7

De grote stompsnuitige beer kwam in de nacht, zoals alle verschrikkingen, want duisternis is de handlanger van de angst en maakt dat alles waar mensen bang voor zijn groter en gevaarlijker lijkt. Dit dier was echter al zo enorm dat de nacht weinig kon doen om hem groter of dodelijker te laten lijken. Wanneer hij met vier poten op de grond stond, reikten zijn geweldig dikke, harige schouders meer dan anderhalve meter hoog. Nu stond hij op zijn achterpoten in het donker om zich heen te turen en was hij bijna vier meter lang. Zijn omvang, hoogte en gewicht maakten hem tot een van de grootste dieren die ooit op de aarde zouden rondlopen. Hij had geen bult op zijn rug zoals zijn neefje de grizzly, maar hij was bijna een derde groter, en bovendien slanker en daardoor ook sneller. Aan zijn merkwaardige verkorte snuit was te zien dat hij geen omnivoor was; de grote stompsnuitige beer uit de IJstijd was uitsluitend carnivoor. Hij at vlees, alle soorten vlees, levend of dood, pas gedood of verrot.

En nu snoof zijn brede snuit de geur op van voorraadputten en van stukken vlees en huiden die opgeslagen waren en te drogen lagen in het kamp van Torka’s volk. Kwijlend van verlangen ging de grote beer op weg.

Lang voordat de grote beer zo dicht bij het kamp was dat hij te horen of te ruiken was, begon zijn aanwezigheid de mensen te verontrusten zodat ze begonnen te zuchten en te woelen in hun slaap. Weldra lag het volk van Torka klaarwakker en doodstil in hun afzonderlijke kuilhutten. Er was iets bij de voorraadhutten buiten het kamp. De strikken en valkuilen om het kamp waren zorgvuldig ontworpen om roofdieren weg te houden. Vier herfsten lang had geen roofdier deze beveiliging weten te doorbreken. Maar nu weerklonk er door het stille duister een zacht knappend geluid dat erop kon duiden dat iets over een strik struikelde.

In zijn hut luisterde Torka gespannen en probeerde een beeld en een naam te geven aan wat er in het donker bewoog. Hij kon het nu heel duidelijk horen: een zacht ploffend geluid, een nog zachtere ademhaling en een zacht slobberend geknauw dat nauwelijks te horen was in het voortdurende zuchten van de herfstwind. Het klonk als iets groots, maar in het donker konden knaagdieren een geluid maken alsof ze zo groot waren als wolven en wolven konden een geluid maken alsof ze zo groot waren als leeuwen en...'

Aar blafte even vanaf de plek waar hij sliep, bij Karana’s hut, maar het leek Torka alsof de hond niet zeker wist waar hij naar blafte en of hij wel naar iets blafte. Omdat zijn mensenmeute hem bestrafte wanneer hij hen zonder enige reden wakker maakte, had Aar al lang geleden geleerd hen niet onnodig te wekken. Maar nu begon de hond heftig, woest, fel en buiten zichzelf van angst en woede te blaffen.

Tork trok zijn laarzen aan, sprong overeind en had zijn speer in de ene hand en zijn knuppel in de andere, nog voordat hij zijn hand uitstak om de windkering met een ruk opzij te trekken. Achter hem vroeg Umak wat er aan de hand was. Lonit en Iana duwden de jongen weg terwijl ze tegen Torka zeiden dat hij voorzichtig moest zijn. Alsof hij hun raad nodig had.

Het hart van de jager bonkte terwijl hij zijn vrouwen en kinderen tot stilte maande. Zijn stem was zo kalm dat hij even bijna zelf geloofde dat hij niet bang was. Maar hij was wel bang, want ver in het verleden had hij een vrouw, een jonge zoon en een zuigeling moeten afstaan aan een plunderende mammoet.

Opeens brulde de indringer in de maanloze nacht. Torka hoorde een vrouw gillen van angst: Wallah. En een man vloeken: Grek. Terwijl hij met zijn blik de duisternis probeerde te doorboren, zag hij de beer in het heldere licht van de sterren. De beer was groot en dik van het al het eten in de eindeloze dagen van licht, maar geprikkeld, niet alleen omdat het bijna tijd was voor zijn soort om het winterhol op te zoeken, maar ook omdat hij van zijn eten was weggejaagd door een rondrennende, bijtende, wolfachtige hond. Aan de andere kant van het kamp, in de schaduw voor de kuilhut van Grek en Wallah, huilde een vrouw. Mahnie. Waar was Karana?

Torka knipperde met zijn ogen. Hij kon nu goed zien. Terwijl de beer stilstond en zich snel omdraaide, zag Torka twee naakte mannen met speren, Karana en Simu, naar het monster schreeuwen dat hoog boven hen uittorende terwijl de hond om zijn poten rende. Er staken twee speren in de rug van de beer. Een ervan hing los en stak in bont en vet. De andere zat volgens Torka diep in de spieren en botten, te oordelen naar de manier waarop de beer hem met zijn poten probeerde weg te trekken.

Hij wachtte niet af. Hij kon de beer nu ruiken. Hij rook zijn overweldigende dierlijke vleesetersstank en hij kon zijn enorme gewicht door het donker voelen bewegen. Karana en Simu gooiden alweer twee nieuwe speren. Terwijl de hond al zijn haar overeind zette, gooide Torka zijn eigen speer, maar die miste doel omdat de beer opeens op vier poten ging staan en met Aar achter zich aan in de nacht verdween.

