4
De baby kwam kalmpjes naar buiten, in een stroom van bloed en water, zonder dat zijn moeder er enige pijn van had. Lonit werd wakker, merkte dat er iets veranderd was, en zag tot haar verbazing Zhoonali voor haar knielen met een pasgeboren baby die nog rood en vochtig was. Haar kind! Haar o zo kleine kindje! Droomde ze? Nee, ze wist dat ze niet droomde. Haar hart ging van opwinding sneller kloppen terwijl ze zich op haar ellebogen overeind hees. Opeens werd ze duizelig en viel weer achterover op het bed van gras. Haar blik dwaalde door de hut. Er was blijkbaar nog niet zoveel tijd verstreken sinds ze in slaap was gevallen. Xhan en Kimm waren nog niet terug. Iana ook niet. Ze wist dat Karana nog niet was teruggekeerd in het kamp. Als hij er was, zou ze wel de rituele gezangen horen die hij voor haar aanhief. Alles leek hetzelfde, behalve dat iemand, waarschijnlijk Zhoonali, gedroogde takjes sparrenhout en artemisia in de vetlamp had verbrand. Lonits neusgaten trokken samen van de scherpe, geneeskrachtige geur. In de schaduw van de hut lag Wallah nog steeds te snurken. Lonit glimlachte zacht terwijl ze haar ogen sloot en aan de oudere vrouw dacht. 'Weer een zoon,' zei Zhoonali.
Lonit deed haar ogen open. Ze dacht opeens helemaal niet meer aan vroedvrouwen. Ze kwam met moeite weer overeind op haar ellebogen en viel bijna flauw van zwakte, totdat het gevoel van trots en geluk bij het zien van het kindje haar weer kracht gaf. Wat een klein mager ding... maar hij was in alle opzichten volmaakt en hij spartelde als een koud visje in Zhoonali's uitgestrekte handen. Hij zou het gauw warm krijgen. Ze zou hem dicht tegen zich aanhouden en hij zou de levenswarmte uit haar borsten zuigen. Ze snikte even van geluk. Er was geen angst in haar hart voor dit kind... want Torka had duidelijk tegen Zhoonali gezegd dat zij als voornaamste vroedvrouw de plicht had om de baby ter wereld te brengen, of de tovenaar er nu mee instemde of niet, en dat ze niet het recht had om het kind te doden.
De oude vrouw hield het kind omhoog en wierp er een boze, kritische blik op. 'Het is te klein. Half zo groot als de andere... bijna alsof het niet van dezelfde vader is maar van een vader met een kleiner postuur.'
Lonit keek met grote ogen toe terwijl ze een vaag gevoel van onheil kreeg. Haar adem stokte in haar keel. In de nevelige diepten van haar nog halfbedwelmde geest doemden herinneringen op die ze vele manen lang niet had laten bovenkomen. Herinneringen aan verkrachting. Aan mishandeling door een man die geheel gekleed was in de witte buikvachten van in de winter gedode kariboes. Aan een man die even sterk en mooi was als een leeuw. En even dodelijk. Navahk.
Haar ogen werden groot en richtten zich op de baby. Navahk is dood! En zelfs als hij niet dood was, zou ik toch nooit een kind van hem kunnen krijgen! Mijn lichaam bloedde tussen het moment dat hij mij verkrachtte en mijn hereniging met Torka. Niet erg, maar toch genoeg. Ik had nooit zijn kind kunnen dragen! Maar zelfs terwijl ze dat dacht, tartte de herinnering haar. Haar hart begon weer snel en gelijkmatig te kloppen, het bloed begon weer door haar aderen te stromen. 'Deze vrouw wil haar kind zien,' snauwde ze tegen Zhoonali.
Zhoonali fronste haar wenkbrauwen omdat ze de verandering in haar merkte, en hield het kind aan zijn moeder voor. Het was een grote opluchting voor Lonit. De baby had haar ogen - ongebruikelijk rond en met diepliggende oogleden - maar het gezicht van Torka! Zijn mond... zijn neusgaten... zijn hoge, brede voorhoofd... zelfs zijn fijngevormde, plat tegen het hoofd liggende oren! De gelijkenis was onmiskenbaar. Niemand zou ooit twijfelen wie de vader van dit kleintje was! Niemand... zeker zijn moeder niet. Ze lachte hardop en strekte haar handen naar haar zoon uit. 'Leg hem alsjeblieft: in mijn armen. Ik wil hem graag vasthouden.' Zhoonali schudde haar hoofd. 'Pas als de vader het aanvaardt.' Lonit boog haar hoofd en zei dreigend: 'Noem mijn kind niet "het", Zhoonali. Hij leeft! Weldra zal hij een naam hebben! Hij is lid van deze stam!'
