Hoofdstuk 14

Ik werd laat en met hoofdpijn wakker. Wie me niet beter kende zou denken dat ik teveel Romeinse wijn gedronken had - de laatste gasten waren tegen zonsopgang in hun huurrijtuigen vertrokken - maar de pijnlijke plek op mijn achterhoofd herinnerde me eraan wat de werkelijke oorzaak was. Ik ging voorzichtig overeind zitten.

Junio, die op de grond aan het voeteneind had liggen slapen, was meteen op de been. 'Bent u wakker, meester?'

'Bijna,' kreunde ik. 'Ga iets te eten voor jezelf halen en kom dan terug om me te helpen met wassen en aankleden - en neem ook wat brood en fruit voor me mee uit de keukens. En wat water, mijn hoofd doet gemeen zeer.'

Junio grijnsde. 'Dan zal ik Faustina opzoeken en haar vragen een drankje voor u klaar te maken. Haar 'vijverwater' heeft u gisteren veel goed gedaan.'

Ik maakte een grimas. 'Misschien. Maar dat moet dan wel snel. Ik ben gisteren een paar belangrijke dingen te weten gekomen. Ik moet het er met Marcus over hebben en ik moet ook terug naar Glevum. Ik heb nieuws dat ons misschien kan helpen Daedalus te vinden.'

'Benhi hier dan klaar?'

'Eerst moet ik Aulus nog een paar dingen vragen.'

'Dan...' Hij aarzelde. 'Zou ik voor we gaan even een kijkje in het librarium mogen nemen? Ik zou graag het mozaïek even willen zien.'

Het speet me dat ik daar zelf niet aan gedacht had. Natuurlijk wilde Junio dat graag zien. 'Ik zou het zelf ook nog wel eens willen zien,' zei ik en tevreden liep hij weg.

Ik ging op de rand van het bed zitten en dacht na. Als mijn theorie klopte had Crassus Daedalus naar Glevum gestuurd om onder het masker zijn plaats in te nemen. Waarom? Omdat hij zelf wilde verdwijnen en niet gemist wilde worden? Welke dringende kwestie was dat geweest, die hij voor de hele wereld geheim had willen houden? Was hij bezig met een complot om de keizer ten val te brengen, zoals Marcus vreesde? En zo ja, was hij dan een vriend of vijand van de gouverneur van Marcus geweest?

En waarom was Daedalus, als het Daedalus geweest was, na de offerplechtigheden naar de Westpoort vertrokken? Hij ging niet naar huis, de villa lag de andere kant op. Was het misschien om Crassus te ontmoeten zonder dat iemand hen zou zien? Dat klonk logisch. Die tesserarius bij de begrafenis had het over een 'weddenschap' gehad en ik begon een vermoeden te krijgen wat het had kunnen zijn. Daedalus had gewed dat hij met succes de plaats van Crassus in de optocht in kon nemen. Waarschijnlijk had hij ook iets ingezet en zou hij zijn vrijheid verdienen als het hem lukte. Dat zou verklaren waarom hij in de villa had staan opscheppen dat hij binnenkort vrij zou zijn en waarom hij na de optocht had gezegd dat hij 'een belangrijke weddenschap' gewonnen had. Hij had zijn vrijheid verdiend.

Waarom had Crassus hem dat toegezegd, vroeg ik me af. Als het Daedalus niet gelukt was zou hij best gearresteerd kunnen zijn voor het nadoen van een burger. In beide gevallen zou Crassus een goeie slaaf kwijt geweest zijn. Maar toen schoot ik in de lach. Natuurlijk! Hem kennende had hij er waarschijnlijk een enorme weddenschap op afgesloten dat het Daedalus lukken zou. Op die manier zou hij altijd winnen, wat er ook gebeurde, hoewel hij kennelijk vertrouwen had in de capaciteiten van zijn slaaf.

