Hoofdstuk 2

Ik had uiteraard een toga aangetrokken, zoals de wet officieel voorschrijft. Alle mannelijke Romeinse burgers in het hele rijk werden geacht er 'in het openbaar' een te dragen, maar vaak nam ik de moeite niet. Er wordt niet erg de hand gehouden aan die verordening en een man in mijn positie maakt meer kans aangehouden en ondervraagd te worden op verdenking zich ten onrechte als burger voor te doen dan voor hèt omgekeerde. En verder moest ik bekennen dat ik een hekel aan het ding had; lastig om aan te trekken, moeilijk schoon te maken en onmogelijk om in te werken, omdat (zoals je zult weten als je er ooit een gedragen hebt) ze de drager dwingen tot die afgemeten, kaarsrechte manier van lopen waaraan je Romeinen overal kunt herkennen. Doe je dat niet, dan wikkelt het hele ding zich los. Maar ik heb er wel een, voor officiële gelegenheden - nuttig om indruk te maken op Romeinse klanten - en vandaag ging ik met Marcus mee. Veel officiëler dan dat kon de gelegenheid niet worden.

Het ding had in zekere zin ook voordelen. De mensenmassa's op straat gingen eerbiedig opzij om ons erlangs te laten en de looiersknecht - die me elke dag in een doodgewone tuniek langs zag komen - keek me met open mond aan. Het was natuurlijk maar een gewone toga van ongebleekte witte wol, zonder de patriciërsranden van Marcus, maar ik zag er evengoed heel anders uit. Ik zuchtte. De volgende keer dat ze langs de deuren kwamen voor een bijdrage aan de brandwacht van de buurt (een van de genoegens van het wonen tussen een looierij en een kaarsenmaker was de voortdurende interessante mogelijkheid van brand) zouden ze van mij wel een paar extra denarii verwachten.

Maar toen we bij ons vervoermiddel kwamen was ik blij met mijn warme kledingstuk. Marcus had een open koerierswagentje bij zich, dat licht en snel was maar ook vreselijk tochtig, vergeleken bij de gesloten keizerlijke koets die ik verwacht had. De koetsier stond ernaast, hield het paard in bedwang, keek verveeld en moest het in zijn dunne tuniek stervenskoud hebben. Ik klom achter Marcus aan in het wagentje, zo sierlijk als mijn toga toeliet, en glimlachte naar de jongen. Dat eeuwige wachten is een van de minder bekende ellendigheden van het slavenbestaan.

De koetsier leek mijn glimlach als een aanmoediging te beschouwen en we gingen er vandoor met een vaart die het wagentje op en neer liet stuiteren. We namen de kortste weg, terug door de stad, en weer was ik blij met de voordelen van een hoge rang. Gewone stervelingen zoals ik moesten niet proberen zich bij daglicht met een kar binnen de stadsmuren te wagen of om voorrang te vragen op de militaire wegen. Maar met Marcus erbij was alles mogelijk.

We reden de Oostpoort uit, om de miezerige huurkazernes in de armoedige buitenwijk aan de noordkant heen en weg van de moerassen bij de rivier, naar de hoger liggende weg die langs de heuvels liep. De kant van Corinium op, bedacht ik met een steek in mijn hart. Het is een goede weg, die met behulp van plaatselijke belastingen in goeie conditie gehouden wordt voor de keizerlijke post - de militaire koeriers - en zoals alle Romeinse wegen was hij recht en van bestrating voorzien. We schoten goed op, kwamen langs de begraafplaatsen die tegenwoordig langs de wegen liggen (de Romeinen hadden een verbod uitgevaardigd op het in de stad begraven) en al gauw waren we op het platteland.

Op de weg hadden we niemand gezien, op een voortzeulende boerenkar en een eenzame goed ingepakte koerier na die met helse spoed in de richting van Glevum galoppeerde, maar nu konden we in de verte glanzend metaal zien bewegen. Ik zag dat Marcus een gezicht trok. Een cohort marcherende soldaten; waarschijnlijk hulptroepen die kort geleden in Isca waren afgelost. Ze hadden ongetwijfeld goed de pas erin, maar hadden de hele breedte van de weg nodig en met hun voorraadkarren en kampvolgers (vrouwen waren niet toegestaan, maar toch hadden veel soldaten hun hele familie bij zich) zou de hele stoet diverse mijlen lang kunnen zijn.

'Er is nog een andere weg naar het landgoed van Crassus,' zei ik aarzelend. 'Daar ben ik achter gekomen toen ik in de villa logeerde. Hij is korter, maar de weg is slecht.' Dat kon je wel zeggen. De weg was beestachtig slecht, een van die smalle kronkelweggetjes zonder wegdek die voor de komst van de Romeinen door de locale bevolking werden gebruikt. Toen ik als voetganger met het materiaal voor mijn mozaïek op een handkar naar de villa heen en terug ploeterde had ik wel oog gehad voor zijn nostalgische charme. Er stond halverwege zelfs een half ingestorte bouwval van een Keltisch rondhuis, waarschijnlijk de woning van de oorspronkelijke boer van wie Crassus het land had 'overgenomen'.

