3

Het kleine beest was alleen aan de rand van de grot blijven staan, met zijn gezichtje naar de wind gekeerd. Hij had gebruld als een kameel die in de modder is blijven steken terwijl Moeder en Zuster verder de berg afdaalden.

Angst deed hem huiveren van een innerlijke kou. Moeder is moe. Moeder is ziek. Moeder had vandaag niet de grot uit mogen gaan! Tegen de tijd dat hij zijn eerste stap bij de grot vandaan deed, kon hij zijn buitensporige ongehoorzaamheid rechtvaardigen. Als hij Moeder in het zicht kon houden, zou ze niet verdwijnen. Als ze in de wereld beneden door gevaar werd bedreigd, zou hij er zijn om haar te helpen. Zelfs een klein beetje hulp zou beter zijn dan helemaal geen hulp. En als hij heel erg voorzichtig was, zou Moeder nooit te weten komen dat hij de grot had verlaten. Hij liep langzaam. Hij had de wind mee. Tenzij die opeens draaide, zouden ze hem niet ruiken. Tot zijn grote opluchting keek Moeder niet om.

Moeder en Zuster merkten niet dat hij achter hen aankwam en waren al een eind vooruit. Ze zochten hun weg door het hoge, door de vorst verdorde paarsbruine gras van de steppe. Ze vormden een pad dat hij makkelijk kon volgen. Hij ging verder, steeds dieper de zee van gras in, en liep zonder te aarzelen achter hen aan. Zijn onbeschermde armen en benen prikten en jeukten van het gras. En de wind werd kouder. De kou was bijna net zo erg als de jeuk. Had hij maar bont!

Hij bleef even staan, afgeleid door schaduwen die het licht van het gat in de hemel verduisterden. Lange, doorzichtige flarden wolken gaven hem aan dat er gevaar dreigde. Hij wist dat dergelijke wolken bijna altijd verschenen als voorlopers van een storm... een hevige storm.

Hij bleef het spoor van Moeder en Zuster door het grasland volgen. Ha een poosje kon hij aan de hoogte waarop de grassen waren afgebroken zien dat Moeder Zuster droeg. Ze was waarschijnlijk moe geworden. Hij begreep wel waarom... hij was nog nooit zo ver bij het nest vandaan geweest. Zijn voeten waren gehavend en bebloed tegen de tijd dat Moeder in het moeras kwam. Hij liep nu ver achter haar, een kleine gestalte die moeizaam liep door de pijn, terwijl hij zich met vertrokken gezicht afvroeg hoe Moeder zo hard kon doorlopen zonder te stoppen.

Het kleine beest kon niet meer en bleef staan om te rusten. Overal om hem heen was riet, een muur die hem van Moeder scheidde. Het riet jeukte nog meer dan het gras. Hij krabde zich geërgerd en ging zitten. Onmiddellijk was zijn wapitihuid doornat en kreeg hij kippenvel op zijn billen van de ijzige modderige drab onder het riet. De koelte van het moeras was heerlijk aan zijn voeten. Toen schreeuwde Moeder opeens. Het kleine beest vloog overeind. Zijn pijn was verdwenen en zijn vermoeidheid behoorde tot het verleden. Zijn hart bonkte in zijn borst. Aasetende vogels krijsten en fladderden op uit het riet een heel stuk voor hem uit. Hij dook ineen om te voorkomen dat de grote haviken, adelaars of reuzencondors hem in de gaten kregen en zouden besluiten hem mee te nemen. Het kleine beest besefte dat Moeder schreeuwde om de andere aaseters weg te jagen van het karkas dat ze zo meteen zou gaan opeisen. Hij zwol van trots dat Moeder zo sterk was.

Zijn vertrouwen verdween toen hij de plonzende voetstappen en het gehijg van een groot dier hoorde, net voor hem uit. Een paar tellen later voelde hij zijn hart in zijn keel kloppen door het luide gegrom van een leeuw en hij kon nauwelijks nog adem krijgen. De wind voerde de warme, vochtige vleesetersstank van de leeuw naar hem toe. De stank verwarde hem, want het was een mengeling van de lichaamsgeuren van heel verschillende beesten. Toen hoorde hij het geluid van minstens twaalf poten. Het kleine beest keek om zich heen. Er waren een paar leeuwen in het moeras en ze gingen allemaal op Moeder af! Ze had ze weggejaagd, maar nu kwamen ze terug. Ze liepen langzaam en bedachtzaam en vormden een kring van waaruit ze konden aanvallen.

