14
Chantal zag hoe haar zus gejaagd de hoofdingang van het Flevoziekenhuis binnenkwam. Ze aarzelde geen moment en liep naar haar toe. Hoewel het een komen en gaan van mensen was, merkte Denise haar enkele seconden later al op. ‘Chantal.’ Ze strekte haar armen half uit om haar oudere zus op te vangen. Chantal liep zacht tegen haar aan en liet zich omarmen.
‘Rustig maar, lieverd,’ suste Denise. Terwijl ze dit zei, keek ze om zich heen. Ergens moesten zich stoelen bevinden. Dat hoorde gewoonweg bij de ontvangsthal van een ziekenhuis... toch? Ze aaide geruststellend over de bruine haren van Chantal. In haar ooghoek zag ze hoe een ouder echtpaar van een bankje opstond. ‘Kom op,’ fluisterde ze. ‘We gaan even zitten. Dan kunnen we er rustig over praten.’
In plaats van zich gedwee mee te laten leiden, schudde Chantal heftig met haar hoofd. ‘Nee, ik wil niet zitten. Ik wil hier weg. Naar buiten, lopen, frisse lucht.’
Denise voelde aan dat het onverstandig was om tegen de stroom in te roeien. Chantal was behoorlijk over haar toeren en als ze per se naar buiten wilde, dan moest dat maar. Ze pakte Chantals hoofd tussen beide handen en drukte een kus op het puntje van haar neus. ‘Kom op, dan gaan we een stukje lopen.’
Chantal probeerde een glimlach te produceren. Het werd een flauw aftreksel, aangezien andere emoties nog vrij spel hadden.
Ze liepen naar buiten. Het regende licht. Ze lieten hun jas open en de kraag naar beneden. De ontelbare speldenprikjes voelden verfrissend aan. Een echte nazomerse dag in de voormalige polder.
‘Ik begrijp dat je van streek bent,’ zei Denise nadat ze een paar minuten stilzwijgend naast elkaar liepen. ‘Maar probeer bij het begin te beginnen. Dat scheelt misverstanden en onbenullige vragen achteraf.’
Chantal knikte en zuchtte gelijktijdig. De beelden van de totaal ontredderde Jeroen stonden nog vers op haar netvlies. Terwijl ze naar woorden zocht, keerde ze in gedachten terug naar de badkamer. De daaropvolgende zinnen klonken afgebeten. Als van een voorgeprogrammeerde robot, of van een gehersenspoelde gevangene tijdens het zoveelste verhoor.
Denise hield plotseling haar pas in en legde een arm om de schouder van haar zus. ‘Doe eens rustig aan, meid. Je lijkt wel een volslagen vreemde die een versje opdreunt.’
Een vluchtige glimlach gleed over het gespannen gezicht van Chantal. ‘Ik breng het er niet best van af, hè?’
‘Je doet het prima, joh. Alleen je gedachten zijn ergens anders. Daarom komt het allemaal een beetje afstandelijk over.’
Chantal haalde haar schouders op en schudde met haar hoofd. ‘Sorry.’
Denise drukte haar steviger tegen zich aan. ‘Ben je gek. Ga maar gewoon verder met je verhaal en probeer de akelige dingen die door je hoofd spelen te negeren.’ Ze stak haar hand omhoog en sloeg haar ogen ten hemel. ‘Ja, ja, ik heb makkelijk praten.’
Het waren niet de woorden, maar de toon waarop haar zus sprak. De zelfspot kon de warmte die erin doorklonk niet verbloemen.
Chantal pakte de draad van haar verhaal weer op. ‘Nadat ik Jeroen in de douchecel aantrof, draaide ik meteen de kraan dicht. Een natuurlijke reactie. Daarna probeerde ik om contact met hem te krijgen. Ik weet dat het stom klinkt, maar...’ Ze slikte de emotionele prop in haar keel weg. ‘Alleen qua uiterlijk was het Jeroen. De binnenkant deed niet meer mee. De blik in zijn ogen was leeg. Hij reageerde nergens op. Zat voor zich uit te staren en te neuriën.’
