18
De laptop van Warner Agee, een Dell van een paar jaar oud, was verbonden met een kleine printer. De stekkers van beide apparaten zaten in een stopcontact in de muur. De snoeren lagen op de grond en overal lagen uitgeprinte vellen papier, waardoor Scarpetta moest uitkijken waar ze liep.
Ze vermoedde dat Agee in de hotelkamer die Carley voor hem had geboekt aan een stuk door had gewerkt. Hij was ergens mee bezig geweest vlak voordat hij zijn gehoorapparaten had uitgedaan, zijn bril had afgezet, zijn sleutelkaart op de wastafel had gelegd, via de trap het hotel had verlaten en waarschijnlijk een taxi had genomen om zijn dood tegemoet te gaan. Ze vroeg zich af wat hij de laatste momenten van zijn leven nog had kunnen horen. Waarschijnlijk niet de mannen van de hulpdiensten met hun touwen, gordels en ander materiaal, die hun eigen leven op het spel hadden gezet om het zijne te redden. Waarschijnlijk niet het verkeer op de brug. Zelfs niet de wind. Hij had het geluid van de wereld om hem heen afgezet en zijn zicht erop vervaagd om het gemakkelijker te maken zich zonder omzien in het niets te laten vallen. Niet alleen wílde hij niet langer blijven, blijkbaar had hij besloten dat hij geen keus had.
‘Laten we met de meest recente gesprekken beginnen,’ zei Lucy, met Agees mobieltje in haar hand. Ze had het ingeplugd in de oplader die naast het bed in het stopcontact zat. ‘Het ziet er niet naar uit dat hij veel telefoneerde. Gistermorgen een paar telefoontjes en toen pas weer om zes over acht ’s avonds. En nog een, tweeënhalf uur later, om tien over half elf. Ik begin met die van zes over acht, ik zal eens kijken wie er toen heeft gebeld.’ Ze begon te typen op haar MacBook.
‘Ik heb het wachtwoord op mijn BlackBerry onklaar gemaakt.’ Scarpetta wist niet waarom ze dat er opeens uitflapte. Ze had er voortdurend aan gedacht, maar het had niet op het puntje van haar tong gelegen. Nu lag het tussen hen in, als een overrijpe vrucht die van de boom was gevallen. ‘Maar ik denk niet dat Warner Agee mijn BlackBerry heeft bekeken, en Carley ook niet, tenzij ze foto’s van plaatsen delict zocht. Voor zover ik kan zien, zijn de berichten en e-mails die zijn binnengekomen sinds ik hem voor het laatst heb gebruikt, niet geopend.’
‘Ik weet het allemaal al,’ zei Lucy.
‘Wat bedoel je?’
‘Jezus, een miljoen mensen hebben hetzelfde nummer als dat naar Agees mobieltje heeft gebeld. Het staat op zijn naam, met een adres in D.C. Bij Verizon, de goedkoopste aanbieder. Hij was niet iemand die eeuwig aan de telefoon hing, misschien vanwege zijn doofheid.’
‘Dat betwijfel ik. Hij had de allermodernste gehoorapparaten. Met Bluetooth,’ zei Scarpetta.
Als ze door de kamer keek, kon ze zien dat Walter Agee het grootste deel van zijn tijd had doorgebracht in een claustrofobische, meestal geluidloze omgeving. Ze betwijfelde of hij vrienden had, en hij had geen hechte familiebanden. Ze vroeg zich af of de vrouw die zich puur uit eigenbelang over hem had ontfermd, Carley, op het laatst zijn enige menselijke contact was geweest, de enige met wie hij emotioneel nog een band had. Ze had hem werk gegeven en een dak boven zijn hoofd, en ze had hem zo nu en dan opgezocht om hem een nieuwe sleutelkaart te brengen. Scarpetta vermoedde dat Agee blut was geweest en ze vroeg zich af waar zijn portefeuille was gebleven. Misschien had hij die gisteravond bij zijn vertrek ergens weggegooid. Misschien wilde hij niet dat zijn lichaam kon worden geïdentificeerd, maar was hij vergeten dat hij zijn Siemens-afstandsbediening nog, zoals altijd, in zijn zak had. Misschien was hij vergeten dat de boodschap die erop stond voor iemand zoals Scarpetta een richtingaanwijzer was naar de eigenaar.
‘Hoezo wist je dat allemaal al?’ vroeg ze Lucy nog een keer. ‘Wat wist je dan precies? Dat niemand in mijn BlackBerry had gekeken?’