Verbluft bleven de mannen even zwijgend staan. Daarna vielen ze elkaar vol opluchting en blijdschap in de armen. De beer was weg! Ze hadden hem weggejaagd. Later zouden ze zich afvragen hoeveel tijd er verstreken was voordat ze het huilen van de vrouwen en kinderen hoorden en het snikken van de man, want Wallah lag op de grond en bloedde uit een gapende wond onderaan haar heup waar haar rechterbeen had moeten zitten.

Torka wist wat er moest worden gedaan om het bloeden te stelpen. 'Net zoals vlees in het vuur wordt dichtgeschroeid, zo gaat het ook met het vlees van mannen en vrouwen,' zei hij. De gezichten van de anderen betrokken van afschuw en ongeloof. 'Wat verbrand is kan niet bloeden,' verzekerd hij hen. 'Dat heb ik geleerd van Umak, Heer der Geesten, en dat heeft Karana geleerd van de zieneres en genezeres Sondahr. Onze tovenaar is zowel door Umak als door de genezers van de Grote Bijeenkomst in de heelkunde onderricht. Karana zal een heelmeester van zijn volk zijn, voor Wallah, de moeder van zijn vrouw. Nu.'

Hij deed een stap opzij, en aldus geschiedde. Terwijl er kompressen van huid tegen de wond werden gedrukt, werd er een steen verwarmd en tegen het vlees van de vrouw gehouden. Wallah viel flauw toen de pijn begon. Ze werd wakker voordat alles voorbij was. Maar de vrouw van Grek schreeuwde niet één keer.

Later op die dag vonden de jagers Wallahs been maar ze wisten niet wat ze ermee moesten doen. Na een korte maar vergeefse speurtocht naar Broeder Hond, keerden ze terug naar het kamp. De stam was blij dat de beer niet van Wallahs been had gegeten. Zonder dat been zou ze een boze geest worden, die gedoemd was om zich door de wereld der mensen te slepen op zoek naar haar verdwenen been. Ze brachten het been naar haar vuurplaats. Nadat Mahnie het had schoongemaakt, staarde Grek ernaar en legde het dicht bij zijn vrouw. Hij stond erop dat Karana er een soort spreuk over uitsprak, alsof het verminkte been op de een of andere manier weer vol bloed en leven zou stromen en zich weer aan haar heup zou hechten. Op de tweede dag smeerden de vrouwen het afgerukte been in met een paarsrode verf die gemaakt was van de geweekte pulp van gedroogde vossenbessen, in de hoop dat dit de bloedsomloop op gang zou brengen. Het been weigerde echter weer tot leven te komen en zich aan Wallahs lichaam te voegen. Overwogen werd het er weer aan te naaien, maar tegen die tijd was het al gaan rotten. De mensen verzamelden stenen en begroeven het been in een ondiepe kuil buiten het kamp. Ze legden er een hoop stenen over om het te beschermen tegen roofdieren en gingen allemaal om het grafje staan om de geest van Wallahs been te eren.

Op de derde dag kwam Broeder Hond terug. Hij was gehavend en uitgeput en miste het grootste deel van zijn linkeroor. Dagenlang lag Wallah telkens weer te ijlen. Ze sliep en kreunde, en werd wakker en kreunde. Grek bleef naast haar zitten. Mahnie verzorgde hem en haar moeder. Karana probeerde niet aan het afgerukte been in het graf te denken terwijl hij helende spreuken zong en afwachtte of zijn toverij Wallah door haar lijden heen zou helpen. En terwijl hij afwachtte, vroeg hij zich af wat voor leven een vrouw met maar één been zou hebben in een meedogenloze wereld.

Wallah genas langzaam, maar Torka's angst voor de grote beer werd niet minder. 'Als hij nog leeft zal hij terugkeren. Dat doet zijn soort altijd,' waarschuwde hij.

Terwijl Grek liever bij Wallah en de vrouwen en kinderen bleef, zochten Torka, Simu en Karana naar sporen van de beer. Dat was niet moeilijk. Het dier had hevig gebloed en was na een paar kilometer rondjes gaan lopen. Het was af en toe stil blijven staan en had met zijn achterpoten gesleept. Ze vonden hem dood in een merengebied in het zuidoosten, aan de voet van een aantal brede, ijsvrije heuvels vol grotten. Ze vilden hem, maar wilden geen van allen van het vlees eten. Zwijgend haalden ze hun speerpunten uit het karkas en namen de huid en de klauwen mee.

De dood van het dier werd niet gevierd. De vrouwen hadden zelfs geen belangstelling voor de huid en de klauwen.

'Wie wil nu slapen in een mantel die gemaakt is van de huid van een dier dat van onze zuster heeft gegeten?' vroeg Lonit.

'Ik wil er wel in slapen!' verklaarde Wallah tot ieders verbazing. Haar gezicht was onnatuurlijk grauw, bleek en weggetrokken door de urenlange meedogenloze pijn, maar haar ogen stonden voor het eerst sinds ze haar been kwijt was weer levendig. 'Alles bij elkaar denkt Wallah dat het beter is om een vrouw met één been te zijn dan een dode beer zonder huid!'

En dus werd de berenhuid opgespannen en schoongeschraapt en voor haar geprepareerd.

Terwijl de huid werd geprepareerd, liep Torka ongerust door het kamp. Voor het eerst sinds hij zich kon heugen wist hij dat hij had gefaald, en ernstig ook. 'We hadden voorzichtiger moeten zijn,' gaf hij toe. 'Ik had voorzichtiger moeten zijn.'