Ongetwijfeld hadden ze afgesproken dat ze elkaar na afloop ergens zouden ontmoeten om af te rekenen, ergens op een afgelegen plek. Maar als de moord toen al gepleegd was had Crassus daar niet heen kunnen komen. Wat zou er dan met Daedalus gebeurd zijn, die zich daar in de drabbige buitenwijken bij de rivier schuilhield, in een geleend uniform waar hij geen recht op had? Een klap op zijn hoofd en toen beroofd? Dat was een mogelijkheid. Hij was in ieder geval niet gearresteerd, want dan had Marcus daar wel van gehoord. Hij was ook niet teruggekomen naar de villa. Ik kon maar één ding doen: zelf naar de Westpoort gaan en proberen zijn spoor te volgen. Ik had nog meer redenen om die kant op te gaan. Ik kon dan mooi zelf even kijken of mijn werkplaats in de tijd dat ik daar niet geweest was niet afgebrand was.

Mijn gemijmer werd onderbroken door Junio, die me mijn ontbijt kwam brengen. Appels, zag ik, geen pruimen. Toch was ik voor mezelf blij dat Junio mijn eten gehaald had. Van een gemeenschappelijke schaal eten tijdens de rouwplechtigheid was toch wat anders dan in mijn eentje. Ik was nog niet vergeten dat er nog steeds een moordenaar vrij rondliep, waarschijnlijk een gifmenger, en dat iemand me al een klap op mijn hoofd gegeven had.

'Faustina komt straks een drankje brengen,' zei Junio opgewekt. 'Wilt u nu eerst eten, of u eerst wassen en aankleden voor Paulus het komt doen? Als hij opdracht gekregen heeft voor u te zorgen zal hij er misschien niet erg blij mee zijn als ik me ermee bemoei.' Hij grijnsde. 'Ik heb hem kunnen ontlopen toen ik eten en water ging halen.'

Ik liet me door hem met de strigilis behandelen en aankleden, en richtte toen mijn aandacht op de appels. Ik wilde Junio net vragen naar Marcus te gaan om een audiëntie aan te vragen toen Andretha ons onderbrak, even druk als altijd.

'Marcus Aurelius Septimus laat u groeten en nodigt u uit voor het middageten. Hij heeft me opdracht gegeven in de tussentijd aan al uw wensen te voldoen.

'Het middageten! Dat was nog een hele tijd wachten, maar daar viel niets aan te doen. Marcus had waarschijnlijk nog last van de wijn. Ik stond op het punt om te zeggen dat ik niets nodig had toen Junio me onderbrak. 'Zei u niet net dat u Aulus wilde spreken, meester? Aangezien u op uw medicijn tegen de hoofdpijn zit te wachten zou het erg gemakkelijk zijn als hij hierheen zou kunnen komen.'

Andretha maakte een klein buiginkje. Sinds de aanval op mij was hij haast overdreven hulpvaardig geweest. Ik wist uiteraard waarom. Mijn hoofdpijn was officieel een gevolg van zijn nalatigheid en hij wilde me zoveel mogelijk ter wille zijn. 'Ik zal Aulus meteen naar u toe sturen.' En hij haastte zich weg. Ik draaide me om naar Junio. 'Brutaal joch! De hoofdslaaf eropuit sturen om Aulus te gaan halen, alsof hij een boodschappenjongen is. Het verbaast me nog dat je hem niet meteen gevraagd hebt de vloer van het librarium mee te nemen.' Junio grijnsde. 'Ah, maar dan had ik niet kunnen zien hoe het er nu bij ligt.'

Soms ben ik bang dat ik lang niet streng genoeg ben tegen die jongen.

'En trouwens,' ging hij verder, 'had ik gelijk over dat hoofdpijndrankje. Daar komt Faustina al aan.' Ze kwam binnen met het al in een beker overgeschonken brouwsel. Het was dit keer donkerder groen en zag er nog smeriger uit dan de vorige keer.