‘Wacht even, ik wil iets proberen.’ Lucy pakte haar eigen BlackBerry en toetste het nummer in dat op het scherm van haar Mac-Book stond. Ze luisterde even, verbrak de verbinding en zei: ‘Hij rinkelde alleen maar. Ik wil wedden dat het een wegwerpmobieltje is, wat verklaart dat zoveel mensen hetzelfde nummer hebben gebruikt en dat er geen voicemail is.’ Ze keek weer naar Agees mobieltje. ‘Ik heb het gecheckt,’ antwoordde ze toen. ‘Toen je me e-mailde en ik zei dat ik je BlackBerry zou opblazen en jij me dat verbood, heb ik meteen gekeken en gezien dat niemand je nieuwe berichten, e-mails en voicemails had geopend. Dat is een van de redenen dat ik hem niet toch heb opgeblazen, ook al had je me dat verboden. Waarom had je het wachtwoord onklaar gemaakt?’
‘Hoe lang wist je dat al?’
‘Pas sinds je me vertelde dat je je telefoon had verloren.’
‘Ik had hem niet verloren.’
Het kostte Lucy moeite haar recht aan te kijken, maar niet omdat ze ergens spijt van had. Er stak iets heel anders achter, vermoedde Scarpetta. Haar nichtje was emotioneel, ze was bang. Haar ogen waren zo donkergroen als diep water in een steengroeve, haar gezicht stond verslagen en moe. Ze leek vermagerd en zag eruit alsof ze niet veel meer aan lichaamsbeweging had gedaan, ze maakte niet zoals anders een sterke, energieke indruk. In de paar weken sinds Scarpetta haar voor het laatst had gezien, was ze van iemand die eruitzag als vijftien veranderd in een vrouw van veertig.
Lucy tikte op een paar toetsen en zei: ‘Dit is het tweede nummer dat gisteravond naar zijn mobiel heeft gebeld.’
‘Om tien over half elf?’
‘Ja. Het nummer staat nergens geregistreerd, maar de beller heeft niet de moeite genomen zijn nummervermelder te blokkeren, daarom staat het in Agees mobieltje. Wie het ook is, het is de laatste persoon die Agee heeft gesproken. Voor zover we weten tenminste. Dus om tien over half elf was hij nog springlevend.’
‘Hij leefde nog en daarna is hij gesprongen.’
Lucy typte op de MacBook en scrolde tegelijkertijd door bestanden op de Dell. Ze kon tien dingen tegelijk doen. Ze kon bijna alles, behalve een eerlijk gesprek hebben over de dingen die werkelijk belangrijk voor haar waren.
‘Hij was slim genoeg om zijn verleden te wissen en zijn prullenmand te legen,’ zei ze. ‘Voor het geval dat je daar iets van zou willen weten. Al kan ik zo opzoeken wat hij voorgoed wilde laten verdwijnen. Carley Crispin,’ ging ze verder. ‘Het geheime nummer dat hem om tien over half elf heeft gebeld. Dat was Carley. Met haar mobieltje, een AT&T-abonnement. Ze heeft Agee gebeld en ze hebben vier minuten met elkaar gepraat. Het kan geen prettig gesprek zijn geweest als hij een paar uur later van die brug is gesprongen.’
De vorige avond om tien over half elf was Scarpetta nog in de make-upkamer bij CNN, met de deur dicht, aan het praten met Alex Bachta. Ze probeerde te bedenken om hoe laat ze daar precies was vertrokken. Misschien een minuut of tien, vijftien later, en met een somber gevoel bedacht ze dat wat ze had gevreesd de waarheid was. Carley had hen afgeluisterd en genoeg gehoord om te beseffen wat haar te wachten stond. Scarpetta zou het programma van haar overnemen, daar zou Carley van overtuigd zijn geweest, omdat ze zich niet kon voorstellen dat iemand zo’n aanbod zou afwijzen. Carley zou worden ontslagen, en dat zou een klap in haar gezicht zijn geweest. Zelfs als ze lang genoeg in de gang had gestaan om te horen dat Scarpetta voor het aanbod bedankte en uitlegde waarom ze het geen goed idee vond, had ze iets moeten accepteren waartegen ze als een leeuwin had gevochten: dat ze op eenenzestigjarige leeftijd een andere baan moest zoeken. En de kans was miniem dat ze die zou vinden bij een netwerk dat even hoog stond aangeschreven en even machtig was als CNN. In deze economisch slechte tijd en op haar leeftijd zou ze misschien helemaal geen baan meer vinden.
‘En toen?’ vroeg Scarpetta, nadat ze Lucy had verteld wat er de vorige avond na de uitzending was gebeurd. ‘Is ze misschien vlug teruggegaan naar haar kleedkamer om Warner te bellen? Wat heeft ze toen tegen hem gezegd?’
‘Misschien dat ze hem niet langer nodig had,’ zei Lucy. ‘Als zij haar programma kwijtraakt, heeft ze hem immers niet meer nodig? Als zij niet langer op tv is, is hij dat ook niet.’
