9
De lichtjes op Columbus Circle hielden het donker in Central Park op een afstand. Het Maine Monument met zijn fontein en vergulde standbeeld van Columbia Triumphant bij de toegangspoort stond er verlaten bij.
De rode kramen van de kerstmarkt waren gesloten – er kwamen dit jaar veel minder mensen – en er stond niemand bij de krantenkiosk, zelfs niet zoals gewoonlijk een paar agenten. Op een bank lag alleen een oude man te slapen, hij droeg allerlei kleren over elkaar en zag eruit als een zwerver. De taxi’s die voorbijreden hadden geen reclameboodschap in de lichtbalk op het dak, er stonden geen lange rijen limousines voor appartementen en hotels. Scarpetta keek om zich heen en zag overal tekens van de economisch slechte tijd, de slechtste die ze zich kon herinneren. Ze was opgegroeid in een arm gezin in een armoedig deel van Miami, maar dat was iets anders, omdat niet iedereen het toen slecht had. Zíj hadden het slecht, de Scarpetta’s, Italiaanse immigranten die het hoofd nauwelijks boven water konden houden.
‘Je boft geweldig dat je hier kunt wonen.’ Carley keek boven de opstaande kraag van haar jas uit toen ze bij het licht van de lantaarnpalen over het trottoir liepen. ‘Je verdient blijkbaar goed. Of misschien is het Lucy’s appartement. Het zou geweldig zijn als zij aan mijn programma wilde meedoen om over forensisch computeronderzoek te praten. Is ze nog steeds bevriend met Jaime Berger? Ik heb ze een keer op een avond gezien in de Monkey Bar, ik weet niet of ze je dat hebben verteld. Jaime weigert mee te doen en ik vraag het haar niet nog eens. Ik vind het niet eerlijk van haar, ik heb haar nooit iets misdaan.’
Carley leek er geen flauw idee van te hebben dat haar show van de buis was gehaald, of in elk geval dat zij die niet meer mocht presenteren. Of misschien probeerde ze van Scarpetta te weten te komen wat er achter de schermen van CNN werd bekokstoofd. Het zat Scarpetta niet lekker dat toen Alex en zij uit de make-upkamer kwamen, Carley in de gang vlak bij de deur stond te wachten. Ze deed alsof ze op weg was naar buiten en stelde voor dat ze samen naar huis zouden lopen, wat nogal vreemd was. Carley woonde niet in de buurt maar in Stamford, Connecticut. Ze liep nooit naar huis en nam ook geen trein of taxi, maar reisde op en neer met een door de omroep betaalde auto met chauffeur.
‘Nadat ze vorig jaar op American Morning is geweest, ik weet niet of je dat hebt gezien.’ Carley liep om vuile klodders bevroren sneeuw heen. ‘Die dierenmishandelingzaak van haar, van die keten van dierenwinkels. Ze is op CNN geweest om erover te praten, eigenlijk was het een gunst. Ze werd boos omdat ze moeilijke vragen stelden. En wie wordt daarvoor gestraft? Ik. Als jij het haar zou vragen, zou ze het misschien doen. Ik wil wedden dat jij iedereen zou kunnen overhalen om mee te doen, jij kent iedereen.’
‘Laten we een taxi voor je aanhouden,’ stelde Scarpetta voor. ‘Jij hoeft hier helemaal niet te zijn en ik kan best alleen naar huis. Ik ben er al bijna.’
Ze wilde Benton bellen zodat hij zou weten waarom ze zo laat was en zich geen zorgen zou maken, maar ze had haar BlackBerry niet bij zich. Blijkbaar had ze die thuis laten liggen, waarschijnlijk naast de wastafel in de badkamer. Het was al een paar keer bij haar opgekomen dat ze Carley moest vragen of ze haar telefoon even mocht gebruiken. Maar dan zou ze op haar mobieltje een geheim privénummer moeten intoetsen en één ding wist ze zeker, ze kon Carley niet vertrouwen.
‘Ik ben blij dat Lucy haar fortuin niet in Madoff had geïnvesteerd. Niet dat hij de enige bedrieger is,’ zei Carley zomaar.
Een trein denderde onder hun voeten door en uit een rooster kwam warme lucht. Scarpetta ging er niet op in. Carley viste naar informatie.
‘Ik heb mijn aandelen niet verkocht toen ik dat had moeten doen,’ vervolgde Carley. ‘Ik heb gewacht tot de Dow onder de achtduizend was gezakt. Ik ben op dezelfde feestjes geweest als Suze Orman en denk je dat ik haar om raad heb gevraagd? Hoeveel heeft Lucy verloren?’
Alsof Scarpetta haar dat, als ze het zou weten, zou vertellen.
‘Ik weet dat ze met haar computers en investeringen een fortuin heeft verdiend,’ ging Carley verder. ‘Ze stond altijd op de Forbeslijst, in de top honderd. Maar nu niet meer. Ik heb gezien dat ze er helemaal niet meer op staat. Was ze niet ooit, nog niet eens zo lang geleden, miljarden waard dankzij high-speed technologie en allerlei software die ze had uitgevonden zo ongeveer sinds ze een kleuter was? En ze heeft natuurlijk altijd uitstekend financieel advies gekregen. Tot voor kort dan.’
‘Ik kijk nooit naar de Forbes-lijst,’ zei Scarpetta. Bovendien wist ze het niet. Lucy liet zich zelden uit over haar financiële situatie en Scarpetta vroeg er nooit naar. ‘En ik praat nooit over mijn familie,’ voegde ze eraan toe.
‘Blijkbaar zijn er heel wat dingen waar je niet over praat.’
‘We zijn er.’ Ze stonden voor het gebouw waar Scarpetta woonde. ‘Pas goed op jezelf, Carley. Prettige kerstdagen en gelukkig nieuwjaar.’
