10
Niemand wist precies wie de leeuwen het eerst hoorde, maar toen ze ze eenmaal hoorden, werd er niet meer gepraat. Ze sprongen overeind en de vrouwen trokken hun kinderen naar zich toe terwijl de mannen hun wapens grepen. Iedereen stond met zijn rug naar de vlammen gekeerd te luisteren. Het vuur sputterde en knetterde terwijl de stukken vet aan de spiesen dropen, vlam vatten en samen met hun spiesen verbrandden omdat de vrouwen die ermee bezig waren alle belangstelling voor eten hadden verloren. 'Wat is er?' vroeg Zomermaan die niet wilde worden vastgehouden. 'Wij zijn niet de enigen in dit land die honger hebben,' legde Torka uit.
'Maar we hebben geen spoor van leeuwen gezien,' fluisterde Eneela, Dak dicht tegen zich aantrekkend.
Grek gaf Simu's vrouw antwoord. 'Misschien hebben de leeuwen ons wel gevolgd, net zoals wij de kudde hebben gevolgd?' 'Wij zijn mensen!' protesteerde Zomermaan, die weer vergat dat ze maar een meisje was. 'Mensen zijn geen vlees!' Lonit bracht haar tot zwijgen terwijl Demmi, die op haar moeders heup zat, vergeefs smeekte om te worden neergezet. Torka keek aandachtig naar zijn kleintjes. Wat waren het een dappere wezentjes! Maar hoe kon het ook anders met zo n moeder als Lonit! Hij zou Zomermaan later wel duidelijk maken dat ze haar plaats moest kennen, maar nu, in de toenemende duisternis, terwijl in het struikgewas tussen hen en de rivier de leeuwen brulden als donderslagen, had het meisje recht op een antwoord.
'De krachten der schepping hebben ons - man, vrouw en kind - zowel roofdier als prooi gemaakt. De leeuwen hebben honger, net als jij, en ze moeten ook eten. Wanneer wij eten van het vlees dat de prooi vormt van leeuwen, zit de levenskracht van de dieren die we eten in ons bloed en vlees. En dus, Dochter, zijn we inderdaad vlees. Omdat de krachten der Schepping ons op deze aarde hebben gezet zonder de snelvoetigheid van grazers en zonder de klauwen en scherpe tanden van vleeseters, hebben ze ons even verstandig gemaakt als we zwak zijn, zodat we slim genoeg zijn om een kring rond een vuur te vormen, waar geen enkele leeuw dichtbij durft te komen.'
Ze stookten het vuur die nacht hoog op door de kleine vuurplaats te bedekken met stenen om het vuur aan de onderkant goed warm te houden en daarna alle grassen en struikjes die ze konden vinden op het vuur te gooien en ook de gedroogde botten die van vele maaltijden waren opgespaard en alle mest die de vrouwen tijdens de lange tocht hadden verzameld. De kostbare brandstof had nog voor heel veel vuren moeten dienen, maar dit was een vlammenzee die de hitte van vele vuren bevatte. Terwijl de vonken opspatten en de vlammen knetterden, bleven de mannen op bevel van Torka waakzaam en met hun speren in de hand klaar zitten. Ze zongen dappere liederen om de leeuwen hun stemmen te laten horen en te laten weten dat degenen die het vuur gevangen hielden en op hun bevel lieten opvlammen, bang en onverschrokken waren.
Misschien zongen ze wel te onverschrokken. Misschien vlamde hun vuur wel te hoog op. Tijdens die nacht, lang nadat de leeuwen stil waren geworden, draaide de wind en werd de lucht warmer. Tijdens dat zachte, mistige uur wanneer de ochtendstond de kleur van de horizon begint weg te nemen, klonk er een geweldig en angstaanjagend geluid waardoor de mensen overeind sprongen en staarden in de richting waaruit ze waren gekomen.
Het ijs op de rivier was aan het breken. Het voorjaar was eindelijk aangebroken. Met donderend, ontzagwekkend geweld begon de dooi, terwijl uit duizenden ravijnen het lang bevroren water begon te stromen.
Het ijs was nu al dagenlang aan het smelten, diep in de aarde, diep in de sneeuw op de bergen en diep in de rivier. De dooi was onzichtbaar en werd niet opgemerkt, behalve misschien door vissen die op de bodem leefden of door fluithazen die voorzichtig tevoorschijn kwamen uit de rotsspleten op de zuidhellingen, waar het mos dikker en zachter begon te worden. Met hun oren naar achteren, verward door het geluid van water dat diep in de ijsmassa voortstroomde, liepen schapen over hoge, met gletsjers bedekte bergruggen en stapten voorzichtig door smeltende sneeuw die nog maar een paar dagen geleden bevroren was geweest.
Het begon met een druppel water... een enkele druppel, helder als de lucht, zoet en vol van het ijs en de sneeuw... een enkele traan, van verdriet dat de winter voorbij was of van vreugde om de komende lente. Het was slechts één druppel, een kleine druppel, maar weldra waren het er twee en daarna honderden en daarna ontelbaar veel. Weldra was die ene druppel vocht uitgegroeid tot een brullend, verslindend geweld dat uit honderden ijsvelden, gletsjers en sneeuwwallen kwam, totdat elke beek en rivier in het land bewoog van het water dat snel voortstroomde onder de huid van winterijs. De bevroren rivier die Torka en zijn volk met gemak waren overgestoken, was nu een kolkende massa die steeds verder zwol tot het ijs erop luid gillend brak. Het kolkende water eronder gilde terug van onder botsende en schuivende ijsschotsen. De schotsen kreunden en draaiden en drongen naar het oppervlak om weer met donderend geraas te verdwijnen wanneer ze werden meegesleurd door de woeste stroom. De winter stierf en het geluid van de pas herboren rivier weerklonk over de aarde en door de lucht, tot in de hoogste passen. Karana die stokstijf naast Torka stond, keek naar het westen, over de rivier en de eindeloze vlakte die zich uitstrekte tussen hem en het verre land van Cheanah, waar een menselijk kind dronk aan de borst van een beest naast een half menselijk kind dat hem op een dag Broeder zou gaan noemen.