‘Ik vraag me af of het normaal is dat een tv-presentator een gast in zijn programma voor zo’n lange tijd onderbrengt in een hotel,’ ging Scarpetta verder. ‘Vooral nu iedereen probeert te bezuinigen.’
‘Dat weet ik ook niet.’
‘Ik kan me niet voorstellen dat CNN haar dat geld terugbetaalde. Of heeft ze zelf veel geld? Want twee maanden in dat hotel slapen kost een fortuin, ook al krijg je korting. Waarom zou ze bereid zijn geweest zoveel geld uit te geven? Waarom heeft ze hem niet ergens anders ondergebracht, op een veel goedkoper adres?’
‘Ik weet het echt niet.’
‘Misschien had het iets met de plek te maken,’ zei Scarpetta peinzend. ‘Misschien was er nog iemand anders bij betrokken en betaalde die de rekening. Hij of zij. Iemand die we nog niet op het spoor zijn gekomen.’
Lucy luisterde niet meer.
‘En als ze om tien over half elf heeft gebeld om Warner te vertellen dat hij ontslagen was en zijn boeltje moest pakken, waarom heeft ze dan toch nog de moeite genomen om mijn BlackBerry naar hem toe te brengen?’ Scarpetta dacht hardop verder. ‘Waarom vertelde ze hem niet gewoon dat hij het hotel de volgende dag moest verlaten en dat was dat? Als ze hem had ontslagen, waarom bracht ze hem dan toch nog mijn telefoon? Waarom zou hij zich nog verplicht voelen haar ergens mee te helpen als zij hem de laan uit stuurde? Moest Agee mijn BlackBerry soms aan iemand anders geven?’
Lucy zei niets.
‘Waarom is mijn BlackBerry zo belangrijk?’
Scarpetta’s stem leek niet meer tot Lucy door te dringen.
‘Het is een link met mij, dat is alles. Met alles wat ik doe. Met alles wat wij allemaal doen, daar komt het eigenlijk op neer.’ Ze beantwoordde haar eigen vraag.
Lucy zweeg. Ze wilde niet langer over de gestolen BlackBerry praten, omdat ze niet wilde vertellen waarom ze de BlackBerry’s had gekocht.
‘Dat ding weet zelfs waar ik ben, doordat je er een gps-ontvanger in hebt gezet,’ vervolgde Scarpetta. ‘Natuurlijk alleen als ik hem bij me heb. Al geloof ik niet dat jij je zorgen maakte om waar ík al dan niet was.’
Scarpetta begon door de computerprint-outs op de lage tafel te bladeren, honderden speurtochten op internet naar nieuwsberichten, hoofdartikelen, verwijzingen en blogs die iets met de zaak-Hannah Starr te maken hadden. Maar ze kon zich nauwelijks concentreren, omdat de belangrijkste vraag een barrière vormde die zo onwrikbaar was als een betonnen muur.
‘Je wilt er niet over praten, je wilt niet toegeven wat je hebt gedaan,’ zei ze.
‘Waarover praten?’ Lucy keek niet op.
‘Maar we gaan er wél over praten.’ Scarpetta liet haar blik glijden over de artikelen die Agee had geprint, research die hij waarschijnlijk had gedaan voor Carley. ‘Je hebt me iets cadeau gedaan waar ik niet om had gevraagd en wat ik eerlijk gezegd niet wilde hebben, een superslimme smartphone, en opeens staat mijn hele leven op een door jou gecreëerd netwerk en word ik gegijzeld door een wachtwoord. En dan vergeet je me te controleren? Als je echt van plan was geweest me het leven gemakkelijker te maken, en dat van Marino, Benton en Jaime, waarom heb je dan niet gedaan wat iedere fatsoenlijke systeembeheerder zou doen? Waarom heb je niet regelmatig gecontroleerd of je gebruikers hun wachtwoord gebruiken, of hun gegevens veilig zijn, of er geen gaten in hun beveiligingssysteem zitten en ze niet in de problemen zijn geraakt?’
‘Ik dacht dat je het niet op prijs zou stellen als ik je zou controleren.’ Lucy typte razendsnel op de Dell-laptop op zoek naar bestanden die waren gedownload.
Scarpetta pakte een volgend stapeltje papieren en zei: ‘Wat vindt Jaime ervan als je haar BlackBerry checkt?’
‘Afgelopen september heeft hij een contract getekend met een makelaar in D.C.,’ zei Lucy.
‘Weet Jaime dat er een gps-ontvanger met WAAS in zit?’
‘Hij heeft zijn huis te koop gezet en is eruit getrokken. Het staat leeg.’ Lucy draaide zich om naar haar MacBook en begon daar weer op te typen. ‘Even kijken of het inmiddels is verkocht.’