Ze laste een korte stilte in. Zelfs tegenover haar zus was het lastig om te beschrijven wat ze had meegemaakt. Toch wilde ze haar verhaal afmaken. De weegschaal naar de goede kant door laten slaan. Een ingetogen houding of openheid was de tegenstrijdigheid die aan haar vrat. Ze wilde haar waardigheid behouden, terwijl het vertellen van de akelige details toch opluchtte. Ze moest het aan iemand kwijt. Dat was nu een prioriteit. Ze had in de afgelopen weken al te veel opgekropt. Die ‘iemand’ bij wie ze haar hart uitstortte kon het best haar zus zijn. Een van de weinige mensen die ze onvoorwaardelijk vertrouwde. ‘Na enkele minuten gaf ik het op,’ ging Chantal verder. ‘Ik sprak tegen een zombie met het uiterlijk van mijn man. Ik nam de gok om hem enkele ogenblikken alleen te laten en rende naar de telefoon. De ambulance was er hooguit tien minuten later.’
‘Dan heb je geluk gehad,’ reageerde Denise meteen. ‘Ik heb verhalen gehoord van mensen met een slagaderlijke bloeding die een halfuur moesten wachten.’ Direct na deze woorden vervloekte ze haar spontaniteit die op momenten als deze een heuse tegenstander was. ‘Dan bedoel ik natuurlijk dat er al iemand in de buurt was die hielp,’ zei ze snel om haar vreemde reactie enigszins recht te breien. ‘Iemand met een medische achtergrond, die precies wist waar het drukpunt zich bevond.’ Dat laatste was nog blijven hangen van de verplichte ehbo-cursus die ze voor haar werk had moeten volgen.
‘De ambulance was toevallig in de buurt,’ reageerde Chantal droog. ‘Anders had ik veel langer moeten wachten. Het was technisch gezien namelijk geen levensbedreigende situatie.’ Ze haalde haar schouders op. ‘Dat vertelden ze me later pas.’
Opeens bleef ze staan en knikte met haar hoofd in de richting van de ingang van het Flevoziekenhuis. ‘We kunnen maar beter teruggaan. Ik wil niet te ver uit de buurt van Jeroen zijn.’
‘Dat begrijp ik,’ zei Denise.
In een rustig tempo liepen ze terug. De regen bleef gestaag vallen. Een passend decor voor hun gemoedsrust.
‘Ik mocht niet mee in de ambulance. Waarschijnlijk de regels. Heb daar verder niet over geklaagd, maar ben in de auto gesprongen. Leek me het verstandigst. Eenmaal in het ziekenhuis werd ik naar de afdeling psychiatrie verwezen.’
Geheel tegen haar natuur in telde Denise in stilte tot drie. Hierna formuleerde zij haar antwoord. ‘Ik heb er eigenlijk nooit bij stilgestaan dat een ziekenhuis een psychiatrische afdeling heeft. Dat associeer je eerder met een inrichting ergens in de bossen. Of zeg ik nu iets stoms?’
Er verscheen kortstondig een meewarige glimlach op het gezicht van Chantal. ‘Ik begrijp wat je bedoelt. Toen ik werd doorverwezen schoot iets dergelijks ook door mijn hoofd.’
De afstand tot de ingang bedroeg nog een kleine vijftig meter. Denise wist dat bij elke meter dat de deuren van het ziekenhuis naderden, haar zus het moeilijker kreeg. Logischerwijze wilde zij dicht bij haar man zijn. Aan de andere kant was het zo dat niemand voor de lol een ziekenhuis binnenging. Elke keer was er weer die drempel. Zelfs als je op bezoek ging bij een collega die een paar dagen daarvoor aan een blindedarmontsteking was geopereerd. Op het moment dat je het ziekenhuis verliet, slaakte je altijd die onhoorbare zucht. De zin ‘gelukkig is het een collega en niet iemand van de naaste familie’ zat verpakt in de ontsnappende lucht.
‘Heb jij Jeroen nog gezien?’ Denise wilde het stilvallende gesprek op gang houden. ‘In het ziekenhuis, bedoel ik.’
Chantal schudde ontkennend met haar hoofd. ‘Ongeveer een kwartier nadat ik op de afdeling was aangekomen, stelde een arts zich aan mij voor. Dokter De Boer. Een bijzonder vriendelijke man. Hij vertelde me dat hij zich goed voor kon stellen dat ik behoorlijk was geschrokken. Het ging inmiddels beter met Jeroen. Tenminste, dat begreep ik uit zijn woorden. Hij gebruikte meerdere malen het woord “stabiel”.’
Denise fronste haar wenkbrauwen. ‘Waarom mocht je er dan niet bij? Hij was toch stabiel?’
‘Omdat ze rust om hem heen wilden,’ antwoordde Chantal. ‘Tevens moesten er een paar onderzoeken gebeuren.’
Denise keek haar verwonderd aan.
