2
Het was stil in het kronkelende dal tussen de heuvels. De uitgeputte kariboes ploeterden rusteloos verder, tot hun vetlokken in een dichte, laaghangende mist gehuld. Ze hadden het gebrul van de leeuw gehoord en daarom liepen ze waakzaam verder, met opgeheven kop en bewegende oren en staart.
Het kleine beest dook in elkaar. Hij luisterde of het gebrul nog een keer tussen de heuvels zou weerklinken. Hij hoorde niets. Hij rook ook geen leeuwengeur. Zuster stond aan de andere kant van het dal. Hij zag nog net haar kruin boven de heuvel uitkomen. Moeder was naar het begin van de kloof gelopen.
Nu vingen de kariboes voor het eerst haar geur op. Een paar koeien hieven hun kop op. Er klonk een jak-jak-jak uit hun keel. Wolken damp vormden zich boven hun neus en ze gingen in een kring bij elkaar staan.
Het kleine beest keek vol verwachting toe terwijl Moeder tevoorschijn kwam en haar armen uitstrekte. Ze schudde haar vuisten en hief haar mensensteen ten hemel. Ze krijste. Het was een afschrikwekkend geluid, maar haar gezicht was nog veel afschrikwekkender. Het kleine beest zwol van trots. Elke beweging deed haar pijn, maar toch ging ze nog op jacht voor haar jongen. Wat was ze dapper! Wat hield hij toch veel van haar!
Vandaag zou hij met behulp van Zuster haar proberen duidelijk te maken dat ze helemaal niet meer op jacht hoefde te gaan. Haar jongen waren nog niet helemaal volwassen, maar konden dankzij haar lessen zowel voor haar als voor zichzelf zorgen. Ze krijste weer, en het kleine beest krijste terug, zoals hij had geleerd. Zuster krijste ook en volgde toen de aanwijzingen op van het kleine beest dat hoog op de heuvel ging staan, met zijn armen zwaaide en zijn vuisten in de lucht schudde. Hij deed zo goed mogelijk het gedrag en geschreeuw van de Wanawut na en rende toen zo hard mogelijk krijsend en gillend naar beneden op de verschrikte kariboes af.
De kudde verspreidde zich en rende weg. Moeder stond recht tegenover de krijsende jongen die van twee kanten de heuvel afkwamen. De verschrikte kariboes draaiden zich om en renden naar het begin van de kleine kloof. Het dal was zo nauw dat maar een paar dieren konden keren. Doodsbange koeien renden over elkaar heen en kalveren werden hopeloos vertrapt en verdwenen in de laaghangende mist. Moeder en Zuster stortten zich erop en begonnen te eten. Het kleine beest bleef echter staan en keek begerig naar een mooie, snelle koe die voor de andere uitrende. Hij stond op de heuvel te wachten, klaar om naar beneden te springen wanneer de koe onder hem doorrende. Met een schreeuw van verrukking vloog hij door de lucht. Gillend en huilend kwam hij op de rug van de koe neer. Hij greep haar gewei, klemde zijn benen om haar rug en hield zich uit alle macht vast.
Haar doodsbange ogen puilden uit, haar neusgaten sperden zich open en ze snoof doodsbenauwd. Ze sprong, bokte en draaide, en probeerde zich wanhopig van hem te ontdoen. De wind wapperde door zijn haar en het speeksel van het verdwaasde dier waaide als warme sneeuw tegen zijn gezicht terwijl hij op de rug van de doodsbange kariboe het dal uitgaloppeerde en de open steppe opging. Ze bleef keihard rennen. Haar hart bonkte tegen haar zwoegende ribben en tussen zijn dijen was haar lichaam warm en nat als bloed. Hij hoorde alleen nog maar het donderende geluid van de hoeven van de kariboe.
Toen viel ze opeens zonder waarschuwing dood neer. Het kleine beest viel geschrokken samen met haar op de grond. De kariboe lag op haar zij, boven op hem... en boven op de kariboe zat iets groots dat grommend en grauwend het lichaam van de dode koe met enorme poten bewerkte.
Het bloed liep het kleine beest in de ogen, maar hij zag nog net in een flits de kleur van die poten. Bleke vacht groeide als vuil, bebloed gras om de enorme voetkussens en klauwen van de witte leeuw.