‘Zaken zijn zaken, hè? Zo is het nu eenmaal. Vergeet niet dat we vrienden zijn.’ Carley omhelsde Scarpetta. Dat had ze nooit eerder gedaan.
Scarpetta liep de glanzende marmeren hal van het gebouw in terwijl ze in haar jaszak zocht naar haar sleutels. Ze meende zich te herinneren dat ze haar BlackBerry ook in haar jaszak had gestopt. Was dat waar? Ze wist het niet zeker, ze probeerde te bedenken wat ze die avond precies had gedaan. Had ze haar telefoon soms gebruikt, had ze die bij CNN uit haar zak gehaald en daar ergens laten liggen? Nee, ze wist zeker van niet.
‘U hebt zich er in die uitzending goed doorheen geslagen.’ De conciërge, een jongeman die pas sinds kort in dienst was en er in zijn blauwe uniform keurig uitzag, keek haar glimlachend aan. ‘Carley Crispin was niet mals, hè? Als ik u was geweest, was ik kwaad geworden. Er is zonet iets voor u afgegeven.’ Hij bukte zich achter de balie om iets te pakken. Scarpetta had onthouden dat hij Ross heette.
‘Dit is net gebracht? Zo laat nog?’ Het schoot haar te binnen dat Alex haar een voorstel zou sturen.
‘De stad die nooit slaapt.’ Ross gaf haar een FedEx-doos.
Ze stapte in de lift en drukte op de knop van de bovenste verdieping. Ze wierp een blik op de vrachtbrief en bekeek die toen wat beter. Ze zocht naar een afzender, Alex of CNN, maar die stond nergens vermeld en het pakje was op een vreemde manier aan haar geadresseerd.
R. KAY SCARPETTA
HOOFD VAN DE GERECHTELIJKE GENEESKUNDIGE DIENST IN
GOTHAM CITY
1111 CENTRAL PARK WEST USA 10023
Haar het hoofd van de Gerechtelijke Geneeskundige Dienst van Gotham City noemen, was sarcastisch bedoeld. Het was griezelig. Het handschrift was zo precies dat het gedrukt leek, computerschrift, maar ze kon zien dat het echt was en ze vermoedde spottende intelligentie bij de persoon die de pen had gehanteerd. Ze vroeg zich af hoe hij wist dat Benton en zij hier woonden, want hun adressen en telefoonnummers stonden nergens vermeld. Opeens zag ze geschrokken dat het deel bestemd voor de afzender nog aan de vrachtbrief zat. Het pakje was niet door FedEx bezorgd. Lieve god, laat het geen bom zijn!
Het was een oude lift met versierde koperen deuren en een ingelegd houten plafond. Hij ging tergend langzaam omhoog en ze stelde zich een gedempte ontploffing voor, waarna ze in de donkere liftkoker naar beneden zou tuimelen en met een enorme smak op de grond zou vallen. Ze rook een vieze, teerachtige, chemische lucht, zoals die van een versneller op petroleumbasis, een walgelijke, zoetige lucht. Ze rook aandachtig, niet zeker wat het was en of ze dat echt rook. Dieselolie. Diphoron pentaperoxide, acetonperoxide, C4 en nitroglycerine. Geuren en gevaren die ze kende van de branden en explosies waarvan ze getuige was geweest en uit de tijd dat ze les had gegeven aan mensen die met dat soort rampen te maken hadden, toen Lucy als FBI-agent bij de ATF zat en Scarpetta en Benton lid waren van het daartoe behorende internationale responsteam. Voordat Benton dood was en toen bleek te leven.
Zilvergrijs haar, verkoold vlees en zwartgeblakerde botten, zijn Breitling-horloge in een soep van roetzwart water na die brand in Philadelphia, waar haar wereld was ingestort. Bentons stoffelijke resten, had ze gedacht. Zijn persoonlijke eigendommen. Ze vermoedde het niet, ze wist zeker dat hij dood was, omdat het haar werk was om zeker te zijn. De smerige lucht van een aangestoken brand. De gapende leegte, ondoordringbaar en voor eeuwig, alleen nog eenzaamheid en verdriet. Ze was bang voor het niets, omdat ze wist hoe dat voelde. Jaar in, jaar uit niet meer leven, terwijl haar hersenen nog werkten en haar hart niet meer. Hoe moest ze het beschrijven? Benton vroeg haar nog wel eens of ze dat wilde doen, maar niet vaak meer. Hij had zich verborgen voor het Chandonne-kartel, voor de georganiseerde misdaad, verwerpelijke moordenaars, en hij had haar natuurlijk willen beschermen. Als hij in gevaar verkeerde, gold dat ook voor haar. Alsof ze zonder hem niet net zo goed in gevaar verkeerde. Niet dat hij het haar had gevraagd. Het was beter als iedereen dacht dat hij dood was. Dat had de FBI gezegd. Alstublieft, God, laat dit geen bom zijn. Ze rook petroleum, asfalt. De brandstofstank van teer, nafteenzuur, napalm. Haar ogen traanden. Ze was misselijk.
De koperen deuren gleden open en ze hield het pakje zo stil mogelijk. Haar handen trilden. Ze kon het niet in de lift laten liggen. Ze kon het niet op de grond leggen of weggooien zonder de andere bewoners of het personeel in gevaar te brengen. Nerveus stak ze de sleutel in het slot van haar voordeur, haar hart bonkte, haar mond waterde en ze snakte naar adem. Metaal tegen metaal. Wrijving, statische elektriciteit kon de ontploffing in gang zetten. Adem diep en langzaam, blijf kalm. Het slot opende met een verrassend harde klik. Alstublieft, God, laat dit niet zijn wat ik denk dat het is.