Het gezicht van de oude vrouw was volkomen uitdrukkingsloos. 'Je moet nu rusten, Vrouw Uit Het Westen. Wanneer de baby door de hoofdman is aanvaard, zal datgene wat je gebaard hebt aan je borst worden gelegd.'
Lonit leunde uitgeput maar tevreden achterover. Zelfs al was Karana nog niet in het kamp teruggekeerd om de wrede gewoonten van de anderen te verwerpen, dan zou Torka toch zijn zoon aanvaarden, net zoals hij de andere helft van de tweeling had aanvaard. 'Samen met zijn broer,' zei ze.
Het gezicht van de oude vrouw bleef neutraal, maar ze kreeg een boze en bedroefde blik in haar ogen. 'Rust,' herhaalde ze, en stond op. Met het kind in haar arm greep ze haar mantel, sloeg die om zich heen en pakte de kariboehuid die over het kind zou worden gelegd wanneer het naar zijn vader werd gebracht.
Lonit zuchtte. In de schemering kwam Wallah in beweging, verbijsterd door de aanblik van de baby.
'Wat... hoe...?' mompelde ze, zich de slaap uit haar ogen vegend. Lonit wenkte haar vriendin om naast haar te komen zitten. 'Deze werd net zo gemakkelijk geboren als de ochtendstond. Wees niet boos dat niemand je wakker wilde maken. Dit kind is geboren zonder zelfs mij wakker te maken! De geesten zijn hem goedgezind en tonen deze vrouw dat ze niet meer kwaad zijn op Torka en Lonit omdat ze hun tweeling willen houden.'
Wallah fronste haar wenkbrauwen. 'Het is niet goed wanneer een nederige vrouw zegt wat de geesten behaagt of mishaagt,' fluisterde ze.
Zhoonali's kin ging omhoog. Ze begon iets te zeggen, maar bedacht zich en hield haar mond. Toen ze weer sprak, klonk haar stem monotoon, maar merkwaardig gespannen. 'Blijf bij Vrouw Uit Het Westen. Verzorg haar. Ze heeft veel pijn gehad, veel bloed verloren en ze is heel zwak. Ze moet drinken uit de helende hoorn en nog minstens een dag en een nacht slapen. Nu gaat Zhoonali dat wat Lonit heeft gebaard aan de vader laten zien. Als hij het leven ervan aanvaardt...'
Torka zal zijn zoon zeker aanvaarden!' zei Lonit kwaad. Ze zou Zhoonali nog meer verwijten hebben gemaakt als ze niet zo ontzettend moe was geweest. Zhoonali had gelijk. Ze moest echt slapen. Ze was zelfs dankbaar toen de oude vrouw als antwoord op de scherpe reprimande alleen knikte en kalm verderging: 'Zhoonali zal doen wat moet worden gedaan. Blijf hier, Wallah, vrouw van Grek, en zorg ervoor dat Vrouw Uit Het Westen niet wordt gestoord.'
