4

De beesten met hun werpstokken kwamen eraan en er was niets wat het kleine beest ertegen kon doen. Hij keek naar hen vanaf de uitstekende rots voor de grot. Terwijl hij keek ging hij hen steeds meer haten, maar raakte hij ook steeds meer door hen geboeid. Ze bewogen net zoals hij, rechtop op lange ledematen, met hun rug bijna recht en hun korte armen naast zich bungelend. Nu en dan stopten ze en keken ze op. Hij betwijfelde of ze hem hadden gezien. Hij stond te hoog boven hen en de uitstekende rots voor de grot hield hem uit het zicht.

Zuster kwam naast hem knielen. Ze leunde voorover en keek naar beneden langs de rotswand. Toen ze de beesten zag, zuchtte ze verward en bezorgd. Ze fronste haar voorhoofd zo sterk dat haar grijze oogjes bijna verdwenen. Ze keek hem aan alsof ze verwachtte dat hij de beesten wel weg zou jagen. Toen hij dat niet deed, sloeg ze op haar borst en krijste. Daarna ging ze weer de grot in, boog zich piepend over het lichaam van Moeder en duwde tegen haar schouder. Moeder bewoog niet.

Hij keek toe en wilde dat hij haar duidelijk kon maken dat haar rondlopen, piepen en porren aan Moeder niet waren besteed. Als de beesten moesten worden weggejaagd, zouden Zuster en hij dat moeten doen. Hij verzamelde handenvol vuil nestgras, uitwerpselen, en weggegooide botjes, maar tegen de tijd dat hij dat alles over de rand gooide, waren de beesten onder de uitstekende richel en viel de rommel zonder schade te berokkenen over hen heen. Weldra zouden zij hun doel bereiken.

Hij werd overvallen door een gevoel van paniek. Hij keek achter zich naar Zuster. Ze was zoveel groter dan hij was, en haar klauwen en tanden waren benijdenswaardige wapenen. Maar Zuster was geen vechter. Ze zouden haar doden en zoveel van haar eten als ze wilden, zonder dat hij hen zou kunnen tegenhouden, want dan zouden ze hem ook doden en opeten.

Hij gromde diep in zijn keel. Hij kon maar één ding doen. Dat deed hij dus, maar niet zonder een gevoel van spijt.

Cheanah en Mano kwamen bij de grot en bleven gespannen en met hun speer in de aanslag staan. Maar het grote, grijze kadaver dat op zijn zij lag in smerige, stinkende, donkere grot, leverde geen gevaar op. 

'Waar zijn de jongen?' Cheanahs vraag was niet meer dan een gefluister, alsof hij op een heilige plek sprak.

'Verdwenen in de nevelen boven ons. Maar we hoeven niet verder te gaan.'

In stilte legden vader en zoon hun speren weg, trokken hun stenen vilmessen en knielden neer om de eerste van vele sneden te zetten.

De hele dag verborgen het kleine beest en Zuster zich in de schaduwen van de grote, overhangende, met mossen beklede rotsblokken die her en der op de top van de berg lagen. Ergens in de diepte viel iets langs de bergwand. Ze hoorden het een paar keer tegen de wand slaan en verder rollen. Waar het tegen de berg sloeg, braken stenen los en weldra hoorden ze het geraas van steenslag. Een beest schreeuwde en toen viel er stilte. De jongen van de Wanawut kropen dicht tegen elkaar aan in de lange, bitterkoude nacht, maar hoewel Zuster hem stevig in haar dichtbehaarde armen hield, had het kleine beest het niet warm. In zijn hand hield hij de mensensteen die Moeder hem had gegeven en in zijn hart koesterde hij de herinneringen aan de ontelbare dagen en nachten van haar liefde, een liefde die hij nooit meer zou kennen.

Tegen de ochtend vond Zuster, die onrustig en hongerig was, een veldmuis en at die op. Hij wilde niet eten, niet voordat hij naar de grot was teruggegaan en zelf had gezien wat de beesten hadden gedaan.

Hij kende de contouren van de berg even goed als hij eens de contouren van Moeders borsten had gekend. Zelfs in de ijzige nevel van de dageraad ging hij Zuster zonder moeite voor, maar hij aarzelde voordat hij de grot inging. Het rook er sterk naar de beesten en ook naar iets anders, iets wat maakte dat het kleine beest met zijn tanden knarste en zijn vuisten zo stevig balde dat de mensensteen in zijn handpalm sneed. Naast hem maakte Zuster een geluid van walging, maar ze liep zonder te aarzelen verder. Er volgde een stilte. Toen krijste ze. Slechts één keer.