‘Benton?’
Ze stapte naar binnen en liet de voordeur wijd open staan.
‘Hallo? Benton?’
Voorzichtig zette ze de FedEx-doos midden op de lage tafel in de lege woonkamer met meubels in kloosterstijl en kunstvoorwerpen. Ze zag voor zich hoe de grote ramen zouden opbollen en barsten, als een enorme glazen bom, en er een regen van messcherpe glassplinters langs twintig verdiepingen op straat zou vallen. Ze pakte een glazen sculptuur, een golvende kom in felle kleuren, en zette die van de tafel op het vloerkleed, ervoor zorgend dat de weg tussen de deur en de doos vrij was.
‘Benton, waar ben je?’
Er lag een stapel papieren op zijn geliefde Morris-leunstoel voor het raam dat uitzicht bood op de lichtjes van de Upper West Side en langs de Hudson. In de verte leken vliegtuigen op UFO’s boven de verlichte start- en landingsbanen van Teterboro. Waarschijnlijk vloog Lucy op dit moment haar helikopter naar New York, naar Westchester County. Scarpetta vond het niet prettig als Lucy vloog wanneer het donker was. Als de motor ermee ophield, kon ze nog wel blijven hangen, maar hoe kon ze dan zien waar ze kon landen? Stel dat haar motor uitviel wanneer ze boven een groot bos vloog?
‘Benton!’
Scarpetta liep door de gang naar de slaapkamer. Ze haalde diep adem en slikte een paar keer om haar hartslag te vertragen en haar verkrampte maag te ontspannen. Ze hoorde dat de wc werd doorgetrokken.
‘Jezus, wat heb je met je mobieltje gedaan?’ Bentons stem werd gevolgd door zijn verschijning in de deuropening van de slaapkamer. ‘Heb je mijn berichten niet gekregen, Kay? Wat is er in vredesnaam gebeurd?’
‘Kom niet dichterbij,’ zei ze.
Hij stond stil. Hij droeg een pak, een eenvoudig donkerblauw flanellen pak dat er niet duur uitzag, omdat hij nooit dure dingen droeg wanneer hij naar een gevangeniszaal of forensische afdeling moest. Hij was zich altijd bewust van de indruk die een gevangene of een psychiatrische patiënt van hem zou kunnen krijgen. Hij had zijn das afgedaan en zijn schoenen uitgetrokken, zijn witte overhemd stond een stukje open en hing over zijn broek. Ze zag aan zijn zilvergrijze haar dat hij er met zijn vingers doorheen had gestreken.
‘Wat is er gebeurd?’ vroeg hij, en hij bleef waar hij was. ‘Er is iets gebeurd. Wat is er?’
‘Pak je schoenen en je jas,’ zei Scarpetta. Ze schraapte haar keel. ‘Kom niet deze kant op. Ik weet niet wat er op me zit.’ Ze wilde niets liever dan haar handen schrobben met een bleekwateroplossing om zichzelf te ontsmetten, heel lang onder de hete douche staan om alle make-up af te wassen en haar haren te wassen.
‘Wat is er aan de hand? Ben je iemand tegengekomen? Heb je iets akeligs meegemaakt? Ik probeer al heel lang je te bellen.’ Benton stond als een standbeeld in de deuropening, met een bleek gezicht. Hij keek langs haar heen naar de voordeur, alsof hij bang was dat er iemand met haar mee naar binnen was gekomen.
‘We moeten hier weg.’ De televisiemake-up voelde kleverig aan, als lijm, en rook weeïg. Ze kon de bom ruiken, dat verbeeldde ze zich tenminste. Teer, zwavel, de moleculen hadden zich aan haar make-up gehecht, aan haarspray, plakten achter in haar neus. De stank van het hellevuur.
‘Die vrouw die belde uit Detroit? Ik heb geprobeerd je te bereiken,’ zei Benton. ‘Wat is er toch? Heeft iemand je iets gedaan?’
Ze trok haar jas en haar handschoenen uit, liet ze op de grond vallen en schopte ze weg. ‘We moeten hier weg,’ zei ze. ‘Nu meteen. Een verdacht pakje. Het ligt in de woonkamer. Pak warme jassen voor ons allebei.’ Niet misselijk worden. Niet overgeven.
Hij liep de slaapkamer in en ze hoorde hem zijn kleerkast openen en hangers over de stang glijden. Hij kwam terug met een paar wandelschoenen, een wollen jas en een ski-jack dat hij zo lang niet had gedragen dat er nog een liftkaartje aan de rits hing. Hij reikte haar het jack aan en ze liepen vlug door de gang naar de voordeur. Benton keek met een verbeten gezicht naar de wijd open deur en toen achterom naar de FedEx-doos op de tafel in de woonkamer en de glazen schaal op het Oosterse tapijt. Open de ramen om de druk te verminderen en de schade te beperken wanneer hij ontploft. Nee, doe het niet. Ga niet terug naar de woonkamer. Kom niet in de buurt van de tafel. Raak niet in paniek. Zorg ervoor dat alle bewoners het gebouw verlaten, sluit de ingang en belet anderen naar binnen te gaan. Maak geen lawaai. Veroorzaak geen schokgolven. Ze trok de voordeur heel zacht achter zich dicht, maar ze deed hem niet op slot, zodat de politie naar binnen kon. Op hun verdieping lagen nog twee appartementen.
‘Heb je beneden gevraagd wie het heeft gebracht?’ vroeg Benton. ‘Ik ben de hele avond thuis geweest, maar ze hebben me niet gewaarschuwd dat er iets was afgegeven.’
