Hoofdstuk 19
Ik heb geen waterklok of uurkaars, maar als ik het goed had was het tweede uur nog niet ingegaan. Het was nog vroeg in de morgen. Ik zat in mijn tuniek en met blote voeten op mijn vouwkruk en genoot rustig van een eenvoudig ontbijt van gekookte havervlokken dat Junio voor me had klaargemaakt (we hebben een vuur en ik ben nooit een aanhanger geworden van de Romeinse gewoonte om alles kant en klaar van een straatstalletje te kopen), maar ik had nog maar net een eerste hap genomen toen er al een bode van Marcus arriveerde. Zijne excellentie had besloten meteen een boodschapper naar Lucius te sturen en hij verzocht me mij zo snel mogelijk in zijn flat te komen melden.
In dit verband betekende 'zo snel mogelijk' uiteraard nu meteen en liever nog sneller. Ik liep mijn ontbijt in de steek, wikkelde mezelf in mijn toga en mijn sandaalriempjes en volgde de bode terug naar de stad en door de straten naar het forum, waar de officiële boodschapper van Marcus al op ons stond te wachten. Het was een jongeman die er als een patriciër uitzag en een verwaande uitdrukking op zijn gezicht had. Hoewel hij kleren aanhad die bij zijn taak als koerier pasten was hij duidelijk een Zeer Belangrijk Persoon, in ieder geval in zijn eigen ogen. Hij droeg een smetteloos schoon tuniek van fijne wol met geborduurde randen, zachte roodleren sandalen en een prachtige warmrode mantel die met een enorme gouden broche was vastgezet. Hij keek minachtend naar mijn versleten toga. Beter een exclusieve dienaar, zei zijn blik, dan een verarmde burger zoals ik. Hij liep voor me uit en verspreidde een zwakke geur van kostbare oliën. Het rijtuig stond bij de Westpoort op ons te wachten. Dit keer geen koerierswagentje, maar een gesloten keizerlijk rijtuig met vergulde deuren en met leer beklede banken. Het was een imposant gezicht. Marcus wilde kennelijk indruk maken. Normaal gesproken zou hij een boodschapper nooit in zo'n luxe koets wegsturen. Er zat duidelijk een logische gedachtegang achter. Als er een man in een duur uniform en met een keizerlijk rijtuig arriveert om je een bod te doen op je huis, dan is het niet waarschijnlijk dat je op een beter aanbod gaat zitten wachten, vooral niet als het wel eens heel ongezond voor je kan zijn als je het aanbod niet aanneemt. En al helemaal niet als je toch al lid bent van een omstreden kerkgenootschap.
Maar mij hoorde je niet klagen. Ik herinnerde me dat Andretha gezegd had dat Lucius een heel eind weg woonde. Een gesloten rijtuigje was veel comfortabeler dan een koerierswagen, vooral nu er een koude wind stond.
Maar we kregen afgezien van de wind nog meer te verduren. Het begon te regenen; eerst een stevige regenbui en daarna een vochtige trieste motregen die ons zelfs op de militaire weg dwong langzamer te rijden. Op een gewone weg zou het een nachtmerrie van in de modder vastgekoekte wielen, uitglijdende paarden en gebroken assen geworden zijn. De boodschapper verwaardigde zich zelfs om te gaan praten; hij had sinds Glevum de hele tijd een hooghartig stilzwijgen bewaard. Hij had zelfs de zenuwtrekjes van zijn meester overgenomen en terwijl hij van ongeduld met zijn stok op zijn hand zat te trommelen zei hij geërgerd: 'wat is dit toch een akelig eilandje. Overal water behalve in het badhuis. Als het zo doorgaat zijn we pas over twee uur bij de volgende wisselplaats, zelfs op deze weg. Mercurius zij dank voor Romeinse bouwkunst.' Hij draaide zich weer om en staarde naar het voorbijkomende landschap, voor het geval ik het in mijn hoofd mocht halen antwoord te geven. Ik zat zelf ook naar het landschap te kijken. We waren nu de rivier al lang en breed over en reden nu op de minder drukke weg naar Isca. Marcus had inlichtingen ingewonnen bij de boodschappers die na de dood van zijn broer naar Lucius waren geweest. 'Een zware tocht' hadden ze het genoemd en dat was ook zo. We lieten inmiddels het boerenland achter ons en reden het verboden bos in.