'Drie winters is te lang om in een kamp te blijven.' Greks stem was even hardvochtig als de blik die hij op Torka wierp. 'De geesten krijgen genoeg van mensen wanneer ze te lang op een plek blijven. Deze man heeft dat al eerder gezegd en hij zegt het nu weer... maar voor Wallah is het te laat.'

'Ze leeft nog!' bracht Karana hem in herinnering. 'En omdat we haar been hebben gevonden zal ze vanaf nu speciaal worden begunstigd door de krachten der Schepping. Niet veel vrouwen kunnen zich erop beroemen dat ze in het holst van de nacht hun hut zijn uitgerend, regelrecht in de armen van een grote beer, en dan uiteindelijk de huid van die beer krijgen!'

Grek draaide snel zijn hoofd om. De hardvochtigheid in zijn ogen veranderde in bedroefdheid. 'De geesten geven met de ene hand en nemen met de andere! Vertel jij mijn Wallah maar, Tovenaar, dat ze door de geesten is begunstigd in plaats van vervloekt. Vraag haar wat ze liever zou hebben: de huid van een beer of haar eigen been!' Hij zuchtte en sloot zijn ogen, deed ze toen weer open en keek Karana weer aan. 'Hoe lang zal ze leven met zo'n wond? Hoe lang? Jij bent een tovenaar. Vertel jij me dat eens! Ze heeft de hele tijd zoveel pijn Jat ze nauwelijks kan slapen. En wanneer ze slaapt, wordt ze zoekend naar haar been wakker, omdat ze zegt dat ze het kan voelen. Ze laat me kijken of haar tenen bewegen, maar er zit niets. Niets om mijn Wallah overeind te houden als ze nog eens zou moeten opstaan om weg te rennen voor een beer, of een leeuw, of...' 'Ze zal niet hoeven weg te rennen. Nooit meer,' zei Torka tegen de oude jager. 'In de heuvels boven het karkas van de beer zag ik grotten - mooie, hoge, droog uitziende grotten op het zuiden - en we zouden in een van die grotten een mooi kamp kunnen maken. Wallah zou het er zolang ze leeft plezierig hebben en er veilig zijn, en wij zouden ons kunnen verdedigen tegen elk roofdier dat ons probeert aan te vallen.'

'Mensen leven niet als dieren in grotten!' protesteerde Simu. 'Karana, Lonit en deze man hebben in grotten gewoond. Wij zijn geen dieren,' wierp Torka tegen.

Karana knikte. 'En als tovenaar zeg ik jullie dat Grek en Torka beiden gelijk hebben. Het is niet goed wanneer mensen te lang in een kamp blijven. En in dit nieuwe land moet Simu zich nieuwe gewoonten eigen maken!'

Een voorlopig onderzoek toonde aan dat de grotten alles waren wat Torka verlangde. Nog meer zelfs. Om er te komen moest men een flink eind door sparrenbosjes en berkenbosjes klimmen, langs een beekje dat door een bron werd gevoed. Er zou altijd water dicht in de buurt zijn en grote vleeseters zouden geen gevaar vormen. De grotten waren breed, droog en diep en drie ervan waren zo hoog dat een man er makkelijk kon staan. Tot Torka's steeds grotere vreugde had de grootste van de drie de beste ligging op het zuiden en ook de gladste, vlakste vloer. Hij knielde neer en voelde aan het korrelige stof onder zijn voeten. Er lag maar een dun laagje. Dat was een goed teken. In de winter zou de grot niet alleen goed beschermd zijn tegen de kou door de heuvels eromheen, maar hij was blijkbaar ook goed afgeschermd tegen de felle, bijtende ijzige wind vol sneeuw en stof.

Terwijl hij omhoog en om zich heen keek, zag hij geen teken van water dat door de wanden of het plafond naar binnen liep. Deze grot was anders dan die waarin hij lang geleden had geleefd. Daar had een pak ijs op de heuvels gelegen dat door het plafond van de grotten naar binnen lekte. Wanneer het in het voorjaar warmer werd, leverden die ijsmassa's gevaar op voor lawines die onheil en dood konden brengen aan levende wezens wanneer ze door het ijs werden overvallen... Tevreden stond Torka op en veegde het stof van zijn vingers.

Simu en Karana hadden al rondgekeken en stonden bij de brede, door een rots overschaduwde ingang naar de grot. Het uitzicht was geweldig: een fantastisch weids panorama van het merengebied en het dal eromheen, met uitzicht op hoog oprijzende, met gletsjers bedekte bergen in het zuidoosten.

'Het is hier goed,' zei Torka, die tussen hen in kwam staan.

'Het is een grot,' antwoordde Simu, niet overtuigd van de goede kwaliteiten.

'Het is onze grot,' zei Karana en zonder een woord begon hij naar het dal af te dalen om Grek en de vrouwen en kinderen te vertellen wat ze hadden gevonden.

In het land in het verre westen was de wereld rood en goudkleurig en bruinig getint. Op zijn tocht vanaf de grot van de Wanawut naar beneden stond het kleine beest telkens stil om de herfstige ochtendlucht in te ademen, terwijl hij door snel ritmisch gesnuif zijn genoegen liet blijken. Er was vandaag iets bijzonders aan de hand. Iets geweldigs!

Moeder bleef staan en draaide zich om. Zuster liep gehoorzaam mee. Zuster liep altijd gehoorzaam mee. Moeder keek langs haar vrouwelijke jong. Haar oogleden zakten half dicht onder haar zware voorhoofd terwijl ze strak naar het kleine beest keek. Ze liet haar tanden zien om haar ongenoegen duidelijk te maken, draaide zich om en liep voorzichtig verder naar beneden, de berg af en de wijde, mooie wereld in.

