2
Op diezelfde stralende herfstdag, kilometers bij het moeras vandaan waarin de mammoet lag te sterven, bleef Lonit staan en keek naar het westen. Het was er weer, diep in haar hart: dat vreselijke, knagende gevoel van verlies, dat kleine, zachte stemmetje dat haar riep vanuit het verleden.
Moeder! Waar ben je, Moeder? Ik ben hier en ik wacht. Waarom heb je me alleen gelaten... ver weg... voor altijd verloren? 'Manaravak?' Ze zei de naam van haar zoon en besefte toen dat ze dwaas was om zelfs maar aan hem te denken. Het was de vier jaar oude Umak die haar had geroepen. 'Moeder! Moeder, kijk!' Ze keek. Ze zag hem en haar bedroefdheid verdween. Wat een pienter, dapper en mooi jongetje was hij en wat leek hij op haar, zoals hij met Dak in het riet aan het springen was en verrukt wees toen Mahnies bola door de lucht suisde.
Lonits ogen volgden de bola die hoog over het verwaaide, door de vorst roodgekleurde gras vloog, achter een gans aan die niet zo lang aan de rand van het toendrameertje had moeten blijven zitten om zich nog wat langer vol te stoppen met de laatste zaadjes en algen van de zomer. De behoefte om te eten had zwaarder gewogen dan de behoefte om weg te vliegen... tot hij Eneela en de kinderen door het laagstaande water had horen soppen en zich in paniek op de vlucht had laten jagen.
De meeste soortgenoten van de gans hadden het dal al lang verlaten op hun trek naar het zuidoosten. Een paar vogels bleven achter. De gans die nu op het punt stond om verstrikt te raken in Mahnies bola, wist niet dat al heel wat van zijn familieleden nu met een koord door hun bek aan de draagstok over Lonits schouder hingen. De suizende, door stenen verzwaarde riemen van Mahnies bola slingerden zich om de nek van de gans en braken zijn ruggengraat ogenblikkelijk. De vogel viel als een steen naar beneden en was dood voordat hij neerkwam, te midden van het verrukte geschreeuw van de kinderen en het applaus van Lonit en Eneela. Nog nooit had Mahnie een prooi zo uitstekend met haar bola weten te vangen.
Mahnie was niet zo heel erg verrast door haar prestatie. Ze had onder Lonits leiding lang en hard geoefend om zich te bekwamen en al veel kleine dieren en vogels met haar bola gedood, maar nog nooit zo'n mooie vogel als deze en nog nooit zo snel en met zo'n volmaakte worp. De bola was uit haar hand geschoten met een zekere balans en evenwicht.
Ze had trots horen te zijn, maar op de een of andere manier vertoonde Mahnie een merkwaardig gebrek aan enthousiasme. Ze had tegenwoordig al zoveel om zich over te verheugen: het prachtige dal, het mooie, droge, goed bevoorrade kamp in de grot, het succes dat ze - eindelijk - met de bola had! En het geluk dat ze - eindelijk - met Karana kende! Maar nu was daar een einde aan gekomen en wanneer ze aan hem dacht voelde ze zich zo ongelukkig dat ze even bijna vergat dat ze een gans had gedood... 'Wat krijgen we?' Ze hoorde nog steeds zijn vraag. 'Ik... we... krijgen een kind.'
'Een kind...' Hij had de woorden gezucht alsof ze hem net had verteld dat hij ging sterven.
'Een kind, ja. Voor Mahnie en Karana. Eindelijk.' 'Een jongetje of een meisje?'
Ze had hardop gelachen. 'Jij bent de tovenaar! Jij moet het mij vertellen, als je dat kan!'
Hij had het niet grappig gevonden. Hij was lijkwit geworden. Langzaam was hij opgestaan. Langzaam had hij zijn hoofd geschud. 'Een meisje. Ik zal de geesten om een meisje vragen.' Verbaasd had ze haar schouders opgehaald en geglimlacht. Ze wilde hem alleen maar een plezier doen. 'Dan zal ik dat ook doen. Maar wat er ook van onze liefde komt, een jongetje of een meisje, het zal deze vrouw vreugde brengen.'
