21
De dekharen waren lang en grof, met vier witte en zwarte banen op de puntig toelopende schacht.
‘Je kunt een DNA-test laten doen als je het ras wilt weten,’ zei Geffner door de luidspreker van de telefoon. ‘Ik weet een lab in Pennsylvania, Mitotyping Technologies, dat gespecialiseerd is in het bepalen van dierenrassen. Maar ik kan je wel alvast vertellen dat dit haren zijn van een wolf. Een Great Plains wolf, dat is een ondersoort van de grijze wolf.’
‘Dus het is geen hondenhaar, dat weet je zeker. Ik vind het eruitzien als het haar van een Duitse herder,’ zei Scarpetta. Ze zat voor een computerscherm met daarop de beelden die Geffner naar haar toe had gestuurd.
Aan de andere kant van het lab waren Lucy en Marino nog steeds bezig met de MacBooks. Vanaf haar plaats kon Scarpetta zien dat de gegevens zich razendsnel samenvoegden tot grafieken en kaarten.
‘Duitse herders hebben geen gestreepte dekharen,’ zei Geffner.
‘En die dunnere grijze haren dan?’ vroeg Scarpetta.
‘Die zitten tussen de dekharen in, ze zijn van de vacht eronder. De voodoopop die op de voorkant van de kaart was geplakt, was gevuld met zowel dek- als onderhaar en allerlei rotzooi erdoorheen, misschien een beetje poep en dode bladeren en zo. Wat betekent dat het haar niet is gereinigd, waarschijnlijk afkomstig is uit hun natuurlijke omgeving, misschien uit een hol. Ik heb natuurlijk nog niet alle haren kunnen onderzoeken, maar ik vermoed dat het allemaal wolvenhaar is. Dekhaar en haar uit de vacht eronder.’
‘Hoe komt iemand daaraan?’
‘Ik ben gaan zoeken en heb een paar mogelijkheden gevonden,’ zei Geffner. ‘Wildreservaten, wolvenopvang, dierentuinen. En ze verkopen wolvenhaar in een bekende heksenwinkel in Salem, Massachusetts. The Hex.’
‘In Essex Street, in het oude deel van de stad,’ zei Scarpetta. ‘Ik ben er wel eens geweest. Ze verkopen er allerlei geurige oliën en kaarsen. Maar geen zwarte magie of spullen met duivelse bedoelingen.’
‘Dingen hoeven niet duivels te zijn om met duivelse bedoelingen te worden gebruikt, denk ik,’ zei Geffner. ‘In The Hex verkopen ze amuletten, toverdrankjes en wolvenhaar in een goudkleurig zijden zakje. Dat beschermt je en heeft een genezende werking, zeggen ze. Ik betwijfel of dat haar is gereinigd, dus kan het best zijn dat het haar in die pop uit zo’n soort winkel kwam.’
Vanaf de andere kant van het vertrek zat Lucy naar Scarpetta te kijken alsof ze iets had gevonden wat Scarpetta volgens haar moest zien.
Geffner legde uit: ‘Wolven hebben twee lagen haar. Onderhaar, dat zachter is en isoleert, als vulling. En dekhaar, de buitenste laag, grof haar waar het water van afglijdt en dat net zo’n pigmentatie heeft als op de foto’s die ik je net heb gestuurd. Het verschil tussen de rassen is de kleur van de vacht. De Great Plains wolf hoort hier niet thuis en komt vooral in de Midwest voor. Het gebeurt niet vaak dat er bij een misdrijf wolvenhaar is gebruikt, niet hier in New York.’
‘Ik heb het nooit eerder gezien,’ zei Scarpetta. ‘Waar dan ook.’
Lucy en Marino stonden in hun laboratoriumkleding geagiteerd met elkaar te praten. Scarpetta kon niet horen wat ze zeiden, maar er moest iets aan de hand zijn.
‘Ik heb het wél eens eerder gezien,’ vervolgde Geffner met zijn prettige tenorstem. Hij wond zich niet gauw op, hij deed al jaren niets anders dan met zijn microscoop criminelen opsporen. ‘De troep die mensen in huis hebben… Heb je wel eens een stofvlok bekeken onder de microscoop? Dat is nog interessanter dan astronomie, een universum van informatie over wie en wat er een huis binnenkomt en verlaat. Allerlei soorten haar en zo.’
Marino en Lucy keken naar de tabellen die over de schermen van beide MacBooks scrolden.
‘Shit,’ zei Marino luidkeels, en zijn veiligheidsbril keek Scarpetta’s kant op. ‘Doc? Dit moet je zien.’