In een snel wagentje zou de reis eerder zwaar dan nostalgisch worden.

Daar kon Marcus niet mee zitten. 'Dan nemen we die,' zei hij en dus wees ik de koetsier waar hij af moest slaan.

Het was ook zwaar - zwaarder dan de aanslag van een Romeinse belastinggaarder. We slingerden angstaanjagend over het met stenen bezaaide pad, waarbij de wagen bij elke bocht om dreigde te slaan, en we kregen voortdurend overhangende takken in ons gezicht, tot we eindelijk de laatste heuvel af denderden en de brede met kiezelstenen bedekte oprijlaan van de boerderij van Crassus bereikten. We sloegen door de poort linksaf en reden naar de achterkant van het landgoed, waar de boerderij en het erf lagen. Niemand vroeg wat we kwamen doen. De poortwachter was niet op zijn post en er waren geen lijfeigenen te zien die de beesten aan het verzorgen waren of aan het werk waren op het land. Alleen een geit aan een paal keek ons verbaasd aan.

Het was haast angstaanjagend.

We stuurden de wagen recht naar de binnenpoort en lieten de koetsier (weer) wachten. De poort stond open en we liepen naar binnen, langs de stapels brandhout voor de kachels en de vruchtbomen die in een nette rij langs de muur stonden. We waren al bijna bij de deur naar de binnentuin voor iemand ons haastig kwam begroeten: een grote grofgebouwde man die met zijn handen stond te wringen als een waarzegger die een akelige voorspelling moet doen. Ik herkende hem meteen, niet alleen aan zijn druk bewegende handen maar ook aan zijn blauwe tuniek: ik had hem ontmoet toen ik de vloer van het librarium aan het leggen was. Andretha, de voorman van de slaven. Hij raakte zowat buiten adem in zijn haast zichzelf te verontschuldigen. 'Ik heb iedereen hierheen laten komen, excellentie. Op de binnenplaats. De aediles hebben een bewaker achtergelaten.'

Hij ging ons voor. Ze waren er allemaal. Niet alleen het huishoudelijk personeel, maar iedereen die toevallig in de buurt was toen het lijk ontdekt was; allemaal stonden ze te wachten, bibberend van de kou, de angst en de gemene tocht die altijd door die zuilengang waaide. Ik kon me die tocht nog levendig herinneren. Het librarium was een klein kamertje dat uitkwam op deze binnenplaats.

Waarom zouden gepensioneerde militairen, en dan met name buitenlanders, toch altijd van dit soort landhuizen willen bouwen, helemaal in Romeinse stijl? Hoge pilaren en ommuurde tuinen die bevloeid werden met water van de grote schuine daken mochten in de hitte van Rome dan heel welkom en koel zijn, maar hier in de natte koude winters van het Insula Britannica kreeg je een vochtig, tochtig en bedompt effect, waar de schilderingen op de omringende muren en de standbeelden in kleine prieeltjes weinig aan konden veranderen. Geen wonder dat Crassus een eigen hypocaust en badhuis aan had laten leggen. Dat was niet alleen maar een statussymbool; de vloerverwarming maakte het voorhuis - de vertrekken van de eigenaar - tenminste redelijk bewoonbaar.

'Ze zijn er allemaal, alle leden van de huishouding!' Andretha boog en knikte als een takje in een draaikolk. 'En iedereen die langs de poort kwam. Ik heb ze laten aanhouden en voor u hierheen laten brengen, zeer geëerde excellentie. We kunnen niet voorzichtig genoeg zijn.'

Ik wierp een blik op het kleine groepje. Eerst de buitenstaanders. Twee rapenverkopers, die nijdig waren omdat ze een hele marktdag moesten missen. Een straatventer. Een bedelaar. Een waarzegger. En zelfs, merkwaardig genoeg, een koopman die onderweg geweest was, samen met zijn mollige vrouw die opvallende kleren van Britse geborduurde wol aanhad.

Achter hen de huishoudelijke staf. Ik herkende er een paar van. Landarbeiders met schorten van jute voor, grove tunieken aan en ruwe leren 'laarzen' die met koordjes om hun voeten gebonden waren; gladgeschoren huisslaven in keurige blauwe tunieken; oudere slavinnen in vormeloze zakken; en in de hoek de twee kortgerokte en geparfumeerde jonge slavinnetjes met hun angstogen en hun ingevlochten haar. De bewakers grijnsden, omdat ze zich maar al te goed konden indenken welke taak die twee in het huishouden van die dikke lelijke Germanicus hadden.