Hij had haar lang en aandachtig aangekeken en zich daarna omgedraaid. En sinds die dag had hij niet meer geglimlacht en ook haar slaapvachten niet meer gedeeld...
Naast haar hield Eneela nu haar eigen bola tegen terwijl ze bezorgd
naar Mahnies opeens zo bleke gezicht keek. 'Wat is er?' Mahnie schudde haar hoofd. 'Niets...'
Eneela glimlachte veelbetekenend. Wij dragen alle drie een kind. Je moeder heeft je ongetwijfeld al verteld dat het heel gewoon is als wij af en toe misselijk zijn.' 'Ik ben niet misselijk,' zei Mahnie tegen haar. 'Je ziet eruit alsof je dat wel bent,' zei Lonit terwijl ze haar voorhoofd voelde. Mahnie duwde haar hand weg. Voor hen uit gilden Zomermaan en Demmi luidkeels omdat Dak en Umak de oudere meisjes achternazaten, wegrenden met de gans en de bola en met een boog terugliepen naar Mahnie. Ze pakte haar buit en de bola aan, terwijl ze bedacht dat ze gisteren nog blij zou zijn geweest bij het zien van de kinderen.
Maar nu, terwijl de jongens wegrenden om de meisjes weer te gaan plagen, klopte haar hart langzaam en vertrok haar mond terwijl ze haar hand naar haar strak gespannen buik liet glijden. Ze had nu al twee manen niet als een vrouw gebloed. Haar borsten waren strak en opgezwollen. Maar hoe kon ze nu gelukkig zijn als Karana dat niet was? 'Je moet niet net zo piekeren als hij,' adviseerde Lonit haar vriendelijk. 'Karana is altijd wispelturig geweest. Wees geduldig met hem. Misschien moet hij met Levenschenker praten of zelfs met de krachten der Schepping om zijn toverij weer te versterken voor ons aller welzijn.'
'Denk je dat?' vroeg Mahnie met weer enige hoop. Wanneer iedereen sliep merkte ze soms dat Karana wakker naast haar lag te piekeren, vol innerlijke smart die hij niet met haar wilde delen. 'Natuurlijk denk ik dat!' bevestigde Lonit. Ze trok de kleine jonge vrouw stevig tegen zich aan, liet haar toen los en hield haar bij zich door haar handen op haar slanke schouders te leggen. 'We hebben allemaal zo lang gewacht tot Mahnie een kind in haar buik zou krijgen dat we bijna de hoop hadden opgegeven dat het ooit zou gebeuren. Misschien is dat met Karana ook wel het geval. En nu uit jullie verbintenis eindelijk leven ontstaat, maakt hij zich zorgen om jou. Het is niet gemakkelijk om nieuw leven te baren, weet je.' Ze voelde zich beter. Lonit maakte bijna altijd dat ze zich beter voelde. 'Karana is weggegaan, ver bij dit kamp en zijn vrouw vandaan, naar de bossen hoog in de bergen. Maar jullie denken dat hij niet boos is op Mahnie?' Er verscheen een grijns op Eneela's mooie brede gezicht. 'Natuurlijk is hij boos! Zodra Mahnies buik begint te zwellen, zal Karana heel lang geen vrouw hebben om 's nachts mee te slapen. Bij deze kleine stam hebben Simu en Torka hetzelfde probleem.' Haar grijns verdween en ze dempte haar stem zodat de spelende kinderen haar niet konden horen. 'Eneela heeft gehoord dat bij sommige stammen - ver weg in het land waar Torka ons uit heeft weggevoerd - mannen die niet met een vrouw kunnen paren, huilen als wolven en bronstig alleen in hun slaapvachten liggen. Soms pakken zij hun speer op en gaan naar het kamp van een andere stam om vrouwen te zoeken. Als de mannen in dat kamp hun vrouwen niet willen delen, wordt er gevochten en worden de vrouwen tegen hun wil genomen, op de lijken van hun mannen en kinderen.' Mahnies ogen werden groot.
