuig uit het zuiden van Florida was geland, niet de Gulfstream waarmee Bobby Fuller en Hannah meestal vlogen, Rupes Gulfstream. Die stond in de hangar, daar stond hij al een paar weken, dezelfde hanger als waar Lucy haar vliegtuigen parkeerde, omdat Rupe haar bij haar aankoop van haar vliegtuigen had geholpen. Rupe was degene die haar kennis had laten maken met fantastische machines zoals Bell-helikopters en Ferrari’s. In tegenstelling tot Hannah, zijn dochter, had hij het beste met haar voor gehad en tot zijn dood had Lucy zich nooit zorgen om haar inkomsten gemaakt, was het nooit bij haar opgekomen dat iemand haar puur voor zijn genoegen zou willen ruïneren.
Boven aan de opgang bleef ze staan, vlak bij de muur in het halfdonker. Het enige licht kwam uit de linkerhoek aan de andere kant van de garage, waar ook de stemmen vandaan kwamen, maar ze zag niemand. Berger en waarschijnlijk Bonnell en Nastya stonden verborgen achter auto’s en dikke pilaren met een mahoniehouten hek en zwart neopreen eromheen, zodat de dure auto’s geen deuken in de deuren zouden krijgen. Lucy sloop dichterbij terwijl ze luisterde of ze iets alarmerends hoorde, of er gevaar dreigde, maar de stemmen klonken kalm. De vrouwen voerden een druk gesprek dat af en toe fel werd.
‘Iemand heeft dat wél gedaan, dat is duidelijk.’ Dat was Berger.
‘Het is hier altijd een komen en gaan van mensen. Ze geven heel veel feesten. Dat is altijd zo geweest.’ De stem met het accent.
‘Maar je zei dat het na de dood van Rupe Starr veel rustiger was geworden.’
‘Ja, dat wel, maar er komen nog steeds mensen. Ik weet niet precies wie. Meneer Fuller is erg op zichzelf. Hij en zijn vrienden gaan ook naar de garage, maar ik bemoei me er niet mee.’
‘Moeten we geloven dat je echt niet weet wie er hier op bezoek komen?’ Dat moest Bonnell zijn.
De auto’s van Rupe Starr. De verzameling was zowel weldoordacht en sentimenteel als indrukwekkend en zeldzaam. Een Packard uit 1940, zijn vader had hetzelfde model gehad. De Thunderbird uit 1957 waarvan Rupe op de middelbare school had gedroomd, toen hij in een Volkswagen Kever reed. Een Camaro uit 1969, de auto die hij had gekocht nadat hij aan Harvard zijn MBA had gehaald. De Mercedes sedan uit 1970 waarmee hij zichzelf had beloond toen hij op Wall Street succes begon te krijgen. Lucy liep langs zijn geliefde Duesenberg Speedster uit 1933, zijn Ferrari 355 Spyder en de laatste auto die hij voor zijn dood had gekocht en nog niet had kunnen restaureren, een gele Checker taxi uit 1979, die hem deed denken aan de hoogtijdagen van New York, had hij gezegd.
De nieuwe aanwinsten, Ferrari’s, Porsches en een Lamborghini, waren recente aankopen op aandringen van Hannah en Bobby, evenals de witte Bentley Azure cabriolet die met zijn neus tegen de muur aan de overkant stond, geblokkeerd door Bobby’s rode Carrera GT. Berger, Bonnell en Nastya stonden bij de achterbumper van de Bentley te praten, met hun rug naar Lucy toe, ze hadden haar nog niet gezien. Ze riep ‘hallo’ en dat ze niet moesten schrikken, en toen ze langs de Checker taxi liep, zag ze restjes zand op de banden en een spoor ernaartoe. Ze waarschuwde luidkeels dat ze gewapend was en liep naar hen toe, en ze herkende de uitdrukking op Bergers gezicht omdat ze die eerder had gezien. Angst. Wantrouwen en verdriet.