Geffners stem vervolgde: ‘Er zijn mensen die wolven fokken, maar dat zijn meestal kruisingen van wolven en honden. Zuiver, ongewassen wolvenhaar in een voodoopop of marionet heeft waarschijnlijk te maken met de rituele bedoeling, in dit geval van de bom. Alles wat ik heb gevonden wijst erop dat dit iets met zwarte magie te maken heeft, al is de symboliek niet helder en tegenstrijdig. Wolven zijn niet slecht. Dat pakje was dat wel. De bom, het vuurwerk dat jou of iemand anders zou hebben verwond of misschien zelfs verminkt.’
‘Ik weet niet wat je nog meer hebt gevonden.’ Scarpetta wees hem erop dat ze alleen nog maar wist dat er wat Marino had aangezien voor hondenhaar, maar wat wolvenhaar bleek te zijn, in de restanten van een bom had gezeten.
Aan de andere kant van het lab scrolden allerlei kaarten over het scherm van een van de MacBooks. Een plattegrond, foto’s, elevatiekaarten, topografische kaarten.
‘Voorlopig is dit het enige wat ik je kan vertellen,’ ging Geffner verder. ‘En de stank. Het ruikt naar teer en stront, excusez le mot. Heb je wel eens van asafoetida gehoord?’
‘Ik kook nooit Indiaas eten, maar ik weet wel wat het is. Een kruid dat bekend staat om zijn walgelijke geur.’
Marino kwam knisperend naar Scarpetta toe en zei: ‘Ze droeg het dag en nacht.’
‘Wat?’ zei Scarpetta.
‘Dat horloge en een sensor.’ Het deel van zijn gezicht tussen het mondkapje en de bolle muts was rood en bezweet.
‘Neem me niet kwalijk,’ zei ze tegen Geffner. ‘Sorry, maar ik doe tien dingen tegelijk. Wat zei je over de duivel?’
‘Om een bepaalde reden wordt het ook duivelsmest genoemd,’ herhaalde Geffner. ‘En misschien wil je ook weten dat wolven worden aangetrokken door de geur van asafoetida.’
Het geluid van in papier gehulde voeten. Lucy liep over de witte tegelvloer naar een werkstation, controleerde een aantal verbindingen en trok de stekker van een groot, plat beeldscherm uit de terminal. Ze liep naar een ander werkstation en trok ook de stekker van dat beeldscherm eruit.
‘Iemand heeft moeite gedaan om asafoetida te malen en dat met iets wat op asfalt lijkt te mengen met een heldere olie zoals raapolie of lijnzaadolie.’
Lucy bracht de beeldschermen naar de plek waar Scarpetta zat, zette ze op het bureau en stak de stekkers weer in een terminal. De schermen lichtten op, beelden doemden op en werden scherp. Lucy liep ritselend terug naar haar MacBooks en Marino, en zette haar gesprek met hem voort. Scarpetta ving de woorden verdomd langzaam en verkeerde volgorde op. Lucy ergerde zich.
‘Ik ga ook nog gaschromatografie doen, massaspectografie. FTIR. Maar tot nu toe heb ik onder de microscoop…’ zei Geffner.
Grafieken en kaarten en allerlei andere beelden. Vitale gegevens en datums en tijden. Beweeglijkheid en blootstelling aan omgevingslicht. Scarpetta keek naar de data van het BioGraph-apparaat en vervolgens naar het bestand dat ze net had geopend op het scherm dat voor haar stond. Microscopische beelden van krullende zilverachtige linten met roestige stippels erop en iets wat op verbrijzelde kogels leek.
‘Dat is ijzervijlsel’ – de stem van Geffner – ‘dat visueel en met behulp van een magneet meteen herkenbaar was, vermengd met dofgrijze deeltjes, ook zwaar. In een reageerbuisje met water zonken ze naar de bodem. Misschien is het lood.’
Toni Dariens vitale gegevens, plaatsen, het weer, datums en tijden, elke vijftien seconden. Afgelopen dinsdag, 16 december, was de temperatuur om twaalf minuten over twee 21 graden Celsius en had het omgevingslicht een sterkte van 500 lux, wat binnenshuis normaal was. Het zuurstofgehalte in haar bloed was 99 procent, haar hartslag was 64, haar snelheid was vijf stappen en ze bevond zich in haar appartement aan Second Avenue. Ze was thuis en wakker en ze liep rond. Als zij degene was die het BioGraph-apparaat droeg. Daar zou Scarpetta van uitgaan.
Geffner zei: ‘Ik zal het controleren met röntgenfluorescentiespectroscopie. Het zijn in elk geval kwartsfragmenten, als je aanneemt dat het gemalen asfalt is. Ik heb een paar van die donkerbruine en zwarte kleverige, half vaste, half vloeibare korrels met een hete wolframnaald aangeraakt om te zien of ze zouden smelten en dat deden ze. En ze ruiken naar asfalt en petroleum.’