Het kleine beest fronste zijn voorhoofd en zijn gevoel van verrukking verdween even. Hij wilde dat hij meer op Zuster leek, die nooit ongehoorzaam was en nooit werd afgeleid door het uitzicht. En Zuster was groter en sterker en ze groeide veel sneller. Zuster had klauwen en scherpe tanden, en Zuster had bont, net zoals Moeder: lange dikke slierten zachte, grijze vacht met een dikke, vaag gekleurde ondervacht. Hoe ouder Zuster werd, des te meer ging ze op Moeder lijken.

Hij zuchtte. Het maakte hem bedroefd dat Moeder het niet leuk vond dat hij zo weinig bont had. Wanneer ze hem verzorgde, keek ze altijd bezorgd en plukte ze aan zijn blote vel. De sliertige donkere vacht die op zijn hoofd groeide, werd nu in elk geval al heel lang. Hij hing nu op zijn schouders. Het was een vreemde vacht, heel anders dan die van Moeder en Zuster. Het deed hem denken aan de staarten van paarden.

Beneden hem op de berg draaide Moeder zich nog eens om. Met een aantal geërgerde geluiden wenkte ze hem om te komen. Hij volgde, terwijl hij met één hand aan zijn haar trok en met de andere aan zijn versleten tuniek van rendierhuid. Het was een voddig, stinkend, slecht zittend kledingstuk. Moeder had het nog niet zo lang geleden aan hem gegeven. Het was afkomstig van een van de poten van een door leeuwen gedode wapiti waarvan ze de bout had gestolen uit het wilgenbosje waarin de leeuwen hem hadden verborgen. De buis van huid droogde nog na op zijn lichaam. Nu zat hij als een huls om hem heen, te strak om zijn schouders en heupen en te los om zijn buik.

Als hij de keus had zou hij liever naakt in het zachte gele licht van de gouden herfstdag lopen. De wind blies zacht tegen zijn magere, soepele, bijna vier jaar oude lichaam. Maar hij wist dat Moeder die naaktheid niet zou tolereren en hij wilde niet dat ze kwaad op hem werd. Niet vandaag, nu ze hem eindelijk vanuit de hoge bergen naar de wereld beneden bracht!

Zijn gevoel van verrukking over de mooie dag keerde weer terug. Al maanden lang bracht Moeder haar jongen de grot uit en leerde hun jagen op de stenige top van de berg. Maar ze had hen nog nooit van de berg af mee naar beneden genomen. De weg van de grot naar beneden was veel steiler dan hij had gedacht.

Vandaag zou hij leren om samen met haar een prooi te besluipen en naast haar te rennen. Daar droomde hij al zo lang van terwijl hij en Zuster opgesloten zaten in de grot, waar weinig ruimte was geweest om te rennen, om echt te rennen, zoals de kuddedieren in de wereld beneden wegrenden voor leeuwen en springende katten en wolven en honden.

Moeder liep nu ver voor hem, langzaam en voorzichtig. Haar been was stijf: het been met het lange, glimmende stuk blote huid dat van haar heup tot net boven haar knie liep. Af en toe wreef ze onder het lopen over het litteken. Het kleine beest besteedde er weinig aandacht aan. Hij kon zich de tijd niet herinneren dat Moeder niet over haar gehavende been had gewreven.

Hij ging snel verder en liep al gauw naast Zuster. Die liep heel voorzichtig en weifelend naar beneden. Nieuwe situaties joegen Zuster altijd net zozeer angst aan als ze hem nieuwsgierig maakten. Zij vond de uitstapjes vanaf de bergtop niet plezierig en vandaag had Moeder haar een paar tikken moeten geven om haar de grot uit te krijgen. Hoe ouder Zuster werd, des te minder begreep hij haar. Ze was even langzaam als hij snel was en ze had evenzeer de neiging om achter te blijven als hij om vooruit te rennen. Hij blies nu naar haar en moedigde haar met een liefdevol gebaar aan. Ze piepte zielig. Moeder keek om en gromde luid. Zuster werd stil. Het kleine beest liep naast haar, in elkaar gedoken om op de knokkels van zijn handen te kunnen steunen, hoewel hij zijn eigen manier van rechtop lopen gemakkelijker en natuurlijker vond.

Ze begonnen wat minder steil af te dalen en weldra trokken ze de brede riviervlakte over die als een waaier op het dal uitmondde. Het kleine beest voelde de zon in zijn rug en zag de wereld overal om hem heen oprijzen. Hij kon het warme gevoel van geluk dat in hem oplaaide niet langer bedwingen en begon te rennen. Voor het eerst van zijn leven rende hij echt, rechtop als een jongen, met zijn rug kaarsrecht en zijn sterke jonge beentjes onder hem buigend en strekkend. Hij rende met zijn hoofd achterover en zijn lange zwarte haar wapperend in de wind. De toendra onder zijn voeten voelde even heerlijk en natuurlijk aan als het gras dat als stralen warm, zacht zonlicht tegen zijn armen sloeg. Hij bleef maar rennen, al hoorde hij zijn moeder roepen dat hij terug moest komen. De vogels vlogen overal om hem heen op. Hij lachte van plezier en sloeg met zijn armen alsof hij hen achterna wilde gaan. Toen een kudde antilopen uit de beschutting van een bosje kwam stormen en voor hem uitrende, ging hij harder lopen om hen bij te houden. Hij liep nu in hoog gras, maar ging niet langzamer lopen. Ergens voor hem uit keften en blaften de wilde honden. Het geluid overweldigde hem. Hij wierp zijn armen in de lucht en blafte en kefte terug terwijl hij wild naar de rivier rende. Hij wierp zich door de hoge begroeiing van gras. De zon stond hoog en het kleine beest ging helemaal op in de kleuren en geuren en fantastische geluiden van de wereld. De grootsheid van die wereld overweldigde hem niet. De geest van duizenden generaties nomaden zong in zijn aderen en hoewel hij het lied niet kende, zong hij het mee. Terwijl hij steeds maar bleef rennen, was het net of zijn ziel vol vreugde opging in de aarde en de hemel.