Het kleine beest voelde zich misselijk worden van angst. Zonder te aarzelen baande hij zich zo snel als hij met zijn kleine lijfje kon een weg door het riet. Zo hard mogelijk gillend rende hij naar voren en de leeuwen schrokken zo toen hij plotseling kwam aanrennen dat ze verbaasd toekeken hoe hij door hun kring brak en zonder om te kijken voor hen uit rende.

De Wanawut keek op van haar feestmaal. Haar mannelijke jong kwam vanuit het riet op haar afrennen. Ze voelde trots en blijdschap toen ze hem zag, maar ook oprechte verontwaardiging dat hij zo ongehoorzaam was. Naast haar keek haar vrouwelijke jong op, staarde suffig naar het mannelijke jong en at weer verder van de schouder van de dode mammoet.

Toen zag de Wanawut de leeuwen uit het omringende riet komen. Het waren twee grote, harige vrouwtjes en drie sterke, zij het half volwassen, jonge dieren. Recht overeind nu zwaaide de Wanawut met haar armen, schreeuwde naar de leeuwen en bedreigde hen door haar tanden en klauwen en haar mensensteen te laten zien. Ze tilde het vrouwelijke jong bij haar nekvel op terwijl de leeuwen op het kleine beest afgingen. Hij kwam op haar afrennen, met uitpuilende ogen van angst en zijn mond wijd open, maar hij begon al langzamer te lopen. De leeuwen die hem achtervolgden zouden zich op hem storten en dat zou het einde van zijn leven betekenen. Met een krijs van woede sprong de Wanawut van het karkas van de mammoet af. Ze kwam hard in de ondiepe modder van het moeras terecht en de pijn schoot door haar been en haar gewonde arm. Ze had er geen tijd voor. Ze grauwde woedend terwijl ze naar haar jong rende, omdat ze wist dat ze niet zo sterk was als ze zou moeten zijn. De leeuwen waren al bijna bij het kleine beest toen een wit mannetje met zwarte manen en maar één oog uit het riet kwam en zich bij hen aansloot. De herinnering kwam plotseling bij haar boven. Ze kende deze leeuw.

Hij bleef opeens staan. Ze zag de blik van herkenning in zijn verwoeste ogen. Hij schudde zijn kop en brulde naar haar terwijl hij zijn dodelijke tanden liet zien. Maar zij bleef rennen. Ze wist dat hij haar misschien niet zou aanvallen, maar wel haar jong zou pakken als hij de kans kreeg. Hij brulde weer.

Voor hem uit draaiden de leeuwinnen en de jonge leeuwen zich om en bleven staan. Ze zwiepten met hun staart terwijl ze op een teken van het mannetje wachtten.

De Wanawut wachtte niet tot hij het gaf. De afstand tussen haar en haar mannelijke jong was nu bijna overbrugd. Terwijl ze haar mensensteen tussen haar tanden klemde en haar vrouwelijke jong nog steeds bij haar nekvel vasthield, greep ze hem met haar vrije hand. Ze had hem nu vast. Hij klemde zich even hardnekkig als een steekvlieg aan haar vacht vast terwijl zij zich razendsnel omdraaide en wegrende. De wond op haar arm was opengegaan. Ze voelde het vocht onder de korst uitlopen. De oude verwonding op haar dij dreigde haar spieren te verkrampen. Ze schreeuwde van woede om het verraad van haar lichaam, maar het hielp niet. Haar been begaf het en ze viel neer, voorover, met haar jongen veilig onder haar. De witte leeuw stortte zich onmiddellijk op haar, als een bliksemschicht uit een onzichtbare wolk. Hij was het gewicht van de hele wereld dat het leven uit haar perste terwijl hij haar met zijn grote poten sloeg en haar probeerde om te draaien zodat hij bij haar keel en buik kon komen. Ze voelde hem haar schouder verscheuren terwijl ze haar mensensteen vastgreep en uit alle macht omhoog en naar achteren stak.