Wat Scarpetta had geroken toen ze de FedEx-doos mee naar boven had genomen. Asafoetida en asfalt. Ze keek naar de grafieken en kaarten die langzaam over het scherm scrolden. Ze volgde de reis van Toni Darien terwijl ze onderweg was naar haar dood. Op 16 december om kwart over twee ging ze sneller lopen en daalde de temperatuur naar 4 graden Celsius. De vochtigheidsgraad was 85 procent, het omgevingslicht 800 lux, er waaide een noordoostenwind. Ze was buiten en het was koud en bewolkt, het zuurstofpercentage in haar bloed was 99 procent en haar hartslag versnelde: 65, 67, 70, 85, en nog sneller naarmate de tijd verliep en ze in westelijke richting door East 86th Street liep met een snelheid van drieëndertig stappen per vijftien seconden. Toni was aan het hardlopen.
Geffner vervolgde: ‘Ik zie ook iets wat lijkt op gemalen peperkorrels, de fysieke eigenschappen en morfologie zijn typerend voor zwarte, witte en rode peper. Ik zal het met een GC-MS-analyse bevestigen. Asafoetida, ijzer, lood, peper, asfalt. De componenten van een mengsel waarmee een vloek wordt uitgesproken.’
‘Of wat Marino een stinkbom noemt,’ zei Scarpetta tegen Geffner. Ze volgde Toni Darien toen die door East 86th Street rende. Ze sloeg in zuidelijke richting Park Avenue in, het zuurstofpercentage in haar bloed was 99 procent, haar hartslag was 123 slagen per minuut.
‘Rituele zwarte magie, maar ik kan niets vinden wat wijst op een specifieke sekte of religie,’ zei Geffner. ‘Niet Palo Mayombe of Santeria, ik heb niets gezien wat me doet denken aan hun rituelen en tovenarij. Maar ik weet wel dat dit mengsel niet was bedoeld om je geluk te brengen, en dat brengt me terug bij de tegenstrijdigheid. Wolven zijn een goed teken, ze brengen vrede en harmonie, ze hebben genezende krachten en brengen geluk bij de jacht.’
Om vier minuten en dertig seconden over drie liep Toni langs 63rd Street, nog steeds in zuidelijke richting door Park Avenue. De sterkte van het omgevingslicht was minder dan 700 lux, de vochtigheidsgraad was 100 procent. De lucht was inmiddels betrokken en het was gaan regenen. Het zuurstofgehalte in haar bloed was hetzelfde gebleven, haar hartslag was gestegen naar 140. Grace Darien had gezegd dat Toni niet graag hardliep in slecht weer, maar op dat moment liep ze in kou en regen. Waarom? Scarpetta bleef de data volgen terwijl Geffner doorpraatte.
‘Het enige verband met tovenarij dat ik kan vinden, is het woord van de Navajo’s voor wolf: mai-coh. Dat betekent “heks”. Iemand die zichzelf in iets of iemand kan veranderen door een wolvenvacht aan te trekken. Volgens de legende zijn heksen en weerwolven in staat om van vorm te veranderen om zich onopgemerkt te kunnen verplaatsen. En de Pawnees gebruikten wolvenvachten en haren om hun schatten te beschermen, en voor verschillende magische rituelen. Ik zoek al die dingen op terwijl we hiermee bezig zijn, hoor, want je moet niet denken dat ik op het gebied van heksen, toverspreuken en folklore een expert ben.’
‘De grote vraag is of dit dezelfde afzender is als die van de kerstkaart.’ Scarpetta dacht aan Bentons ex-patiënt Dodie Hodge en keek tegelijkertijd naar de data op het grote scherm.
Het zuurstofpercentage was hetzelfde, maar Toni’s hartslag vertraagde. Ze moest op de hoek van Park en East 58th zijn blijven staan. Hartslag 132, 131, 130 en dalende. Ze liep door Park Avenue in de regen naar het zuiden. Het was inmiddels elf minuten over drie.
Geffner zei: ‘Volgens mij moeten we ons afvragen wat de persoon die je stinkbom in elkaar heeft gezet met de moord op Toni Darien te maken heeft.’
‘Wil je dat nog een keer zeggen?’ vroeg Scarpetta, en ze keek naar het gps-beeld dat het horlogeachtige BioGraph-apparaat van Toni Darien afgelopen dinsdagmiddag om veertien minuten over drie had opgenomen. Een rode pijl op een topografische kaart, die wees naar een adres in Park Avenue. Naar het huis van Hannah Starr.
‘Wat zei je over Toni Darien?’ vroeg Scarpetta nogmaals, met haar ogen gericht op de volgende gps-beelden terwijl ze dacht dat ze het misschien verkeerd had gezien. Maar dat had ze niet.
Toni Darien was naar het huis van de Starrs gegaan. Daarom had ze door de regen gelopen. Ze had daar een afspraak.
‘Nog meer wolvenharen,’ zei Geffner. ‘Stukjes dekhaar.’
Zuurstofpercentage 99 procent. Hartslag 83, en dalende. Beeld na beeld terwijl er minuten voorbijgingen en Toni’s hartslag vertraagde tot normaal. Het geluid van schoenhoezen op de tegels. Marino en Lucy kwamen naar Scarpetta toe.