‘Kunnen we erover praten?’ vroeg Scarpetta.
‘Niet alleen is het niet verkocht, de bank heeft het in beslag genomen. Een appartement met twee slaapkamers en twee badkamers in 14th Street, niet ver van Dupont Circle. De vraagprijs was zeshonderdtwintigduizend en is gezakt naar iets meer dan vijfhonderdduizend. Dus een van de redenen voor zijn verblijf in die hotelkamer was dat hij nergens anders terecht kon.’
‘Probeer me alsjeblieft niet af te leiden.’
‘Hij had het acht jaar geleden voor iets minder dan zeshonderdduizend gekocht. Toen stond hij er blijkbaar beter voor.’
‘Heb je Jaime verteld van die gps?’
‘Volgens mij is die man volkomen platzak. Nou ja, nu is hij dood,’ zei Lucy. ‘Nu doet het er niet meer toe dat de bank zijn huis in beslag heeft genomen.’
‘Ik weet dat van die gps-ontvanger die je erin hebt gezet, maar weet zij het ook? Heb je dat tegen Jaime gezegd?’
‘Je raakt alles kwijt en misschien drijft dat je naar de rand van de afgrond, of in zijn geval de brug,’ zei Lucy. Ze was iets minder zelfverzekerd en haar stem trilde een beetje. ‘Wat las je me ook alweer voor toen ik nog klein was? Dat gedicht van Oliver Wendell Holmes over die sjees met één paard ervoor. Dat een sjees altijd een zwakke plek heeft en dat hij daarom wel kapotgaat, maar nooit slijt. Toen ik als meisje regelmatig bij je in Richmond logeerde en hoopte dat je me zou houden. Mijn moeder, wat een ellende. In deze tijd van het jaar was het altijd hetzelfde liedje. Kom je met de kerst naar huis? Maandenlang liet ze niets van zich horen en dan vroeg ze of ik met Kerstmis naar huis kwam. Alleen maar omdat ze haar kerstcadeau niet wilde missen. Iets duurs, het liefst geld. Kutwijf.’
‘Waarom ben je Jaime gaan wantrouwen?’ vroeg Scarpetta.
‘Je ging naast me op het bed zitten, in die kamer naast de jouwe, die kamer die in Windsor Farms mijn kamer was geworden. Ik was dol op dat huis. Je las me altijd zijn gedichten voor. “Old Ironsides”. “The Chambered Nautilus”. “Departed Days”. En je deed je best om me uit te leggen wat het leven en de dood betekenden. Je zei dat mensen net zo waren als die sjees met één paard ervoor. Ze blijven het honderd jaar doen en zakken dan op een dag als een berg vermolmde planken in elkaar.’ Lucy praatte met haar handen op beide toetsenborden, terwijl op de schermen van de laptops bestanden en links werden geopend en gesloten en ze het hardnekkig vermeed haar tante aan te kijken. ‘Je zei dat het de perfecte metafoor voor de dood was, die mensen die in je mortuarium terechtkwamen en van alles mankeerden en het dan op een dag vanwege één ding hadden begeven. Dat ene ding dat waarschijnlijk iets met hun zwakke plek te maken had.’
‘Ik dacht dat Jaime jouw zwakke plek was.’
‘Ik dacht dat het geld was,’ zei Lucy.
‘Heb je haar bespioneerd? Heb je ons daarom die dingen gegeven?’ Scarpetta wees naar de twee BlackBerry’s op tafel, die van haarzelf en die van Lucy. ‘Ben je bang dat Jaime je je geld afpakt? Dat ze net zo is als je moeder? Ik wil het graag begrijpen, Lucy.’
‘Jaime heeft mijn geld niet nodig en ze heeft mij ook niet nodig.’ Haar stem klonk weer wat vaster. ‘Niemand heeft meer hetzelfde als wat hij had. In deze economie smelt het weg als sneeuw voor de zon, zoals een enorme ijssculptuur die een fortuin heeft gekost smelt tot water en verdampt. Je vraagt je af of je het ooit hebt gehad en waar je je zo druk om hebt gemaakt. Ik heb niet meer wat ik had.’ Ze aarzelde, alsof het haar grote moeite kostte te zeggen wat ze dacht. ‘Maar het gaat niet om geld. Het gaat om iets heel anders, waarbij ik betrokken was geraakt en wat ik toen helemaal verkeerd heb begrepen. Misschien hoef ik verder niets te zeggen. Ik heb alles verkeerd begrepen.’
‘Hoe kan iemand die zo goed gedichten kan voordragen, dingen zo verkeerd begrijpen?’ zei Scarpetta.
Lucy gaf geen antwoord.
‘Wat heb je onlangs verkeerd begrepen?’ Scarpetta gaf het niet op.