‘Pas toen ik in de lift stond, vielen me dingen op. Nee, dat heb ik niet gevraagd. Het ruikt vreemd.’ Ze trok zijn ski-jack aan en verdronk er bijna in, het hing tot op haar knieën. Aspen. Wanneer waren ze daar voor het laatst?
‘Hoe rook het dan?’
‘Zoet, teerachtig, naar rotte eieren. Ik kan het niet uitleggen. Misschien heb ik me het verbeeld. En het adres op de vrachtbrief… Ik had het niet mee naar boven moeten nemen. Ik had het op de balie moeten leggen en tegen Ross moeten zeggen dat hij uit de buurt moest blijven, ik had iedereen daar weg moeten houden tot de politie er was. God, wat ben ik stom geweest.’
‘Je bent niet stom.’
‘Jawel, ik ben wel stom. Ik was afgeleid door Carley Crispin en heb oerstom gedaan.’
Ze drukte op de bel van het appartement naast hen, op de hoek, waar een kledingontwerper woonde die ze alleen een paar keer in het voorbijgaan had gezien. Dat was typisch New York. Je kon jarenlang naast iemand wonen en nooit ook maar een woord met elkaar wisselen.
‘Ik geloof niet dat hij thuis is,’ zei Scarpetta. Ze belde nog een keer en klopte op de deur. ‘Ik heb hem de laatste tijd ook niet gezien.’
‘Aan wie is het geadresseerd?’ vroeg Benton.
Ze vertelde hem dat het deel bestemd voor de afzender nog aan de vrachtbrief zat, dat zij was betiteld als het hoofd van de Gerechtelijke Geneeskundige Dienst van Gotham City en van het ongewone handschrift. Ze belde nog een keer. Daarna liepen ze door naar het derde appartement, bewoond door een oudere vrouw die tientallen jaren geleden een komische actrice was geweest en vooral bekend was geworden door haar optredens in The Jackie Gleason Show. Haar man was een paar jaar geleden gestorven en meer wist Scarpetta niet over haar, over Judy, behalve dat ze een heel nerveus poedeltje had, dat meteen oorverdovend begon te blaffen toen Scarpetta op de bel drukte. Judy keek verbaasd en niet bepaald vriendelijk toen ze opendeed en ze ging breeduit in de deuropening staan, alsof ze een minnaar of een vluchteling verborg. Het hondje sprong keffend om haar benen.
‘Ja?’ Ze keek vragend naar Benton, die zijn jas aanhad maar zijn schoenen nog in zijn hand hield.
Scarpetta vroeg of ze Judy’s telefoon mocht gebruiken.
‘Hebt u zelf dan geen telefoon?’ vroeg Judy licht slissend. Ze had een mooi getekend, maar verlopen gezicht. Een alcoholist.
‘We kunnen op dit moment geen mobiele of de interne telefoon gebruiken en we hebben geen tijd om het uit te leggen,’ zei Scarpetta. ‘We moeten uw vaste lijn gebruiken.’
‘Mijn wat?’
‘Uw vaste telefoonlijn. Daarna moet u met ons mee naar beneden gaan. Het is een noodsituatie.’
‘Geen sprake van. Ik ga nergens naartoe.’
‘Er is een verdacht pakketje afgeleverd. We moeten uw telefoon gebruiken en iedereen op deze verdieping moet zo snel mogelijk naar beneden,’ zei Scarpetta.
‘Waarom hebt u het mee naar boven genomen? Waarom hebt u dat gedaan?’
Scarpetta rook drank, en wie weet wat er allemaal in Judy’s medicijnkastje stond. Prikkelbare depressie, verslaafd aan medicijnen, niets om voor te leven. Scarpetta en Benton liepen door naar een woonkamer met houten lambrisering en vol Frans antiek, met overal beeldjes van Lladro-porselein van romantische paren in gondels en rijtuigen, te paard en op schommels, kussend en converserend. Op een vensterbank stond een grote kristallen kerststal en op een andere een verzameling kerstmannen van Royal Doulton, maar nergens hingen lichtjes, er stond geen kerstboom of menora. Behalve de prullaria stonden er foto’s van een illuster verleden en een Emmy Award in een met Vernis Martin afgelakte rariteitenkast beschilderd met taferelen van cupido’s en liefdespaartjes.
‘Is er in uw appartement iets gebeurd?’ vroeg Judy, terwijl haar hond schel bleef keffen.
Benton liep naar de telefoon op een verguld houten kastje. Hij toetste uit zijn hoofd een nummer in en Scarpetta wist wie hij belde. Benton loste elke situatie efficiënt en discreet op door rechtstreeks de persoon te bellen die hem kon helpen. In dit geval was dat Marino.
‘Ze hebben een verdacht pakketje gebracht? Waarom hebben ze dat gedaan? Noemen ze dat beveiliging?’ vervolgde Judy.
‘Waarschijnlijk is er niets aan de hand, maar we moeten voorzichtig zijn,’ zei Scarpetta sussend.
‘Ben je al op het hoofdkwartier? Laat dat maar even wachten,’ zei Benton tegen Marino, en hij voegde eraan toe dat de kans bestond dat iemand Scarpetta een gevaarlijk pakketje had gestuurd.
‘Iemand zoals u komt natuurlijk een heleboel gekken tegen.’ Judy trok een lange winterjas aan van geschoren chinchilla met geschulpte mouwen. Haar hondje sprong op en neer en begon nog harder te blaffen toen Judy haar halsband pakte van een satijnhouten etagère.
Benton klemde de telefoon tussen zijn schouder en zijn kin om zijn schoenen aan te trekken en zei: ‘Nee, bij een buurvrouw. We wilden onze eigen telefoon niet gebruiken om geen elektronische signalen uit te zenden terwijl we niet weten wat er in dat pakje zit. In een doos van FedEx. Op tafel gezet. Nu gaan we naar beneden.’