‘Zie je waar ze staat?’ Door haar veiligheidsbril keek Lucy Scarpetta indringend aan, om er zeker van te zijn dat Scarpetta begreep wat de beelden betekenden.
‘Maar ik ben nog lang niet klaar met de spullen die je in verband met de zaak-Darien naar me toe hebt gestuurd,’ klonk de stem van Geffner door het vertrek. ‘De monsters die we gisteren hebben ontvangen, bevatten ook stukjes wolvenhaar, dekharen, heel kleine deeltjes die hetzelfde zijn als wat ik zojuist heb gezien toen ik de haren uit de voodoopop bekeek. Wit, zwart, grof. Misschien heb ik niet meteen gezien dat het wolvenhaar was omdat het zulke kleine stukjes zijn, maar het is wel bij me opgekomen. Wolven- of hondenhaar. Maar nu ik ook dat haar uit je bom heb bekeken, weet ik het zo goed als zeker. Ik durf er zelfs om te wedden.’
Marino fronste zijn wenkbrauwen en zei opgewonden: ‘Je zegt dat het geen hondenhaar is, maar wolvenhaar? In beide gevallen? In de zaak-Toni Darien en die van de bom?’
‘Marino? Ben jij dat?’ vroeg Geffner verbaasd.
‘Ja, ik ben het. Ik ben hier bij de Doc in het lab. Maar waar heb je het verdomme over? Weet je zeker dat je geen dingen door elkaar hebt gehaald?’
‘Die vraag zal ik negeren. Dat DNA-lab waarover ik u heb verteld, dokter Scarpetta?’
‘Ik ben het met je eens,’ antwoordde ze. ‘We moeten laten uitzoeken welke wolvensoort het is. Of het haren van dezelfde wolven zijn, in beide gevallen van Great Plains wolven.’
Ze luisterde naar wat Geffner nog meer te vertellen had en bleef naar de data kijken. De temperatuur was 3 graden Celsius, de vochtigheidsgraad was 99 procent, Toni’s hartslag was 77. Twee minuten en vijftien seconden later, om zeventien minuten over drie, was de temperatuur 20 graden en de vochtigheidsgraad 30 procent. Toni Darien was het huis van Hannah Starr binnengegaan.
Rechercheur Bonnell parkeerde voor het grote kalkstenen huis dat Berger deed denken aan Newport, Rhode Island, aan monumentale panden uit de tijd dat er in Amerika fortuinen werden verdiend met steenkool, katoen, zilver en staal – tastbare handelsartikelen waaraan tegenwoordig steeds minder behoefte was.
‘Ik snap er geen bal van.’ Bonnell staarde naar de kalkstenen voorgevel van het huis dat bijna een heel blok in beslag nam, slechts een paar minuten lopen van Central Park South. ‘Tachtig miljoen dollar? Wie heeft er zoveel geld?’ De uitdrukking op haar gezicht was een mengeling van ontzag en walging.
‘Bobby niet meer,’ zei Berger. ‘Tenminste niet voor zover we weten. Ik denk dat hij het zal moeten verkopen, en alleen een sjeik uit Dubai heeft genoeg geld om het te kopen.’
‘Misschien komt Hannah toch nog weer terug.’
‘Hannah en het familiefortuin zijn voorgoed verdwenen. Hoe dan ook,’ zei Berger.
‘Jezus.’ Bonnell keek weer naar het huis en toen naar de auto’s en voetgangers die passeerden. Ze keek overal naar, behalve naar Berger. ‘Het geeft me het gevoel dat wij op een heel andere planeet leven dan sommige andere mensen. Als je dit vergelijkt met mijn appartement in Queens… Ik zou niet weten hoe het is als je ergens woont waar je niet dag en nacht idioten hoort schreeuwen en auto’s hoort toeteren en sirenes hoort loeien. Onlangs liep er een rat door mijn badkamer en verdween ergens achter de wc. Elke keer als ik naar de badkamer ga, moet ik aan die rat denken, dat begrijp je zeker wel. Ik hoop dat het niet waar is dat ze vanuit het riool naar boven kunnen kruipen.’
Berger maakte haar gordel los en probeerde opnieuw Marino te bellen op haar BlackBerry. Maar hij nam niet op en Lucy ook niet. Als ze nog in het DNA-gebouw waren, hadden ze daar geen signaal of was het verboden hun telefoon mee naar het lab te nemen waar ze op dit moment aan het werk waren. De afdeling Forensische biologische wetenschappen van de Gerechtelijke Geneeskundige Dienst van New York was waarschijnlijk het grootste en modernste ter wereld. Marino en Lucy konden overal zijn, en Berger had geen zin om de centrale te bellen en hen te laten omroepen.