‘Wat precies weet ik niet,’ zei Chantal. ‘Daar ging die arts verder niet op door.’
Ze liepen de hal van het Flevoziekenhuis binnen. Van het ene op het andere moment bevonden ze zich weer in de georganiseerde mierenhoop in mensengedaanten.
‘Na jouw telefoontje heb ik meteen pa en ma gebeld,’ zei Chantal terwijl ze in de richting van de liften liepen. ‘En daarna Sander.’ Ze keek op haar horloge.
‘Het kan nooit lang meer duren voordat ze er zijn.’
‘Dat ligt eraan,’ zei Denise. ‘Tegenwoordig heb je op de gekste tijden files.’ Omdat een reactie uitbleef, hield ze haar pas in. Tot haar verwondering liep Chantal niet meer naast haar. Ze keerde zich om en zag dat haar zus ruim twee meter achter haar stilstond. Haar blik was strak op de balie gericht.
Twee tellen later zag Denise waarop de oogopslag van haar zus was gefocust. Schoonmoeder Dorien sprak met een baliemedewerkster. Of deelde deze iets mee. Haar karakter kennende, kon dit best het geval zijn. Zoals gewoonlijk zag zij er weer uit alsof ze rechtstreeks van zowel de kapper als een luxe boetiek kwam. Haar kapsel was onberispelijk. Ze kon er zo mee in een trendy modeblad. De zwarte mantel zat haar als gegoten en diende als luxueus omhulsel voor het getailleerde mantelpakje dat zij er ongetwijfeld onder droeg. Vanwege haar sterke uitstraling en natuurlijke charme leek het alsof de drukte volledig langs haar heen ging. Een onbeduidend detail waaraan zij geeneens aandacht schonk. Zelfs hier in dit ziekenhuis, waar lief en vooral leed het hoofdbestanddeel van de dag vormden, hing er een aura van onschendbaarheid en onwereldse zelfverzekerdheid om haar heen. Zij, Dorien van der Schaaf, was het onbetwiste middelpunt van het universum. En degene die dit wilde betwisten, kwam van een koude kermis thuis. Haar hele voorkomen straalde dit uit. Daar had ze geen woorden voor nodig.
‘Gaat het, Chantal?’ vroeg Denise voorzichtig. Hoewel ze het niet liet blijken, schrok ze van de metamorfose die haar oudere zus in enkele seconden had ondergaan. Haar gezicht werd zichtbaar bleker en de onzekerheid kreeg vaste grip op haar houding. De invloed van Dorien reikte blijkbaar ver, ging het door Denise heen. Helemaal wanneer iemand een moeilijke periode beleefde, naar balans zocht. Zo iemand als Chantal, wist ze.
Naast Dorien stonden Sander en Evelien. Schoonzoon en dochter, trouwe chauffeur en diens volgzame ondergeschikte. Voor zover Denise het van deze afstand kon bekijken, zag ze iets in Eveliens blik wat eventueel op ongerustheid zou kunnen duiden. Bij Sander was dit geenszins het geval. Hij leunde nonchalant tegen de balie en glimlachte charmant tegen de medewerkster van het ziekenhuis. Zo op het eerste gezicht had zijn houding meer weg van iemand die bij een vijfsterrenhotel incheckt.
Aangezien het drietal voornamelijk met zichzelf bezig was, bleef hun aanwezigheid nog onopgemerkt. Denise wist dat dit een uitgelezen moment was waarop ze haar zus zowel fysiek als mentaal moest ondersteunen. Ze gaf Chantal een arm. ‘Had ik je al verteld dat ik een tijdje bij jou kom logeren?’ zei ze op luchtige toon. De guitige uitdrukking op haar gezicht was gespeeld, maar bereikte wel het beoogde effect.
Even snel als de starre blik in Chantals ogen was verschenen, verdween deze. Er verscheen zelfs een voorzichtige glimlach om haar mondhoeken. ‘Echt waar?’
‘Zeker weten.’
‘Maar je werk dan?’
Denise maakte een wegwerpgebaar. ‘Wat kan mij dat nou toch schelen. Jij bent honderdduizend maal belangrijker.’
Hierna kruisten hun blikken elkaar. Een speciaal moment, wat de toenemende drukte om hen heen niet kon verstoren. Twee zussen met een sterke band die tegen elkaar spraken zonder dat er woorden aan te pas kwamen.
‘Laten we hen maar gaan begroeten,’ zei Denise, de onderlinge stilte doorbrekend.
Samen liepen ze naar de balie toe.
September