'Dat heb je snel gemaakt,' zei ik. Ik keek er wantrouwig naar. Gisteren had ze dolkruid op mijn hoofd gelegd. Wat had ze nu weer voor me klaargemaakt?

'Ik had de kruiden bij de hand, burger. Tuinkers, cichorei en huislook. Het was maar even werk om ze te kneuzen en te koken.' Ze glimlachte. Regina zou er nog sneller mee zijn geweest. Zij had allerlei flesjes vol middeltjes bij zich. En ze zou rozenblaadjessap gehad hebben, het beste middeltje wat er is.' Ik keek weer naar de groene vloeistof. Het zag er toch iets minder griezelig uit als je wist wat het was. Of dacht dat te weten.

'Best mogelijk...' begon ik.

'Vertrouwt u me niet?' zei Faustina. 'Kijk. Ik zal het u laten zien.' Ze pakte de beker op en nam een flinke slok. 'De smaak is nogal scherp en typisch, maar het verjaagt de hoofdpijn.' Ik pakte de beker aan en dronk hem leeg. Erg scherp smaakte het niet. En wat dat typisch betrof, ik denk dat de smaak zelfs nog een tikje erger was dan die vreselijke Romeinse vissaus!

Maar Faustina had wel gelijk wat die hoofdpijn betrof, mijn hoofd leek al wat minder zeer te doen.

'U aarzelde. Was u bang voor vergif?' zei Junio toen ze weg was gegaan en ik een kop schoon water dronk om de smaak weg te spoelen. 'Ik had het ook wel voor u willen proeven. Maar zo openlijk zou ze u toch nooit vergiftigen? Wat Crassus betreft is het nog altijd mogelijk dat Marcus een generaal pardon verleent als de dader gepakt wordt, maar met ook nog een vergiftiging zou het hele personeel vrijwel zeker terecht worden gesteld.' Hij keek me aan voor bevestiging. Ik trok een wenkbrauw op. Ik probeer al een tijdje Junio naast tegelzetten ook in andere vaardigheden te trainen.

Hij zei langzaam: 'Al zou ze het natuurlijk hebben kunnen doen om Rufus te beschermen.' Hij fronste. 'Maar dat zou betekenen dat hij Crassus gedood heeft. Of althans dat ze hem daarvan verdacht.'

'Ik denk dat ze dat inderdaad doet,' zei ik. 'Ze weet dat hij niet naar de optocht gekeken heeft. Hij ontkende dat hij Crassus had 'aangeraakt', maar zij weet dat hij met vergif gedood is.'

'Is dat dan zo?'

'Daar ben ik wel zeker van. Het is mogelijk dat er wat schade in zijn gezicht was, maar niets wat dodelijk kon zijn. De achterkant van de nek is niet verbrand en daar waren geen wurgsporen te zien. Op de rest van het lijk was ook niets te bespeuren en vergif zou een verklaring zijn voor een heleboel dingen. Ik denk bijvoorbeeld dat Crassus zelf naar de villa teruggekomen is.' Ik vertelde hem mijn theorie over Daedalus en het masker. 'Hij had hier ongetwijfeld een afspraak met iemand.'

'Maar,' zei Junio opgewonden, 'het is niet absoluut nodig dat hij hier ook werkelijk iemand ontmoet heeft. Misschien doet het er wel helemaal niet toe wie er bij de optocht ontbrak. Misschien had hij wel afgesproken dat hij daar zou blijven wachten, bijvoorbeeld in de stookkamer? Als hij vergif toegediend had gekregen, in wijn bijvoorbeeld, kan hij best in zijn eentje gestorven zijn. Het vuur was uit, dus hoefde daar niemand te zijn. De moordenaar zou er later heen gegaan kunnen zijn om het hoofd in de kachel te stoppen.'

Ik dacht daar even over na. 'Waarom zou iemand dat doen?'