Er waren altijd legenden over zulke plekken; afgezien van de voor de hand liggende risico's door beren en struikrovers werden er angstaanjagende verhalen verteld over de weg bij nacht. Spooklegioenen die in doodse stilte met je mee marcheerden en als de maan opkwam spoorloos verdwenen. Zwervers zonder ogen die aan onoplettende ruiters iets te drinken vroegen en die als ze opkeken zulke afschuwelijke gezichten bleken te hebben dat iedereen die ze zag ter plekke crepeerde (al viel het moeilijk uit te leggen hoe iemand dat dan had kunnen overleven en verder vertellen).
Ik heb zelf nog nooit een spook ontmoet en verwacht eigenlijk ook niet dat het ooit zal gebeuren, maar toen we zo op een slakkengang door de mist over een onbekende weg kropen, door een somber, donker bos dat er afwerend uitzag, zou ik er niet eens erg van hebben opgekeken. Struikrovers waren evenwel een veel tastbaarder mogelijkheid. Onze koetsier was uiteraard bewapend, maar afgezien van mijn eetmes had ik niets bij me. Ik vond het jammer dat de boodschapper als wapen alleen maar een ceremoniële stok bij zich had, al zou hij als het tot een gevecht kwam waarschijnlijk weigeren mee te doen omdat zijn tuniek dan vuil zou kunnen worden. Maar ik had me geen zorgen hoeven maken. Alles wat we tegenkwamen waren een paar doorweekte koeriers en een man met een sombere ezel die zich met een klein karretje vol schapenhuiden naar Glevum sleepte. Het was evengoed een akelige reis. Wat zou ik graag de kant van Corinium op zijn gereisd, op zoek naar nieuws over Gwellia. Daarvoor zou ik het best met blote handen tegen boeven op hebben willen nemen.
We bereikten de halteplaats, waar de keizerlijke volmachten van Marcus onmiddellijk verse paarden voor het rijtuig opleverden en een eenvoudige maaltijd voor onszelf. Toen gingen we weer verder, om kort daarna de zijweg in te slaan die ze ons hadden gewezen.
Het was een verrassend goede weg, al was het geen Romeinse. Hij kronkelde en draaide verschrikkelijk. De landeigenaar, wie het ook was, had de kunst afgekeken van de militaire wegenbouwers en het spoor voorzien van een verhoogd midden, zodat de regen en de modder er aan de zijkanten afliepen. Bovendien waren we hier op hoger liggend terrein en waren er geen overhangende bomen meer; al met al verliep de reis makkelijker dan ik gevreesd had.
We waren op zoek naar een hofstede, had Marcus gezegd, die eigendom was van een van de Dubonnai, de plaatselijke stam. Kennelijk een slimme man, aangezien hij zijn land in bezit had weten te houden, tegelijkertijd had weten te vermijden terechtgesteld, onteigend of verhuisd te worden en ook onder een benoeming in een of andere gruwelijk kostbare officiële functie uit had weten te komen, iets wat vaak korte metten maakte met rijke plaatselijke prinsen.
Tenslotte vonden we de boerderij. Het eerste hoorden we 'm - blaffende honden, een hinnikend paard - en toen kregen we de volle laag van de rook van het kookvuur in onze ogen. Mijn reisgenoot begon uitgesproken bezorgd te kijken. En toen we over een heuvelrug kwamen en de hofstede zagen liggen slaakte hij een ongemakkelijke zucht. Voor mij was het een uitzicht waar mijn oude hart van oversloeg. Een echte ouderwetse Keltische boerderij met gezellige kleine rondhuizen van hout en leem, die veilig binnen de rondlopende beschermende wal en greppel lagen. De in lagen gelegde strodaken hadden een gouden glans en zagen eruit alsof ze door een kapper netjes in een ronde punt geknipt waren. En binnen de wal de vertrouwde, heerlijk slordige en lawaaiige chaos, met hooimijten, graanschuren, varkensstallen, hopen wilgentenen, geiten, grootmoeders, honden, bijenkorven, boerderijwerktuigen, kinderen en kippen. De laatste keer dat ik zo'n gezellige bende gezien had was toen ik zelf in een rondhuis woonde.