Hij hing op. Judy liep onzeker naar de poedel en maakte de riem vast aan de bijbehorende halsband van blauw leer met een slotje van Hermès waarin waarschijnlijk de naam van het neurotische dier was gegraveerd. Ze verlieten het appartement en liepen naar de lift. Scarpetta rook de scherpzoete chemische lucht van dynamiet. Verbeelding. Ze zag spoken. Het rook hier niet naar dynamiet. Er was nergens dynamiet.
‘Ruik jij iets?’ vroeg ze Benton. ‘Het spijt me dat uw hond zo van streek is.’ Dat was haar manier om Judy te vragen het vervloekte beest tot stilte te manen.
‘Ik ruik niets,’ antwoordde Benton.
‘Misschien mijn parfum.’ Judy snoof aan haar polsen. ‘O, u bedoelt een náre lucht! Ik hoop dat ze u geen antrax of hoe dat spul ook mag heten hebben gestuurd. Waarom hebt u het mee naar boven genomen? Dat was toch erg onvoorzichtig van u?’
Het schoot Scarpetta te binnen dat ze haar schoudertas in het appartement had laten liggen, op het tafeltje in de hal. Haar portefeuille en al haar andere papieren zaten erin en de deur zat niet op slot. Ze kon zich niet herinneren wat er met haar BlackBerry was gebeurd. Ze had het pakje beter moeten bekijken voordat ze het mee naar boven nam. Waarom had ze dat verdomme niet gedaan?
‘Marino komt naar ons toe, maar hij zal hier niet eerder zijn dan de anderen,’ zei Benton. Hij nam niet de moeite Judy uit te leggen wie Marino was. ‘Hij komt van het hoofdkwartier, van het crisisteam.’
‘Wat deed hij daar?’ Scarpetta hield haar blik gericht op de deur.
‘Het RTCC. Hij moest iemand natrekken.’
‘Als dit een coöperatie was, hadden we u niet toegelaten,’ zei Judy tegen Scarpetta. ‘U komt op tv en praat over allemaal afschuwelijke misdaden en kijk nou eens wat er gebeurt. U neemt het mee naar huis en wij moeten er allemaal onder lijden. Mensen zoals u trekken gekken aan.’
‘Laten we hopen dat het een onschadelijk pakketje is en het spijt me erg dat we u hebben gestoord. En uw hond,’ zei Scarpetta.
‘Deze lift is verdomd traag. Rustig, Fresca, kalm maar. Ze blaft alleen maar, hoor, ze doet geen vlieg kwaad. Waar moet ik eigenlijk naartoe? Ik ben niet van plan de hele nacht in de lobby te gaan zitten.’
Judy staarde met een misprijzend gezicht naar de koperen liftdeuren. Benton en Scarpetta zwegen. Beelden en geluiden die Scarpetta in haar geheugen dacht te hebben begraven. Destijds, aan het eind van de jaren negentig, was haar leven heel treurig geworden. Toen ze nog bij de ATF was. Laag vliegen over kale naaldbomen en zandgrond die op sneeuw leek terwijl de rotorbladen ritmisch klapwiekten. Metaalgrijze waterwegen rimpelend in de wind, geschrokken vogels als peperstrooisel in de mist terwijl ze op weg waren naar het oude blimp station in Glynco, Georgia, met een explosieventerrein, oefengebouwen, betonnen bunkers en brandcellen van de ATF. Ze hield niet van instituten waar mensen werden opgeleid die zich wilden specialiseren in branden en explosies; na de brand in Philadelphia had ze daar geen colleges meer willen geven. Ze had de ATF vaarwel gezegd, net als Lucy, om zonder Benton verder te leven.
En nu stond hij hier naast haar in de lift alsof dat deel van haar leven alleen een nachtmerrie was geweest, een onwerkelijke droom die ze nooit was en ook niet kon vergeten. Sindsdien had ze nooit meer dat soort cursussen willen geven, ontwijkend gedrag, ze was niet meer zo objectief als ze hoorde te zijn. Ze kon niet meer tegen lichamen die uit elkaar waren gespat. Brandwonden, wonden veroorzaakt door granaatscherven, avulsie van weefsel, versplinterde botten, gescheurde organen, afgerukte handen… Ze dacht aan het pakketje dat ze mee naar boven had genomen. Ze had niet goed opgelet, ze was met haar gedachten bij Carley geweest en bij wat Alex haar had toevertrouwd, ze was te veel bezig geweest met wat dr. Edison haar loopbaan bij CNN noemde. Ze had meteen moeten zien dat er geen afzender op het pakje stond en dat het stukje papier bestemd voor de afzender nog aan de vrachtbrief zat.
‘Is het Fresca of Fresco?’ vroeg Benton aan Judy.
‘Fresca. Net als de limonade. Ik had een glas van die frisdrank in mijn hand toen Bud binnenkwam met een bakkersdoos met haar erin. Voor mijn verjaardag. Ik had het meteen moeten zien, aan de gaatjes in het deksel. Ik dacht dat het een taart was en toen blafte ze.’
‘Ja, dat zal best,’ zei Benton.
Fresca begon aan de riem te trekken en oorverdovend te keffen. Het geluid priemde door Scarpetta’s oren tot diep in haar hersenen. Ze slikte en haar hart begon weer te bonken. Niet overgeven. De lift stond stil en de zware koperen deuren gleden open. Achter de glazen deuren van de lobby flitsten rode en blauwe lichten en een stuk of zes agenten brachten ijskoude buitenlucht mee naar binnen. Ze droegen donkerblauwe overalls met een jack eroverheen, laarzen en een gordel met daaraan een batterijenhouder, magneto-elektrisch apparaat, knuppel, zaklantaarn en holster met pistool. Een van hen pakte twee bagagewagentjes en bracht die naar buiten. Een ander liep rechtstreeks naar Scarpetta alsof hij haar kende. Een grote kerel, jong, met zwart haar en een donkere huid, gespierd, en met een embleem op zijn jack met daarop de gouden sterren en de cartoonachtige rode bom van de explosievenopruimingsdienst.