'We kunnen niet terug,' zei hij alsof hij uit een droom ontwaakte. 'Nee,' gaf Torka toe, terwijl de anderen naast hem kwamen staan. 'De krachten der Schepping hebben gesproken. We kunnen niet terug. De mammoet heeft ons dus blijkbaar toch de goede weg gewezen.'
En dat was ook zo, want terwijl de rivier zwol en begon te overstromen, volgden ze de mammoet de pas in. Het was een hoge, brede pas, waar ze goed konden lopen en waar gras groeide ver boven de rivier. Hoewel de hoge, ijzige bergen de wind antwoord gaven en het geluid van de dooi overal weerklonk, hadden ze niet het gevoel dat het een gevaarlijk gebied was, want ze zagen geen teken dat ze de rand van de wereld bereikten. Overdag zweefden ver voor hen uit de reuzencondors, die altijd een gunstig teken voor het Volk waren. Waar die grote aaseter vloog, was altijd wild te vinden. Aan het eind van de derde dag op hun tocht vanaf de oever van de rivier, nadat ze langs een breed meer vol ijsbergen waren getrokken waarvan de noordoostelijke oever een hoge ijswand was, stopten ze op de top van een lange helling aan het uiteinde van de pas. 'Het mooie dal!' riep Zomermaan.
Niemand sprak haar tegen. De bergen liepen voor hen uit steil naar beneden. Twee brede, door rivieren uitgesleten ravijnen doorkliefden de woeste rotsen. Een ravijn liep recht naar het zuidoosten en vormde een duidelijke weg naar het enorme dal in de diepte, het andere ravijn liep in noordelijke richting en werd versperd door de gletsjer waar ze zo bang voor waren geweest. Nu konden ze hem voor het eerst goed zien. Het was een enorme, verticaal lopende berggletsjer. De bovenkant stak ver over de bergkam heen en vormde de hoge, gekartelde witte steilte die ze op de noordoostelijke oever van het meer hadden gezien. De onderkant was als een reusachtige witte korst die tussen de uitstekende rotswanden van de noordelijke hellingen was geklemd.
Broeder Hond jankte om het gevaar dat zijn reisgenoten bedreigde, terwijl hij naar het onheilspellende, gegroefde ijs keek en naar de eeuwig overschaduwde kloof vol ijs die de gletsjer gevangen hield. De stam had zich al omgedraaid naar het zuidoosten en keek naar het tweede, veel minder steile ravijn dat omlaag liep naar het dal. Er lag geen ijs en het ravijn was dicht begroeid met verschillende soorten hardhout en geurige sparren.
'Mammoets... veel mammoets!' riep Grek, want terwijl ze in de diepte keken, kwam het getrompetter hun tegemoet vanuit de schaduwrijke, beschutte bossen. 'Onze grote mammoetgeest trekt dus blijkbaar niet over de rand van de wereld om eenzaam te sterven,' zei hij met een vette knipoog naar Simu. 'Je kunt je angst vergeten, mijn broeder, want onze Levenschenker weet waar hij naartoe gaat! Luister! Zijn vrouwen en kinderen wachten op hem, net zoals het wild op ons wacht in dat prachtige, goede dal dat voor ons ligt!' En mooi en goed was het. Het werd aan alle kanten omgeven door heuvels en bergen en het was adembenemend mooi. Overal waar ze keken zagen ze wild. Niet alleen kariboes - duizenden kariboes, zoveel dat de geur ervan die van ander wild maskeerde - maar ook bizons en paarden, kamelen en rendieren, die allemaal aten van het jonge gras en dronken uit door wilgen geflankeerde gletsjerbeken en moerassen langs de oevers van de talloze meertjes die in de bochten van een grote, slingerende rivier lagen.
Betoverd bleven ze zwijgend staan, totdat Grek uiteindelijk zei: 'We moeten de Vader Boven en de Moeder Beneden danken dat ze ons veilig naar deze plek hebben laten komen.'
'En alle krachten der schepping dat ze Levenschenker ons de weg hebben laten wijzen,' voegde Simu eraan toe. 'En onze tovenaar!' zei Zomermaan met een hoog stemmetje. 'Hij beloofde ons dat we bij het mooie dal zouden komen!' Ze brachten dank uit en zongen lofliederen voor Vader Boven en Moeder Beneden, voor Levenschenker en Tovenaar en alle krachten der Schepping. En toen het laatste lied was gezongen, knikte Torka grijnzend.
'Er is er een die we vergeten zijn,' zei hij tegen hen. Hoewel hij zachtjes en ernstig praatte en heel serieus was, fonkelden zijn ogen van plezier. 'We moeten de zoon van Zhoonali danken, want als Cheanah ons niet had gedwongen om verder te trekken, zouden we nooit het land in de verte hebben verlaten en dit dal in het Verboden Land hebben gevonden... dit prachtige dal... dat hij nooit zal zien en waarvan hij nooit iets zal weten...'