'In ieder geval staan er op de heuvel een paar stenen schuren. Er is dus nog iets van beschaving,' zei de boodschapper afkeurend. 'Maar die kluizenaar zie ik hier nergens. Die zal waarschijnlijk wel op een nog akeliger plek wonen.' Hij bonkte op het dak om de koetsier te laten stoppen en stapte statig uit het rijtuig. Ik liep met hem mee naar de poort. Van achter de gevlochten barrière werden we begroet door een hels kabaal van blaffende honden en sissende ganzen en een handvol gore kleuters staarde ons met grote ogen aan.
De boodschapper aarzelde en riep toen op zo keizerlijk mogelijke toon: 'Wie heeft hier de leiding?' Een jongeman in een grove wambuis van blauwe wol en een kniebroek kwam overeind van de stapel wilgentenen die hij aan het splijten was en liep vriendelijk glimlachend op ons af, met zijn zware bijl in zijn hand. Met zijn warrige haar, woeste baard, brede schouders en atletische uitstraling zag hij eruit of hij het met gemak tegen de reusachtige Aulus op kon nemen.
Ik zag naast me dat mijn reisgenoot verstijfde.
'Burgers?' De jongen had een aarzelend Latijn gesproken. Hij keek naar de wagenvoerder achter ons en toen naar het geborduurde tuniek van de boodschapper, zijn staf en zijn zegel. Het leek hem iets te zeggen. Hij likte met zijn tong over zijn lippen en verbeterde zichzelf haastig, terwijl hij snel een kniebuiginkje maakte. 'Excellentie?'
Dat was uiteraard een vergissing, maar wel een die zeer in de smaak viel. De boodschapper voelde zich duidelijk gevleid.
'In opdracht van zijne excellentie onderweg. We zijn op zoek naar Lucius,' zei hij en voegde er, toen hij zag dat de jongen hem kennelijk niet begreep, aan toe: 'Lu-ci-us, de Chris-ten. Een zeer be-lang-rij-ke kwes-tie.' Hij praatte onnatuurlijk hard, alsof wat hij zei duidelijker zou worden als hij het maar hard genoeg zei.
Ik mompelde een uitleg in het Keltisch en de jongen keek me dankbaar aan.
'In de heuvels is een grot waar hij zich teruggetrokken heeft. Een hele tijd had hij daar nog niet eens de meest eenvoudige spulletjes, maar mijn moeder heeft hem er kortgeleden van weten te overtuigen dat hij een paar dingen moest aannemen en ook af en toe wat eten. Het schijnt dat zijn broer hem ook van alles gegeven heeft, al schijnt hij een deel daarvan alweer verkocht te hebben om er eten voor de armen mee te kopen.' Zijn dialect was niet helemaal gelijk aan het mijne, maar was wel veel begrijpelijker dan zijn Latijn. Ze moesten hier wel een erg afgezonderd boerenleven leiden, dat hij zo weinig te maken had met de officiële taal.
Ik gaf hem antwoord in mijn eigen dialect. 'Je moeder schijnt een hoop van hem af te weten.'
Hij grijnsde, wat me aan Junio deed denken. 'U weet hoe vrouwen zijn als het om heiligen gaat. Sinds hij mijn broer genezen heeft praat ze de hele dag over hem.'
Ik ben van nature wantrouwig. 'Je zegt dat hij je broer genezen heeft. Heeft hij verstand van kruiden?'
