2
Terwijl de stam stom van verbazing toekeek, wierp Cheanah zich op Torka. Ze vlogen elkaar aan alsof ze bronstige elanden waren, ramden hard op elkaar in en duwden en worstelden steeds feller, tot ze puffend en kreunend op de grond lagen, in een gevecht waaruit geen van beiden de ander levend wilde laten ontsnappen. Maar toen Cheanah de aanval op Torka opende, wist Zhoonali meteen dat hij het verkeerde moment had gekozen. Ze zag Torka's ogen donker glanzen van tomeloze vastberadenheid en vreesde voor het leven van haar zoon.
Eindelijk was het zover, Cheanah was opnieuw hoofdman. Ze wist het zeker. Ze voelde het gewoon. Hij had niet met Torka hoeven gaan vechten. Hij had alleen hoeven toe te kijken hoe het gezag van Man Uit Het Westen volledig verdween terwijl de voortekenen - en een oude vrouw - nog steeds tegen hem waren. Ze was erin geslaagd om de beer in Cheanahs geest op te hitsen, maar ze had de gevolgen van haar gekonkel niet goed voorzien. Hij dacht ook als een beer, niet als een mens. Hij reageerde en dacht niet na. Zag hij niet dat de uitslag van deze worsteling met Torka nergens toe zou dienen behalve om zijn eigen mannelijke eer te strelen? En als Torka nu eens sterker zou blijken in het gevecht? Zij en Cheanah konden alles verliezen.
En toen Torka's totem op de richel verscheen en opeens trompetterde en naar het oosten liep, de verre heuvels in, wist Zhoonali dus wat ze moest doen. Ze nam de houding van een profetes aan en riep zodat allen het konden horen: 'Nee! Staakt deze strijd! Er is een andere oplossing! Ziet! De mammoet gaat naar het oosten, het dal uit en weg van de jachtgronden van het volk! De krachten der Schepping hebben gesproken! Ze hebben ons een andere oplossing getoond!'
Haar woorden troffen Karana diep. Hij wist dat hij, de tovenaar, de confrontatie tussen Torka en Cheanah had moeten stoppen voordat het tot vechten kwam. Als zoon van Torka had hij zich in het strijdperk moeten werpen, net als Cheanahs zonen graag hadden willen doen. Maar er klonk geen stem in hem. De krachten der Schepping hadden die stem van hem weggenomen en aan Zhoonali gegeven. Hij staarde naar het oosten en zag de mammoet hem de rug toekeren terwijl de wereld onder zijn voeten leek weg te zinken. De oude vrouw wees in de verte en riep met de stem van een profetes: 'Ziet de Donderspreker! Ziet de Levenschenker! Dit is een teken voor het volk!'
Haar uitspraak was als een wig die de scheur in de aarde onder Karana's voeten verbreedde. De mond van de Moeder Beneden opende zich om hem te verzwelgen. Hij hoorde de mammoet nog één keer trompetteren terwijl hij, met opgeheven armen, door de aarde heen viel - niet erin, maar er dwars doorheen - in een volslagen duisternis. Om hem heen gierde de spookwind, en het koude, harde vlees van de Moeder Beneden sidderde, kreunde en werd toen heet en zacht. Het brandde hem en dreigde hem te omsluiten, hem te versmelten en te vermalen tot een deel van haarzelf. Even plotseling als hij was gevallen kwam Karana weer door de schroeiende hitte heen de koude duisternis in. Hij bleef vallen... vallen... totdat hij door de onderkant van de wereld schoot. Er klonk een geweldig lawaai en er was een explosie van licht en daarna het plotselinge gevoel van gewichtloosheid toen de spookwind hem meevoerde. Zoals een vis door de stroom van een rivier wordt meegenomen, zo werd Karana voor zijn gevoel meegesleurd om de wereld heen. Hij steeg steeds hoger, tot in het rijk van de Vader Boven, een enorme ruimte vol sterren, gevuld met de onzichtbare aanwezigheid van de doden.
Hij werd bevangen door angst. Hij voelde hoe de doden hem aanraakten, grepen en probeerden vast te houden in hun wereld. Hij rukte zich los uit de grijpende handen. Hij hoorde hun stemmen fluisteren en roepen, verward, zoals hij vaak wolkenflarden had zien vermengen en vervlechten wanneer ze door een sterke wind werden voortbewogen. Maar opeens klonk een onmiskenbare stem boven de andere uit... de stem van Navahk, zijn vader. 'Let op, Karana. Ik heb jouw dood en die van Torka gezien, in de opkomende zon, aan het einde van een eindeloze gang van ijs en storm...'
