7

Hoewel Zuster aarzelde, werd het kleine beest overmoedig. Hij droeg nu de huid van de witte leeuw. Het was een gehavende, rommelig uitziende huid, want de leeuw was al dood toen hij hem vond en hij kon helemaal niet met Moeders mensensteen overweg. Hij had verwacht dat hij woede zou voelen en blij zou zijn over de dood van de leeuw. Maar dat was niet zo. Hij haalde de pels van de leeuw af en liet de kop en poten liggen. Toen hij had gegeten ging hij naast de kop van de leeuw zitten terwijl Zuster zich bleef volstoppen met het sterke, draderige, onsmakelijke vlees.

Hij raakte de grote, verwoeste kop aan en liet zijn vingers over de door vliegen aangevreten oogkas, de vele littekens en de eens zo mooie vacht glijden. Geef je wijsheid en kracht aan dit jong, Witte Leeuw. Ik heb de werpstok van de beesten gevonden. Maak me dapper en sterk genoeg om hem tegen hen te gebruiken, want zij zijn de grote verspillers van leven. Wanneer ik hen dood, zal ik hen ook voor jou en voor Moeder doden. Ik zal de witte leeuw zijn. De beesten zullen bang voor me zijn en voor me wegrennen zoals ze vroeger vast voor jou bang zijn geweest en zijn weggerend.

Het was niet makkelijk om een nieuwe plek te vinden om te wonen nadat ze uit de grot waren weggegaan. Zuster probeerde hem terug te laten gaan naar de berg, maar het kleine beest weigerde. In de huid van de witte leeuw, met Moeders mensensteen in de ene hand en de werpstok van het beest in de andere, leidde hij haar naar het westen zonder een bepaald doel in gedachten. Hij wist alleen dat hij, als hij de beesten wilde besluipen, in de buurt van hun jachtgebied moest blijven. Bovendien zou hun spilzucht het voor Zuster en hem gemakkelijker maken om aan eten te komen, zolang ze oppasten dat ze niet werden gezien.

Zijn linkerhand klemde zich om de benen schacht van de werpstok. Hij had maar één stok; de beesten hadden er heel veel! Hij hield de stok omhoog en keek ernaar. De scherpe punt was van steen. Hij zat met een band van dierenhuid aan de stok. De stok zelf was gemaakt van oud bot, van een kameel of een bizon. Hij bracht hem dicht bij zijn gezicht, rook eraan en proefde eraan met zijn tong. De stok stonk naar vuur. Hij fronste zijn wenkbrauwen. Hoe was dat mogelijk? Waar hadden de beesten deze stok gevonden? Waar vonden ze hun stokken eigenlijk?

Zijn ogen vernauwden zich. Van ver weg op het grasland van de kant waarvan de beesten waren gekomen, kwam de geur van rook en verbrand vlees en... verbrand bot!

Hij zette grote ogen op toen hij begreep dat de beesten het ding niet hadden gevonden. Ze hadden bot en steen en huid genomen en op de een of andere manier iets gemaakt wat er nog niet eerder was geweest... een werpstok! En als zij er een hadden gemaakt kon hij er ook een maken... en nog een... tot hij evenveel stokken droeg als hij nodig had om de beesten te doden!

Het was een droombeeld dat hem verbijsterde door de pure, overweldigende vreugde van de onthulling. Ademloos van geluk tilde hij de werpstok op en schudde hem in de lucht. Toen lachte hij. Het was een licht, borrelend, nieuw geluid dat zijn geest verblijdde. Zuster piepte bang en verbaasd naar hem. Het kon hem niet schelen. Hij glimlachte terwijl hij zich omdraaide en haar verder leidde. Nu wist hij tenminste eindelijk waar hij naartoe ging en wat hij ging doen wanneer hij daar kwam.

Hij zocht het heuvelland op dat ten noorden van het dal lag waarin de beesten hun kamp hadden. Daar, hoog op een zuidhelling die hem goed zicht gaf op het jachtgebied van de beesten, vond hij een volmaakte plek om een nest te maken in een oude stapel omlaag gevallen stenen, dicht bij een beekdal vol bosjes. Zuster morde. Hij wist dat ze zich niet gelukkig voelde. Telkens weer had ze aan zijn arm getrokken en vergeefs geprobeerd om hem over te halen naar de grot terug te gaan. Nu ze wist dat daar geen hoop op was, wilde ze hem niet helpen stokken voor hun nieuwe nest te verzamelen. Ze koos een koele, relatief gladde steen en ging op haar brede achterwerk met het korte staartje zitten, met haar lange harige armen om haar korte, eveneens harige benen geslagen.

Met haar kin op haar knieën bleef ze hem verongelijkt aanstaren tot het nest klaar was.

Toen kwam ze opeens nieuwsgierig aanlopen. Ze maakte zachte, goedkeurende geluiden, klom er ogenblikkelijk in en ging slapen. Hij legde een liefhebbende hand op haar zware gespierde schouder. Ze trilde tevreden in haar dromen. Wat een simpel, ongecompliceerd wezen was het.

