5
Het was de eerste nacht dat Zuster voorop ging vanuit de heuvels naar beneden. Het kleine beest had niet zo'n honger, maar Zuster had nu ze volwassen was altijd trek en de geur van vlees in de wind was inderdaad zoet en verleidelijk.
Zijn vingers krulden zich om de gladde schachten van zijn werpstokken die hij heel goed wist te gebruiken. Telkens wanneer hij het nest verliet, nam hij er twee mee. Hij versnelde zijn pas. Zuster liep zo ver voor hem uit dat hij haar niet meer kon zien. De geur van het vlees was nu sterker in de mistige wind. Het was een vreemde geur, zacht en zoet, maar vermengd met de stank van de beesten. Toen hoorde hij Zuster gillen.
'Hoorde je dat?'
'Ik hoorde het,' antwoordde Cheanah Zhoonali.
Mano kwam overeind en stak zijn voeten in zijn laarzen. 'Denk je dat het een van de jongen was of een ander beest?'
'Je zei dat de jongen van de Wanawut dood waren,' bracht Honee hem in herinnering. Haar stem klonk huilerig en trilde van angst.
'Hou je mond!' Cheanahs bevel bracht de hele familie tot zwijgen.
De kleine Klu, die sinds zijn geboorte duidelijk de favoriet van de hoofdman was en vlak naast hem zat, staarde zijn vader vragend aan.
'Ik ben bang van de Wanawut,' jammerde Honee zachtjes. 'Ik wilde dat zijn kop niet buiten aan de muur van deze hut hing!'
Als het meisje dichterbij had gezeten, had Cheanah haar met zijn vlakke hand in het gezicht geslagen. 'Stom kind, je weet niet wat goed is! En noem niet de naam van datgene wat je niet hebt gezien, want dan roep je het op!'
'Noem de naam dan maar, want ik zou graag de punt van mijn speer in het bloed van de Wanawut dopen!' zei Mano.
Yanehva keek met gefronst voorhoofd naar zijn oudere broer. 'De huid van een Wanawut heeft al genoeg ongeluk over dit kamp gebracht.'
Ze hoorden hoe andere leden van de stam uit hun kuilhutten kwamen stommelen. Ze kwamen meteen naar de hut van Cheanah. Hij stond op en opende de deur van huiden.
'Heb je het gehoord?' De vraag klonk uit ieders mond. 'Denk je dat we hem hebben verstrikt? Dat we een Wanawut levend hebben gevangen?' Rams stem trilde licht.
Het kleine beest vond Zuster op de grond. Ze lag ineengedoken, met haar voeten in de lucht, op haar rug te rollen en klemde haar handen wanhopig om een lange weerhaak van been die op de een of andere manier dwars door haar snuit en verhemelte was gegaan. Toen hij erin geslaagd was om haar te kalmeren door haar te strelen en geluiden tegen haar te maken, liet ze toe dat hij het eruit trok. Al terwijl hij dat deed, begon het bloed te spuiten en te stromen en gaf ze hem in een reflex een klap zodat hij een paar meter door de lucht vloog. Hij kwam plat op zijn rug neer en de wereld werd zwart. Toen hij bijkwam en weer overeind kon komen, zag hij dat Zuster in elkaar was gezakt en bijna verdronk in haar eigen bloed. Hij rende op haar af en trok haar overeind. Wanneer ze rechtop zat, kon ze ademhalen. Terwijl ze naar adem snakte en piepte van verwarring en pijn, zag hij het vlees en de strik. Het kleine beest grauwde om de slimme manier waarop de val was neergezet.
Hij fronste zijn wenkbrauwen. Het begon te sneeuwen. Hij wist instinctief dat de beesten het gegil van Zuster moesten hebben gehoord en dat ze weldra zouden komen. Hij moest haar weg zien te krijgen.
'Hij is ontsnapt,' verklaarde Cheanah. Hij hoopte dat de anderen de opluchting in zijn stem niet zouden horen. De sneeuw sloeg striemend tegen de grond.
'In dit weer hebben we geen schijn van kans om hem op te sporen,' gromde Mano zichtbaar teleurgesteld. 'Kijk, de sporen zijn al weggespoeld!'
Anak lag op zijn knieën. 'Niet allemaal. Hier zijn er nog een paar. En bloed. Ja. Als je voorover buigt, kun je het ruiken.'
'Pas op de strikken, jongen! Die slaan een gat in zo'n klein schedeltje als jij hebt!' waarschuwde Ekoh.
'Laat de strikken gespannen,' besloot Cheanah. 'We kunnen er morgenochtend weer naar kijken.'
Mano keek vol haat de stormachtige nacht in. 'Als we geluk hebben, kunnen we dan bij beter licht misschien een paar sporen vinden.' 'Dat zou interessant zijn,' zei Yanehva, terwijl hij neerknielde en de snel verdwijnende sporen aanraakte. 'Er zijn er twee. Een van hen draagt laarzen!'