Ze liet een boodschap achter: ‘Ik ben op weg naar het interview in Park Avenue, dus kan ik misschien niet opnemen als je terugbelt. Ik wil graag weten wat jullie in het lab hebben ontdekt.’
Haar stem klonk koel en afstandelijk. Ze was boos op Marino en ze wist niet wat ze op dit moment voor Lucy voelde. Woede, verdriet, liefde, haat… En iets wat op sterven leek. Voor zover ze zich iets van sterven kon voorstellen. Ze dacht dat het misschien net zoiets was als van een bergwand glijden, je blijven vastklampen tot het niet langer ging en je omlaag tuimelde terwijl je je afvroeg wie je de schuld moest geven. Berger gaf Lucy de schuld en ook zichzelf. Ontkenning, de andere kant op kijken, misschien hetzelfde als wat Bobby deed door Hannah elke dag een e-mail te sturen.
Berger wist al drie weken van het bestaan van de foto’s die in 1996 waren genomen in het huis dat zij en Bonnell zo meteen zouden binnengaan. Al die tijd had ze net gedaan alsof er niets was gebeurd, was ze in haar werk gedoken en hard weggelopen voor wat ze niet aankon. Als er iemand was die bekend was met liegen en wat daaruit voortvloeide, was het Berger wel. Ze praatte elke dag met mensen die overal omheen draaiden en de waarheid niet onder ogen wilden zien, maar dat had geen verschil gemaakt. Dat je wel beter weet, maakt geen verschil als je weet dat je verdriet zult krijgen, dat je alles zult verliezen, en tot vanmorgen was Berger heel hard weggelopen. Tot Bonnell haar in het FBI-kantoor had gevonden om haar de informatie door te geven die de openbaar aanklager volgens haar hoorde te krijgen.
‘Ik wil nog iets zeggen voordat we naar binnen gaan,’ zei Berger tegen Bonnell. ‘Ik ben geen zwakkeling en ik ben geen lafaard. Maar het zien van een paar foto’s die twaalf jaar geleden zijn genomen is iets heel anders dan wat jij me vandaag hebt verteld. Ik vermoedde al dat Lucy Rupe Starr kende toen ze nog studeerde, maar ik had er geen flauw idee van dat ze zes maanden geleden nog een zakelijke relatie had met Hannah. Het is een ander verhaal geworden en daar gaan we nu van uit. Ik wilde je dit vertellen omdat je me niet kent, en het is geen goed begin.’
‘Het was niet mijn bedoeling om buiten mijn boekje te gaan.’ Dat had Bonnell al een paar keer gezegd. ‘Maar wat Lucy in de hotelkamer van Warner Agee in zijn computer heeft gevonden, heeft nu ook met mijn zaak te maken, omdat hij zich heeft voorgedaan als Harvey Fahley, mijn getuige. We weten nog niet hoe ver dit zal gaan, waar al die mensen bij betrokken zijn. Vooral nu de maffia er vermoedelijk achter zit, en die Fransman met die aangeboren afwijking.’
‘Je hoeft je niet steeds te verontschuldigen.’
‘Het was niet uit nieuwsgierigheid, ik heb geen misbruik gemaakt van mijn voorrechten of mijn positie als politieagent. Ik zou het niet aan het RTCC hebben gevraagd als ik geen rechtmatige reden had gehad om aan Lucy’s geloofwaardigheid te twijfelen. Ik moest haar vertrouwen en ik had dingen gehoord. Ze heeft vroeger een paramilitaire functie gehad, hè? En ze is ontslagen bij de FBI of de ATF. Dat ze jou hielp in de zaak-Hannah Starr had niets met mij te maken, maar nu ligt het anders. Ik heb de leiding van het onderzoek in de zaak-Toni Darien.’
‘Ik begrijp het heel goed.’ Dat deed Berger ook.
‘Dat wil ik alleen maar zeker weten,’ zei Bonnell. ‘Jij bent de openbare aanklager en het hoofd van de afdeling Zedendelicten. Ik zit pas een jaar bij Moordzaken en we hebben nog niet eerder samengewerkt. Wat mij betreft, is dit ook geen goed begin. Maar ik ga niet klakkeloos een getuige geloven omdat jij haar toevallig kent, een vriendin van je. Lucy is mijn getuige, dus moest ik een paar dingen uitzoeken.’
‘Ze is geen vriendin van me.’
‘Ze zal in de getuigenbank moeten plaatsnemen als de zaak-Toni Darien voor de rechter komt, of die van Hannah.’
‘Ze is niet zomaar een vriendin. Je weet net zo goed als ik wat ze dan wél is,’ zei Berger, en ze trilde inwendig van emotie. ‘Ik weet zeker dat ik in het RTCC ook met naam en toenaam op die verdomde datamuur heb gestaan. Ze is meer dan een vriendin. Ik weet dat je niet naïef bent.’