Ze bleef even staan, haar oude ogen samengeknepen in het bleke, zwakke ochtendlicht. Haar kleine gestalte was gehuld in de grote mantel van witte berenvacht en de baby lag verborgen onder die mantel, stevig in haar arm, dicht tegen haar aan. De ochtend was het enige wat er aan dag zou zijn. Er zou geen middag zijn en geen schemering. Weldra zou de zon ondergaan zonder ooit volledig te zijn opgekomen. De lange duisternis zou weer neerdalen en het zou nacht worden. Tegen die tijd zou ze alleen zijn en ver weg. Zhoonali hief haar kin op. Haar angst en besluiteloosheid waren diep verborgen. Niemand zou ooit hebben vermoed dat ze dergelijke gevoelens kende. Iedereen die naar haar keek zou haar vastberadenheid hebben gezien. Maar niemand zag haar toen ze de deurflap dichtdeed en roerloos voor de hut van het bloed met zijn harige, taps toelopende muren van huiden bleef staan. Het kamp was vol leven en overal dreven verwaaide slierten rook. Alle aandacht van de stam, en ook die van haar, was op Torka gericht. Hij had zich weer opgesteld voor de geboortewake. Ze voelde haar lichaam reageren toen ze hem zag, want ze was nu eenmaal een vrouw, al was ze oud; de aanblik van Torka in vol ornaat bracht een gevoel van lust in haar boven dat hem zou hebben verbaasd en waarschijnlijk van afkeer hebben vervuld als hij het had geweten. Hij zag er fantastisch uit, deze Torka, deze Man Uit Het Westen, wiens totem de Levenschenker was, de grote mammoet die haar volk Donderspreker noemde. Deze Torka, die men Man Die Met Honden Loopt noemde vanwege de magische krachten waardoor hij en de leden van zijn gezin de geesten van de wilde toendrahonden konden beteugelen. Hij was een lange man. Wintermager en stormbestand stond hij voor zijn kuilhut met zijn gezicht naar de opkomende zon, zijn hoofd achterover, zijn armen opgeheven en zijn benen wijd uiteen. Zijn handen klemden zich om de benen schacht van zijn speer met stenen punt. Om zijn hoofd droeg hij een tooi van veren, geplukt uit de vleugels van adelaars en haviken, en lange zwart-witte slagpennen van een reuzencondor. Om zijn nek hing een zware ketting van kunstig geweven pezen, versierd met stenen kralen en kleine fossiele schelpen. Daaraan hingen decoratieve lussen van gevlochten muskusossenhaar met de klauwen en tanden van wolven en ook de klauwen en slagtanden van de grote beer met de stompe snuit die hij lang geleden in een gevecht eigenhandig had gedood.
In het koele, heldere ochtendlicht zag hij er eerder uitdagend dan smekend uit, met zijn fijnbewerkte kleren - gemaakt van de huiden van wolven, kariboes en poolleeuwen - en met zijn dikke, loshangende zwarte haar dat wapperde in de wind.
Zhoonali's ogen werden groot. Was het een wonder dat de jagers en de vrouwen en kinderen van dit kamp vol ontzag en vrees naar hem keken? Wat een man, zoals hij hen allen trotseerde! Zoals hij zelfs de krachten der Schepping trotseerde voor zijn vrouw! Voor zijn pasgeboren zoon! Hopend op het leven van zijn zuigeling zonder geest, die zij, zonder dat hij het wist, onder haar warme mantel verborgen hield.
Je kunt ze niet allebei houden! Haar innerlijke beroering was groot, de ongesproken woorden waren als vuur in haar keel. Ze kneep haar ogen half dicht om scherper te kunnen zien, terwijl haar blik over de mensen van haar stam gleed. Haar ogen waren nauwelijks te zien tussen de dunne witte afscherming van haar oogharen. Is er niet één man hier die zich tegen hem durft te verzetten? Niet één man die tegen hem in opstand komt zoals deze oude vrouw probeerde te doen, niet één die hem ronduit vertelt dat deze geboortewake in strijd is met de traditie? Tweelingen zijn een belediging van de krachten der schepping. Het aanvaarden van één van een tweeling zou kunnen worden getolereerd, maar de brutaliteit van Torka om te verlangen dat ze allebei blijven leven is ongehoord! Iemand moet het hem zeggen! Het waren allemaal zulke sterke, gespierde mannen. Stuk voor stuk, ook de jongens en de oude Grek en de stokoude Teean met zijn kromme neus, waren ze dapper wanneer ze op een prooi jaagden. Maar Torka was geen prooi. Hij was hun hoofdman, een man die hen had gered van hun vijanden, die hun was voorgegaan, langs bergen die vuur regenden en door ravijnen vol vallend ijs, naar een nieuw, maar volgens de traditie