‘Niet doen,’ zei Berger. Ze was bang voor Lucy. ‘Laat dat pistool zakken. Alsjeblieft.’
‘Wat?’ zei Lucy verbaasd, en ze zag dat Bonnells rechterhand bewoog.
‘Laat alsjeblieft dat pistool zakken,’ herhaalde Berger kalm.
‘We hebben geprobeerd je te bellen en jullie via de portofoon te bereiken. Pas op, niet doen,’ waarschuwde ze Bonnell. ‘Haal je handen langzaam bij je lichaam vandaan. Steek ze naar voren.’ Lucy hield haar pistool op hen gericht.
‘Wat je ook hebt gedaan, dit is het niet waard,’ zei Berger. ‘Laat het alsjeblieft zakken.’
‘Pas op en blijf kalm allemaal. Ik kom dichterbij en dan gaan we praten,’ zei Lucy en ze liep dichter naar hen toe. ‘Jullie weten niet wat er is gebeurd. We konden jullie niet bereiken. Godverdomme!’ schreeuwde ze tegen Bonnell. ‘Waag het niet je hand nog één keer te bewegen, verdomme!’
Nastya mompelde iets in het Russisch en begon te huilen.
Berger deed een stap naar Lucy toe en zei: ‘Geef mij dat pistool, dan praten we. Over alles wat je maar wilt. Het komt allemaal goed. Het doet er niet toe wat je hebt gedaan. Wat je geld of Hannah betreft.’
‘Ik heb helemaal niets gedaan. Luister naar me.’
‘Het komt in orde. Geef me je pistool.’ Berger keek strak naar Lucy en Lucy keek naar Bonnell om te voorkomen dat zij haar wapen pakte.
‘Het is helemaal niet in orde. Jullie weten niet wie zij is.’ Lucy bedoelde Nastya. ‘Of wie de anderen zijn. Toni is hier geweest. Dat weten jullie niet, omdat we jullie niet konden bereiken. Dat horloge dat ze droeg heeft een gps-ontvanger en ze was hier. Ze is hier dinsdag naartoe gegaan en hier gestorven.’ Lucy wierp een blik op de gele Checker taxi. ‘En hij heeft haar hier een paar dagen gehouden. Of ze waren met meer dan een.’
‘Er is niemand geweest.’ Nastya schudde huilend een paar maal haar hoofd.
‘Je bent een leugenaar,’ zei Lucy. ‘Waar is Bobby?’
‘Ik weet van niets. Ik doe alleen maar wat me wordt opgedragen,’ jammerde Nastya.
‘Waar was Bobby dinsdagmiddag?’ vroeg Lucy aan haar. ‘Waar waren jij en Bobby toen?’
‘Ik ga niet mee als ze iemand de auto’s laten zien.’
‘Wie was hier nog meer?’ vroeg Lucy, maar Nastya gaf geen antwoord. ‘Wie was hier dinsdagmiddag en woensdag de hele dag? Wie is hier gistermorgen iets over vieren de garage uit gereden? In die auto.’ Lucy wees met haar hoofd naar de Checker taxi en zei tegen Berger: ‘Daar is Toni’s lichaam mee vervoerd. We konden jullie niet bereiken. De gele verfschilfers die op haar lichaam zaten, zijn afkomstig van iets ouds. Een oude auto die in die kleur is geschilderd.’
Berger zei: ‘Er is genoeg schade aangericht. We zullen het hoe dan ook in orde maken. Geef me alsjeblieft dat pistool, Lucy.’
Het begon tot Lucy door te dringen wat Berger bedoelde.
‘Wát je ook hebt gedaan, Lucy.’
‘Ik heb niets gedaan.’ Lucy zei het tegen Berger, maar ze hield haar ogen gericht op Bonnell en Nastya.
‘Het doet er niet toe. We overleven het wel,’ zei Berger. ‘Maar het moet nu afgelopen zijn. Je moet er nu mee ophouden. Geef me dat pistool.’