Het kleine beest haalde diep adem. Hij hield zijn adem in toen hij de grot binnenging en ademde toen uit terwijl hij voor zich uitstaarde, zo geschokt dat hij zich niet kon verroeren. Zuster liep jankend en piepend als een wilde in het rond. Nog nooit had hij haar zo van streek gezien, maar hij was zelf ook nog nooit zo van slag geweest als hij nu was. Hij staarde langs haar heen naar ingewanden, vlees en hopen bloederige benen. Dat was alles wat er over was van Moeder. Ze hadden haar opengesneden en haar ingewanden eruit gehaald. Ze hadden haar gevild en haar hoofd en uitgeholde armen en benen intact gelaten. Die hadden ze aan de huid laten zitten en de lege huls van haar lichaam hadden ze naar beneden gegooid om zich de moeite van het dragen te besparen. Dat was het geluid dat ze hadden gehoord! Hij dwong zich om te kijken naar wat hun lijkschending had overgelaten. Hij begreep niet waarom de beesten het vlees achterlieten en de huid meenamen... en de lange, liefhebbende armen die hem eens hadden vastgehouden... de borsten die hem hadden gevoed...

Hij kon het niet verdragen. Hij draaide zich om, ging naar de rand van de grot en huilde smartelijk. Hij bleef huilen tot de wolven terughuilden vanuit de immense wereld beneden, alsof ze zijn pijn herkenden en wilden verlichten. Hij wist niet wanneer zijn geweeklaag een treurzang werd of wanneer zijn treurzang een lied van volmaakte, zij het smartelijke lyrische schoonheid werd. Hij wist alleen dat hij pijn had en dat het lied op de een of andere manier de pijn verlichtte.

Zuster kwam naar hem toe. Hij zag een doffe maar toch vragende blik in haar ogen en wist dat ze bang was. Ze kon de geluiden die uit zijn mond kwamen niet begrijpen, kon niet begrijpen waarom er warm vocht in zijn ogen opwelde en over zijn wangen liep, of weten waarom zijn lichaam verscheurd werd door hevig snikken toen hij haar vol broederlijke liefde omhelsde.

Hij hield haar dicht tegen zich aan. Getroost sloeg ze haar armen om hem heen en omhelsde hem. Toen hij haar ook omhelsde werd haar blik helderder en begon ze zacht te koeren. Hij wist dat zijn liefde voor haar voldoende was, maar hij had er niet genoeg aan. Zuster was een Wanawut en het kleine beest begon langzamerhand te begrijpen dat hij minder was dan een Wanawut, onbestemd, onaf, niet in staat om de wereld zoals die was te accepteren. Waarom was hij zo anders? Wat was hij? Wie was hij?

En hoe zouden hij en Zuster zonder Moeder overleven in deze wereld van beesten?

Haat verhardde zich in hem, balde zich samen in zijn maag en bleef hangen in zijn neusgaten tot hij er misselijk van werd. Zijn vingers kromden zich telkens weer om de mensensteen. Ze knepen en klemden tot de pijn door zijn handpalm schoot en het bloed eruit sijpelde. Hij wilde dat het pijn deed. Hij wilde een litteken achterlaten dat zo diep was dat hij het nooit kon vergeten. Vanaf dit ogenblik zou hij telkens wanneer hij naar zijn handpalm keek aan de smart moeten denken.

Met een schok dacht hij aan de werpstokken die de beesten naar Moeder hadden gegooid. Een ervan had haar arm geraakt en was daarna weggeschoten en in de mist verdwenen. Hij lag er waarschijnlijk nog steeds... net zoals de witte leeuw er waarschijnlijk nog steeds lag, verzwakt door zijn verwondingen. Met zijn mensensteen en een werpstok kon hij de leeuw doden en villen, zoals de beesten Moeder hadden gevild. En gewapend met zijn mensensteen en een werpstok kon hij de beesten die Moeder hadden vermoord doden. Ja!

Maar eerst moesten Zuster en hij een andere schuilplaats zien te vinden, want de beesten hadden hen samen met Moeder zien vluchten en hadden Zuster naar hen horen krijsen toen ze de berg beklommen. Wanneer ze op een dag zin zouden krijgen om weer op de Wanawut te jagen, zouden ze terugkomen naar de grot. Uiteindelijk viel Zuster in slaap en nam de smerige damp van zijn haat af tot een helder, koppig gevoel dat hem heel doelbewust maakte. Terwijl Zuster vredig op de richel sliep, stond hij op en ging de grot uit, naar beneden. Hij wist dat Zuster niet alleen de berg af zou gaan wanneer ze wakker werd. Hij liep met zijn mensensteen in de hand alleen door de woeste poolnacht, maar hij was niet bang. Hij zou weldra weer terug zijn bij Zuster, met een werpstok in zijn hand en de huid van de witte leeuw om zich heen.