'Om de sporen uit te wissen? Door hem te verbranden blijft hij natuurlijk nog steeds even dood, maar het leidt de gedachten af van vergif.' Junio stopte even. 'Ik begrijp wat u bedoelt. Het leidt de gedachten ook af van de mensen die verstand van vergif hebben, zodat die niet meteen hoofdverdachten worden. Logisch dat u niet stond te trappelen om dat brouwsel op te drinken.'

Ik trok goedkeurend mijn wenkbrauw op.

Hij kwam zo te zien weer op een idee. 'En natuurlijk zou ze u niet meteen vergiftigen. In elk drankje een beetje vergif, niet teveel... het is zo gebeurd. U heeft ook een hoofdwond, dus als u ziek en verward zou worden zou niemand daarvan opkijken. En de hele tijd zou het lijken of ze u beter probeerde te maken. Het spijt me, meester. U had gelijk. Ik had niet aan uw oordeel moeten twijfelen.'

Ik glimlachte naar hem. 'Laten we dan maar hopen dat ik haar goed ingeschat heb. Ik heb haar drankje wel opgedronken. Voor de rest redeneer je vrijwel op dezelfde manier als ik. Al denk ik wel dat Crassus hier niet alleen was. Iemand moet zijn hoofd vrij snel in de kachel gestopt hebben, toen het vuur nog brandde, anders zou zijn gezicht nooit zo weggebrand zijn. Later, na de optocht, zou het vuur al bijna uit zijn geweest. Maar genoeg daarover. Hier komt Aulus, op jouw verzoek hierheen gestuurd!'

Ik zorgde er natuurlijk voor dat de poortwachter dat niet hoorde. Hij zou allesbehalve blij zijn met het idee dat hij door een doodgewone slaaf hierheen geroepen was en in mijn slaapkamer leek hij nog imposanter en dreigender dan in het poortgebouw. Ik wilde hem niet tegen de haren instrijken. Hij keek nu al boos en zenuwachtig genoeg.

'Aulus,' zei ik hartelijk, alsof hij voor zijn eigen plezier een bezoekje kwam brengen, 'wat aardig van je om even langs te komen. Ik heb je talenten nodig. Jij hebt me gevonden, heb ik begrepen, nadat ik aangevallen was?'

Hij keek iets minder nors en gaf me een samenzweerderig duwtje. 'Je lag voorover op Paulus' bed. Ik heb niet gezien wie het gedaan heeft. Want dan...' Hij voelde aan de knuppel aan zijn riem.

Dan zou je hem een klap op zijn hoofd gegeven hebben? dacht ik, maar ik zei niets. Hij zou de ironie waarschijnlijk toch niet begrijpen, maar ik nam liever geen risico's. In plaats daarvan zei ik: 'Bedankt dat je me gered hebt. Het was boffen dat je daar net was, op dat tijdstip. 'Wat deed je daar eigenlijk, bedoel ik.' Hij begreep het. 'Andretha had me weggestuurd om een schoon tuniek voor de optocht te halen. Vraag het hem maar. Ik ben hooguit een ogenblikje op de slaapzaal geweest. Hij zag me naar binnen gaan en zodra ik jou vond ben ik weer naar buiten gelopen en heb hem erbij gehaald.' Aulus wilde zich zo graag verdedigen dat hij niet eens boos was over de beschuldiging.

'Uitstekend,' zei ik, blij van dit gevaarlijke onderwerp af te kunnen stappen. 'Vertel me dan nu nog eens iets meer over de keren dat Crassus bij de poort met die soldaat heeft staan praten.' Dat deed hem genoegen. Kennelijk beschouwde hij de vraag naar zijn activiteiten als spion als een compliment over zijn werk. 'Twee keer is dat gebeurd, burger, tegen zonsondergang. En beide keren probeerde Crassus me weg te sturen.'