verboden land dat een beter jachtterrein bleek te zijn dan zij ooit hadden gekend. En in dit nieuwe land had Torka met hen gejaagd en hun de mystieke kracht van speerwerpers geleerd. Hij was zijn totem, Levenschenker, gevolgd naar dit kamp vol vlees, waar degenen die hem zo gretig waren gevolgd nu in een halve kring rond Cheanahs vuur naar hem zaten te kijken, in hun prachtige wintervachten, met hun buik vol, hun lippen glimmend van het vet en hun donkere ogen vol angst. Zhoonali's lippen klemden zich over haar oude tanden. Wat leken ze nu klein, zoals ze daar in de luwte van Cheanahs grote kuilhut neerhurkten. Die kuilhut van donkere, harige bizonhuiden die stevig over een geraamte van mastodontbeenderen, kameelribben, en kariboegeweien waren samengebonden, was een waardig onderkomen voor de zwaargebouwde man die een natuurlijk overwicht over zijn medejagers had gehad... totdat Torka hem de loef had afgestoken. Cheanah zat zacht en indringend met zijn jagers te praten. Zhoonali zag de bezorgdheid op hun gezicht. Alleen Cheanahs gezicht leek uitdrukkingsloos, maar ze wist dat haar zoon geïrriteerd was. Zijn moeder was gekleineerd en haar gebruiken waren ten overstaan van de hele groep verworpen. En Kimm had ongetwijfeld gezeurd over haar geschonden gezicht en hem herinnerd aan de tweeling die ze voor het welzijn van de stam had moeten opofferen. Een man offerde zijn zonen niet zomaar op... het kostte moed en was niet gemakkelijk. Torka's keiharde weigering om datzelfde te doen was een belediging voor Cheanah, voor Kimm, voor hun opgeofferde tweeling en voor de gebruiken en taboes van hun voorouders. Geen wonder dat Cheanah de anderen bijeengeroepen had om als mannen onder elkaar te praten, nu de tovenaar er nog steeds niet was. Weldra zou hij hun bezorgdheid aan Torka kenbaar maken. Maar Zhoonali had lang genoeg geleefd om te weten wat er in het hart van mannen omging. De tovenaar was nog maar een jongen en Torka's geadopteerde zoon. Hij had een zwak voor Lonit. Als hij door de gave van het Zicht had geweten dat er twee hartjes in Lonit klopten, zou hij dan terugkomen voordat er over het lot van de tweeling was beslist, zodat hij hen zelf zou moeten verdoemen? Zhoonali betwijfelde het. Er zou meer moeten gebeuren dan praten alleen om Torka te dwingen af te zien van zijn voornemen om de tweeling in leven te houden, maar ze was er niet van overtuigd dat Cheanah meer zou willen doen dan praten.
Ze had een bittere smaak in haar mond van schaamte. Het was een gevoel dat ze niet had gekend totdat Cheanah - zonder haar advies of toestemming - Torka zomaar als leider had geaccepteerd. Nog nooit had Zhoonali in een stam geleefd waarvan niet een van haar mannen hoofdman was, eerst haar grootvader, daarna haar vader, haar man en haar zonen. Ze betreurde het dat van al haar zonen Cheanah als enige nog in leven was.
Het was waar dat hij altijd het zorgzaamst was geweest. Ze wist dat hij meer van haar hield dan de meeste zonen van hun moeder. Maar hoewel hij eruitzag als een beer en bekwaam was in het jagen, was hij niet erg agressief. Hij was wel knap en sterker dan de meeste mannen, maar net als een muskusos had hij de dommekracht van een kuddedier. Hij was niet in staat tot flexibiliteit en abstract denken. Er was veel voor nodig om Cheanah kwaad te maken, en als hij kwaad werd, gedroeg hij zich als een woeste, getergde beer. Alleen wanneer de kudde - zijn zonen, zijn dikke dochtertje of zijn vrouwen - rechtstreeks werden bedreigd kon hij tot actie worden aangezet. En nu moest hij tot actie worden aangezet. Schaamte veranderde in spijt toen ze het leventje in de holte van haar arm voelde bewegen en geeuwen.
Omwille van de stam en omwille van mijn zoon en kleinkinderen mag deze zuigeling niet blijven leven. Anders zullen de krachten der schepping ons allemaal ter dood brengen als straf voor de hoogmoed van zijn ouders!
Ze had Torka beloofd dat ze niet zou ingrijpen bij de geboorte, ze had beloofd dat de tovenaar over het lot van dit kind zou beslissen. Maar omwille van haar zoon, Cheanah, haar kleinkinderen, Mano, Yanehva en Anak, haar kleindochter, Honee, en alle zonen en dochters van de stam kon ze dat niet toelaten!
Ze haalde diep adem om moed te scheppen, draaide zich plotseling om en haastte zich ongezien het kamp uit.