‘Dokter Scarpetta? Inspecteur Al Lobo,’ zei hij, en hij gaf haar een hand.
‘Wat gebeurt hier toch allemaal?’ vroeg Judy verontwaardigd.
‘We moeten u vragen het gebouw te verlaten, mevrouw. Wilt u alstublieft naar buiten gaan tot het hier veilig is? Het is voor uw veiligheid.’
‘Hoe lang gaat het duren? O god, dit is niet eerlijk.’
De luitenant keek naar Judy alsof ze hem bekend voorkwam. ‘Ga alstublieft naar buiten, mevrouw. Daar zal iemand u wijzen…’
‘Ik kan niet met mijn hond buiten in de kou gaan staan. Dit is echt niet eerlijk…’ Ze keek woedend naar Scarpetta.
‘De bar hiernaast, is het daar veilig?’ vroeg Benton. ‘Mag ze daar naartoe?’
‘Daar laten ze geen honden toe,’ zei Judy nors.
‘Vast wel, als u het vriendelijk vraagt.’ Benton liep met haar mee naar de ingang. Daarna kwam hij terug naar Scarpetta en pakte haar hand. Opeens was het in de lobby een chaos, lawaaiig en koud. De liftdeuren gingen open en de agenten gingen naar boven om de bewoners van de appartementen boven, onder en aan weerskanten van het appartement van Benton en Scarpetta te waarschuwen – ‘het doelwit’, zoals de inspecteur het noemde. Hij begon razendsnel vragen te stellen.
‘Ik weet zeker dat er op onze verdieping, de negentiende, niemand meer aanwezig is,’ zei Scarpetta. ‘De ene buur deed niet open, hij is blijkbaar niet thuis, maar probeer het toch nog een keer. De andere is zij.’ Ze bedoelde Judy.
‘Ze lijkt op iemand. Uit een show van vroeger, Carol Burnett of zo. Is er nog één verdieping boven u?’
‘Twee,’ antwoordde Benton. ‘Er zijn twee verdiepingen boven ons.’
Door de glazen deuren zag Scarpetta dat er nog twee politiewagens stopten, witte met blauwe strepen, een ervan met een aanhangwagen. Ze zag dat er geen verkeer meer door de straat reed, blijkbaar had de politie hun deel van Central Park West afgesloten. Dieselmotoren draaiden luidruchtig, sirenes loeiden en de omgeving van het gebouw begon op een filmset te lijken, met trucks en politieauto’s aan weerskanten van de straat, halogeenlampen op poten en op de aanhangers, en rode en blauwe zwaailichten op de daken van de auto’s.
Leden van de explosievenopruimingsdienst openden allerlei deuren aan weerskanten van de trucks en haalden er Pelican-koffers en Roco-tassen uit, en gordels en gereedschap. Met hun armen vol draafden ze de treden op en legden de spullen in de bagagewagentjes. Scarpetta was niet meer misselijk, maar met een kil gevoel in haar maag keek ze naar een vrouwelijk lid van het team dat een tuniek en een broek uit de truck haalde, een veertig kilo wegend, dik gewatteerd en vuurbestendig pak aan twee hangers. Een bompak. Er stopte een ongemerkte zwarte suv voor de ingang en daaruit stapte nog een agent, die het achterportier opende om er een zwarte labrador uit te laten springen.
‘Vertel me alles wat je je van dat pakketje kunt herinneren,’ zei Lobo tegen de conciërge. Ross stond met een geschrokken, angstig gezicht achter de balie. ‘Maar eerst moeten we naar buiten. Dokter Scarpetta, dokter Wesley, gaat u mee?’
Met zijn vieren liepen ze naar buiten, waar het felle halogeenlicht pijn deed aan Scarpetta’s ogen en de rommelende dieselmotoren aan een aardbeving deden denken. Reguliere agenten en leden van de hulpdiensten sloten het gebouw en de naaste omgeving af met een felgeel lint. Aan de overkant stonden groepjes mensen in de donkere schaduwen van het park en zaten er mensen op de muur, en iedereen was opgewonden aan het praten en foto’s aan het maken met zijn mobieltje. Het was ijskoud, de noordenwind gierde om de gebouwen, maar Scarpetta knapte ervan op. Haar hoofd werd weer helder en ze kreeg weer genoeg lucht.
‘Wilt u het pakketje voor me beschrijven?’ vroeg Lobo haar. ‘Hoe groot is het?’
‘Middelgrote FedEx-doos, ik schat veertig bij dertig en acht centimeter hoog. Ik heb hem midden op de lage tafel in de woonkamer gezet. Er staat niets tussen de doos en de deur, dus jullie of je robot kunnen er rechtstreeks bij. De voordeur zit niet op slot.’
‘Hoeveel weegt het, denkt u?’
‘Hooguit anderhalf pond.’
‘Schuift de inhoud heen en weer?’
‘Ik heb het zo stil mogelijk gehouden, maar ik heb niet gemerkt dat er iets heen en weer schoof.’
‘Hebt u iets gehoord of geroken?’
‘Ik heb niets gehoord, maar misschien heb ik wel iets geroken. Een petroleumachtige lucht. Teerachtig, maar zoet en rottend, een soort zwavelachtige pyrotechnische lucht. Ik kon hem niet thuisbrengen, maar mijn ogen gingen ervan tranen.’