‘Bij die Duesenberg daar staan twee kasten,’ zei Lucy. ‘Dat is het systeem dat jullie telefoons en de portofoon onbruikbaar maakt. Je kunt ze vanaf deze plek zien, links achter me tegen de muur. Ze zien eruit als een kleine wasmachine en een droogtrommel met een rij lichtjes erop. Dat zijn de schakelaars voor de verschillende frequenties, radiofrequenties. Rupe heeft dat systeem laten installeren en jullie kunnen zien dat het aan staat. Alle lichtjes zijn rood omdat alle frequenties zijn gestoord.’
Niemand bewoog en niemand keek. Hun ogen waren strak op Lucy gericht, alsof ze hen elk moment kon doodschieten, alsof ze met hen zou doen wat Lucy volgens Berger met Hannah had gedaan. Je was die avond thuis. Verdomd jammer dat je niets hebt gezien. Dat had Berger de afgelopen weken herhaaldelijk gezegd, omdat Lucy in Barrow Street woonde en Hannah in die straat voor het laatst was gezien. En omdat Berger wist waartoe Lucy in staat was en haar niet vertrouwde, bang voor haar was, haar als een vreemdeling beschouwde, een monster. Lucy wist niet wat ze moest zeggen om dat te veranderen, om hun leven terug te draaien naar hoe het was geweest. Maar ze was niet van plan de vernietiging te laten doorgaan. Geen centimeter. Ze was van plan er een eind aan te maken.
‘Jaime, loop ernaartoe en kijk ernaar,’ zei ze. ‘Alsjeblieft. Loop naar die kasten en bekijk ze. De schakelaars zijn voor verschillende megahertzfrequenties.’
Berger liep langs haar heen, met een boogje om haar heen, en Lucy keek haar niet aan. Ze keek naar Bonnells handen. Marino had gezegd dat Bonnell nog niet lang rechercheur bij Moordzaken was en Lucy zag dat ze nog weinig ervaring had en niet doorhad wat er aan de hand was, omdat ze niet naar haar intuïtie luisterde. Ze luisterde naar haar hoofd en was in paniek geraakt. Als Bonnell naar haar intuïtie zou luisteren, zou ze weten dat Lucy agressief was omdat zijzelf agressief was, en dat Lucy niet degene was die deze impasse, deze confrontatie, had veroorzaakt.
‘Ik sta voor de kasten,’ zei Berger vanuit de richting van de zijmuur.
‘Zet alle schakelaars om.’ Lucy keek niet haar kant op, ze wilde niet het risico lopen dat ze werd doodgeschoten door een verdomde smeris. ‘De lichtjes worden groen en jij en Bonnell hebben opeens een heleboel berichten op je telefoon. Dan weten jullie dat diverse mensen hebben geprobeerd jullie te bellen en dat ik de waarheid spreek.’
Klikkende schakelaars.
‘Zet je portofoon aan,’ zei Lucy tegen Bonnell. ‘Marino staat voor het huis. Als de ME de voordeur nog niet heeft geramd, staan ze nog buiten. Roep hem op, hij zit op Tac Ida.’
Ze gaf Bonnell opdracht de rechtstreekse frequentie Tac I te gebruiken in plaats van verbinding te maken via de centrale. Bonnell trok haar portofoon van haar riem, veranderde het kanaal en drukte op de zendknop.
‘Smoker, hoor je me?’ zei ze met haar blik op Lucy. ‘Smoker, ben je daar?’
‘Jep, hier ben ik, Los Angeles.’ Marino klonk gespannen. ‘Wat is je twintig?’
‘We staan in de garage met Hot Shot.’ Bonnell gaf geen antwoord op Marino’s vraag.
Hij had gevraagd of alles in orde was en ze had geantwoord waar ze was. Ze gebruikten de bijnamen die ze hadden afgesproken. Lucy was Hot Shot, en Bonnell vertrouwde haar niet. Bonnell had Marino niet verteld dat ze veilig was, dat ze allemaal veilig waren. Integendeel.