Kom, zuigeling zonder geest. Deze vrouw moet jou het kamp uitbrengen om je vlees achter te laten op een plek waar geen enkele man of vrouw ooit nog jouw beenderen of die van mij zal vinden! Want wanneer mijn geest wordt meegevoerd door de wind, vanwege een kind dat nooit geboren had moeten worden, zal mijn zoon Cheanah zich herinneren dat hij een man is die ooit hoofdman was van zijn volk... een man wiens boosheid hem weer hoofdman zal maken. Zelfs Torka zal zich niet tegen Cheanah kunnen verzetten wanneer de beer die in zijn door smart getroffen ziel huist eindelijk wordt getergd.
De Wanawut zat in de schaduw. Het licht van de spleet was nog steeds achter hem.
De tovenaar moest door de spleet uit de grot ontsnappen. Hij moest naar het licht toe. Hoe moest hij het beest passeren zonder het leven te verliezen of een arm of been kwijt te raken door een mep van de grote geklauwde handen? Hij slikte en zijn hart leek in zijn keel te kloppen. Hij had horen zeggen dat de geest van een verminkt lichaam voor altijd door de wereld der mensen moest zwerven, op zoek naar zijn verloren ledematen.
Karana voelde zich draaierig. De keuze was duidelijk genoeg: blijven en worden opgegeten, of naar de vrijheid rennen en worden gedood. Afschuwelijk worden verminkt of ongedeerd door de spleet ontsnappen. Hij moest zich concentreren en alle mogelijke moeite doen om uit deze duistere, stinkende grot weg te komen! Hij moest het beest Wanawut trotseren en overwinnen met enkel een lang bot als wapen.
Hij greep het bot wat steviger vast. Het geringe gewicht ervan maakte hem duidelijk dat het niet van een pas gedode prooi was. Het rook nergens naar en er zat ook geen bloed of vlees aan. Het merg was er aan de uiteinden uitgezogen. Aan de lengte te zien was het waarschijnlijk het dijbeen van een kameel, bizon of een paard... of misschien van een mens? Nee. Dat kon niet. Voor zover hij wist waren er behalve zijn eigen stam geen mensen in het Verboden Land.
Hij slikte. De jagers waren ver weg, veilig in het winterkamp. Hij probeerde zich te concentreren op hetgeen hem bedreigde. Karana, zoon van Navahk, je stamgenoten noemen je tovenaar. Als ze gelijk hebben... als je enige macht hebt, moet je die nu gebruiken! Het beest liep rondjes en liet een zacht, snel gehijg horen waaruit bleek dat het zenuwachtig was. Was het wezen bang van hem? Het gromde, maar kwam niet dichterbij. Als het een man was geweest in plaats van een beest, zou Karana hebben gedacht dat het om verzoening smeekte, want het afzichtelijke voorhoofd van het dier was gefronst alsof het zich zorgen maakte en de enorme armen maakten weidse gebaren, bijna als iemand die wenkt naar een oude vriend die te lang kwaad is geweest.
De tovenaar vond het een absurd idee. Het beest in de schaduw was groot, sterk en gevaarlijk, maar het miste één uiterst belangrijk wapen waardoor het kwetsbaar werd voor een mens: het vermogen om te redeneren.
Karana draaide in elkaar gedoken tegenover de Wanawut in het rond, hield hem op een afstand met het lange bot en haalde naar hem uit met de kant waarvan het gewricht was afgeknaagd tot het zo scherp als een dolk was. Het beest hield afstand, maar bleef rondjes draaien. Het staarde naar het afgekloven uiteinde van het bot alsof het de dreiging begreep.
De tovenaar glimlachte opgelucht. Het wezen had hem allang kunnen grijpen, maar om duistere redenen was het even bang als hij. Als de Wanawut rondjes bleef lopen, zou de spleet zich op een gegeven moment achter Karana bevinden en achter die spleet zou hij de vrijheid vinden als hij tenminste door de opening kon komen voordat het beest hem greep.
Het ogenblik brak aan. Met het lange bot in zijn ene hand stak Karana zijn andere hand koortsachtig naar achteren en probeerde de stenen los te trekken die het dier in de spleet had geduwd om de ingang naar zijn grot dicht te maken. Slechts een paar stenen waren zo klein dat ze makkelijk konden worden verplaatst. Zijn vingertoppen begonnen te bloeden terwijl ze moeizaam de grote, koude, ruwe stenen probeerden te verplaatsen.
Het beest kwam met grote ogen van woede op hem af. Karana gaf een wanhopige schreeuw terwijl hij met het lange bot naar de Wanawut sloeg. Het bot suisde door de lucht en brak op de onderarm van het beest in tweeën.