'Kijk! Daar in de mist voor ons! Daar is de leeuw die je zoekt!' Mano en Cheanah bleven stilstaan toen ze een grote kariboe uit de heuvels voor hen zagen rennen. Het was net of het dier iets op zijn rug had, maar het was zo ver weg dat ze niet konden zien wat het was. Maar toen de kariboe opeens op zijn zij viel, zag zowel Mano als Cheanah de witte schim die plotseling uit de mist opdook en zich op de kariboe stortte.
'De witte leeuw...' Cheanah leek te groeien terwijl hij grimmig die woorden sprak. Toen begon hij zonder nog een woord te zeggen met grote stappen doelbewust te lopen.
Mano, die naast hem rende, was al snel buiten adem. 'De wind is in ons voordeel en de leeuw zal ons pas zien als we zo dicht bij hem zijn dat we hem kunnen raken. Er is geen reden tot haast.' Cheanah keek hem kwaad aan terwijl hij doorrende. 'Ik heb al te lang op deze prooi gewacht.'
Maar toen hij en Mano dichter bij hun prooi kwamen, doemde er een andere gestalte op uit de mist. Het was een groot grijs wezen dat tot zijn middel in de nevelen was gehuld. Het leek merkwaardig veel op een mens zoals het op zijn achterbenen liep en schreeuwend op de leeuw en de kariboe afstormde.
'Bij de krachten der Schepping, wat is dat!' Mano's gezicht vertoonde angst, walging, afschuw maar ook bewondering. Hij bleef naast zijn vader staan staren.
'Een windgeest... Wanawut...' Cheanah trilde van machteloosheid. De witte leeuw keek om en zag meteen wat er op hem afkwam. In plaats van weg te rennen draaide hij zich om naar zijn tegenstander. Hij boog zijn grote, lichtgekleurde, door vele gevechten gehavende kop en liet een waarschuwend gebrul horen, maar de Wanawut bleef op hem afkomen. Cheanah en Mano zagen hoe de leeuw zijn poot uitstak en een lange haal over het gezicht van de Wanawut gaf waarna hij hoog opsprong en in de mist verdween, maar niet zonder dat de klauwen van de Wanawut zijn flank hadden geraakt. Cheanah vloekte. De leeuw was verdwenen. De windgeest had hem weggejaagd en misschien wel dodelijk verwond. Mano hief zijn speer op.
'Wacht!' beval Cheanah op scherpe toon, maar het was al te laat. Mano's speer raakte de schouder van de Wanawut en verdween toen inde mist. De Wanawut keek naar de speer en toen naar de jager die de speer had gegooid. De leeuw had een breed spoor bloedende Wonden op haar afschuwelijke snuit achtergelaten en ze greep met haar linkerhand haar rechterschouder. Het bloed sijpelde tussen haar enorme, met bont bedekte vingers door. Ze staarde naar het bloed, vertrok haar lange, brede mond van pijn en ontblootte haar tanden. Ze gaf een hoge dreigende schreeuw om hen te verjagen en boog zich over het karkas van de kariboe.
'We zouden hem kunnen doden,' zei Mano zachtjes tegen zijn vader, met zijn ogen op het beest gericht. 'Als we nu naar voren zouden rennen, als we allebei onze speer zouden werpen voordat hij weg kon rennen... Denk je eens in. Wat zou ons volk zeggen van zo'n buit, hè? Beter dan een witte leeuw, ja?'
'Nee! Mensen mogen hun speer niet opheffen tegen een geest!' Mano lachte ruw. 'Heb je hem niet zien bloeden? Het is geen geest.' Voordat Cheanah hem kon tegenhouden, hief Mano een speer op, rende een paar stappen en wierp de lans zo hard als hij kon. Hij schreeuwde triomfantelijk toen de speerpunt zich tot Cheanahs verbazing in de rug van de Wanawut boorde. Het wezen krijste en boog zich ver achterover. Tot hun schrik kwam ze weer overeind, boog zich naar achteren en brak de schacht van de speer doormidden toen ze er niet in slaagde hem uit haar rug te trekken. Met nog een stuk schacht in haar schouder draaide ze zich om en wierp de rest van de speer terug naar Mano.
Omdat er geen punt aan zat om hem in een rechte baan te houden miste de speer doel.