Met haar mensensteen nog steeds in haar hand geklemd pakte de Wanawut haar jongen met één arm op. Met moeite kwam ze overeind om weer weg te rennen. Er klonken geluiden die ze vele manen niet had gehoord: mensengeluiden waren het, verborgen in het gras in de verte. Ze rende nu weer en haar jongen klemden zich aan haar vast. Het vrouwelijke jong verborg zich tussen haar borsten. Het mannelijke jong reikte over haar schouder terwijl ze voortrende, en stopte zijn handjes in de wonden die de scherpe klauwen van de leeuw op haar rug hadden gemaakt. Ze wist dat het kleine beest probeerde om de stroom warm bloed te stelpen, maar om te voorkomen dat hij zijn evenwicht verloor, trok ze hem naar beneden en klemde haar enorme arm beschermend om hem heen. Ze mocht hem niet laten vallen! Ze mocht niet langzamer gaan lopen! Ze moest blijven wegrennen, niet alleen voor de leeuwen, maar ook voor de beesten waarvan ze de stemmen had gehoord.

Ze kwamen met hun vliegende stokken uit het grasland in het zuiden. Weldra zouden ze het moeras bereiken. Dan zouden ze haar zien en op haar gaan jagen, zoals hun soort altijd op haar soort jaagde... tot de dood erop volgde. Ze kon ze nu ruiken, ze kwamen steeds dichterbij.

De leeuwen hadden hen waarschijnlijk ook geroken, want ze renden nu naast haar en hadden opeens geen belangstelling meer voor de jacht. Tot haar grote opluchting renden ze harder dan zij en bleven ze rennen tot ze verdwenen in het gras. Ze durfde niet langzamer te gaan lopen. Ze begon over de steppe in de richting van de verre, rotsige heuvels te rennen en volgde de leeuwen tot ver in het grasland. Het gat in de hemel was al verdwenen achter de verwarde, door sneeuw bedekte horizon toen ze eindelijk, moeizaam bewegend vanwege de pijn en de uitputting, over de in mist gehulde hooglanden naar boven klom. Als er al een maan was, kon ze die door de wolken heen niet zien. Ze kwam eindelijk bij haar hol, en met haar jongen stevig in haar arm geklemd kroop ze in haar nest om veilig de hele lange herfstnacht te slapen.

In stilte gleed het kleine beest uit haar omarming en boog zich in de koude duisternis over haar heen. Het rook sterk naar stollend bloed. Moeder bloedde niet meer. Haar nieuwste verwonding hield haar niet uit haar slaap en Zuster werd ook niet door bezorgdheid om haar moeder ervan weerhouden te glimlachen in haar dromen. Het kleine beest keerde zich van hen af. Huiverend van de kou ging hij op de rand van de grot zitten. Zijn maag rommelde. Moeder en Zuster hadden het vlees van de in de modder gezakte mammoet gegeten, maar hij niet. Het maakte niet uit. Hij had geen trek. Hij maakte zich hevige zorgen. Weer was ze met wonden op haar lichaam in de grot teruggekomen... weer werd hij overweldigd door het besef dat ze op een dag de grot zou verlaten om te gaan jagen en niet meer terug zou keren.

Hij bleef doodstil zitten en luisterde naar de wind. Maanlicht scheen door de openingen tussen de voortsnellende wolken. Het leek wel dag, zo duidelijk kon hij de wereld beneden zien. Aan de rand van het grasland stonden drie beesten die op twee benen liepen. Het kleine beest hield zijn adem in. Nog nooit had hij deze merkwaardige, rechtop lopende beesten zo dicht bij de berg zien komen. Het jong hield zijn hoofd scheef terwijl hij aandachtig naar hen keek. Hun romp was net zo recht als de stokken die ze droegen... net zo recht als zijn eigen romp op de onbewaakte momenten waarop Moeder hem niet dwong een goede, voorovergebogen houding aan te nemen. En hun armen waren niet lang genoeg om makkelijk op hun knokkels te kunnen leunen. Het kleine beest fronste zijn voorhoofd nog dieper. Zijn armen waren daar ook niet lang genoeg voor. De armen van de beesten hingen naar beneden en hun vingertoppen reikten tot halverwege hun dij... net als die van hem. Hun vacht was heel vreemd, vond hij. Ze hadden geen van allen dezelfde vacht. Vanuit de verte leek een van hen op zijn lijf de vacht van een beer te hebben, op zijn benen de vacht van een jak en op zijn armen de wollige vacht van een bizon. Een ander leek op zijn lijf de vacht van een wolf, een hond en een kariboe te hebben, met lange repen paardenhuid over zijn rug. Twee van hen hadden dikke, opgeblazen hoofden met bont eromheen dat eruitzag als de staart van een vos of van een veelvraat. Als ze al ogen, een mond, een neus, of oren hadden, zag het jong die in elk geval niet. Maar hij kon wel zien dat de oudste een kleiner hoofd had dan de andere twee, dat zijn gezicht kaal was.... en dat de vacht op zijn hoofd lang was, even zwart als de nacht en even recht en glad als een spriet nieuw gras. Hij hield zijn adem in. Zijn handen gingen naar zijn hoofd. Zijn vingers sloten zich om twee dikke, verwarde plukken haar en trokken ze naar voren. Zijn eigen hoofdvacht leek op de hoofdvacht van het beest dat daar in de wereld beneden liep. Hoe kon dat? Tussen de slierten haar door staarde hij naar beneden. De beesten stonden in een kring dicht bijeen. De wind was van richting veranderd, dus nu kon hij ze horen. Ze maakten geluiden tegen elkaar. Zijn handen lieten zijn haar los en gingen naar zijn keel. De beesten maakten geluiden! Ze waren niet aan het piepen of grommen of gillen of blazen. Elk geluid had een vorm en die vorm bevatte een betekenis die hem ontging, maar die op de een of andere manier kalmerend op hem werkte.