‘Is Hot Shot daar ook?’ vroeg Marino. ‘En de Eagle?’
‘Beiden.’
‘Nog iemand?’
Bonnell keek naar Nastya en zei: ‘Hazel.’ Een bijnaam die ze ter plekke bedacht.
‘Zeg tegen hem dat ik via de garagedeur binnen ben gekomen,’ beval Lucy.
Bonnell gaf het door en Berger kwam terug. Ze had haar BlackBerry in haar hand en keek naar de berichten die achter elkaar tinkelend binnenkwamen. Van Marino, van Scarpetta. En van Lucy, minstens vijf, toen Lucy had beseft dat Berger op weg was naar het huis en niet wist wat ze hadden ontdekt, cruciale informatie. Lucy was steeds banger geworden terwijl ze bleef bellen, ze was nog nooit zo bang geweest.
‘Wat is je twintig?’ Marino wilde weten of iemand iets mankeerde.
‘We weten niet wie er binnen is en we hebben problemen gehad met de verbinding,’ antwoordde Bonnell.
‘Wanneer komen jullie naar buiten?’
‘Zeg dat hij naar de garage moet komen. De deur is open en ze moeten doorlopen naar het bovenste deel.’
Bonnell gaf het door en zei tegen Lucy: ‘Het is in orde.’ Ze bedoelde dat ze niet haar pistool zou trekken, dat ze niet zo stom zou zijn om Lucy dood te schieten.
Lucy liet de Glock zakken, maar ze stopte hem niet terug in de holster om haar enkel. Berger en zij begonnen rond te lopen en Lucy liet haar de gele Checker taxi zien en het zand op de banden en de tegelvloer. Ze raakten niets aan. Ze openden geen portieren, maar keken door de achterruit naar het gescheurde, half vergane zwarte kleed, de versleten, vuile zwarte stoelbekleding en de opgeklapte reservestoel. Er lag een jas op de vloer. Een groene. Het leek een parka. De getuige, Harvey Fahley, had gezegd dat hij een gele taxi had gezien. Als hij geen liefhebber van auto’s was, zou het hem niet zijn opgevallen dat deze gele taxi ongeveer dertig jaar oud was en versierd met de kenmerkende geblokte rand die op moderne taxi’s ontbrak. Wat de meeste mensen wel zouden zien als ze er in het donker langsreden, was de chroomgele kleur, het vierkante General Motors-model en de lamp op het dak, die volgens Fahley niet had gebrand om te laten zien dat de taxi bezet was.
Lucy gaf de informatie door die ze telefonisch van Scarpetta had gekregen toen ze met Marino op weg was naar het huis en doodsbang was dat er iets verschrikkelijks was gebeurd. Berger en Bonnell hadden hun telefoon niet opgenomen en niet gereageerd op de radio-oproep aan Bonnell, dus wisten ze niet dat Toni Darien afgelopen dinsdagmiddag naar dat adres was gelopen en waarschijnlijk in de kelder was overleden, en dat zij misschien niet het enige slachtoffer was. Lucy en Berger praatten met elkaar en speurden rond en wachtten op Marino, en Lucy zei dat het haar speet, tot Berger zei dat ze daarmee op moest houden. Ze hadden allebei dingen voor zich gehouden die ze met elkaar hadden moeten bespreken, ze waren geen van beiden eerlijk geweest, zei Berger toen ze voor een paar werkbanken stonden, van plastic, met laden en bakken. Ze waren bezaaid met gereedschap en onderdelen, motorkapversieringen en pijpen, chromen kragen, schroeven, moeren. Er lag ook een versnellingshendel met een grote ijzeren knop met bloed erop, of misschien was het roest. Ze raakten hem niet aan en ook niet de bobines met fijn draad en het printplaatje, volgens Lucy een opnameapparaatje, en een notitieboekje.
