Zo waren Paradys en zijn omstreken tijdens die jaren in de greep van de revolutie, overspoeld door een oerzee.
De raadselachtige dichter André de St. Jean, die de aanvang ervan meemaakte, vermeldt er nauwelijks iets over, aangezien hij geheel en al opging in zijn eigen liefdesperikelen.
Het bloedvergieten is genoegzaam bekend. Het kerkhof hier draagt er getuigenis van.
Eén anekdote is het misschien waard te worden verteld, het merkwaardige verhaal van monsieur Wasbeer.
Hij ontsnapte uit de dierentuin voordat de hongerige en dreigende meute een maaltje van hem kon maken, en daarna wijdde hij zich aan het redden van wanhopige onschuldigen van de galg. Het wapperende vaandel van zijn gestreepte staart bood een angstwekkende aanblik voor de beul en zijn knechten. Met zijn vaardige klauwen ontrukte hij tallozen, in zwijm gevallen deernes en nog blekere heren, aan de strop. Ten slotte werd monsieur Wasbeer opgepakt en opgesloten in een van de beruchtste gevangenissen. Maar hij wist iedereen zo te bekoren, dat hij uiteindelijk ook zelf wist uit te breken, door hoog over de hoofden van zijn cipiers te springen en te verdwijnen, van balk tot balk zwaaiend met een zwiep van zijn crème-en-houtskool-kleurige staart.
Zijn naam werd maanden later nog gefluisterd in de galgenbossen en in de stenen kooien van de gevangenissen. De aristocraat op het schavot hoefde maar te zeggen: 'Ah, voor de Wasbeer,' om te bewerkstelligen dat zijn tegenspeler van kleur verschoot. In de dierentuin zult u een gedenkplaat ter ere van hem aantreffen. Maar hier, tussen het hoge gras, waar de gebroken hand van een engel is gevallen, is een ander gedenkteken.
Ook dit heeft zijn bestaan aan de revolutie te danken, ofschoon via een omweg. De naam onthult wellicht een zijdelingse afstamming van André de St. Jean, of misschien ook niet, want de naam is niet ongebruikelijk in Paradys. De lotsbestemming daarentegen wel...
Het verhaal werd me op een avond verteld in een café aan de rivier, dicht bij de verwoeste brug. De schemering was vertroebeld door de mist, en ergens beneden, waar de oever eindigde en het water begon, kropen de fletse toortsogen van sloepen heen en weer, traag en angstvallig, met af en toe de klagelijke waarschuwing van een gong. Ook in het café was de mist binnengedrongen en had, samen met de primitieve olielampen en de sigaretterook, een atmosfeer als op Venus doen ontstaan. Plotseling werd een oude man naar mijn tafel geleid met de onheilspellende aankondiging: 'Hier is iemand die u een hoop geschiedenissen kan vertellen.'
Ze lieten hem tegenover me plaatsnemen en daar zat hij dan, knarsend in zijn overjas. Ik schonk hem een glas in en nodigde hem gemakzuchtig uit van wal te steken. Hij begon te praten over de revolutie. Hij zag er bejaard genoeg uit om, als jongen, deelnemers eraan te hebben gekend. Hij was al een heel eind op streek met zijn derde glas, toen hij me sluw aankeek en zei: 'Maar de vreemdste verhalen komen na afloop van de revolutie. Toen de stad werd schoongespoeld van het bloed en de bijlen werden weggezet. In die tijd.'
Vervolgens vergastte hij me op een vertelling die wel wat weg had van een Shakespeareaanse tragedie en iets in de trant van een mythe. Ik weet niet of ik, of hij, het geloofde. Begeleid door het spookachtige geflikker van de rivier, dat werd verstrooid in de door straatlantaarns verlichte mist, heeft het postgevat in mijn hoofd. Onwaar of waar, het draagt zijn eigen waarheid in zich. Ik heb het opgetekend; nu moet u zelf oordelen.