Opeens bleef hij doodstil staan. Er stonden wolven tussen hem en de rivier. Hij staarde naar ze. Waar kwamen ze vandaan? Hoe was het mogelijk dat hij ze niet had zien aankomen? Als hij de taal van zijn voorouders had gesproken, zou het woord 'onvoorzichtig' bij hem zijn opgekomen. Hij herinnerde zich de gevaren van de jacht op de bergtop en besefte dat er ook in de wereld hier beneden gevaren dreigden.

Hij had nog nooit eerder wolven van dichtbij gezien. Hij had nooit gedacht dat ze zo groot en mager en hoog op de poten waren, en dat ze een vacht hadden als het gras van de steppe wanneer dat met verse sneeuw is bedekt. De zon scheen in hun ogen. Goudkleurige ogen. Aandachtige ogen. Hongerige ogen. De ogen van roofdieren. Zijn maag trok samen. Hij had ook honger. Op den duur zou hij ook een roofdier worden. Maar nu was hij nog een klein, kaal jong met de onbewerkte vacht van een dood rendier om zijn lichaam. De wolven roken het gedroogde bloed en vlees van de rendierhuid. De leider van de wolven was een groot dier met de littekens van vele jachtpartijen en gevechten met soortgenoten op zijn oren en snuit. Hij deed een stap naar voren.

Het kleine beest slikte eens en deed ook een stap naar voren.

De wolf bleef staan.

Het kleine beest bleef staan.

De wolf boog zijn kop.

Het kleine beest deed hetzelfde.

De wolf liet zijn tanden zien.

Het kleine beest voelde zich onwel. De wolf had prachtige tanden, maar zijn eigen tanden waren klein en plat, niet vergelijkbaar met wolventanden. Geïntimideerd deed hij een stap terug. De kop van de wolf schoot omhoog toen de Wanawut opeens stampend en met haar armen zwaaiend door het gras aan kwam rennen. De wolven draaiden zich om en renden weg.

De Wanawut ging er niet achteraan. Het scheelde niet veel of ze had het kleine beest onder de voet gelopen. Terwijl haar ondeugende jong in elkaar gedoken in haar schaduw bleef zitten, sloeg ze met haar enorme harige armen om zich heen, liet haar tanden zien en krijste en brulde van woede. Toen ze uiteindelijk omlaag keek, had hij zijn blaas bijna niet meer in bedwang. Hij had Moeder nog nooit zo kwaad gezien. Het was een aanblik die hij nooit zou vergeten.

De woede van Moeder verminderde echter toen ze naar hem keek. Hij wist dat ze van hem hield. Hij was klein en kaal en van twijfelachtige waarde als jager, maar hij was toch haar jong. Toen haar linkerarm omlaag schoot, bevuilde het kleine beest zichzelf en zijn rendierhuid, maar Moeder vond dat blijkbaar niet erg. Haar enorme vingers krulden zich om zijn achterwerk en tilden hem op om hem te omhelzen. Ze keek hem lang en nadrukkelijk aan, maar hij zag dat haar blik vol verwijt en opluchting was. Ze draaide zich om naar de plek waar Zuster zich schuilhield, nam haar mensensteen tussen haar tanden en tilde het tweede jong bij haar nekvel op zonder zelfs maar haar pas te vertragen.

Ze waren voor het eind van de dag terug in de grot. Moeder gaf hem een paar harde klappen, stuurde hem naar het nest en wilde hem niet verzorgen of knuffelen. Hij kwam dichterbij en maakte koprollen achterover om haar een plezier te doen, maar ze raakte niet onder de indruk van zijn capriolen, zelfs niet toen hij haar ondersteboven tussen zijn benen door grijnzend aankeek in een poging zich te verontschuldigen. Ze bekeek hem koeltjes, gromde wat en besteedde verder geen aandacht aan hem.

Dit zal niet meer gebeuren, dacht hij. Ik zal gehoorzamen. Ik zal het wel leren. Moeder zal trots op me zijn.

Maar in de dagen en nachten die volgden, kreeg het kleine beest niet de kans om zichzelf te bewijzen. Moeder had alle vertrouwen in hem verloren en onder haar waakzame oog werd de grot zijn gevangenis.

Het duurde weken voordat Torka en zijn volk hun kamp hadden verplaatst. Ze deden het langzaam, in verschillende fasen: eerst de vrouwen en kinderen, samen met de slaapspullen en het kookgerei, alsmede Wallahs afgerukte been, want zonder dat been wilde ze het kamp niet uit.