Maar Lucy wilde er niet langer over praten. Ze zwegen allebei, toetsen klikten terwijl Lucy typte en papier ritselde terwijl Scarpetta door papieren bladerde die ze op schoot had gelegd. Ze liet haar blik glijden over artikelen van het internet over Hannah Starr en ook over Carley Crispin en haar steeds slechter bekeken talkshow, het verhaal van een criticus over wat hij Carleys vrije val in de kijkcijfers noemde, alinea’s over Scarpetta en de Scarpetta factor. Het enige amusement waarvoor Carley had gezorgd, zei een blogger, waren de gastoptredens van de belangrijkste forensisch commentator van CNN, de onversaagde, onwrikbare en messcherpe Scarpetta, die de spijker altijd op de kop sloeg. Kay Scarpetta dringt met haar scherpe inzicht door tot de kern van de zaak en is een serieuze rivale – te serieus – voor de zwakbegaafde, opgeblazen Carley Crispin. Scarpetta stond op.
‘Weet je nog dat je een keer bij me op Windsor Farms logeerde en boos op me was, en dat je toen alles op mijn computer formatteerde en er een puinhoop van maakte? Ik geloof dat je tien was en iets wat ik had gezegd of gedaan verkeerd had begrepen en daar overdreven dramatisch op reageerde, op zijn zachtst gezegd. Ben je nu je relatie met Jaime aan het formatteren om daar een puinhoop van te maken? Heb je haar niet eerst om uitleg gevraagd?’
Scarpetta opende haar koffertje en pakte schone handschoenen. Toen liep ze langs Warner Agees rommelige, met kleren bezaaide bed en begon de laden van de ronde kast open te trekken om de inhoud te bekijken.
Ze verbrak de stilte. ‘Wat heeft Jaime gedaan dat je misschien verkeerd hebt begrepen?’
Nog meer mannenkleren, niet netjes opgevouwen. Onderbroeken, hemden, sokken, pyjama’s, zakdoeken en fluwelen doosjes met manchetknopen, waarvan sommige antiek, maar er waren geen dure exemplaren bij. In een andere la lagen sweatshirts en T-shirts met een logo erop: de FBI-academie, verschillende kantoren van de FBI, het gijzelingsteam, het nationale reddingsteam – allemaal oud en verbleekt, en Agee zou er heel wat voor over hebben gehad als hij erbij had gehoord. Ze hoefde Agee niet te kennen om te weten dat hij was gedreven door een wanhopige behoefte aan erkenning en een niet-aflatende overtuiging dat het leven niet eerlijk was.
‘Wat heb je misschien verkeerd begrepen?’ herhaalde ze.
‘Ik vind het moeilijk erover te praten.’
‘Probeer het toch maar.’
‘Ik kan niet over haar praten. Niet met jou,’ zei Lucy.
‘Met niemand, eerlijk gezegd.’
Lucy keek naar Scarpetta.
‘Je vindt het moeilijk met wie dan ook te praten over persoonlijke dingen die echt belangrijk zijn,’ zei Scarpetta. ‘Je praat eindeloos over dingen waar geen emoties aan te pas komen, dingen die er helemaal niet toe doen. Machines, onzichtbare en ongrijpbare dingen in cyberspace en de mensen die daar wonen, in het niets. Mensen die ik schimmen noem en die hun tijd verspillen met twitteren en chatten en bloggen en tegen niemand zwammen over niets.’
De onderste la zat vast en Scarpetta moest er haar hand in steken om iets plat te drukken wat aanvoelde als karton en hard plastic.
‘Ik ben echt, en ik sta in een hotelkamer die werd bewoond door een man die verbrijzeld in het mortuarium ligt omdat hij had besloten dat het leven niets meer waard was. Praat met me, Lucy, en vertel me precies wat er mis is. Vertel me dat in de taal van vlees en bloed, in de taal van emoties. Denk je dat Jaime niet meer van je houdt?’
De la schoof open en bleek vol te liggen met lege Tracfone- en SpoofCard-verpakkingen, instructieboekjes en folders, en activeringskaarten die er ongebruikt uitzagen omdat de PIN-strip op de achterkant niet was weggekrast. Er lag ook een folder bij met instructies van een internetservice die gebruikers die wel kunnen spreken, maar slecht kunnen horen in staat stelt bij telefoongesprekken dat wat de ander zegt simultaan op het scherm te lezen.
‘Praten jullie niet meer met elkaar?’ Ze bleef doorvragen en Lucy bleef zwijgen.
Scarpetta rommelde door een warboel van opladers en glimmende plastic enveloppen voor het recyclen van prepaid mobieltjes, het waren er minstens vijf.
‘Hebben jullie ruzie?’
Ze draaide zich om naar het bed, schoof de vuile kleren opzij en trok het dekbed omlaag.
‘Vrijen jullie niet meer?’