De jongen schudde zijn hoofd. 'Nee, niet van kruiden. Niet dat ik weet. De enige kruiden waar ik hem mee bezig heb gezien gebruikt hij om te koken. Nee, mijn broer was in de beek gevallen en op zijn hoofd terechtgekomen. De kluizenaar sprong met gevaar voor eigen leven in het water en trok hem eruit. Iedereen dacht dat Elwun verdronken was, tot de kluizenaar bij hem knielde en zijn eigen adem in zijn neusgaten blies. En zelfs nadat hij de jongen naar huis had gebracht is hij nog een dag en een nacht bij hem blijven bidden. Onze familie kreeg zelfs maar met moeite gedaan dat hij droge kleren aantrok. Toen Elwun weer opknapte was mijn moeder zo onder de indruk dat ze zich haast bij de Christenen had aangesloten. Het was moeilijk om je voor te stellen dat een familielid van Crassus zijn leven zou wagen om iemand te redden. Het lukte me niet. 'Een dapper man,' mompelde ik.
'Hij is beroemd in deze streek,' zei de jongen. 'Iedereen komt naar hem toe. 'Maar hij is niet een van die 'ik-ben-beter-dan-zondaars-als-jullie'-figuren. Hij heeft in zijn jeugd een zondig leven geleid, heeft hij tegen mijn moeder gezegd, en daar probeert hij nu boete voor te doen.'
'Neem me niet kwalijk,' zei de boodschapper ijzig en onderbrak ons gesprek met zijn kristalzuiver uitgesproken woorden. 'Kan ik als jullie klaar zijn met jullie privé-gesprek misschien even een vertaling krijgen?'
Ik vertelde hem wat ik gehoord had.
'Als je weet waar die kluizenaar woont,' zei de boodschapper terwijl hij me negeerde, 'laat hem dan meteen halen. We hebben nog een lange reis voor de boeg. Het zal nu al niet meevallen om nog voor het sluiten van de poorten terug te zijn.' De jongen keek ongemakkelijk.
'Nou, waar wacht je nog op?'
De jongen keek me aan en stotterde toen, in moeizaam Latijn:
'Hij is in de rouw, excellentie. De dood van zijn broer heeft hem erg aangegrepen. Hij heeft zijn cel sinds die tijd niet meer verlaten, behalve om te bidden. Hij heeft gevast, zijn hoofd kaalgeschoren, een zak aangetrokken en as op zijn hoofd gedaan. Ik denk niet dat hij zal willen komen.'
De boodschapper keek verbijsterd, ongeveer zoals Jupiter zou kijken als iemand hem zou vragen zijn bliksems even neer te leggen.
'Niet zal willen komen?'
'Ik weet niet of de jongen het wel helemaal goed begrepen heeft,' zei ik snel. 'Als ik nou eens met Lucius ging praten...?' Hij keek me verrast aan (het was voor het eerst dat ik ongevraagd iets tegen hem had gezegd) en zei toen knorrig:
'Misschien is dat wel het beste. Kan ik hier in deze koeienstal ergens op mijn gemak wachten?'
Ik vertaalde dat beleefd, hoewel ik aan de blos op het gezicht van de jongen afleidde dat hij meer Latijn verstond dan hij sprak. Maar de ornamenten van het gezag hadden ook op deze afgelegen plek nog effect. Een van de kleintjes werd weggestuurd om 'Moeder' te waarschuwen en we werden naar het grootste rondhuis gebracht.
Het was zo'n lieve, bekende scène dat ik er een brok van in mijn keel kreeg. Daar was de centrale stookplaats, die de ruimte vulde met rook, warmte en kookgeuren. Daar waren de kippen, die in de aarden vloer aan het pikken waren, en een grote hond die naast het vuur lag, zoals mijn eigen hond ook altijd had gedaan. Daar zaten de vrouwelijke leden van de huishouding; het weefgetouw en een oude vrouw die ermee in de weer was, terwijl er een kind bij haar voeten aan het spelen was. Het was een terugblik op mijn jeugd, alleen de gezichten waren anders. Toen we binnenkwamen was een meisje in een geruite jurk hete stenen uit het vuur aan het harken, die ze vervolgens in een zware pot gooide waarin al water en een stuk vlees zat. Over een paar uur, wist ik, zou het lamsvlees zachtjes gekookt en heerlijk zacht zijn. Een andere vrouw was hete haverkoeken van een ijzeren rooster boven het vuur aan het halen en van de zoete bakgeur liep het water me haast in de mond. Ze wikkelde drie stuks in een doek en draaide zich om, om ons te begroeten.