'Het hoort bij me,' zei ze en een deel van mijn levensgeest woont er nog in! Ik ga dood zonder dat been. Dat weet ik zeker!' Grek groef haar been op, wikkelde wat er nog van over was in zachte vachten met riemen van wapitihuid erom, en droeg Wallah samen niet het been in zijn armen helemaal naar de grot. Wallah hield haar afgerukte been vast en was tevreden, al had ze pijn. Wanneer ze het been bij zich had, zag ze zichzelf niet als een vrouw met één been. De voorraden van de stam lagen nog waar ze ze hadden opgeborgen, verspreid over het land rond de plek van het nu verlaten kamp. Sommige voorraden lagen begraven in diepe kuilen, andere waren verstopt op hoge, rotsige plekken en weer andere lagen onder moeizaam opgestapelde hopen zware stenen. Ze beseften dat hoe goed ze de voorraden ook probeerden te verbergen, er toch altijd een paar bergplaatsen zouden worden geplunderd en vernield. Als voorzorgsmaatregel waren er veel bergplaatsen gemaakt met ongeveer dezelfde spullen erin: gedroogd eten, blazen met water, speren, strikken, lange lijnen van pezen, hakmessen, beitels, stampers, vishaken en netten, en ook extra laarzen, wanten en warme vachten. Noodvoorraden en verband voor verwondingen werden opgeslagen, samen met pakjes wilgentakken voor pijnbestrijding, gereedschap om vuur te maken, en in olie gedrenkte beenderen die samen met gedroogde grassen en wortels waren ingepakt om snel en voor lange tijd brandstof te leveren aan een jager die buiten het kamp door een storm werd overvallen.

Nu was het oude kamp eindelijk weg. Lonit stond samen met Torka aan de rand van de grot. Het was nacht en de sterren schitterden als ijskristallen op de zwarte huid van de hemel. Overal langs de horizon schitterden de verre bergtoppen als de scherpe tanden van een roofdier. Het lied van wolven weerklonk door de verre ravijnen en af en toe riepen mammoets elkaar terwijl de wind over de wereld gierde en de lucht verkilde met de belofte van de winter die op komst was. De leden van de stam sliepen vast in de warme beschuttende holte in de berg.

'Kom, vrouw van mijn hart. Het is laat. Je hoort te slapen,' zei Torka.

'Ik kan het westen niet zien,' zei ze tegen hem. Het westen is verleden tijd. Het ligt achter ons. Het is goed dat we niet meer omzien.'

Ze wist dat hij gelijk had, maar toch voelde ze een bedroefd verlangen naar haar verloren tweelingzoon. Dat verlangen was er altijd, diep in haar hart... sluimerend... wachtend tot het door een woord of een gedachte of een droom werd opgewekt. Zou het nooit overgaan?

'Kijkt Torka nooit verlangend om? Voelt Torka nooit de aanwezigheid van dat kind, hoort hij het nooit roepen in de wind? Kijkt Torka nooit achter zich om te zien of het daar loopt?' Hij legde een brede, sterke hand op haar schouder, draaide haar naar zich toe, boog zich voorover en kuste haar mond om haar het zwijgen op te leggen. Het was een zachte kus, een lange kus. Het was de kus van een minnaar. En meer nog was het de kus van iemand die de pijn in de ziel van een ander kent en wil wegnemen. Lonit beefde. Ze sloeg haar armen om zijn nek. Haar liefde voor hem was zo intens dat het pijn deed. Van hun eerste kus tot hun laatste zou het voor hen altijd zo zijn. Als de grote zwanen die 's zomers in paren de meren en watertjes op de toendra sieren, waren ze één, één hart, één adem, één wezen, voor eeuwig en altijd. Hoe kon ze hem vragen of hij de pijn van het verlies van hun zoon voelde? Hij was Torka! Hij had alles op het spel gezet om het leven te redden van dat arme, achtergelaten kind en het terug te brengen in het warme leven van de stam.

Ademloos trok ze haar mond van de zijne weg en keek hem recht aan. Het licht van de sterren scheen op de pijn in zijn ogen, pijn om een verloren zoon en om de vrouw wier verlangen naar dat kind nooit zou worden gestild. Zijn lippen glinsterden van het vocht van haar kus. Weer trilde ze. Hij was niet meer de jonge man die ze als kind had aanbeden en niet meer de man die ze als jong meisje uit de verte had bemind. Hij was een volwassen jager in de kracht van zijn leven met een gezicht en een gestalte die mooier waren dan ze ooit waren geweest. Kracht en medelijden hadden zich in zijn knappe trekken gegroefd alsof de tijd een mes had genomen en die eigenschappen erin had gekerfd zodat iedereen ze kon zien. Geen man ter wereld had zo'n fantastisch mooi gezicht als Torka. Zelfs de onvergelijkbaar volmaakte Navahk niet, want zijn gezicht was wel mooi geweest, maar even scherp als de trekken van een roofvogel, mager en wreed, met vreemde, uit elkaar staande, gekartelde tanden. Ze huiverde. Ooit, lang geleden, had ze naar Navahk verlangd. Haar verlangen had niets met liefde te maken en zelfs niet met sympathie, want ze had de slechte tovenaar veracht vanaf het moment dat hij brutaal aan het hoofd van zijn stam naar de Grote Bijeenkomst was gekomen. Ze had geen andere man aan haar zijde gewenst dan Torka, maar alle vrouwen stonden in vuur en vlam voor Navahk. Hij betoverde hen.

Uiteindelijk was het vuur dat ze voor hem had gevoeld door verkrachting geblust, maar in haar hart wist ze dat ze naar hem had verlangd toen hij haar nam, al had ze zich tegen hem verzet, en dat ze zich bijna vrijwillig aan hem had gegeven, totdat ze in zijn ogen keek en even zijn zwarte ziel had gezien. Ze had geleerd dat overgave aan hem gelijk stond aan de dood. Nee, nog erger, overgave aan hem zou verraad zijn geweest van haar liefde voor Torka. En dus had ze zich tot het laatst toe tegen hem verzet en toen hij uiteindelijk woest was klaargekomen, het voor hem verknoeid door te verklaren: 'Ik ben zijn vrouw, voor eeuwig en altijd.'