Het gat in de hemel was warm en het goudkleurige licht maakte dat hij behoefte kreeg aan slaap. Hij ging liggen, sloot zijn ogen en droomde... van Moeder... van de witte leeuw.... en van twee zwarte zwanen die naar het oosten vlogen, naar het verre, bergachtige land waar de zon werd geboren.

Lonit stond aan de rand van Torka's grot in haar favoriete, met veel franje versierde jurk van wapitivel. Ze had kettingen van schelpen en veren om haar nek. In het dal beneden waren Umak en Dak samen met Aar op jacht naar vers vlees, hun bijdrage aan het speciale feestmaal dat later op de dag zou worden genuttigd. Hun bewegingen maakten dat de twee zwarte zwanen van het meer opstegen. Lonit staarde naar het westen en voelde zich bedroefd. Het oude verlangen was er weer en haar armen voelden leeg aan. 'Manaranak...' fluisterde ze.

'Dit is geen dag voor tranen,' zei Torka, die achter haar kwam staan en zijn armen om haar heen sloeg.

Ze draaide zich om en keek glimlachend naar hem op, terwijl hij de tranen uit haar ogen veegde en zich vervolgend bukte om haar met bloesem en bladeren omkranste voorhoofd te kussen. Hij droeg alle eretekenen van zijn rang: de hoofdband van vleugelveren van adelaars en haviken en grote zwart-witte vliegpennen van de reuzencondor en de enorme kraag van zorgvuldig gevlochten pezen die versierd was met stenen kralen en fossiele schelpen, en waaraan de poten en klauwen van wolven hingen en ook de hoektanden van de grote stompsnuitige beer die hij zo lang geleden had gedood. Ze hield haar adem in van bewondering toen ze hem zag. 'Hoe wist je dat ik bedroefd was?' vroeg ze, terwijl ze zich uitrekte en vol liefde zijn gezicht aanraakte.

Omdat ik na al onze jaren samen, Lonit, dezelfde gevoelens heb als jij. En ik wil je wel toevertrouwen dat ik ook bedroefd ben. Maar het is een zoete weemoed die wij allebei voelen, herinneringen aan onze jeugd, aan alles wat we samen hebben doorstaan. Zo veel reizen, zo veel jaren, zo veel tranen, zo veel vreugde en gelach. Op deze dag waarop onze oudste dochter als vrouw in de stam wordt opgenomen, is het goed om aan dat alles te denken en te verlangen naar degenen die we hebben achtergelaten.' Zijn hand bleef op de gezwollen bolling van haar buik rusten. Hij drukte er heel zacht op, maar toch, als een antwoord op een onuitgesproken bevel, voelde hij een sterke trilling tegen zijn handpalm. 'Misschien zal dit een zoon zijn. Een broer voor Umak, een zoon die ik kan...' Hij zweeg omdat hij de rest van zijn gedachten kennelijk niet wilde uitspreken. Ze keek op. Zijn kaak was gespannen en er lag zo'n droefheid in zijn ogen dat ze het gevoel had alsof ze erin zou verdrinken. De witte leeuw begon in haar te brullen vanuit het verleden en de oude angst was weer terug.

Vermoedt hij dat Umak misschien niet zijn zoon is, maar de zoon van...

Torka keek haar aan. 'Kijk niet zo bezorgd, vrouw van mijn hart. Weer een dochter zou ik ook leuk vinden.'

Ze voelde grote opluchting. De witte leeuw verdween. Torka maakte zich blijkbaar toch geen zorgen over de afstamming van Umak. Ze lachte hardop om haar eigen dwaasheid. 'Torka mag wel zeggen dat hij liever een zoon heeft. Als de krachten der Schepping luisteren, verhoren ze misschien je wens wel op deze speciale dag, want Torka eert de vrouwelijke geesten door de volwassenheid van Zomermaan als vrouw aan hen op te dragen. Niet alle stammen vieren het volwassen worden van hun dochters. Mijn vader zou nooit mijn eerste tijd van het bloed hebben gevierd. Het kon hem niet schelen of ik leefde of stierf, behalve wanneer hij mij kon gebruiken. Wat Cheanah betreft betwijfel ik of die man veel zou vieren behalve voor zijn zonen met hun wolfsogen.'

Torka's mondhoeken vertrokken van plezier. 'Kun je je Cheanahs dochter nog herinneren? Wat was die lelijk en onaangenaam.' 'Maar toch hoop ik dat Zhoonali een welkomstceremonie voor Honee heeft gevierd. Ze zal nu wel een vrouw zijn.' Ze zuchtte, zich pijnlijk bewust van het verstrijken van de tijd. 'Zo lang geleden! Ik vraag me af wat er van haar en van al degenen die bij Cheanah wilden blijven is geworden.'

Hij hield haar stevig vast. 'Vergeet hen. Kijk, Karana komt door het dal naar ons toe onder de schaduw van de cirkelende zwanen. Vandaag is geen dag voor het verleden. Het is een dag voor de toekomst.'