'Eens zullen we allemaal sterven!' Het was zijn eigen stem, die klonk, boos en opstandig, maar toch had hij niets gezegd. De woorden kwamen van de geest van zijn jeugd. Die werd meegevoerd, samen. met Navahk en alle andere geesten totdat Karana uiteindelijk alleen was met de wind en de hemel, gewichtloos in de zwarte, met sterren bezaaide armen van de Vader Boven. Links van hem scheen de maan en rechts van hem de zon. 'Kijk naar beneden, Tovenaar!' gelastte de Vader Boven. 'Zie!' beval de wind van de geest.
Karana keek naar beneden. Vol verbazing bekeek hij de wereld. Hij zag hem helemaal: niet een oneindigheid van land en lucht zoals hij de wereld altijd had gezien, maar een blauwwitte bol die op wonderbaarlijke wijze in de ruimte dreef, half in de nachtelijke duisternis en half in het daglicht, draaiend... draaiend... met uitgestrekte stukken land bedolven onder kilometers hoge lagen ijs. Ademloos vernauwde hij zijn blik tot hij een dal zag tussen grote, met ijs bedekte bergketens. Hij zag het kamp van zijn volk: een hoopje rommelige, leren bulten. Vlees en huiden hingen in de wind te drogen en de mensen groepten samen terwijl twee mannen, Torka en Cheanah, op de grond lagen te worstelen en Zhoonali - die vanaf deze hoogte niet groter was dan een mier, een heel klein vrouwtje in een vuilwitte mantel - naar een man wees die daar stond met een hond naast zich, een stukje bij de anderen vandaan... een man die verontrustend veel op hem leek.
Verward keek Karana naar beneden, zich afvragend hoe hij tegelijkertijd in de lucht en op de aarde kon zijn.
Toverij, besloot hij. Het was de gave van het Zicht! De spookwind had hem meegevoerd in een bovennatuurlijke stroming. Hij werd niet weggevaagd, maar hij kreeg de gave van het Zicht zoals hij die nog nooit eerder had gehad! Hij werd bevangen door een gevoel van verbazing. Weldra zou het visioen verdwijnen en zou zijn geest weer in zijn huid opgesloten zijn. En dus keek hij neer op de wereld en nam zoveel mogelijk in zich op. Het was adembenemend, ontzagwekkend mooi.
Opeens was hij een vogel, een havik, een adelaar, een grote reuzencondor met enorme vleugels die hem recht naar de toekijkende gezichten van de maan en de zon konden voeren. De vleugels van zijn zienersgave stuurden hem over de vertrouwde vormen van hoge, in wolken gehulde heuvels en zijn blikken drongen door de wolken heen zodat hij de heuvels kon zien en in een donkere, lage, door vuur geblakerde grot kon kijken. En daar zag hij de Wanawut. Ze sliep, met twee jongen tevreden sluimerend aan haar afzichtelijke borsten.
Het kind leefde nog! Manaravak leefde! Het beest had hem niet opgegeten.
De geesten der Schepping hadden medelijden met Torka gekregen en het kind laten leven.
Ze hadden ook medelijden gekregen met de tovenaar wiens toverkracht tekort was geschoten. Ze hadden de spookwind opgeroepen en Karana de waarheid laten zien. Ze hadden hem voor één keer de kans gegeven om zijn eerdere verraad van Torka goed te maken. Hij wist waar het kind was! Hij wist dat het in leven was. Hij kon Torka naar zijn zoon brengen!
Opwinding maakte zich van hem meester. Wanneer ze goed bewapend waren en onbevreesd, konden ze de baby van het beest afpakken. De krachten der Schepping zouden hen helpen de Wanawut te verslaan. Het volk zou weten dat de krachten der Schepping nog steeds aan de kant van hun hoofdman stonden. Ze zouden Torka en zijn tweeling zonder meer accepteren. Alles zou weer goed zijn binnen de stam.
En Karana zou een tovenaar zijn, een mysticus, een sjamaan zoals de wereld nog nooit had gekend! Wat zouden Mahnie en Lonit trots op hem zijn!
Zijn opwinding verdween langzaam. Wat voor man zou hem zoon blijven noemen, hem die met opzet had gelogen over de dood van een kind terwijl hij met een enkel woord anderen ertoe had kunnen brengen om het kind uit de kaken van de Wanawut te redden? Karana schudde zijn hoofd. Zelfs Torka zou dat niet doen. En hij kon hem geen ongelijk geven.