'En die soldaat,' zei ik. 'Zou je die herkennen?' Hij schudde zijn hoofd. 'Nee, burger. Met wangbeschermers op is het moeilijk om iemand te herkennen, zelfs midden op de dag. Met slecht licht is het totaal onmogelijk. Het was beide keren een centurion, dat is alles wat ik weet; hij had zo'n dwarse pluim op zijn helm.'

'En je weet niet of het beide keren dezelfde man was?'

'Dat zou ik niet durven zeggen. Ik was er te ver vandaan. Ik denk van niet. Er was iets met die tweede - hij leek groter te zijn, meer zelfvertrouwen te hebben. Schommelde ook wat meer, net als Crassus. Maar ik zou er niet op durven zweren dat het twee verschillende mensen waren.'

'En uit welke richting was die soldaat afkomstig?'

'Aulus keek geschrokken. 'Dat zou ik niet durven zeggen. Maar hij moet het pad afgekomen zijn vanaf de militaire weg. In de andere richting liggen alleen maar een paar boerenhoeven. Het pad loopt nog verder, maar het is erg slecht, gevaarlijk ook. Er zitten wolven in het bos.'

'En de kant van de grote weg op?'

'Dat heeft u met eigen ogen gezien, burger. Op de hoofdweg is niets te vinden, en aan de oude weg niet veel méér, op dat ingestorte rondhuis na. Daar zal hij echt niet heen zijn gegaan.' Hij keek me veelbetekenend aan. 'Al is dat gebouwtje door diverse mensen anders wel voor heel wat doeleinden gebruikt. Diverse mensen, afgezien van Rufus en zijn meisje, bedoel ik. Ik zou je daar heel wat over kunnen vertellen... tegen een bepaalde vergoeding.'

'In verband met deze zaak?' zei ik streng. Ik had niet veel zin in sekspraatjes.

Hij schudde zijn hoofd en keek teleurgesteld. Ik nam aan dat dergelijke smakelijke roddels voor hem een heel winstgevende bijverdienste waren.

Zijn gezicht klaarde weer op. 'Ik heb toch nog iets anders voor je, burger. Iets wat ik op de afvalhoop van de keuken gevonden heb.'

Alleen een spion zou de afvalhoop van de keuken gaan doorzoeken. Het afval en de restjes werden door het raam op de afvalhoop gekieperd en vaak gaf het slachtafval er nog een extra pikant geurtje aan.

Ik wist te glimlachen. 'En wat mag dat wel zijn?' Ik weet niet wat ik verwacht had. Misschien op een wastablet gekraste belastende liefdesbriefjes, zoiets. Op wat hij voor me had was ik totaal niet voorbereid.

Het was een groen glazen flesje met een kurkje, niet groter dan mijn vinger, met een koordje eraan dat door een klein oortje bij de nek gestoken zat. Het was leeg. Ik wist wat het was. Ik had er pas nog een gezien dat er sterk op leek - op het dienblad van Paulus. Een van de flesjes van Regina. Ik dacht aan het brouwsel dat ik gedronken had en verbleekte.

'Ik weet het niet,' zei Aulus fluisterend en ik merkte dat hij vandaag naar gekookte kool rook. 'Maar denk je dat het nuttig is, burger?' 

Het lukte me om te zeggen: 'Erg nuttig. Dank je.' Hij grijnsde hoopvol. 'Krijg ik... daar misschien wel een beloning voor?'

'Ik zal het er met Marcus over hebben,' zei ik. Als ik voor dit soort informatie ging betalen zou ik gauw genoeg zelf aan de bedelstaf raken. 'Ik heb straks een afspraak met hem. Als Junio me ondertussen een arm wil geven zullen we nu even naar de vloer van het librarium gaan kijken. Ik sta nog steeds wat wankel op mijn benen.'

Aulus ging dat niet aan, maar ik had nog een tochtje in gedachten. Ik dacht terug aan dat stukje maliënkolder en was er niet meer zo zeker van dat Crassus nooit in dat rondhuis geweest was .

Ik wilde daar nog eens gaan kijken.