‘Uit respect hebben ze daar Lucy’s gegevens niet op de muur gezet. Of wat dan ook over jou. We hebben alles op een werkstation bekeken en daar alles gevonden. Ik wil me niet met je privéleven bemoeien. Wat mensen in hun privéleven doen, gaat me niets aan, tenzij het onwettig is. Ik had de dingen die het RTCC over Bay Bridge Finance heeft gevonden niet verwacht, maar ze brengen Lucy in verband met Hannah. Wat niet wil zeggen dat Lucy iets met fraude te maken heeft.’
‘Dat zullen we uitzoeken,’ zei Berger.
‘Als hij bereid is om het ons te vertellen of als hij het überhaupt weet.’ Bonnell bedoelde Bobby. ‘Want hij zou het best niet kunnen weten, net als Lucy. Sommige mensen met zoveel geld verdiepen zich nooit in de details, dat laten ze over aan degenen die het voor ze beheren en investeren en zo. Net als de slachtoffers van Bernie Madoff. Die waren ook niet op de hoogte en hadden niets verkeerd gedaan.’
‘Lucy is niet het type om zoiets niet te weten,’ zei Berger, en ze wist ook dat Lucy niet het type was om zich erbij neer te leggen.
Bay Bridge Finance was een effectenmakelaardij die was gespecialiseerd in spreiding van investeringen in bijvoorbeeld hout, mijnen, petroleumwinning en onroerend goed – wat het laatste betrof ook in peperdure appartementen aan het water in het zuiden van Florida. Gebaseerd op wat Berger wist van de veelomvattende fraude die was gepleegd door de Ponzi-clan en die nog niet zo lang geleden aan het licht was gekomen, vermoedde ze dat Lucy een enorm verlies had geleden. Ze wilde zo veel mogelijk te weten komen van Bobby Fuller, niet alleen over Hannahs financiën, maar ook over haar affaire met Hap Judd, een man met zorgwekkende en wellicht gevaarlijke liefhebberijen. Het was tijd om Bobby over Hap en een paar andere zaken aan de tand te voelen, om hem een aantal dingen voor te leggen in de hoop dat hij die kon ophelderen, en hij leek bereid hen te woord te staan. Toen Berger hem nog geen uur geleden op zijn mobieltje had gebeld, had hij gezegd dat hij wel met haar en Bonnell wilde praten, maar niet in het openbaar. Net als de vorige keer moesten ze naar zijn huis komen.
‘Laten we gaan,’ zei Berger tegen Bonnell, en ze stapten uit de auto.
Het was koud, het waaide hard en donkere wolken joegen door de lucht ten teken dat er een front naderde, waarschijnlijk een hogedrukgebied. Morgen zou de lucht helder zijn, wat Lucy ‘fel helder’ noemde, en zou het bitter koud zijn. Ze liepen over het pad naar de voordeur en boven de indrukwekkende ingang hing een groen met witte vlag met het wapen van de Starrs erop: een klimmende leeuw, een helm en het motto Vivre en espoir – leven in hoop. Ironisch, vond Berger. Het laatste wat ze op dit moment voelde, was hoop.
Ze drukte op de knop van de intercom met daarop STARR en PRIVE. Ze stopte haar handen diep in de zakken van haar jas terwijl ze naast Bonnell in de wind stond te wachten, onder de luid klapperende vlag, en zich ervan bewust was dat er waarschijnlijk een bewakingscamera op hen was gericht en dat ze werden afgeluisterd. Een slot werd met een harde klik geopend, de met houtsnijwerk versierde mahoniehouten voordeur ging open en achter een smeedijzeren hek stond een huishoudster in een zwart met wit uniform.
Nastya, vermoedde Berger. De vrouw liet hen binnen zonder eerst door de intercom te hebben gevraagd wie ze waren, omdat ze dat al wist, omdat ze hen al op het beeldscherm had gezien en ze werden verwacht. Op het nieuws was nadrukkelijk vermeld dat ze legaal in het land was, er waren meerdere foto’s van haar in omloop en het gerucht ging dat ze meer voor Bobby deed dan zijn eten koken en zijn bed opmaken. De huishoudster, die door de media ‘Nasty’ werd genoemd, was halverwege de dertig. Ze had vooruitstekende jukbeenderen, een geelbruine huid en prachtige blauwe ogen.
‘Kom binnen, alstublieft.’ Ze deed een stap opzij.
De hal had een vloer van travertijntegels, boogvormige openingen leidden naar andere delen van het huis en aan het vijf meter hoge plafond met verzonken panelen hing een antieke kroonluchter van amethist en rookkwarts. Aan de ene kant liep een ronde trap met een krullerige smeedijzeren leuning naar boven, en Nastya vroeg of ze haar wilden volgen naar de bibliotheek. Berger herinnerde zich dat die op de tweede verdieping lag, aan de achterkant, een enorme binnenkamer waar Rupe Starr zijn hele leven boeken had verzameld voor een antiquarische collectie die in een universiteit of paleis niet zou misstaan.