De twee jagers stonden klaar om weg te rennen, maar de Wanawut bewoog niet. Ze bleef houterig staan en had kennelijk erg veel pijn. Toen boog ze zich langzaam voorover en graaide in de laaghangende nevel op de plek waar het gewei van de kariboe uit de mist omhoogstak. Terwijl Cheanah en Mano ongelovig toekeken, tilde de Wanawut het karkas van de kariboe op, hield het hoog boven haar hoofd en kwam op de mannen af. Huilend van woede smeet ze het slappe, bloedende, door de leeuw verscheurde karkas naar hen toe alsof het niet meer woog dan een lege, van een blaas gemaakte zak. Het karkas kwam zo hard en snel op hen af dat Cheanah en Mano geen tijd hadden om te bukken voordat het hen tegen de grond sloeg.
Een van de punten van het gewei haakte zich onder de linkerhoek van Mano's mond toen hij viel. Zijn hoofd draaide met een ruk naar rechts en hij voelde hoe het gewei zijn lip verscheurde. Ondanks de duizeligheid, angst en woede proefde hij het bloed. Naast hem probeerde Cheanah wanhopig onder het karkas vandaan te komen. Hij kroop op handen en voeten weg, begon toen te rennen en riep naar Ivlano dat hij met hem mee moest komen voordat de Wanawut hem aanviel.
Het gezicht van de jonge man vertrok van woede toen hij besefte dat zijn vader het hem verder zelf liet uitzoeken. Hij kwam overeind en begon te rennen terwijl hij met zijn vingers voorzichtig aan zijn mond voelde. Zijn wang lag tot halverwege zijn oor open; hij zou voor de rest van zijn leven getekend zijn. En al zou het een litteken zijn om over te snoeven omdat hij het had opgelopen in een gevecht met de Wanawut, het zou hem er toch ook altijd aan herinneren dat zijn vader hem in de steek had gelaten toen hij in levensgevaar verkeerde.
Maar Cheanah had een rondje gelopen door de optrekkende mist en stond nu met zijn speren in zijn hand naast zijn zoon. 'Kijk! We zijn nu veilig. De Wanawut rent naar de heuvels. En hij is niet alleen.' Met zijn hand tegen zijn gescheurde wang keek Mano woedend in de verte, waar een tweede, kleinere windgeest naast de oudere liep, arm in arm, tegen de ander leunend alsof hij het grotere, gewonde beest ondersteunde. Achter hen rende een nog kleiner wezen. Terwijl het drietal in de verte verdween, fronste Cheanah zijn wenkbrauwen. 'Heb je die met het zwarte haar gezien? Zoiets heb ik nog nooit gezien! Toen ik achteromkeek zag ik de Wanawut dat jong met het zwarte haar uit de mist trekken en kijken of hij niet gewond was. Het kleinste jong zat waarschijnlijk onder de gevallen kariboe en toen de Wanawut uit de mist opdook om de witte leeuw aan te vallen zette ze haar eigen leven op het spel om dat van haar jong te redden.'
Onmogelijk,' verzekerde zijn vader met onverholen minachting. Het zijn beesten. Jij bent een mens. En dat doe je nog niet eens voor mij.'
Moeder was stervende.
Het kleine beest knielde naast haar neer. Achter hem liep Zuster zielig piepend rondjes door de grot. Het kleine beest wilde dat ze ophield. Het schuifelende geluid van haar voeten ergerde hem. Haar gepiep, een snelle opeenvolging van hoge klanken, deed hem denken aan het bange gepiep van vogels vlak voordat hij ze doodde. Hij wilde niet aan de dood denken. Alleen al de gedachte leek de dood naderbij te brengen.
Moeder zuchtte. Het was een geluid vol pijn. Hij maakte een gebaar naar Zuster dat ze stil moest zijn en naast Moeder moest komen zitten, maar hoewel ze haar mond dichtdeed, bleef ze rondjes lopen en wilde niet komen. Ze bleef met opzet naar haar voeten kijken. Hij werd woedend, maar zijn woede werd bijna onmiddellijk verdrongen door medelijden. Hij had allang geaccepteerd dat Zuster niet hetzelfde dacht als hij. Ze was zo gauw bang en in verwarring. Moeder lag op haar zij in een zee van bloed. Er liep vocht uit de lange diepe halen op haar gezicht en arm. Bloed borrelde op in haar mondhoek en uit het gat in haar rug waar het gebroken bot uitstak.