‘Jezus, je bent mijn tante!’ riep Lucy geschrokken.
Scarpetta trok de laden van het nachtkastje open en zei: ‘Ik raak de hele dag naakte dode lichamen aan, en vrijen met Benton is de manier waarop we elkaar opladen en versterken, laten zien dat we elkaar toebehoren, met elkaar communiceren en elkaar eraan herinneren dat we bestaan.’ Tijdschriftartikelen, nog meer uitgeprinte artikelen, verder niets, nog steeds geen Tracfone. ‘Soms maken we ruzie. Gisteravond hebben we ruzie gemaakt.’
Ze knielde op de vloer om onder de meubels te kijken.
‘Vroeger deed ik je in bad, verzorgde je wonden, luisterde naar je uitbarstingen en maakte weer in orde wat jij had verpest, of zorgde ik er in elk geval voor dat je het niet nog erger kon maken. Soms zat ik in mijn slaapkamer te janken omdat je me radeloos maakte,’ zei Scarpetta. ‘Ik heb al je partners en liefjes ontmoet en ik heb een vrij goed idee van wat jullie in bed uitvoeren, omdat we allemaal hetzelfde zijn, ongeveer dezelfde lichaamsdelen hebben en die op dezelfde manier gebruiken, en ik kan wel zeggen dat ik een heleboel dingen heb gehoord en gezien die zelfs jij je niet kunt voorstellen.’
Ze stond op, geen spoor van een Tracfone.
‘Dus waarom zou je je bij mij ergens voor generen?’ zei ze. ‘En ik ben je moeder niet. Goddank ben ik niet die ellendige zus van me, die jou zo ongeveer heeft weggegeven. Had ze dat maar gedaan. Had ze jou maar aan mij gegeven, dan was je altijd bij me geweest. Ik ben je tante. Ik ben je vriendin. Op dit moment zijn we collega’s. Je kunt alles tegen me zeggen. Hou je van Jaime?’
Lucy’s handen lagen stil op haar schoot en ze had haar ogen neergeslagen.
Scarpetta begon prullenmanden te legen en de proppen papier los te trekken.
‘Wat doe je in vredesnaam?’ vroeg Lucy eindelijk.
‘Hij had Tracfones, wel een stuk of vijf. Ik denk dat hij ze had gekocht nadat hij hier twee maanden geleden was gaan wonen. Ik heb alleen de barcodes, er zitten geen stickers op van de winkels waar hij ze heeft gekocht. Waarschijnlijk gebruikte hij ze samen met SpoofCards om zijn identiteit en verblijfplaats geheim te houden. Hou je van Jaime?’
‘Hoeveel tijd op de Tracfones?’
‘Elk een uur beltijd om binnen negentig dagen te gebruiken.’
‘Die koop je dus op een vliegveld, in een souvenirwinkel, een Target of een Walmart en je betaalt contant. Wanneer je dat uur hebt gebruikt, laad je het ding niet opnieuw op omdat je daar je creditcard voor nodig hebt, maar gooi je het weg en koop je een nieuwe. Ongeveer een maand geleden wilde Jaime niet meer dat ik ’s nachts bij haar bleef slapen.’ Lucy werd rood. ‘In het begin deed ik dat een of twee keer per week, later drie of vier keer. Ze zei dat ze het te druk had, dat dat de reden was. Als je niet meer met iemand naar bed wilt…’
‘Jaime heeft het altijd te druk. Mensen zoals wij hebben het altijd te druk,’ zei Scarpetta.
Ze opende de kleerkast en zag dat er een brandkastje in de muur zat. Het was leeg, het deurtje stond wijd open.
‘Dat maakt het nog erger, toch?’ Lucy zag er intens verdrietig uit, er lag een boze, gekwetste uitdrukking in haar ogen. ‘Dat wil toch zeggen dat er iets anders aan de hand is? Jij verlangt altijd naar Benton, hoe druk je het ook hebt, zelfs na twintig jaar, maar Jaime verlangt niet meer naar mij en wij zijn pas een jaar samen. Dus gaat het niet om het te druk hebben.’
‘Dat ben ik met je eens. Het gaat om iets anders.’
Scarpetta ging met haar in handschoenen gestoken handen door kleren die in de jaren tachtig en negentig stijlvol waren geweest, krijtstreeppakken met een vest en een jasje met een dubbele rij knopen met brede revers en een pochette, en witte overhemden met dubbele manchet die deden denken aan de overdreven gangsterfiguren uit de tijd van de FBI van J. Edgar Hoover. Over een paar kleerhangers hingen vijf gestreepte stropdassen en om een andere hanger hingen twee riemen die aan twee kanten draagbaar waren, een met doorgestikte randen en een van krokodillenleer, en die pasten bij de bruine en zwarte Florsheim-schoenen met doorgestikte neuzen die op de vloer stonden.