'Het is waar,' bevestigde Lonit, huiverend bij de herinnering. 'Zowel Iana als deze vrouw werden door zulke mannen gevangengenomen. Iana's pasgeboren zoon werd door hen vermoord en Zomermaan zou ook zijn vermoord als Torka en Karana niet te hulp waren gekomen... op tijd voor mij, maar niet voor Iana.' Eneela trok een grimas en huiverde. 'Genoeg akelige verhalen! Laten we blij zijn dat we weg zijn uit het land van dat soort mannen. Simu heeft tegen deze vrouw gezegd dat bij zijn volk een man het maar moet verdragen dat hij niet kan paren terwijl zijn vrouw nieuw leven maakt.'
'Dat geldt voor alle mannen die om hun vrouw geven,' voegde Lonit eraan toe. 'Maar toch moet een vrouw begrip tonen wanneer een man dan soms wat onrustig wordt. Mahnie moet dat ook begrijpen. Bovendien heeft Karana heel veel spullen nodig als hij voor ons allemaal de speciale brouwsels moet maken die sjamanen in de donkere maanden van de winter altijd maken! Hij is natuurlijk het kamp uit gegaan om de ingrediënten voor zijn toverij te zoeken. Daar zou Mahnie blij om moeten zijn.'
Mahnie voelde zich zo opgelucht dat ze haar armen uitstak en Lonit nog eens omhelsde. 'Jij bent toch echt de zuster van mijn hart, Lonit, vrouw van Torka!'
Tot haar verbazing omhelsde Eneela hen beiden. 'Bij deze goede stam zijn wij allemaal zusters,' zei ze terwijl ze hen beiden op de wang kuste en daarna achteruit stapte om naar de dikke, goed beveerde gans te kijken die slap in Mahnies hand hing. 'Laten we nu onze kinderen meenemen en teruggaan naar het kamp. Misschien wil Mahnie deze mooie dikke gans delen?'
Torka wachtte hen op toen ze terugkwamen van de vogeljacht. Er ging altijd minstens één jager met de vrouwen en kinderen mee wanneer ze het kamp verlieten om strikken te zetten, knollen op te graven, de laatste snel verschrompelende, door vorst en wind gedroogde bessen van het seizoen te verzamelen of met hun bola's te jagen. Hoewel ze meestal Broeder Hond op deze expedities meenamen om hen te waarschuwen voor gevaar, was er toch altijd een jager bij die keek of er sporen van roofdieren te zien waren voordat hij hen alleen liet om te babbelen, te spelen en op hun vrouwelijke manier te jagen. Maar zelfs wanneer hij hen alleen liet, bleef hij toch dicht in de buurt om vanaf een heuveltje te kijken of ze geen gevaar liepen. 'Vader!'
Torka grinnikte toen hij Umak en Dak naar hem toe zag komen rennen, een heel eind voor zijn dochters uit. Het waren twee sterke, magere jochies die helder uit hun ogen keken en straalden van overtollige energie. Weldra zouden ze met hun vaders op groot wild gaan jagen, maar nu waren ze nog jong genoeg om de vrouwen van de stam te helpen. Umak slaagde er net niet in om de oudere Dak te verslaan toen ze om het hardst vanaf het moeras de heuvel oprenden. Ze stopten voor Torka en meldden dat het een goede dag was geweest en dat de vrouwen hun best hadden gedaan. 'Ondanks de meisjes,' gaf Umak zijn mening over de inmenging van zijn zusters terwijl Dak mompelde dat ze altijd in de weg liepen, net toen de meisjes hen inhaalden.