'Als u toch naar de kluizenaar gaat,' zei ze in haar eigen dialect, 'neem deze dan voor hem mee. Ik maak me zorgen over die man. We hebben hem sinds de dood van zijn broer haast niet meer gezien.'
'Heeft Lucius uw zoon gered?' zei ik.
Het was alsof ik een aardverschuiving veroorzaakt had. Ik werd meteen getrakteerd op een stuk of tien verhalen over de heiligheid van Lucius. Hoe hij voor een zieke koe gebeden had. Hoe hij een hele week gevast had toen een van de gezinsleden koorts had. Hoe hij tot voor kort niet eens een behoorlijk bed of een knecht had gehad. Hoe hij zijn eigen ontbijt aan een bedelaar gegeven had.
De wilgentenensnijder keek me verontschuldigend aan. 'Daar kan de burger zelf ook wel achter komen, Moeder.' Ze duwde hem de haverkoeken in z'n handen. 'Mijn zoon zal u de weg wijzen. We spreken hier weinig Latijn en Lucius spreekt onze taal niet.'
Ik vertelde dit aan mijn reisgenoot en een van de kinderen haalde een lage bewerkte houten kruk voor hem. Hij zag er onwennig en slecht op zijn plaats uit, zo naast het rokerige vuur, terwijl de kleine kinderen vanuit de deuropening naar hem stonden te staren en de oude tandeloze vrouw vriendelijk knikte en hem vrolijk toelachte. Toen ik de hut uitliep werd hij net gepaaid met gloeiend hete haverkoeken en warm bier, maar beide artikelen bekeek hij met onverhuld wantrouwen. Ik liep gauw naar buiten om mijn glimlach te verbergen.
Wat zou hij doen als Lucius zou weigeren naar de hofstede te komen om met hem te praten? Van wat ik over Lucius gehoord had zou hij van dreigementen niet warm of koud worden en als hij een eed had gezworen zou hij vast en zeker niet komen. Marcus zou het niet leuk vinden als zijn boodschapper met lege handen terug zou komen. Misschien kon het Lucius niets schelen; ze zeggen dat Christenen het fijn vinden om martelaar te worden. Mij leek het echter helemaal niets. Ik zou iets moeten doen.
De jongen liep voor mij uit de heuvel op, in een tempo dat me al snel aan het hijgen bracht. 'Als we er zijn,' zei hij, 'zal ik naar binnen gaan om tegen hem te zeggen dat u er bent. Hij heeft zich in zijn grot begraven sinds de dood van zijn broer en komt daar maar zelden uit.'
Hij keek naar het pakje haverkoeken. 'Ik hoop dat hij deze aan wil nemen, anders neemt Moeder het mij kwalijk. U heeft gezien hoe ze over hem denkt. Ze maakt zich zorgen dat hij niet genoeg eet en zich teveel afzondert. Ik denk dat dit verlies hem meer heeft gedaan dan je zou zeggen. Moeder zegt dat hij had gehoopt de ziel van zijn broer te redden en dat hij dacht daar al een heel eind mee gevorderd te zijn.'
'Met de bekering van Crassus?' Ik moet net zo smalend geklonken hebben als ik me voelde.
'Misschien heeft ze het verkeerd begrepen. Haar Latijn is niet zo goed.' Hij grijnsde. 'Nog slechter dan het mijne. Ze zei dat zijn broer beloofd had een kerk te bekostigen.'
'Dat gaat hij inderdaad doen,' zei ik, 'via zijn testament.'
'Nou, dan had ze misschien toch gelijk!' zei hij. 'Zo, we zijn er bijna. Daar is de grot en daar het schuurtje. Ik ga eerst naar binnen. Hij ziet vrijwel nooit meer vreemden, al komen er nog steeds mensen vragen of hij voor ze wil bidden.' Ik had Lucius nog nooit ontmoet, maar één ding wist ik alvast zeker, bedacht ik. Als ik af mocht gaan op deze mensen leek hij absoluut niet op zijn broer.