De kaft was zwart met gele sterren en Lucy sloeg het open met de loop van haar pistool. Een boekje met magische spreuken, recepten en drankjes om te beheksen, te beschermen, te winnen, geluk te hebben. Alles was in een onberispelijk handschrift geschreven, in Gotham dat even nauwkeurig was als het lettertype op de computer. Er lagen ook zakjes van goudkleurige zijde waarin bont had gezeten, lange zwart-witte haren en plukken onderhaar. Sommige waren leeg en van het wolvenhaar, want daar leek het op, lagen dotten op de werkbank en de vloer, die met grote halen was gedweild. Iets was onlangs schoongemaakt rondom de metallic oranje Lamborghini Diablo VT. De kap was opengevouwen en op de passagiersstoel lag een paar olijfkleurige nylon wanten met lichtbruine leren handpalmen van Hestra, en Lucy zag voor zich hoe Toni Darien, nadat ze naar het huis was gejogd, door de voordeur was binnengelaten.
Ze stelde zich voor hoe Toni zich met degene die haar had binnengelaten op haar gemak had gevoeld, degene die haar had meegenomen naar de kelder, waar het hooguit twaalf graden was. Misschien had ze haar jas nog aan toen ze er werd rondgeleid, toen ze de auto’s mocht zien, en ze zou vooral de Lamborghini erg mooi hebben gevonden. Misschien was ze achter het koolstofvezelstuur gaan zitten en had ze haar handschoenen uitgetrokken om haar handen eromheen te leggen en te fantaseren, en toen ze uitstapte, kon het zijn gebeurd. Kon ze zich even hebben omgedraaid en toen had iemand een voorwerp gepakt, misschien de versnellingspook, en haar daarmee op haar achterhoofd geslagen.
‘En toen werd ze verkracht,’ zei Berger.
‘Ze liep niet meer, maar werd verplaatst,’ legde Lucy uit. ‘Tante Kay zei dat het meer dan een uur heeft geduurd. En toen ze dood was, gebeurde het nog een keer. Waarschijnlijk heeft hij haar hier achtergelaten, op dat matras, en is later teruggekomen. Het heeft anderhalve dag geduurd.’
‘Toen hij met moorden begon’ – Berger bedoelde Jean-Baptiste – ‘deed hij dat samen met zijn broer Jay. Jay was een knappe man, hij had seks met vrouwen die daarna door Jean-Baptiste werden doodgeslagen. Jean-Baptiste had geen seks met ze. Hij genoot van het doden.’
‘Jay had seks met ze. Misschien heeft hij een andere Jay gevonden,’ zei Lucy.
‘We moeten Hap Judd vinden.’
‘Hoe heb je die afspraak met Bobby gemaakt?’ vroeg Lucy, toen Marino en vier agenten van de Mobiele Eenheid de opgang op en naar hen toe kwamen, met hun handen boven hun wapens.
‘Ik heb hem na de vergadering bij de FBI gebeld op zijn mobiel,’ antwoordde Berger.
‘Dan was hij niet thuis, niet hier,’ zei Lucy. ‘Tenzij hij de stoorzender uit had gezet en nadat hij jou had gesproken weer aan heeft gezet.’
‘Boven in de bibliotheek staat een cognacglas,’ zei Berger. ‘Misschien komen de vingerafdrukken overeen met die van hem.’ Weer bedoelde ze Jean-Baptiste Chandonne.
Toen Marino naar hen toe was gekomen, vroeg Lucy aan hem: ‘Waar is Benton?’
‘Hij is samen met Marty de Doc gaan halen.’ Zijn blik gleed over de verrijdbare werkbanken en alles wat erop lag, en over de vloer, en toen keek hij naar de gele Checker-taxi. ‘Het plaatsdelictteam komt eraan om te onderzoeken wat er hier allemaal is gebeurd en de Doc brengt de snuffelhond mee.’