Demmi gaf Umak een stomp. Hij sprong naar voren maar kon de klap net niet ontwijken. Demmi was vrij klein voor haar zeven jaar, maar ze was groter dan haar broer en even snel als een goed gerichte speer. Als ze de jongens niet had ingehaald, was dat alleen omdat ze het niet had geprobeerd. Zomermaan keek neerbuigend en stak haar kin naar voren alsof zulk kinderspel beneden haar waardigheid was. Torka glimlachte vol liefde en trots naar zijn drie kinderen en naar Dak, terwijl Lonit met Eneela en Mahnie aan kwam lopen. Hoewel zijn vrouw Mahnies prestaties meer roemde dan die van haarzelf, zag hij meteen dat er aan Lonits schouderriem meer vogels hingen. Karana’s vrouw bloosde diep en er kwam een glimlach om haar lippen. Torka was blij te zien dat een dag op vogels jagen haar gelukkiger had gemaakt.
'Ik hoorde Aar een poosje geleden blaffen. Ik denk dat Karana misschien uit het bos is teruggekomen,' zei hij tegen haar. Ze schreeuwde het bijna uit van plezier en rende weg. 'Hoe zit het met die gans?' riep Eneela. 'Ik dacht dat we die zouden delen!' Maar Mahnie hoorde de protesten niet. Simu's vrouw lachte zachtjes hoewel zij geen vogels aan haar schouderriem had. 'Hoe kom ik nu aan het idee dat die mooie dikke gans vanavond helemaal niet gezengd of geroosterd wordt?'
Torka fronste somber zijn voorhoofd terwijl hij een arm om Lonits schouder sloeg. 'Karana zou gezengd en geroosterd moeten worden als hij niet wat zorgzamer voor Mahnie wordt. 'Maar wanneer is hij nu ooit zorgzaam geweest?' vroeg de vrouw van Simu terwijl ze naast Torka en Lonit ging lopen en samen met hen de kinderen over de heuvels weer naar de grot begon te leiden. 'Het is meer dan twee manen goed tussen hen geweest,' bracht Lonit haar in herinnering. 'Alleen de laatste paar dagen is het leven bij hun haardvuur weer minder aangenaam.'
Eneela zuchtte. 'Ik weet dat jullie hem Zoon en Broeder noemen, en ik weet dat we ons leven te danken hebben aan zijn magische krachten, maar ik zou mijn Simu niet voor hem willen ruilen... ook al is hij een heel mooie tovenaar.'
Zomermaan pakte Torka's hand en verklaarde zodat iedereen het kon horen: 'Tovenaar zal eens mijn man zijn.' Ze zei het vol vertrouwen, alsof haar toekomst al vaststond.
Maar Dochter, het is toch veel te vroeg om daar al aan te denken!' riep Lonit, duidelijk geschrokken.
Torka keek naar zijn oudere dochter en zag tot zijn schrik dat het niet te vroeg was. Zomermaan was nu negen. Negen! Hoe konden er al zoveel herfsten zijn verstreken? Zomermaan werd inderdaad groot en zou een man moeten hebben die haar meenam naar zijn haardvuur. Hij fronste zijn voorhoofd, boos op zichzelf dat hij daar nog nooit aan had gedacht. Had hij gedacht dat zijn dochters altijd kleine meisjes zouden blijven?
Het was stil in het kamp van Cheanah toen Mano, Yanehva en Anak voor hun vader stonden. De oudste twee hadden eerbiedig hun wensen kenbaar gemaakt. Mano wilde teruggaan om het vlees, de beenderen en de slagtanden van de mammoet te halen. Yanehva wilde dat niet.
Met zijn armen over elkaar geslagen stond Cheanah rechtop voor hen als een man die bereid is om te luisteren en te praten. Hij had geluisterd, maar in plaats van te praten fronste hij zijn wenkbrauwen en keek hen aan. Zhoonali, die rechts van hem stond, dacht dat ze zou ontploffen van ongeduld over zijn zwijgen. Cheanahs frons veranderde in een boze blik. 'Het vlees van de mammoet moet je leren eten,' zei hij uiteindelijk. 'Ikzelf heb de smaak ervan nooit te pakken gekregen. En mijn zonen hadden niet zo ver naar het noorden moeten jagen.'