Ze zei: ‘Toen jij en ik mijn verloren BlackBerry probeerden te vinden, werd het me duidelijk wat die WAAS gps-ontvanger van je allemaal kan doen. Daarom zijn we hier. De avonden die je niet samen met Jaime hebt doorgebracht, heb je haar gevolgd. Ben je daar wijzer van geworden?’
Achter in de kast, tegen de muur, stond een grote, zwarte, harde koffer, behoorlijk gekrast en beschadigd, met een warrige bos gescheurde bagagelabels aan touwtjes nog om het handvat.
‘Ze is nergens naartoe geweest,’ zei Lucy. ‘Ze werkte ’s avonds door en ging pas laat naar huis. Tenzij ze haar BlackBerry niet meenam, en dat wil nog niet zeggen dat ze geen bezoek kreeg of geen relatie had met iemand op kantoor.’
‘Misschien kun je hacken in de provider van de bewakingscamera van haar appartement en ook in die van het Openbaar Ministerie en het hoofdbureau van politie. Is dat je volgende stap? Of zet je gewoon een paar camera’s in haar kantoor, de vergaderzaal en haar penthouse om haar op die manier te kunnen bespioneren? Vertel me alsjeblieft niet dat je dat allang hebt gedaan.’
Scarpetta sjorde aan de koffer om hem uit de kast te halen en het viel haar op dat die ongewoon zwaar was.
‘Jezus, nee!’
‘Het gaat helemaal niet over Jaime, het gaat over jou.’ Scarpetta drukte op de sloten van de koffer, die met een luide klik opensprongen.
De knal van een geweerschot.
Marino en Lobo zetten hun oorbeschermers af en liepen om de enkele tonnen wegende betonblokken met kogelvrij glas erop heen die ongeveer honderd meter bij Droiden in haar bompak vandaan stonden. Droiden liep naar de kuil waarin het FedEx-pakje lag waarop ze had geschoten en knielde ernaast om te zien wat ze onschadelijk had gemaakt. Haar helm draaide Marino en Lobo’s kant op en ze stak een duim op – haar blote hand was klein en bleek vergeleken met de gewatteerde donkergroene overall waarin haar lichaam tweemaal zo groot leek.
‘Het is net zoiets als een doos Cracker Jacks openen en vreselijk benieuwd zijn naar het speeltje dat erin zit,’ zei Marino.
Hij hoopte dat wat er in Scarpetta’s pakje zat alle moeite waard was geweest en tegelijkertijd hoopte hij van niet. Zijn werk was een voortdurend conflict waar hij niet over praatte, hij wilde niet eens voor zichzelf vaststellen wat hij ervan vond. Als je voldoening wilde voelen om een zaak die je goed had afgerond, moest het een gevaarlijke zaak zijn geweest, maar welk fatsoenlijk mens hoopte dat iets gevaarlijk was?
‘En?’ zei Lobo.
Een andere technicus hielp haar met het uittrekken van het bompak. Droiden trok een vies gezicht terwijl ze haar jack aantrok en dichtritste.
‘Iets wat stinkt. Dezelfde smerige lucht. Niet iets om de aandacht af te leiden, maar iets wat ik nooit eerder heb gezien. Geroken, bedoel ik,’ zei ze tegen Lobo en Marino. De andere technicus vouwde het bompak op en bracht het weg. ‘Drie AG10-knoopbatterijtjes en repeteerbommetjes die ontploffen in de lucht. Een soort wenskaart met een voodooachtige pop erop. Een stinkbom.’
Omringd door vuile zandzakken lag wat er van de FedEx-doos was overgebleven: een vieze massa van nat karton, glasscherven, een aan flarden gescheurde witte lappenpop en iets wat eruitzag als hondenhaar. Een geluidsopnameapparaatje dat niet veel groter was dan een creditcard was aan stukken geschoten, de verwrongen batterijen lagen er vlakbij. Toen Marino ernaartoe liep, rook hij een vleug van wat Droiden bedoelde.
‘Het ruikt naar een mengsel van asfalt, rotte eieren en hondenpoep,’ zei hij. ‘Wat is het in godsnaam?’
‘Het zat er in dat glazen buisje.’ Droiden opende een zwarte Roco-tas en haalde er zakjes voor bewijsmateriaal uit, een aluminium blik waarvan de binnenkant was gecoat met epoxyhars, maskers en nitrilhandschoenen. ‘Ik heb nooit eerder zoiets geroken, het ruikt ook een beetje naar petroleum, maar niet echt. Teer, zwavel en mest.’
‘Wat was hier de bedoeling van?’ vroeg Marino.