Laat de volgende ochtend bracht Mano Cheanah ertoe om aarzelend de leiding te nemen van een jachtpartij onder een zwaarbewolkte hemel. De Wanawut was niet teruggekomen. Maar een van de strikken gaf de jagers reden tot glimlachen. Acht vossen waren van de lijkjes van de baby's komen eten. Zes ervan waren in het net gevangen. Mano brak met blote handen hun nekken en lachte van plezier dat hij kon doden. De andere twee zaten dood in hetzelfde soort strikken als de Wanawut had verwond. Maar over dat wezen repte niemand een woord. Iedereen had honger en de regen had alle sporen van het beest weggespoeld. Zelfs degenen die de gil duidelijk hadden gehoord leek het een droom die veroorzaakt was door de storm van de vorige nacht.
Die dag at het volk van Cheanah van de vossen, die ondervoed waren en in de rui. Als er al iemand dacht aan de dode baby's die als lokaas hadden gediend, werd er in elk geval niet over gepraat. Eten was eten en de baby's waren toch al dood geweest. Toen het laatste spiervlees en merg was verdwenen, stampten de vrouwen de schedels en beenderen fijn en gooiden ze samen met de oren, staarten, snuiten, pezen en stukjes huid in een grote gemeenschappelijke kookzak. Verder werd er regenwater in de zak gedaan en verhitte stenen. De zak werd daarna verpakt in een paar lagen huiden die verzadigd waren van water en vervolgens werd hij in de as van het haardvuur begraven. Van tijd tot tijd groeven de vrouwen de zak op om er weer hete stenen bij te doen en de buitenste lagen huid opnieuw nat te maken om te voorkomen dat ze in brand vlogen. Na een paar uur werd de zak opgetild en de inhoud door een zeef in bakken van antilopeschedels gegoten. Het leverde een dunne maar voedzame soep op. Ze dronken er allemaal van. De mannen namen het meest en aten ook de nu bijna vergane oren, staarten, snuiten, pezen en stukjes huid. Toen Ekoh zijn hand uitstak en een portie van een van de oren aan Seteena gaf, stond Zhoonali op van haar plek aan de vrouwenkant van het vuur en sloeg het stuk oor uit zijn hand. 'Nee! In tijden van honger heeft hij geen recht op eten! Hij is niet nuttig voor zijn volk. Worden er door deze stam dan helemaal geen tradities in ere gehouden?' Haar scherpe, waterige, hongerige oogjes keken nu uitdagend naar haar zoon. 'Zeg het hem, Cheanah!' Hij staarde haar aan terwijl het vossenoor dat hij net stiekem voor de kleine Klu onder zijn tuniek had gestopt op zijn buik droop. Hij keek naar Ekoh en naar de uitgemergelde gestalte van Seteena. Hij mocht de jongen niet en hij was niet vergeten hoe Seteena hem had aangevallen toen hij met Bili vrijde. Maar wanneer Bili eindelijk niet meer zwanger was, zou de hoofdman het leven van de jongen nodig hebben om pressie uit te oefenen, zo wist hij. Bili zou niet dezelfde zijn wanneer hij haar weer kwam bestijgen.
'Wees niet beledigd, beste vriend,' zei hij vriendelijk tegen Ekoh. 'Onze wijze vrouw spreekt met ware bezorgdheid. Jij hebt je kracht nodig om vlees te verschaffen aan het volk.' 'En aan mijn zoon,' zei Ekoh zonder omhaal. Cheanah keek met onverholen afkeuring naar de jongen. 'Zijn moeder mag hem geven wat ze wil. Je hebt een dochter verloren. Laat de jongen de portie van het kind eten tot de geesten dit volk weer goedgunstiger zijn.'
'Dat zal misschien nooit gebeuren!' bracht Bili ertegenin. Ze zou misschien nog meer hebben gezegd als Zhoonali haar niet zo hard had geslagen dat ze op haar zij viel en het bloed uit haar neus en mond spoot.
'Spreek niet zo tegen de hoofdman van deze stam, vrouw van Ekoh!' Ekoh kwam half overeind, maar werd op zijn plaats gehouden door de harde hand van Mano die hem tegenhield. 'Je wordt benijd om je vrouw, Ekoh, maar ze praat te veel.'
Cheanah maakte een verzoenend gebaar met zijn hand. 'Als hoofdman van deze stam zou ik Ekoh kunnen bevelen om zijn nutteloze jongen voor altijd met de wind mee te sturen. Maar in plaats daarvan zeg ik - edelmoedig, mag ik wel zeggen - dat je je nutteloze kind mag voeden met wat je wil, Ekoh, maar niet met de portie van een jager.' Zhoonali keek alsof ze zou ontploffen van woede, maar een blik van haar zoon bracht haar tot zwijgen. 'Je hebt advies gegeven, wijze vrouw. Deze hoofdman heeft geluisterd. Nu heeft hij gesproken! Jij moet verder zwijgen!'