Hij streelde haar zachtjes om haar geen pijn te doen. Haar huid rimpelde onder zijn hand. Haar ogen waren op hem gericht, haar mooie nevelgrijze ogen die meestal zo leken op de koele mist hoog in de bergen waar hij zo van hield. Hij hield zijn hoofd scheef. Die ogen hadden nu niets koels. Ze waren verhit, troebel en roze van de koorts. Terwijl hij keek werd het grijs opeens een smalle rand om een steeds groter wordend midden. Zijn eigen ogen werden groot. Het zwarte centrum maakte hem bang. Het was net of het openging en leidde naar... wat? Hij hield zijn adem in. Wat had hij in Moeders ogen gezien? Leegte. Een vreselijke, zwarte, afschrikwekkende leegte, alsof Moeder niet meer in haar lichaam was, alsof haar huid en beenderen en bont niets anders waren dan een levenloos omhulsel van niets... helemaal niets.
Ze knipperde. Het zwarte centrum van haar ogen stortte in en ze staarde het kleine beest recht aan vanuit het mistige grijs dat hij kende en waar hij zo van hield. Hij zuchtte opgelucht. Moeder was weer terug in haar huid. Haar mond ging open. Er kwam geen geluid uit, behalve het zachte, constante borrelen van bloed dat van ergens diep in haar borst opwelde. Langzaam en met enorme inspanning tilde ze haar hand op. Ze hield nog steeds haar mensensteen vast. Haar vingers openden zich en de lange, lancetvormige dolk viel in de schoot van het kleine beest.
'Ma... na... ra... vak...' zuchtte Moeder. Er lag zoveel pijn in haar stem dat hij zelf geen pijn voelde toen haar hand zo zwaar op zijn schouder viel dat hij bijna brak. Hij voelde alleen met haar pijn mee.
'Ma--- na-- ra-" zei hij na zonder te weten waarom. Hij zag het grijs uit Moeders ogen wegtrekken terwijl haar leven samen met haar bloed en adem haar lichaam verliet.
Hij raakte haar aan, maar ze bewoog niet. Haar kaak hing slap, haar tong hing naar buiten, haar ogen waren open en leeg en zonder kleur. Hij duwde tegen haar aan, maar terwijl hij duwde wist hij dat het zinloos was. Moeder was dood en zou nooit meer voor haar jongen zorgen.
Verdwaasd bleef hij voor zich uit zitten staren terwijl hij luisterde naar het gepiep en geschuifel van Zuster. Hij vond de geluiden nu rustgevend. Moeder was dood, maar Zuster was nog bij hem. Hij was niet alleen. Hij keek naar de mensensteen en dacht aan de witte leeuw en de beesten met hun werpstokken. Ze hadden Moeder gedood. Nu zou hij hen doden.
Zijn hart was vol haat, vermengd met een nog bitterder gevoel van schuld en spijt. Zijn eigen onnadenkendheid had tot haar dood geleid! Had hij maar niet toegegeven aan die impuls om zijn prooi zelf te achtervolgen, dan had Moeder hem niet te hulp hoeven komen! Dan zou ze nog steeds leven. Hij keek op haar neer en raakte haar geliefde gezicht aan. De pijn die in hem opwelde was zo puur en intens dat hij het gevoel had alsof hij eraan zou sterven. Zuster kwam naast hem staan. Hij zag aan haar nietszeggende blik dat ze niet begreep dat Moeder dood was. Hij vroeg zich af of ze het ooit zou begrijpen. Hij zuchtte terwijl ze naast hem ging zitten. Ze drukte zich dicht tegen hem aan en zocht troost in zijn warmte en nabijheid. Ze glimlachte naar hem. Voor het eerst van zijn leven kwam de verwrongen, omgekeerde glimlach van de Wanawut makkelijk op zijn lippen. Hij vroeg zich af waarom zijn ogen zich met een vreemd, branderig vocht vulden. Het vocht welde onder zijn oogleden op en liep over zijn wangen. Opeens snikte hij het uit, terwijl Zuster bezorgd en verbaasd naar hem keek, haar vingers over zijn gezicht haalde en ze daarna in haar mond stak om iets te proeven dat de Wanawut niet kende, evenmin als andere dieren. Zijn tranen... zijn geheel menselijke tranen.