En al had hij haar bewusteloos geslagen, ze had zich aan zijn macht onttrokken. Maar toch vervulde de herinnering aan de man haar nog steeds met afschuw en schaamte wanneer ze bedacht dat ze hem ooit had begeerd.

Torka trok haar naar zich toe en hield haar teder vast. 'Je moet de droevige dingen van het verleden achter je laten, Lonit. Kom nu, vrouw van mijn hart, in mijn armen zul je vergeten.' En met een sterke arm om haar heen geslagen leidde hij haar de grot in, naar de plek waar hun slaapvachten op een dikke matras van mos en grassen lagen. Iana was met haar beddenvachten naar het vuur van Grek en Wallah gegaan om de oudere vrouw te helpen bij haar dagelijkse werk en er ook 's nachts te zijn. Daardoor kon Grek slapen en krachten opdoen voor de dagen van de jacht, en kon Mahnie gerust zijn dat haar moeder werd verzorgd terwijl zij voor haar eigen vuur zorgde en in de behoeften van Karana voorzag. Zomermaan, Demmi en de kleine Umak lagen vlakbij op een hoop, met vachten over hen heen, dicht bij de rand van plaggen en stenen rond de haard die Lonit voor haar gezin had gemaakt. 'Kom,' fluisterde Torka terwijl hij de zachte riemen losmaakte die Lonits jurk bij elkaar hielden. De jurk viel om haar heupen zodat haar lichaam werd blootgesteld aan de nachtelijke kou. Hij streelde haar, glimlachte terwijl hij naar haar keek, nam haar in zijn armen en legde haar neer. Toen hij zich had uitgekleed ging hij boven op haar liggen om haar te warmen. 'Het westen is verleden tijd. Deze grot is het heden. Onze kinderen slapen veilig in de nacht. Laten we één worden in het donker en laat er geen bedroefdheid tussen ons komen.'

Een harde wind joeg de sneeuw voor een aanwakkerende storm uit. De laatste herfstkleuren werden in wit gehuld terwijl dieren beschutting zochten tegen de eerste gure winterstorm. Maar in de grot in de heuvels boven het merengebied zat het volk van Torka warm, droog en ontspannen in hun mooie kamp.

'Zing, Tovenaar! Zing nu ter ere van de grote geesten van de mammoet en de beer!'

Net als in de nacht van de grote storm kon Karana het bevel van zijn hoofdman niet negeren. Hij ging midden in de grot staan en terwijl zijn volk zich om hem heen verzamelde, ging hij zitten en begon te zingen. Zijn lied was lang en weloverwogen, een eerbetoon aan de geesten van de mammoet, de beer en de dappere vrouw die een been was kwijtgeraakt maar nu rechtop in haar bed van vachten zat, tegen Grek geleund, in de harige, netjes gekamde vacht van het beest dat haar had verminkt, met één been uitgestrekt en het andere in een zak van wapitihuid op haar schoot. Hij zong tot hij Wallah flauwtjes zag glimlachen van trots, en toen hij dacht dat hij geen woorden meer kon bedenken om haar, de grote geest van de beer of de grote geest van de mammoet te prijzen, sloot hij zijn ogen en legde hij zijn handen op zijn knieën. Tot zijn verbazing hoorde hij Torka iets in zijn oor fluisteren.

De hoofdman was naar hem toegekomen en had zich voorovergebogen om een bijna onhoorbare aanwijzing te geven. 'De winter die ons wacht zal lang en donker zijn. Sta op, Tovenaar! Je hebt een oudere, gewonde vrouw gelukkig gemaakt, maar je zult alle listen van een sjamaan moeten gebruiken om te voorkomen dat mijn volk gaat kibbelen in de lange nacht van eindeloze kou die voor ons ligt. Sta op, zeg ik je! Kom overeind en toon je toverkunsten!' Geschrokken door Torka's wijze maar beledigende advies, keek Karana hem aan en als niet iedereen had zitten kijken, zou hij hebben gezegd: ik ben Navahk niet! Toverkunsten kunnen niet zomaar worden vertoond! Wil je dat ik onze stamgenoten voor de gek hou om te zorgen dat ze de hele winter tevreden blijven?

Torka glimlachte. 'Ja,' fluisterde hij.

Had hij Karana's gedachten gelezen? Karana vermoedde van wel. En nu las Karana de gedachten van de hoofdman. Hij wist wat Torka wilde en terwijl hij met een boze blik overeind kwam, gaf de jonge man Torka waar hij om vroeg.

In het licht van de vuren van zijn volk richtte Karana zich op. In de dansende schaduwen van de door vlammen verlichte grot danste Karana. En terwijl hij op een krachtig innerlijk ritme bewoog, voelde hij de toverkracht opeens in zich opkomen... hem overweldigen... hem meevoeren terwijl er in hem een transformatie plaatsvond. Hij was helemaal niet meer Karana. Hij was de grote beer. Hij was bijna vier meter hoog en zijn bloed klopte door de kracht van zijn lied.