Karana zuchtte vastbesloten. Door Torka opzettelijk in de waan te laten dat de laatstgeboren helft van de tweeling dood was, had hij zich in een leugen verstrikt waaruit hij geen uitweg zag. Torka had het leven van een van zijn zonen weten te redden en zich bij de dood van de ander neergelegd. Waarom zou hij hem verwarren met de waarheid nu hij alert moest zijn en bovendien vertrouwen moest hebben in het advies van zijn tovenaar en zijn oudste... zoon. Hij kreeg een bittere smaak in zijn mond. De voorspellende wind kon hem proberen te leiden wat hij wilde, hij zou niet volgen. De wind zuchtte alsof hij teleurgesteld was, en de vleugels die Karana in de lucht hielden begonnen te verdwijnen. Hij voelde zich vallen en naar de aarde toe glijden, langs een maan die in duisternis veranderde toen hij langskwam, door koude rivieren van sterren, in de afnemende stroming van de voorspellende wind. Zou de wind hem te pletter doen vallen, nu hij besloten had geen gehoor te geven aan het visioen dat hij had gekregen?
Dat moest de wind eens proberen! Hij ging er schrijlings op zitten, greep hem met zijn armen en dijen vast en bereed hem zoals hij zich ooit had voorgesteld hoe het zou zijn om de hengsten van de toendra te berijden. De aarde snelde op hem af. Hij was ervan overtuigd dat hij te pletter zou slaan en zou sterven, totdat hij buiten het kamp de grote mammoet in de richting van de zon zag lopen, naar een wijde, open gang van grasland die zich tussen enorme, hoekige met ijs bedekte bergkammen uitstrekte. Het was een wonderbaarlijke strook toendra die almaar doorliep en in het zuiden verdween in de mistige verte en de onbekende uithoeken van het Verboden Land, naar het oosten toe, het land van de Wanawut uit! 'Let op, Karana. Ik heb jouw dood en die van Torka gezien, in de opkomende zon, aan het eind van een eindeloze gang van ijs en storm...' Weer sneed de spookachtige, dreigende stem van Navahk door zijn bewustzijn, terwijl hij ongezien weer in zijn eigen lichaam gleed en glazig stond te kijken naast degenen die er geen idee van hadden dat hij weg was geweest.
Het was slechts een paar seconden geleden dat Zhoonali naar Torka en Cheanah had geroepen, maar in die korte tijd had Karana Torka's arm die Cheanah plat tegen de grond drukte zien verslappen. Torka keek zijn zoon grimmig en onbewogen aan en liet zijn tegenstander los. Met een opstandige blik op zijn gezicht stond hij op, zodat Cheanah overeind kon komen.
'Eens moeten we allemaal sterven.' Niemand begreep Karana's antwoord aan de geest van zijn vader maar het klonk als een angstaanjagend, verward dreigement.
De kracht trok uit Karana weg. Hij voelde het. Hij had de gave van het Zicht verloochend. Hij had geen gebruikgemaakt van de mogelijkheid om het leven van een kind te redden omdat hij bang was de liefde te verliezen van iemand die hem had grootgebracht en hem Zoon had genoemd. Toen het grote dier met de slagtanden verdween, wist Karana wat er zou gebeuren - wat er moest gebeuren - en wist hij zichzelf ervan te overtuigen dat het voor iedereen het beste zou zijn.
Terwijl alle stamleden naar hem keken, richtte Karana zich met opzet zoveel mogelijk op en bleef met zijn armen opgeheven staan. Hij was zich bewust van Mahnies bezorgde blikken, maar nog meer van Zhoonali die woedend naar hem keek alsof zij de leiding wilde nemen. Hij kon niet toestaan dat ze hem bleef uitdagen. Langzaam liet hij een arm zakken alsof het een lans was. Met zijn hand gekromd en zijn wijsvinger uitgestoken wees hij heftig naar de oude vrouw. De onzichtbare kracht van zijn wil schoot uit zijn vinger en raakte de oude vrouw als een projectiel.
Verschrikt liet ze haar eigen wijzende arm zakken, greep hem vast met haar andere arm en trok hem beschermend tegen zich aan. Karana wist niet of hij haar werkelijk pijn had gedaan, en ook niet waarom ze naar hem had gewezen. Maar Zhoonali was zichtbaar geschrokken van de verandering in de tovenaar, wiens macht ze tot nu toe openlijk in twijfel had getrokken, en ze stikte bijna in de woorden die ze had willen spreken. Ze braken en sprongen als verschrikte padden haar keel in.
'Net zoals alle mensen moeten sterven...' zei Karana, zijn uitspraak enigszins aanpassend om wat volgde meer kracht te geven, 'zo moeten alle dingen veranderen.' Hij keek de oude vrouw recht en zelfverzekerd in de ogen en tot verbazing van alle toeschouwers verschrompelde ze zichtbaar in de grote witte mantel die haar van de kruin van haar vettige hoofd tot haar in laarzen gehulde tenen bedekte.