‘Meneer Fuller is erg laat naar bed gegaan en moest vanmorgen alweer heel vroeg op. We vinden het vreselijk wat we op het nieuws hebben gehoord.’ Nastya bleef even stilstaan op de trap en keek om naar Berger. ‘Is het waar?’ Haar voeten klakten op de stenen treden terwijl ze doorliep en over haar schouder verder praatte. ‘Ik was altijd al een beetje bang als ik een taxi nam. Je stapt op goed geluk in en je rijdt weg met een onbekende die je overal naartoe zou kunnen brengen. Wilt u iets drinken? Koffie, thee, een glas water of iets sterkers? U mag in de bibliotheek best iets drinken, als u maar zorgt dat de vloeistof niet in aanraking komt met de boeken.’
‘Nee, dank je,’ zei Berger.
Op de tweede verdieping liepen ze door een lange gang met een antieke zijden loper in donkerrode en roze tinten langs een reeks gesloten deuren. In de bibliotheek rook het muffer dan Berger zich herinnerde van drie weken geleden. Er hingen elektrische zilveren kroonluchters, het licht was gedempt en het was er koud en onbehaaglijk, alsof er sinds Thanksgiving niemand meer was geweest. De in Florentijns leer gebonden fotoalbums lagen nog steeds op de tafel, voor de met borduurwerk beklede stoel waarop Berger had gezeten toen ze de foto’s van Lucy had gevonden. Op een kleinere tafel met een griffioen als poot stond het lege kristallen glas dat Bobby daar had neergezet nadat hij een behoorlijke hoeveelheid cognac had gedronken om te kalmeren. De pendule op de schoorsteenmantel stond stil.
‘Leg me nog eens precies uit waar je hier woont,’ zei Berger tegen Nastya toen ze naast Bonnell op de leren bank was gaan zitten. ‘Op welke verdieping liggen jouw kamers?’
‘Op de derde verdieping, aan de achterkant,’ antwoordde Nastya, en ze liet haar blik glijden over dezelfde dingen die Berger waren opgevallen. De stilstaande klok en het vuile glas. ‘Ik ben hier pas vandaag teruggekomen. Meneer Fuller was er niet en…’
‘Hij was in Florida,’ zei Berger.
‘Hij zei dat u zou komen en toen ben ik hier vlug naartoe gegaan. Ik logeerde in een hotel. Hij was zo vriendelijk me onder te brengen in een hotel hier in de buurt, zodat ik hierheen kon komen wanneer hij me nodig had, maar ik hier niet alleen hoefde te slapen. U begrijpt vast wel waarom ik dat nu niet prettig zou vinden.’
‘Welk hotel?’ vroeg Bonnell.
‘Het Hotel Elysée. Daar brengt de familie al jarenlang gasten en zakenrelaties onder die ze liever niet bij hen thuis laten logeren. Het is maar een paar minuten lopen. U begrijpt vast wel waarom ik liever niet alleen in dit huis ben. Het is een akelige tijd. Wat er met Hannah is gebeurd en de media, die busjes met cameramensen… Je weet nooit wanneer ze weer voor de deur staan, en die vrouw die dat gisteravond op CNN allemaal heeft gezegd, heeft het nog erger gemaakt. Elke avond heeft ze het erover en ze blijft maar zeuren of meneer Fuller met haar wil praten. Sommige mensen hebben nergens respect voor. Meneer Fuller had me vrij gegeven, omdat het geen zin had dat ik hier alleen in huis zat.’
‘Carley Crispin,’ zei Berger. ‘Valt zij meneer Fuller steeds lastig?’
‘Ik kan haar niet uitstaan, maar ik kijk omdat ik op de hoogte wil blijven. Al weet ik niet wat ik moet geloven of niet,’ zei Nastya. ‘Wat ze gisteravond zei, was afschuwelijk. Ik schrok er zo van dat ik moest huilen.’
‘Hoe kan ze meneer Fuller dan bereiken?’ vroeg Bonnell. ‘Ik kan me niet voorstellen dat iedereen hem zomaar kan bellen.’
‘Ik kan u alleen vertellen dat ze hier al eens was geweest.’ Nastya trok een leunstoel dichterbij en ging ook zitten. ‘Op een of twee feestjes, vroeger, toen ze nog in het Witte Huis werkte. Hoe noem je dat ook alweer? Persvoorlichter. Toen was ik hier nog niet, het was voor mijn tijd, maar u hebt vast wel van de beroemde diners en feesten van meneer Starr gehoord. Daarom zijn er zoveel fotoalbums.’ Ze wees naar de stapel albums op de grote tafel. ‘Op de planken staan er nog veel meer. Foto’s van dertig jaar. Die hebt u vast nog niet allemaal gezien.’ Ze was er niet geweest toen Berger en Marino een bezoek aan Bobby Fuller hadden gebracht. Bobby was toen alleen thuis en Berger had maar een paar albums doorgebladerd, tot ze de foto’s uit 1996 had gevonden.