Zhoonali begon iets te zeggen om haar kleinzonen te verdedigen, maar Mano antwoordde brutaal: 'Het was de geest van de rondcirkelende reuzencondor die tot me sprak, mijn vader, en die me vertelde dat ik mijn broers het moeras in moest leiden zodat we de mammoet die in de modder vastzat zouden vinden. We zagen of hoorden geen teken van de Wanawut. Maar we zagen daar de mammoet liggen wachten om gevild te worden! Uit zijn lange beenderen zijn de beste speren te maken en uit zijn grote slagtanden kunnen we...'
'Mano had er geen idee van wat er onder de schaduw van de condor lag voordat hij het moeras in rende,' ging Yanehva ertegenin. Zhoonali's mond bewoog over wat ze nog aan tanden had. Haar twee oudste kleinzonen waren snel en strijdlustig. Niemand zou hen voor de gek kunnen houden. Ze waren geboren om anderen te leiden. Hun aarzelende vader niet. Cheanah wist niet wat hij moest doen en zijn volk kon dat zien... zijn volk mopperde daarover. Diep in haar verwelkte borst welden woede en wrok jegens Cheanah op. Waarom is alleen de domste van al mijn zonen nog in leven? Haar oude hoofd trilde op de pezige staak van haar nek. Het hielp niets om dergelijke vragen te stellen: er was geen antwoord op mogelijk. Nu stond ze naast hem en richtte zich zo ver mogelijk op in haar enkellange jurk van witgevederde uilenvellen. Het maakte niet uit hoeveel uren van besluipen, strikken zetten en zorgvuldige arbeid er in het verzamelen, prepareren en naaien van dit kledingstuk zaten.
Waar het om ging was dat dit gewaad haar onderscheidde van alle andere vrouwen. Het gaf de moeder van Cheanah iets bijzonders en dus gaf het hem ook iets bijzonders. Het gewaad bevestigde haar status. Zhoonali was niet meer alleen een vroedvrouw, een wijze vrouw en de moeder van de hoofdman, ze was ook een tovenares. Dit was een illusie die ze cultiveerde om haar zoon en haar stamgenoten te helpen en om zelf te overleven. Zelfs in de zwaarste tijden, wanneer de zieken en ouden als eersten zouden worden weggestuurd om voor altijd in de wind te zwerven, was er een tovenaar of tovenares nodig om de tekenen en voorspellingen te interpreteren, de enige macht die bij gewone stervelingen het verschil kon betekenen tussen leven en dood.
Zhoonali pakte een dassenhuid met zorgvuldig verzamelde droge, verweerde stukjes bot en tanden van alle dieren die de stam had gedood en gegeten sinds Karana Torka was gevolgd uit de Plaats Van Overvloedig Vlees en zij de mogelijkheid had gezien om onvervangbaar te worden.
'Als Cheanah wil zal deze vrouw, die haar macht uit zijn kracht put, de botjes werpen voor haar volk om te bepalen wat de geesten zeggen.'
En dus werden de botjes geworpen terwijl Cheanah boven haar uittorende en eruitzag alsof hij de leiding had in plaats van de magere vrouw in de uilenveren.
Terwijl Zhoonali's oude handen de botjes bevoelden, zei ze bij zichzelf: dit kamp heeft geen behoefte aan vlees. Maar nergens in dit kamp zijn de lange beenderen van de mammoet te vinden. De jagers zouden blij zijn als hun hoofdman hen naar zulke beenderen leidde, want het is waar wat Mano zegt, dat uit die beenderen de beste speren worden gemaakt. En dan de grote slagtanden! Wat een deurposten zouden die vormen voor een nieuwe raadshut voor de hoofdman. Haar handen rustten op de botjes. Geknield boog ze zich eroverheen. Ze had tijd nodig om na te denken en de situatie te doorgronden. De woorden van deze vrouw moeten ervoor zorgen dat de mensen onthouden dat ze voor altijd tot de stam van Cheanah behoren en dat ze hun eigen tradities, totems en taboes hebben. Het Wordt tijd dat ze zichzelf voor altijd onderscheiden van Torka door met zijn totem te breken en door voor altijd de gewoonten van Cheanah en hun eigen voorouders aan te nemen!