'Mijn jongen zal sterven als hij niet meer te eten krijgt,' protesteerde Ekoh.
Cheanah haalde zijn schouders op. 'Dan sterft hij maar. De geesten en de krachten der Schepping zullen het bepalen. Cheanah wil niets meer horen!'
In stilte en met neergeslagen ogen zette het volk de maaltijd voort, terwijl Zhoonali boos haar botjes begon te werpen en de jongen Seteena stoïcijns voor zich uit staarde. Zijn grauwe gezicht stond vastbesloten. Zijn diepliggende ogen fonkelden van trots toen Bili, met bebloed gezicht en het begin van een zwelling rond haar mond, hem een deel van haar soep aanbood. Hij negeerde de kop, stond op en liep stijf onder de luifel van doorweekte zeilen uit, naar de kuilhut van zijn ouders.
'Laat hem gaan!' schreeuwde Cheanah tegen Bili toen ze hem achterna wilde gaan. 'De jongen is volkomen onbelangrijk! Doe wat ik zeg, anders zal ik hem voor altijd met de wind meesturen!'
Het was laat. De andere leden van de stam sliepen en werden niet wakker van het gerommel van de jongste kinderen die de hutten van hun families uitkwamen om tussen de afkoelende as van het grote vuur te zoeken op de plek waar de restanten die uit de soep waren gezeefd waren neergegooid.
Er waren alleen nog wat stukjes bot en harige huid over, maar de kleuters hadden honger en ze kauwden en sabbelden daar dus blij op en spuugden het haar en de splinters uit. Tot een van hen de enige delen van de vossen ontdekte die de ouderen hadden laten liggen: de mogelijk giftige nieren en milten.
Tegen de ochtend waren de kinderen allemaal ziek. Verzwakt als ze waren van de honger en de langdurige ondervoeding, bezweken ze voor het vallen van de avond allemaal, op één na, aan de giftige organen. Misschien was het het oor van de vos dat Klu, Cheanahs jongste en meest geliefde zoontje, de extra kracht gaf om zo lang in leven te blijven. Maar Cheanah had al zijn zonen geleerd om brutaal te zijn en Klu was erin geslaagd om het grootste deel van het gestolen vlees te eten. Hij stierf tegen de ochtend.
En die ochtend, terwijl de vrouwen Klu huilend neerlegden naast de laatste kleuter van de stam om voor altijd naar de hemel te kijken, bezweek Cheanah onder zijn verdriet en ging helemaal kapot aan de zware last van zijn verantwoordelijkheden.
De hoofdman stond doodstil. Het water stroomde van de huid van de Wanawut die over zijn rug lag. In zijn hand had hij de kop van de Wanawut, stevig op een staak gestoken. Langzaam hief hij de kop van het beest op. Langzaam deed hij de huid af, stak de staak waarop de kop zat diep in de modderige bovenlaag van de eeuwig bevroren bodem en hing de mantel eroverheen.
Met zijn hoofd achterover en zijn armen wijd uitgespreid riep hij: 'Neem terug wat van de wind en de storm en de mistige bergen is! Het hoort niet op de rug van een mens! Neem het leven van de Wanawut terug en geef onze kinderen terug aan deze man en zijn volk!' Cheanah wachtte. Zijn volk keek toe. Maar de geesten namen noch de huid, noch de kop van de Wanawut terug. Trillend knikte hij, alsof hij luisterde naar een innerlijke stem, en wees toen naar Seteena.
'Die jongen hoort niet te leven. Die jongen zal niet het voedsel van zijn volk eten. Die jongen zal voor altijd met de wind meegaan!' Ekoh verstijfde en legde een beschermende hand op de schouder van zijn zoon. 'Hij zal niet alleen gaan,' zei hij dapper, maar Cheanah luisterde niet.
De hoofdman liep naar Honee toe. Hij sleepte haar aan haar haren voort en gooide haar naar Teean.
'Neem haar! Ze is van jou! Doorboor haar nu, in het bijzijn van ons allen. Zhoonali heeft gelijk. De geesten kijken! Laat hun zien dat het volk van Cheanah zijn voorouders en de gewoonten van degenen die vóór ons met de wind zijn meegegaan in ere houdt! Laat hen het ongeluk terugnemen dat over deze stam is gekomen!'
'Nee,' gilde Honee, en wilde wegrennen, maar Cheanahs vingers klauwden weer in haar haar en trokken haar terug.
Terwijl de stam toekeek, aarzelde Teean, want tijdens de afgelopen manen had de honger zijn overmoed weggenomen. Nu stond hij zielig te bibberen terwijl hij zijn kleren losmaakte. Zijn lid was slap.