‘Niet dat het zo vreemd was dat Carley Crispin hier een paar keer had gegeten,’ vervolgde Nastya trots. ‘Ik denk dat van alle beroemde mensen ter wereld de helft wel een keer in dit huis is geweest. Hannah kende haar natuurlijk, in elk geval heeft ze haar ontmoet. Ik vind het vreselijk dat het hier nu zo stil is. Sinds meneer Starr is overleden… Nou ja, die tijd is voorbij. We hadden toen zoveel feestjes, er gebeurden zoveel spannende dingen, er kwamen hier zoveel mensen… Meneer Fuller is meer op zichzelf en meestal is hij weg.’
De huishoudster scheen zich in de bibliotheek die ze in geen drie weken had opgeruimd of schoongemaakt volkomen op haar gemak te voelen. Als ze geen uniform had gedragen, had ze de vrouw des huizes kunnen zijn. Het viel Berger op dat ze Hannah Starr bij haar voornaam noemde en over haar praatte in de verleden tijd. Maar Bobby was meneer Fuller, en hij was laat. Het was al twintig over vier en hij had zich nog niet laten zien. Berger vroeg zich af of hij niet thuis was, of hij had besloten toch niet met hen te praten. Het was heel stil in huis, zelfs het verkeerslawaai drong niet door de kalkstenen muren heen en de bibliotheek had geen ramen. Het was net een mausoleum of een onderaardse kerker, misschien om de zeldzame boeken, kunstwerken en antiquiteiten te beschermen tegen zonlicht en vocht.
‘Het is afschuwelijk zoals ze over Hannah praat,’ ging Nastya verder. Ze had het nog steeds over Carley Crispin. ‘Elke avond opnieuw. Hoe kun je dat doen als het iemand is die je kent?’
‘Weet je misschien wanneer Carley hier voor het laatst was?’ vroeg Berger. Ze pakte haar telefoon.
‘Nee, dat weet ik niet.’
‘Je zei dat ze meneer Fuller lastigvalt.’ Bonnell kwam erop terug. ‘Dus ze kent hem. Komt dat door Hannah?’
‘Ik weet alleen dat ze hem hier heeft gebeld.’
‘Hoe is ze aan dit telefoonnummer gekomen?’ vroeg Bonnell.
Berger wilde Bobby bellen op zijn mobieltje, maar ze kreeg geen signaal.
‘Dat weet ik niet, ik neem de telefoon niet meer op. Ik ben bang dat het dan weer een verslaggever is. Maar tegenwoordig kun je alles opzoeken. Je hebt geen idee meer hoe iemand aan je telefoonnummer komt.’ Nastya’s blik dwaalde af naar een enorm schilderij van klipperschepen, het zou een Montague Dawson kunnen zijn, aan een met mahoniehouten panelen betimmerde muur tussen twee boekenkasten die tot aan het plafond reikten.
‘Waarom heeft Hannah toen een taxi genomen?’ vroeg Bonnell. ‘Hoe ging ze meestal ergens naartoe, uit eten of zo?’
‘Ze reed zelf.’ Nastya keek strak naar het schilderij. ‘Maar als ze ergens iets ging drinken, reed ze niet zelf. Dan reed ze soms met een cliënt of een vriend mee of nam ze een auto met chauffeur. Maar ja, je woont in New York en wie je ook bent, je neemt ook wel eens een taxi. Soms deed zij dat ook, als het niet anders kon. Ze hebben een heleboel auto’s, maar de meeste zijn heel oud en worden niet gebruikt. U hebt de verzameling auto’s van meneer Starr misschien wel gezien. Misschien heeft meneer Fuller u die laten zien.’
Berger had die niet gezien en ze gaf geen antwoord.
‘In de garage onder het huis,’ voegde Nastya eraan toe.
Toen Bobby Fuller Berger en Marino het huis had laten zien, waren ze niet naar de garage gegaan. Een verzameling antieke auto’s was op dat moment niet belangrijk.
‘Soms wordt er een geblokkeerd,’ zei Nastya.
‘Geblokkeerd?’ herhaalde Berger.
‘De Bentley, omdat meneer Fuller daar dingen heeft verzet.’ Nastya’s aandacht ging terug naar het zeegezicht. ‘Hij is erg trots op zijn auto’s en besteedt er veel tijd aan.’
‘Dus Hannah kon niet met haar Bentley naar dat restaurant omdat die geblokkeerd was,’ zei Berger.
‘En het was slecht weer. Al die auto’s, en de meeste mogen niet naar buiten. De Duesenberg. Bugati. Ferrai.’ Ze sprak de namen verkeerd uit.
‘Misschien vergis ik me,’ zei Berger, ‘maar ik dacht dat Bobby die avond niet thuis was.’