'Spreek, Zhoonali! Vertel ons wat de botjes willen dat we doen!' drong de oude Teean aan.
Zhoonali's mond vertrok van ergernis. Teeans leeftijd gaf hem een foutief gevoel van eigenwaarde en gezag. De botjes zien niets, oude man! Het gaat om wat je erin meent te zien.
'Misschien...' begon ze met een zachte, opzettelijk hese stem waarmee ze het geluid van beenderen probeerde te imiteren wanneer die door een menselijk lichaam zouden spreken. 'Misschien... als de krachten der Schepping ervoor hebben gezorgd dat de mammoetstier kwam vast te zitten in het moeras... misschien... als de grote geest van de reuzencondor Mano daarnaartoe heeft geleid om de mammoet te ontdekken... misschien zou het dan een belediging zijn voor de grote geest van de mammoet en voor de geesten die de jagers van deze stam het leven hebben geschonken, als het volk van Cheanah niet het vlees en de beenderen en slagtanden van de mammoet zou nemen?' Ze wendde zich van de botjes af en bleef op haar hurken zitten. Haar gezicht stond strak, maar inwendig glimlachte ze. Ze had geen verklaring afgelegd die later tegen haar kon worden gebruikt. Ze had alleen een vraag gesteld. Hoe haar volk daarop wilde antwoorden was hun zaak. Maar dappere mannen die de waarde kenden van verse mammoetbeenderen en die ervan overtuigd waren dat de geesten door levende wezens konden spreken, konden maar op één manier antwoorden.
Zonder verdere aansporingen van de oude vrouw reageerde het volk van Cheanah enthousiast. De grote beer en de raaf waren hun totems en de mammoet was nu waarschijnlijk toch al dood en half opgegeten door de roofdieren. Maar de geesten wilden dat ze de beenderen en de slagtanden en de rest van het vlees kregen. De krachten der Schepping hadden het bepaald door middel van de sprekende botjes van Zhoonali.
Maar terwijl Cheanah zijn mannen en jongens het kamp uitleidde, gevolgd door de vrouwen met hun slachtwerktuigen, bleef Yanehva wat achter.
'Wat is er?' vroeg Anak die zijn pas inhield en naast hem kwam lopen.
'Het bevalt me niet. Het was de geest van de grote mammoet van Man Uit Het Westen die ons volk naar dit dal heeft geleid. Het lijkt heiligschennis om van zijn vlees te eten.'
Anak fronste zijn wenkbrauwen. 'Als onze grootmoeder zegt dat het goed is en onze vader het ermee eens is, moet het zo zijn! De botjes hebben gesproken!' Hij zweeg even. 'Denk je dat Torka nog leeft?' 'Dat doet er niet toe. Of Torka nu leeft of dood is, het was toch zijn totem die ons naar dit goede land heeft gebracht.' 'Hij had wel een mooie dochter,' herinnerde de kleine Anak zich dromerig. 'Zomermaan, bedoel ik.' Hij dook rood van verlegenheid weg toen zijn broer hem goedmoedig stompte. 'Denk je nu al aan meisjes?'
'Meisjes worden groot!' snauwde Anak. 'En jongens ook. Hoeveel meisjes hebben we nu eigenlijk in dit kamp? Niet een. Jij en Mano moeten samen met anderen hun vrouwen delen en het zal jaren duren voor de kleine meisjes van Ekoh en Ram en de anderen oud genoeg zijn om ze bij het haardvuur van hun vader weg te halen. Maar als Zomermaan nog in dit kamp was, zou ze binnenkort een vrouw zijn, misschien wel mijn vrouw.'
'Ze is niet in dit kamp en ze zal er ook nooit meer zijn. De dochter van Torka is onbereikbaar! Dankzij onze vader zullen we noch haar noch enig ander van Torka's volk ooit nog zien.'