‘En u?’ Lobo keek naar Benton.
‘Ik heb niets geroken, maar ik ben er niet dichtbij geweest.’
‘Heb jij iets geroken toen het pakketje werd afgeleverd?’ vroeg Lobo aan Ross.
‘Ik niet, maar ik ben verkouden, mijn neus zit verstopt.’
‘De jas die ik aanhad en mijn handschoenen,’ zei Scarpetta tegen Lobo, ‘liggen op de grond in de gang van mijn appartement. Misschien willen jullie die in een zak stoppen en meenemen om te zien of er sporen op zitten.’
De inspecteur zei het niet, maar ze had hem een heleboel informatie gegeven. Gebaseerd op de grootte en het gewicht van het pakje kon er niet meer dan anderhalf pond explosief materiaal in zitten en het was niet gevoelig voor beweging, tenzij een slim tijdmechanisme reageerde op een tuimelschakelaar.
‘Ik heb niets ongewoons gezien,’ zei Ross haastig, terwijl hij naar de drukte op straat keek en de lichten over zijn jongensachtige gezicht flitsten. ‘Die man heeft dat pakje op de balie gelegd en is meteen weggelopen. Toen heb ik het onder de balie gelegd in plaats van het naar achteren te brengen, omdat ik wist dat dokter Scarpetta kort daarna thuis zou komen.’
‘Hoe wist je dat?’ vroeg Benton.
‘We hebben een tv in onze kamer beneden. We wisten dat ze vanavond op CNN zou zijn…’
‘Wie zijn “we”?’ wilde Lobo weten.
‘Ik, de portier en een van de boodschappenjongens. Ik had dienst toen ze wegging, naar CNN.’
‘Beschrijf die man eens die het pakje heeft gebracht,’ zei Lobo.
‘Hij was zwart, droeg een lange, donkere jas, handschoenen en een pet met het FedEx-logo erop. Hij had een klembord bij zich. Ik weet niet hoe oud hij was, maar het was geen oude man.’
‘Heb je ooit eerder gezien dat hij hier in dit gebouw of in de buurt iets bracht of haalde?’
‘Nee, dat kan ik me niet herinneren.’
‘Was hij komen lopen of had hij zijn bestelwagen voor de ingang geparkeerd?’
‘Ik heb geen bestelwagen gezien,’ zei Ross. ‘Maar meestal parkeren ze waar er ook maar plaats is en lopen naar waar ze moeten zijn. Meer kan ik u niet vertellen, meer heb ik niet gezien.’
‘Je zegt eigenlijk dat je geen idee hebt of die man echt van FedEx was,’ zei Lobo.
‘Dat kan ik niet bewijzen. Maar hij heeft niets gedaan wat me wantrouwig maakte. Dat weet ik wel.’
‘En toen? Hij legde het pakje neer en toen?’
‘Toen is hij weer weggegaan.’
‘Meteen? Liep hij vlug terug naar de ingang? Weet je zeker dat hij niet even is blijven rondhangen, een beetje heeft rondgedrenteld naar de trap of zo, dat hij niet even is gaan zitten?’
De bewoners van andere appartementen stapten uit de lift, begeleid door agenten van de hulpdiensten.
‘Je weet dus zeker dat die FedEx-bezorger rechtdoor naar de balie is gelopen, zich heeft omgedraaid en meteen weer rechtstreeks naar buiten is gelopen?’ vroeg Lobo aan Ross.
Ross staarde met open mond naar de karavaan die kwam aanrijden: het veertien ton wegende Total Containment Vessel van de explosievenopruimingsdienst op een laadbak met een escorte van politieauto’s.
‘Allemachtig!’ riep hij uit. ‘Is dit een terroristische aanval of zo? Is dit allemaal vanwege dat FedEx-pakketje? Maak dat een ander wijs…’
‘Is hij misschien naar de kerstboom in de lobby gelopen? En weet je zeker dat hij niet in de buurt van de liften is geweest?’ ging Lobo verder. ‘Ross, luister je naar me? Dit is belangrijk.’
‘Sodeju!’
De wit met blauwe truck van de explosievenopruimingsdienst met achterop onder zwart zeildoek de unit om de bom onschadelijk te maken parkeerde recht voor de ingang.
‘De kleinste dingen kunnen van groot belang zijn. Alles helpt mee,’ zei Lobo. ‘Daarom vraag ik het je nog een keer. Die FedEx-bezorger. Is hij waar dan ook naartoe gelopen, of ergens langs? Is hij naar de wc geweest? Heeft hij water gedronken? Is hij gaan kijken wat er onder de kerstboom in de lobby ligt?’
‘Ik geloof van niet. Jezusmina…’ Ross staarde vol verbazing naar de truck van de explosievenopruimingsdienst.
‘Je gelooft van niet? Daar neem ik geen genoegen mee, Ross. Ik moet voor honderd procent zeker weten waar die man wel of niet naartoe is gelopen. Begrijp je waarom? Ik zal je uitleggen waarom. We moeten op elke plek waar hij kan zijn geweest gaan kijken of hij daar niet stiekem nog iets heeft achtergelaten. Kijk me aan wanneer ik tegen je praat. We zullen de opnamen van de bewakingscamera’s checken, maar het spaart tijd als jij me nu kunt vertellen wat je hebt gezien. Weet je zeker dat hij toen hij binnenkwam niet nog iets in zijn handen had? Ik wil elk detail van je horen, Ross. Daarna zal ik de video-opnamen bekijken.’
‘Ik weet zo goed als zeker dat hij rechtstreeks naar de balie is gelopen en rechtstreeks weer naar buiten,’ zei Ross. ‘Maar ik weet niet of hij buiten het gebouw iets heeft gedaan of nog ergens anders naartoe is gegaan. Ik ben niet achter hem aan naar buiten gegaan, ik had geen reden om hem niet te vertrouwen. De computer van het bewakingssysteem staat in het kantoortje. Ik kan echt niets meer bedenken.’