Hij bewerkte het heftig, maar het baatte niet.
Honee hoorde haar vader zacht zuchten van machteloze woede. Hij draaide zich naar haar toe en begon haar de kleren van het lijf te rukken. Zij verzette zich tegen hem totdat hij haar met één klap naakt in de modder aan zijn voeten deed belanden. 'Spreid je benen! Nu!'
Bitterkoude regen en sneeuw striemden tegen haar aan terwijl ze op haar handen en voeten ging zitten en overeind probeerde te komen. Maar de grond onder haar was glibberig en ze viel naar adem snakkend neer terwijl Teean haar van achteren beklom. 'Moeder! Zhoonali! Laat hem ophouden!'
Geen van beide vrouwen zei iets terwijl de stam in een dichte kring om Honee en de oude man ging staan. Ze staarden uitdrukkingsloos naar haar. De oude Teean klemde haar borsten in zijn benige handen en hield haar vast, terwijl hij zijn verlepte lid tegen haar achterwerk duwde en naar binnen probeerde te komen... pompend, maar haar niet penetrerend.
Snikkend en huiverend van kou en schaamte liet Honee zich opzettelijk naar voren vallen en rolde opzij in de modder in de hoop de oude man zo van zich af te schudden. Het hielp niet. Hij lag muurvast boven op haar, terwijl hij met vertrokken gezicht op haar tekeerging zonder dat het iets opleverde.
'De krachten der Schepping geven dat oude been geen leven meer.' Honee keek op. Mano stond over haar heen gebogen, met zijn eigen lid ontbloot en stijf in de regen.
'Nee...' kreunde Honee. Maar het zou gebeuren. Ze wist het. Ze wierp haar hoofd achterover en gilde, maar ze wist dat het niet hielp. De ogen van de mannen van haar stam hadden die vreemde, starre blik gekregen die ook het gezicht van Mano vervormde. Ze stonden klaar om haar aan te randen. Ze waren uitgehongerd en zwak en zonder energie, maar de aanblik van een maagdelijke vrouw die naakt en kwetsbaar in de regen lag, was voldoende geweest om hen kracht te geven. Zelfs Cheanah ontblootte zich. Ze staarde hem aan. 'M-mijn vader... nee...'
Zijn gezicht stond strak. De kring werd kleiner. De vrouwen waren er niet meer bij. Zelfs Anak stond dreigend klaar. Alleen Yanehva aarzelde totdat Cheanah woedend tegen hem uitviel. 'Nee! De krachten der Schepping kijken toe. We moeten het allemaal doen! Allemaal!'
Yanehva schudde langzaam zijn hoofd. 'Dit is niet juist. Ze is maagd.' 'Ze is niets!' brulde Cheanah. 'De kracht van de stam is alles!' Hij was net een grote beer toen hij zich vooroverboog en ongeduldig grauwend de protesterende Teean wegduwde. 'Nog even... nog heel even!' smeekte de oude man. Honee haatte hen allebei terwijl ze snikkend en slap onder haar vaders wreed zoekende handen lag. Ze wilde dat Moeder Beneden haar omlaag zou trekken in haar beschermende omhelzing. Maar het was niet Moeder Beneden wier bevel Cheanah deed ophouden met de verkrachting van zijn eigen dochter. Het was Zhoonali. Honee keek op en kreeg even hoop. Toen zag het meisje de lange klauw van de reuzenluiaard in haar grootmoeders hand. 'Volgens de traditie van onze voorouders zal Teean zijn vrouw laten bloeden; als hij het niet met zijn eigen been doet, dan hiermee!' verklaarde Zhoonali.
'Nee!' gilde Honee, strak naar de klauw kijkend. Hij was twee keer zo lang als de hand van een man, een geolied gevaar dat zwart zag van het bloed. Met een gil worstelde het meisje zich los uit de greep van haar vader en probeerde wanhopig overeind te komen. Het had echter allemaal geen zin.
Cheanah greep haar, trok haar weer omlaag en dwong haar op haar rug te gaan liggen, terwijl Mano haar benen vastgreep en wijd uiteentrok, zo wijd dat ze dacht dat ze gek zou worden. De jonge Anak en Ram grepen een van haar voeten vast en Mano bleef de andere vasthouden.
'Lig stil,' fluisterde hij. 'Stel je voor dat ik in je binnendring.' 'Nooit!' schreeuwde ze en was verbaasd toen er geen geluid, maar alleen een raspend geluid uit haar keel kwam. Zhoonali had Teean de klauw gegeven. Hij kwam op haar af. 'Verzet je hier niet tegen, Honee,' adviseerde de oude vrouw. 'Het zal gebeuren volgens de traditie die je voorouders sinds het begin der tijden hebben gekend, voor het welzijn van de stam.'