‘Ik denk dat je die doos moest openen en dan zag je een wenskaart met een popje erop. Je opende de kaart en die ontplofte, en dan brak het flesje met die stinkende vloeistof. De energiebron van de recorder, de batterijen, was verbonden met drie in de handel verkrijgbare repeteerbommetjes, die op hun beurt vastzaten aan een elektrische lucifer, een professionele pyrotechnische aansteker.’ Ze wees naar de restanten van drie rotjes die vastzaten aan een dunne draad.
‘E-lucifers zijn heel gevoelig voor stroom,’ zei Lobo tegen Marino. ‘Je hebt er alleen een paar batterijtjes voor nodig. Maar iemand heeft het glijcontact en het circuit van de recorder moeten veranderen zodat de stroom van de batterijen de ontploffing veroorzaakte in plaats van de recorder aan te zetten.’
‘En niet iedereen weet hoe je zoiets moet doen?’
‘Iedereen kan zoiets doen, als hij tenminste niet al te stom is en de instructies kan volgen.’
‘Op het internet.’ Marino dacht hardop.
‘Ja. Je kunt tegenwoordig bijna zelf een atoombom maken,’ zei Lobo.
‘Stel dat de Doc het pakje had geopend?’ vroeg Marino.
‘Dat hangt ervan af,’ antwoordde Droiden. ‘Het had haar kunnen verwonden, dat wel. Ze had een paar vingers kunnen verliezen of glas in haar gezicht of haar ogen kunnen krijgen. Het had haar gezicht kunnen beschadigen of ze had blind kunnen worden. In elk geval had ze die stinkende vloeistof over zich heen gekregen.’
‘Daar ging het om,’ zei Lobo. ‘Iemand wilde dat ze die vloeistof over zich heen kreeg, wie de afzender dan ook was. En haar een hoop ellende bezorgen. Laat me die kerstkaart eens zien.’
Marino ritste zijn tas open en overhandigde Lobo de plastic zak die Scarpetta hem had meegegeven. Lobo trok handschoenen aan, haalde de kaart met de geschrokken kerstman die door zijn vrouw met een deegroller achterna werd gezeten uit de zak en sloeg hem open. De ijle stem van een vrouw zong een beetje vals ‘Ik wens je een hodie-dodie kerst…’ Lobo trok het stijve papier uit elkaar en liet de recorder eruit glijden, terwijl het liedje sarrend doorging met ‘klim dan gauw de boom in…’ Hij trok de recorder los van de batterijen, drie knoopbatterijtjes van het soort dat in een horloge zit, AG10. Stilte, behalve het loeien van de wind die vanaf het water door de omheining blies. Marino kon zijn oren niet meer voelen en zijn mond was kurkdroog. Hij had het zo koud dat hij bijna niet meer kon praten.
‘Een eenvoudige spraakrecorder, perfect voor een wenskaart.’ Lobo hield Marino het apparaatje voor. ‘Van het soort dat knutselaars en doe-het-zelvers gebruiken. Gesloten circuit met een microfoontje. Kant-en-klaar glijcontact om zelf te bedienen, de sleutel tot het hele ontwerp. Het glijcontact sluit het afvuurcircuit en laat de bom ontploffen. Klaar voor gebruik. Een stuk gemakkelijker dan hem zelf maken.’
Droiden viste deeltjes van de bom uit de vieze massa in de kuil. Ze stond op en kwam naar Marino en Lobo toe, met in haar in een nitrilhandschoen gestoken hand een hoopje zilverkleurige, zwarte en donkergroene plastic en metalen scherfjes en stukjes zwart draad en koperdraad. Ze pakte de intacte recorder aan van Lobo en begon te vergelijken.
‘Microscopisch onderzoek zal het bevestigen,’ zei ze, maar het was duidelijk wat ze bedoelde.
‘Dezelfde recorder,’ zei Marino. Hij legde zijn grote handen om de hare om te voorkomen dat de scherfjes wegwaaiden en wilde dat hij heel lang zo dicht bij haar kon blijven staan. Hij merkte niet meer dat hij de hele nacht op was gebleven en langzaam bevroor, hij werd warm van binnen en was opeens klaarwakker. ‘Jezus, wat een stank. En wat is dat, hondenhaar?’ Met een in rubber gestoken vinger beroerde hij een paar lange, dikke haren. ‘Waarom zit dat hondenhaar er in vredesnaam in?’
‘Ik denk dat het de vulling van de pop was. Misschien is het echt hondenhaar,’ antwoordde ze. ‘Deze twee dingen hebben een heleboel gemeen. Het circuit, het glijcontact, de opnameknop en het microfoontje…’
Lobo bestudeerde de kerstkaart. Hij draaide hem om en bekeek de achterkant.
‘Made in China. Gerecycled papier. Een milieuvriendelijke kerstbom. Wat aardig,’ zei hij.