Verschrikt gilde de Wanawut van de pijn en sprong op, maar in plaats van zich op Karana te storten om hem zonder enige moeite te doden, deinsde hij terug... steeds verder naar achteren... de vager wordende schaduwen in.
De tovenaar bleef geschokt staan. Buiten de grot blies de wind de wolken sneeuw voor de zon weg zodat het volle daglicht zich over de wereld kon ontvouwen en de grot binnen kon stromen. Karana kon de Wanawut nu goed zien en huiverde van afschuw. Het was een vrouwelijk dier — afschuwelijk, lachwekkend vrouwelijk — met lange, gezwollen, onbehaarde, borsten die met een korst van melk waren bedekt en vanaf haar behaarde borstkas naar voren staken. Ze sloeg met haar monsterlijke vuisten op haar dijen terwijl ze hoge, grommende geluiden naar hem maakte.
Achter haar kon hij de grot zien. Die was nat en slijmerig van de veelkleurige algen en mossen. Waar het dak en de met botten en vuil bedekte vloer samenkwamen, zag hij een nest van sparrentakken en mos, en in dat nest bewoog een jong. Het krijste uit protest dat het was wakker gemaakt. Het was een klein jong dat er helemaal niet uitzag als het jong van een beest, maar krankzinnig genoeg alle kenmerken van een vrouwelijk mensenkind had, met uitzondering van de grijze vacht die het van top tot teen bedekte. Het beest zag zijn reactie en rende naar het nest omdat het voelde dat haar kind gevaar liep. Ze nam het jong in haar enorme, harige armen, drukte het tegen haar borst en ging in haar nest zitten. Het wezen begon te drinken. Karana kon zijn ogen er niet van afhouden. De Wanawut maakte er hoge geluiden tegen en wiegde voortdurend heen en weer, als een verdwaasde vrouw die om medelijden smeekt. Met moeite slaagde hij erin zijn blik af te wenden. En toen zag hij het: op een rek van beenderen was een huid gespannen, zodat het water dat van het plafond afdroop niet in het nest van het beest kon lopen. Het was de huid van een man die, gevild en met uitgestrekte armen, met één open oog in het nog aan de huid vastzittende hoofd, nietsziend voor zich uitstaarde... naar zijn zoon. Het oog van Navahk. De huid van Navahk. De huid van Karana’s vader, wiens lichaam dus toch niet begraven lag onder de ingestorte ijswanden van de bergen in de verte, maar hier naar deze grot was gebracht en was geprepareerd door de Wanawut, het beest dat door Navahk was verleid om hem overal te volgen als de afschuwelijke schaduw van zijn eigen verwrongen, kwaadaardige geest. Het beest dat hem een kind had gebaard. Een jong. Een dier dat Karana’s halfzuster was.
De tovenaar voelde zoveel walging en afschuw dat hij reageerde zonder na te denken. Met een gehuil van woede viel hij het beest aan, woest zwiepend met het gebroken uiteinde van het dijbeen van zijn vader. Hij zou het jong ermee doden. En wanneer hij het doodde, zou de Wanawut hem doden en een einde maken aan zijn schande. Maar het dier stond op om zijn klap af te weren en duwde hem zachtjes weg in plaats van hem aan te vallen. Hij viel. Het beest boog zich zacht piepend over hem heen en raakte hem aan vol zacht verwijt, alsof hij geen man was en geen vijand die haar en haar jong zou doden als hij kon, maar een lang gemiste partner.
Opeens moest Karana hevig en onbeheerst overgeven. De mensen hadden altijd gezegd dat hij op zijn vader leek - op Navahk, de bedrieger, de verrader, die mannen doodde en vrouwen verkrachtte - die tegen het eind van zijn leven zijn kracht met die van de Wanawut had verenigd om een kind voort te brengen dat een waardige erfgenaam van hem was. Een beest.
Het kleine ding keek nu op hem neer terwijl de moeder het de borst gaf. Het halfmenselijke beest was een belediging van het leven zelf en Karana sprong omhoog naar het ding om het de nek te breken. Maar de Wanawut sloeg hem weer, deze keer hard. Hij sloeg tegen de grond, kwam met de achterkant van zijn hoofd tegen een steen en wist niets meer.