Karana hoorde het zachte, bange gemompel van zijn volk en zag Cheanahs vijandige blik plaatsmaken voor een uitdrukking van verbazing toen de grote man overeind krabbelde. Hij had hen nu in zijn macht! Hij zou hen naar zijn wil zetten! De eerstgeborene van Torka's tweeling zou blijven leven, of Torka Cheanah in een gevecht van man tot man nu versloeg of niet. En wat maakte het uit of de Wanawut zou beslissen over leven of dood van de laatstgeborene van de tweeling? Torka zou het nooit weten. Het was maar één klein zoontje. Torka had er nog een. Hoed je! Karana's buik trok opeens samen bij het plotselinge gevoel van onraad. De herinnering kwam opeens terug... hij was zelf op bevel van Navahk achtergelaten, samen met zoveel andere kinderen van zijn stam... voor het 'welzijn' van het volk. Het gebeurde lang geleden, in een land dat ver weg was, in tijden van honger, midden in een winter waaraan uiteindelijk iedereen behalve hij ten prooi was gevallen. Klein en mager als hij was, had hij zijn leven keer op keer in de waagschaal gesteld om de kleinere kinderen te redden van de dodelijke kou, de honger en de wolven. Uiteindelijk tevergeefs. De herinnering deed nog steeds pijn. Hij was blijven leven, zij waren gestorven. Maar op de een of andere manier leefden ze in hem voort, die bedroefd kijkende, verstoten kindertjes waarvan hij de in bontvachten en wantjes gehulde lichaampjes eigenhandig had neergelegd om voor altijd naar de hemel te kijken, tot de wolven eindelijk waren gekomen en hij het er zelf ternauwernood levend vanaf had gebracht.
Hadden hun vaders en moeders minder om hen getreurd omdat ze meestal nog andere kinderen hadden om hen te troosten, of omdat de dood van hun kinderen anderen de mogelijkheid had gegeven om te overleven op het karige rantsoen dat hun kinderen anders zouden hebben opgegeten? Nee.
Maar nu begreep hij wat hij toen niet had begrepen, dat er soms besluiten moesten worden genomen tegen alle gevoelens van medelijden in. Net zoals toen was dat nu ook het geval. Hoed je! Het gevoel van onheil was nu nog sterker en de herinnering ook. Deze keer herinnerde hij zich Sondahr, de geweldige zieneres van de Grote Bijeenkomst. Als meesteres, minnares en ware mystica had zij ontdekt dat hij de gave van het Zicht had en geesten op kon roepen. Zij had hem uitverkoren om haar liefde en wijsheid te ontvangen en hem verteld over de verschillen tussen mannen van het vlees en mannen van de geest. Die laatsten waren zeldzaam, had ze gezegd, en ze had hem verzekerd dat hij zo'n man was. Ze had hem gewaarschuwd dat hij zijn gave niet moest verloochenen omdat zijn toverij anders vals en krom zou worden, een duister iets wat uiteindelijk niet zou voldoen, ook niet voor degene die het zo verkeerd gebruikte.
Sondahrs waarschuwing klonk in hem door, maar hij zou er geen acht op slaan, nu niet! Ze was dood... vermoord. Hij leefde, als tovenaar in een kamp waar hij veel te lang had gezwegen. Er moesten besluiten worden genomen die het leven van hen allen zouden beïnvloeden. Ze moesten snel worden genomen om de toekomst veilig te stellen.
'Let op de woorden van Karana, want het zijn de woorden van de spookwind!' riep hij en even vroeg hij zich af of de krachten der Schepping hem doof, stom of blind zouden maken als straf voor zijn regelrechte leugen. Maar het ogenblik ging voorbij en hij werd niet getroffen. 'Zhoonali heeft gelijk, Torka en Cheanah kunnen hun geschil op een andere manier slechten! De grote mammoet, Levenschenker, loopt naar het oosten, het land van dit volk uit! Het is een voorteken. Laat er verder geen vijandschap onder ons zijn. De tradities van Zhoonali's volk en Torka's volk zijn niet dezelfde. Als Torka zijn zoon Umak bij zich wil houden, moet hij doen zoals hij altijd heeft gedaan: laat hij zijn vrouwen en kinderen meenemen en zijn totemdier volgen. Laat hij zijn zoon meenemen en weggaan van dit volk.'
En weggaan uit het land van de Wanawut, dacht hij schuldbewust. Ver bij de waarheid van Karana's verraad vandaan... een waarheid die nu moet leven of sterven in de armen van het beest... als een beest... voor altijd.