Hij sloot zijn ogen en luisterde. Eén beest maakte geluiden en een tweede antwoordde. Op de een of andere manier werd er een boodschap overgebracht van de een naar de ander. Hij merkte het. Hij voelde het. In een poging om het na te doen haalde hij diep adem, duwde de lucht uit zijn borst en hield hem even vast in zijn mond. Hij liet de lucht over zijn tong glijden, gaf hem vorm, draaide hem om en liet hem langzaam als geluiden ontsnappen. Aa...kaa...waa...maa...' Omdat het geluid geen betekenis had, wist hij niet waarom het hem tegelijkertijd blij en bedroefd maakte toen hij het hoorde.

'Ma... na... ra... vak...' Hij uitte die kreet en daarna de kreet die Moeder soms naar een middernachtelijke maan huilde: 'Wa... na... wut...' Hij deed zijn ogen open. In de wereld beneden draaiden de beesten zich om en liepen terug het grasland in. Het jong keek ze na. Achter in de grot zuchtte Moeder in haar slaap. Het kleine beest hoefde geen lettergrepen te horen om te weten dat er pijn in dat geluid doorklonk.

Hij stond op en wilde zich al van de nacht afwenden toen hij opeens een witte flits zag. Het was iets in het kreupelhout bij de rivier, aan de rand van de vlakte. Hij spande zich in om beter te kunnen zien. Hij zag het nu duidelijk. Een witte leeuw. De leeuw die Moeder had aangevallen en verwond.

Hij stond aan de rand van de grot en keek vol haat naar de wereld beneden. Zolang Moeder zwak en langzaam was zou die wereld het terrein zijn van leeuwen en wolven. Het zou er niet veilig zijn voor haar of voor Zuster of voor hem.

Het begon zachtjes te regenen. Het kleine beest draaide zich om en ging de grot in. Hij boog zich over het nest en keek naar Moeder en Zuster. Wat sliepen ze vast tussen de veilige beschermende wanden van de berg!

Ver weg, voorbij de wolken en de regen, brulde een leeuw. Het kleine beest luisterde gespannen. Hij wist dat Moeder de leeuw had herkend en net zo bang voor hem was geweest als hij voor haar. Was de witte leeuw zowel verantwoordelijk voor de wonden op haar rug als voor het litteken op haar been? Had Moeder zijn gezicht vernield en zijn oog weggehaald? Hij hoopte van wel.

Langzaam en voorzichtig om Moeder en Zuster niet wakker te maken, klom hij het nest in en kroop dicht tegen hen aan. Zuster deed even haar ogen open. Ze glimlachte en sloeg een lange, grijsbehaarde arm om hem heen. Daarna maakte ze wat smakkende, tevreden geluidjes en gleed weer terug in haar dromen. Het kleine beest lag heel stil. Hij had het nu warm. Buiten de grot veranderde de regen in sneeuw. De witte leeuw brulde nog eens en was toen stil. Het kleine beest sliep en droomde. Hij zag zichzelf als volwassen man met de mensensteen in zijn hand alleen uit de grot gaan om de witte leeuw te doden zodat Moeder er nooit meer bang voor hoefde te zijn.