1
De wind blies vanuit het westen en het noorden over het Verboden Land en het was maar al te snel weer winter, een droge, donkere, bitterkoude winter met voortdurend wind en storm. Toen de maan weer opkwam, kreeg Eneela barensweeën van haar derde baby. Ook al legden ze een groot vuurbaken aan, Karana kwam niet terug door het dal naar de grot in de heuvels. Umak was blij. Eneelas baby werd geboren in de duisternis van de storm en kreeg de naam Nantu, ter herinnering aan een jeugdvriend van Simu die vele jaren geleden in het verre land in het westen was gedood.
'Karana zou hier moeten zijn,' zei Simu, duidelijk geïrriteerd. 'Waarom heeft mijn vrouw zijn liederen en rooksignalen moeten missen?'
'En misschien ook wel genezende toverij om haar bloeden tijdens de bevalling te stelpen,' voegde Wallah er zichtbaar geërgerd aan toe. 'Karana zou ons zijn toverij alleen onthouden als hij niet kon komen,' zei Mahnie. 'Als hij gewond was... of als hij...' 'We zullen wel zien,' zei Torka, die zijn winterreiskleren begon aan te trekken.
Samen met Umak, Dak, Aar en twee van de nu volwassen jonge honden ging hij op pad door het prachtige dal.
In de winterse duisternis liep het kleine beest voorzichtig door het gebied waar de beesten hun nest hadden. Gehuld in de vacht van de witte leeuw had hij het niet alleen warm, maar was hij ook bijna onzichtbaar.
Hij hield de beesten nu al een paar manen lang in de gaten. Hij kwam zo dichtbij als hij maar durfde, om erachter te komen hoe ze hun werpstokken maakten, hoe ze vuur bevalen om op te springen uit de stapeltjes gras en hoe ze kleren maakten uit de huiden van dieren. Toen de winterse duisternis over de wereld neerdaalde, kwam hij steeds dichter bij de plek waar hun stinkende verblijfplaats was. Hij nam zijn mensensteen en werpstok mee en liet Zuster slapend in hun nest achter. Hij wilde haar niet meenemen. Ze was niet geschikt voor dit soort jacht.
Hij liep voorzichtig verder tussen de hutten door. Er stond een krachtige wind en het sneeuwde hevig. Hij had gemerkt dat de beesten bij stormachtig weer in hun hutten bleven en er alleen uitkwamen om hun behoeften te doen of in groepen op zoek te gaan naar vlees. Hoewel de kans dat er een in de storm en de duisternis naar buiten kwam uiterst gering was, gaf het idee hem toch een gevoel van opwinding en deed het zijn bloed bruisen. Zoekend liep hij verder. Tegen de harige muur van de grootste hut, aan de uiterste rand van het nestgebied, stond het grootste aantal van wat hij wilde hebben: werpstokken.
Daar stonden ze, lang, wit en prachtig. Ze stonden rechtop, diep in de sneeuw, met de fraai bewerkte stenen punten stevig met stukken huid aan de in het vuur geharde benen schachten bevestigd. Het kleine beest bleef staan, kwijlend bij de aanblik ervan. Zijn hand kromde zich om zijn eigen werpstok. Stilletjes maakte hij de riemen los en trok zes werpstokken uit de sneeuw. Hij hees ze onder zijn arm en liep toen voorzichtig naar de voorkant van het nest. Hij bleef doodstil staan toen hij van verre voetstappen over de ingeklonken laag sneeuw hoorde komen. Een beest. Een groot beest! Hij draaide zich om en wilde wegrennen, maar de wind sloeg tegen hem aan en de speren vielen kletterend omlaag. Nee! Hij liet ze niet achter! Hij bukte zich en pakte ze op. Hij keek om zich heen of het beest niet op hem afkwam en zag het hoofd van Moeder dat nietsziend voor zich uitstaarde in de nacht en de storm.
Cheanah was wat vermaak gaan zoeken bij Kivans vrouw. Toen hij bij zijn eigen hut terugkwam, vloog er iets langs hem heen. Instinctief ging hij opzij. Een speer? Wie zou er nu in zijn eigen kamp een speer naar hem gooien? Toen zag hij het: een zwartharig ding met witte manen dat ineengedoken voor de ingang van zijn kuilhut zat en dreigend gromde, als een in het nauw gebracht beest. Wanawut? Leeuw? Hij staarde er ongelovig naar en nam toen een verdedigende houding aan. Het speet hem dat hij niet de moeite had genomen om een speer mee te nemen.
En nu stond daar een wezen dat eruitzag als een man en een beest en een leeuw - een witte leeuw! - met ontblote tanden naar hem te kijken terwijl het weer een speer naar hem wierp, in een duidelijke poging om hem te doden. Weer ontweek hij de speer. Het wezen was dan misschien niet sterk of handig, maar wel snel en moedig, want het rende opeens met de speren onder zijn arm langs hem heen naar open terrein.
Cheanahs voeten waren van angst aan de grond gekluisterd. De hevige ontzetting die hij voelde begon zijn zelfvertrouwen te ondermijnen. Het wezen was een windgeest! Het was goed dat hij het niet had achtervolgd. Mensen konden geen spoken doden. Ze zouden toch altijd op de een of andere manier terugkomen om wraak te nemen.
Zijn mond was droog. De huid van de Wanawut drukte opeens merkwaardig zwaar op zijn rug. Hij was zich pijnlijk bewust van de uitgedroogde handen van het beest die over zijn borst hingen. Ondanks de kou brak het zweet hem uit. Het leek net of de handen zich aan de polsen bogen, omhoogkwamen en hem probeerden te kelen. Hij wierp de huid snel van zich af.
'Ik had meer mijn best moeten doen om ze te vinden... de leeuw... de jongen van het beest. Ik had ze moeten doden. Ik...' Hij slikte de rest van zijn woorden in en draaide zich om, omdat hij zich er opeens van bewust werd dat iemand naar hem stond te kijken. Het was Zhoonali. 'Ik heb je gewaarschuwd dat je moet oppassen wat je doet, Cheanah. Ik heb je gewaarschuwd dat de geesten je in de gaten zouden houden.'
Stond ze al lang genoeg in de opening van de hut om te hebben gezien dat haar zoon ongewapend tegenover de geesten van de nacht stond, terwijl die zijn eigen speren naar hem gooiden? Kon ze de zurige lucht van zijn angst ruiken zoals hij die nu zelf rook? Zijn gezicht gloeide van schaamte. 'Je hebt niets gezien!' zei hij beschuldigend.
'Ik heb genoeg gezien,' antwoordde ze. Zonder nog een woord te zeggen draaide ze zich om en liet hem alleen met de nacht en de wind en zijn eigen verwarde angsten.