Hij draaide in het rond. Hij brulde. Hij hief zijn armen op, boog zijn nek en krulde zijn handen tot poten met klauwen. Zijn volk kromp ineen. Lonit was van afschuw vervuld. Nog nooit had Karana meer op Navahk geleken. Dak en Umak schreeuwden van jongensachtig plezier terwijl Mahnie haar adem inhield van trots en van lang onbevredigde lust naar haar man. Naast haar huiverde Iana omdat ze ook de gelijkenis tussen de tovenaar en Navahk zag, net als Wallah, die wegkroop in haar vacht terwijl Grek zijn armen om haar heen sloeg om te voorkomen dat haar beven pijn deed aan de stomp die nog niet genezen was en waar nog vocht uitkwam. Demmi knipperde met haar ogen en fronste haar wenkbrauwen, omdat ze niet de kracht en schoonheid wilde erkennen van een broer die ze eens had aanbeden, maar die haar vertrouwen door leugens had beschaamd.

En Zomermaan, die met haar negen jaar bijna een vrouw was en al net zo n schoonheid als haar moeder, keek met open mond van verbazing naar de schoonheid en pracht van een man die ze nooit als haar broer zou zien.

Buiten ging de wind liggen en begon het te sneeuwen terwijl de avond voorschreed. Ergens ver in de storm trompetterde een mammoet en zijn soortgenoten antwoordden. In de grot voldeed Karana aan het verzoek van de hoofdman en vielen de mensen met hun slaapvachten dicht om hen heen getrokken in slaap bij hun haardvuren.

Karana droomde van een andere grot... van de Wanawut die daar in het donker stond... met haar afschuwelijke gezicht verlicht door de opkomende zon. 'Karana?'

Riep het monster hem? Nee. De droom veranderde nu, en werd intenser. De Wanawut was verdwenen. Alles was verdwenen. Er was enkel duisternis. Een gefluister, warm, zwoel en trillend, dreef in het duister... warme, zoekende handen streelden trillend zijn lichaam. 'Karana?'

Onder zijn slaapmantel blies een vochtig, zoel windje tegen zijn nek en rug. Het streelde hem, likte hem, wond hem op, omgaf hem, versmolt met zijn vlees, bewoog... aanvaardde hem terwijl hij in zijn droom weer de beer was die danste en beukte, bijna vier meter lang en brandend van kracht... tot zijn lichaam opeens openbarstte zoals het ijs op de rivier openbarst bij de lentevloed. Maar de vloed die hem verscheurde was geen ijs maar gesmolten vuur, tot hij weer iemand zijn naam hoorde fluisteren en hij hijgend zijn ogen opende... en verstarde.

Hij hield Mahnie in zijn armen. Ze was met hem verenigd en streelde hem, kuste hem op zijn schouder en keek hem aan met tranen in haar ogen en op haar wimpers. 'Karana...' fluisterde ze. 'Je bent weer mijn tovenaar.'

'Nooit meer!' riep hij, terwijl hij haar wegduwde. Hij rolde onder de beddenvachten uit, trok een vacht om zich heen en ging aan de rand van de grot staan.

Hij wist dat de ogen van iedereen in de grot op hem waren gericht. Ze keken maar! Het kon hem niet meer schelen. Weldra zouden ze beseffen dat er niets interessants was aan een man die naar de nacht stond te kijken en zouden ze zich omdraaien en weer verder dromen. Hij trok een van de huiden naar achteren en stelde zich bloot aan de sneeuw. Hij huiverde, maar betwijfelde of hij kouder kon worden dan hij al was. Zijn gezicht was rood aangelopen, zijn lichaam klopte. Maar zijn hart en geest waren koud als ijs. Hij wist niet hoe lang hij daar zonder iets te zien naar de nacht stond te staren, door de sneeuw heen die loodrecht uit de wolken viel en die stil was als de dood en even wit als zijn gedachten zwart waren. Hij hoorde de mammoets weer naar elkaar roepen. Het klonk ver weg en gedempt.

De wind stak weer in hem op. Het was de wind van de geest die zijn innerlijk even teder streelde als de handen van de vrouw zijn lichaam hadden gestreeld.

Een spier trilde aan de rechterkant van zijn mond en bracht zijn lip omhoog tot iets wat bij een dier als een grauw zou zijn geïnterpreteerd. Maar het was geen grauw, het was een glimlach, een duistere, bittere, kwaadaardige glimlach. Wat is Karana toch een dwaas, schold de wind van de geest. Hij is altijd maar aan het piekeren. Hij keert zijn vrouw altijd maar de rug toe. Ga terug naar je vrouw, Tovenaar. Een man moet een man zijn. En ook al komt er een kind in de buik van Mahnie, waarom zou je je dat genoegen ontzeggen? Omdat je bang bent dat Navahks geest weer tot leven komt in het lichaam van het kind? De levensgeest van een man kan niet opnieuw worden geboren in een meisje. Als het een jongetje is... dan zal het natuurlijk wel een afstammeling van Navahk zijn, maar dat ben jij ook. En net zoals jij je vader probeerde te doden, zo kun je ook proberen een jongetje dat van zijn vlees is te doden voordat het als kind wordt aanvaard. Dat is je recht. Als zoon van Navahk zal het ook je plicht zijn. En welke wraak zal zoeter zijn dan te voorkomen dat zijn levensgeest ooit nog opnieuw in deze wereld wordt geboren? 'Geen enkele,' antwoordde hij de wind van de geest glimlachend hardop, terwijl hij zich zonder aarzeling omdraaide en door de grot terugliep naar Mahnie.

Hij zag niet de slaperige ogen van de kleine Umak naar hem kijken en merkte ook niet dat het kind geeuwde en zich uitrekte, en dat zijn gezichtje rond en gezond glom in de zachte gloed van Torka's goed verzorgde vuur... een gloed waarin de kleine, witte gekartelde tandjes van de jongen heel even helder oplichtten voordat hij zich omdraaide en weer ging slapen.