‘Welke kant is hij op gegaan?’
‘Ik heb gezien dat hij naar buiten liep’ – hij gebaarde naar de glazen deuren – ‘en toen was hij verdwenen.’
‘Hoe laat was het toen?’
‘Even over negenen.’
‘Dus dat was twee uur geleden, twee uur en een kwartier.’
‘Ja.’
‘Had hij handschoenen aan?’ vroeg Benton aan Ross.
‘Zwarte. Ik geloof dat ze gevoerd waren met konijnenbont. Toen hij me die doos aangaf, zag ik bont onder de randen uitsteken.’
Lobo liep een eindje bij hen vandaan en pakte zijn radiotelefoon.
‘Kun je je verder nog iets bijzonders herinneren van de kleren die hij aanhad?’ vroeg Benton.
‘Donkere kleren. Donkere laarzen en een donkere broek, geloof ik. En een lange jas, tot onder zijn knieën, u weet wel. Zwart. Hij had zijn kraag opgezet, handschoenen aan, zoals ik al zei met een bontvoering, en die FedEx-pet op. Dat is het.’
‘Een bril op?’
‘Ja, met gekleurde glazen en zo’n glans.’
‘Zo’n glans?’
‘Ja, zo’n spiegelglans, u weet wel. O ja, dat is waar ook, ik herinner me nog iets. Ik dacht dat hij naar sigaretten rook, of naar lucifers. Alsof hij net een sigaret had gerookt.’
‘Ik dacht dat je een verstopte neus had en niets kon ruiken,’ zei Benton.
‘Het schiet me opeens te binnen. Ik heb echt iets geroken wat me aan sigaretten deed denken.’
‘Dat is niet wat jij denkt dat je hebt geroken,’ zei Benton tegen Scarpetta.
‘Nee,’ zei ze, en ze voegde er niet aan toe dat Ross misschien zwavel had geroken, dezelfde lucht als van een brandende lucifer, en dat hij daardoor aan sigaretten had gedacht.
‘De man die Ross heeft beschreven, heb jij toen je naar huis liep of misschien op de heenweg naar CNN iemand gezien die er net zo uitzag als hij?’ vroeg Benton haar.
Ze dacht na, maar ze kon het zich niet herinneren. Toen schoot haar iets te binnen. ‘Dat klembord,’ zei ze tegen Ross. ‘Heeft hij je gevraagd te tekenen voor ontvangst?’
‘Waar was dat klembord dan voor?’
Ross haalde zijn schouders op. Zijn adem vormde een witte damp toen hij antwoordde: ‘Hij heeft me niets gevraagd. Helemaal niets. Hij gaf me het pakje en dat was dat.’
‘Zei hij erbij dat je het aan dokter Scarpetta moest geven?’ vroeg Benton.
‘Ja, hij zei dat ik ervoor moest zorgen dat zij het kreeg. Nu u het erover hebt, hij noemde haar naam. “Dit is voor dokter Scarpetta,” zei hij. “Ze verwacht het.”’
‘Is het normaal dat een FedEx-bezorger er zoiets persoonlijks bij zegt? Dat heb ik nog nooit meegemaakt. Hoe wist die man dat ze dat pakje verwachtte?’ zei Benton.
‘Dat weet ik niet. Dat was inderdaad een beetje vreemd.’
‘Wat stond er op dat klembord?’ Het liet Scarpetta niet los.
‘Daar heb ik niet naar gekeken. Misschien waren het ontvangstbewijzen of zo. Krijg ik hier problemen mee? Mijn vrouw is zwanger, ik zit echt niet te wachten op problemen,’ zei Ross, die nog lang niet oud genoeg leek om echtgenoot en aanstaande vader te zijn.
‘Ik vraag me alleen af waarom je ons appartement niet hebt gebeld om me te vertellen dat er een pakje voor ons was afgegeven,’ zei Benton.
‘Omdat die man van FedEx had gezegd dat het voor haar was, dat heb ik toch al gezegd? Ik wist dat ze gauw thuis zou komen en ging ervan uit, nu we het er weer over hebben, dat ze het verwachtte.’
‘Hoe wist je dat ze gauw thuis zou komen?’
‘Hij had ook dienst toen ik om een uur of acht wegging,’ antwoordde Scarpetta in plaats van Ross. ‘Toen heeft hij me succes met de talkshow gewenst.’
‘Hoe wist je dat ze vanavond op tv zou zijn?’ vroeg Benton.
‘Omdat ik de aankondigingen en de reclames daarvoor had gezien. Zoals die daar.’ Ross wees naar het dak van een gebouw aan de andere kant van Columbus Circle, waar de hoofdpunten uit het nieuws van CNN op een scrollend bord straten ver konden worden gelezen. ‘Uw naam staat zelfs in die lichtreclame.’
Onder de neonrode luifel van CNN op het dak van de wolkenkrabber scrolde een uitspraak die Scarpetta onofficieel in de studio had gedaan:
… VERBAND GELEGD TUSSEN HANNAH STARR EN EEN VERMOORDE JOGGER. ZE NOEMDE DE MANIER VAN PROFILEN BIJ DE FBI ‘VEROUDERD’ EN NIET GEBASEERD OP GELOOFWAARDIGE GEGEVENS. IN THE CRISPIN REPORT LEGDE PATHOLOOG-ANATOOM DR. KAY SCARPETTA VANAVOND EEN VERBAND TUSSEN HANNAH STARR EN EEN VERMOORDE JOGGER. ZE NOEMDE DE MANIER VAN…