Karana werd wakker in de duisternis. De zon was onder. De grot was koud. De spleet was met stenen dichtgemaakt. Het beest was naar buiten gegaan en had haar kind meegenomen. Langzaam maar vastberaden ging hij grimmig aan het werk om de stenen die de ingang van het hol versperden weg te halen, zich voortdurend bewust van het nietsziende oog van zijn vader dat vanuit de levenloze schedel naar hem staarde. Het duurde niet lang voordat hij de ingang had vrijgemaakt, en al waren zijn vingers tot bloedens toe verwond toen hij klaar was, de innerlijke pijn was zoveel erger dat hij geen lichamelijk ongemak voelde. Buiten de grot stond de nieuwe ster aan de nachtelijke hemel. De staart ervan was gekruld als die van een veulentje dat over de zomerse toendra dartelde. Karana keek er somber naar. Was het een goed of een slecht voorteken? Hij wist het niet. Het kon hem ook niet schelen. Hij schaamde zich zo dat het hem niet uitmaakte of hij bleef leven of stierf.
Overal zag hij hondensporen. Broeder Hond was hem dus inderdaad gevolgd! Aan de grond buiten het hol was te zien dat Aar het beest was aangevlogen. Er lag bloed op de berg. Karana proefde het. Het was niet het bloed van Aar. Het was het bloed van het beest. Hij sloot zijn ogen en probeerde zijn macht te gebruiken om te weten of het wezen leefde of dood was, maar hij kreeg geen enkele gewaarwording behalve het beeld van het kleine, harige jong. Hij hoopte dat het dood was, samen met het monster dat het voedde.
Hij had al snel voldoende droge takjes verzameld om de grot in brand te steken. Zijn vingers werden langzaam stijf zodat het niet meeviel om het vuur aan te steken. Hij bleef staan kijken hoe de vlammen zich voedden met de rommel die op de grond lag. De vlammen werden rood en geel, de kleur van de zon. Karana keek door de vuurgloed heen naar wat er nog van Navahk over was. Terwijl de vlammen de huid en schedel van zijn vader verteerden, wendde hij zich af en wist hij zeker dat hij de toverkracht nooit zou vinden. Die was niet weggelegd voor zonen van mannen die met beesten paarden.
Diep ongelukkig ging hij naar beneden en liep met grote passen door de heuvels. Hij wist niet wanneer Broeder Hond naast hem was komen lopen. Ze trokken samen verder en renden doelloos voort onder de sterren terwijl een rode ochtendstond langzaam de nacht overspoelde met enorme, kronkelende rivieren met de kleur van bloed. Karana besteedde er geen aandacht aan. Op een gegeven moment sneed de hond hem de pas af, dwong hem te stoppen en maakte hem erop attent dat hij zich op gevaarlijk terrein bevond. Om de hond te kalmeren veranderde hij van koers tot hij uiteindelijk uitgeput en buiten adem stilstond. Er kwam iets aan. Hij wist het. Hij voelde het. Minuten verstreken. De aarde trilde heel licht onder zijn voeten. Hij wist niet precies wanneer hij de mammoet voor het eerst zag. Misschien was hij de hele tijd al bij hem, die grote, hoog oprijzende mammoet die de totem was van Torka en van hem. Levenschenker... Donderspreker... het grote dier dat hen van hun vijanden had gered en naar het Verboden Land had gebracht, stond voor hem en versperde als een levende berg de weg. De hond jankte zachtjes. De mammoet was zo dichtbij dat zijn adem samenviel met de wind die de gescheurde kleren van de tovenaar deed opwaaien. De tranen rolden over Karana's wangen. 'Ik ben je niet waardig, Levenschenker. Ga weg.' De mammoet ging niet weg. In plaats daarvan raakte hij de snikkende jonge man aan, duwde zijn slurf tegen hem aan en maande hem om naar het westen te gaan, naar huis, terwijl voor het eerst sinds ze het Verboden Land waren binnengekomen, de wind van de geest - die vreemde beroering die altijd voorafging aan het Zicht - in Karana opstak en hem duidelijk maakte dat hij waarlijk een tovenaar was. Omwille van degenen die hij liefhad moest hij zich haasten, zo wist hij. De grote mammoet wees de weg en hij zou hem volgen, zoals hij hem altijd had gevolgd. Want in de schaduw van zijn totem, terwijl de voorspellende wind in zijn ziel opstak, wist Karana dat hij zijn mystieke gaven terug had gekregen.