'Ze staan allemaal klaar, excellentie,' herhaalde Andretha telkens weer, als een soort Vestaals gezang.

'Ik praat straks wel met ze,' zei Marcus. 'Laten we eerst het lijk maar eens gaan bekijken.'

Ik had Marcus zelf de weg kunnen wijzen. Door de poort van de binnenplaats naar buiten en dan naar de zijkant van het huis, waar de stookkamer zich bevond. Ook bij de deur naar de stookruimte stond een grote bewaker met een lans.

Marcus gebaarde dat hij opzij moest gaan en we gingen naar binnen. Het was er donker en stoffig. De lucht was zwaar van de onmiskenbare geur van de dood en het was er nog steeds hinderlijk heet, hoewel ze het vuur toch al ruim een dag daarvoor uit hadden laten gaan. De ruimte was leeg: we zagen alleen maar grote hopen brandhout en de open mond van de kachel, waarin nog steeds wat witte as lag te gloeien.

Nou ja, leeg, er lag ook nog het lijk van een man. Hij had het uniform van een centurion aan - een wambuis met leren panden, een borstharnas, kruisbeschermer, beenplaten en sandalen. Zijn zwaard en dolk hingen nog aan zijn riem en om zijn nek droeg hij de tekens van zijn rang. Een Mars-masker van geslagen koper stond scheef tegen de muur, alsof het dronken was, en een dode arm lag als in een laatste afscheidsgebaar tegen de van pluimen voorziene helm aan. De andere hand en het hoofd, of wat ervan over was gebleven, waren de kachel ingeduwd. Het was een obsceen gezicht.

'Onderzoek het lijk, Libertus.' Marcus leek zichzelf er niet toe te kunnen brengen van dichtbij te kijken naar die verkoolde schedel en die geblakerde vleesloze botten, die ooit vingers en een hand geweest waren.

Ik boog me voorover en liet het levenloze lichaam zachtjes op de vloer glijden. De benen en armen waren geschoren, zo te zien nog maar kort geleden, maar de romp was kort, breed en verbazend harig. Het gezicht was in de vlammen verdwenen, maar in de ring aan de verkoolde vinger kon niemand zich vergissen. Het zegel van Crassus. Ik had 'm vaak genoeg gezien. En Marcus ook.

Er kon maar één logische conclusie worden getrokken. Marcus deed dat.

'Bij Mithras,' riep hij uit, 'de aediles hadden gelijk! Het is Germanicus! Geen wonder dat ze hem niet konden vinden. Zo!

Dus nu hoeven we alleen maar iemand te vinden die hem dood wilde hebben.' Hij grijnsde naar me terwijl hij dat zei - die omschrijving was van toepassing op bijna heel Glevum. 'Goed, laten we maar eens zien wat die mensen ons te melden hebben. We zullen ze in het triclinium ondervragen. Ik ben ervan overtuigd dat daar wel een vuurkorf te vinden is en als het er naar uitziet dat het lang gaat duren kunnen we daar op ons gemak wat eten.'

'Natuurlijk, excellentie.' Andretha ging ons voor. Het kwam niet bij Marcus op dat dit plan wel eens overlast voor iemand zou kunnen veroorzaken. Met de andere bedienden onder bewaking zou Andretha zelf de vuurkorf aan moeten steken en eten klaar moeten maken, om nog maar te zwijgen over de problemen voor de wachtende voorbijgangers, waarover hun families zich vast al zorgen begonnen te maken.

De eetzaal was een prachtige ruimte. Ik had 'm al eerder gezien; beschilderde gepleisterde muren en een mozaïek op de grond met een meetkundig patroon (niet door mij gelegd, maar ik kon zien dat het goed gedaan was). Marcus nam plaats op een van de vergulde ligbanken en ik ging op een bronzen krukje daar in de buurt zitten.

De verhoren begonnen. Met de 'buitenstaanders' waren we snel klaar. De koopman en zijn vrouw waren nog nooit in Glevum geweest en hadden de afgelopen nacht in een herberg in de buurt gelogeerd. Er waren getuigen in overvloed die konden bevestigen waar ze geweest waren. Ze waren nog maar een uur voor ze langs het landgoed kwamen uit de herberg vertrokken en die tijd zouden ze nodig hebben gehad om hier te komen. Voor de rapenverkopers gold hetzelfde; ze hadden nooit in de villa kunnen zijn voor het lijk ontdekt werd.

Aan de venter en de bedelaar hadden we ook niet veel. Marcus liet ze een pak slaag geven, je kon nooit weten, maar het had hun geheugen niet opgefrist en tenslotte liet hij ze maar gaan. De waarzegger beweerde dat hij belangrijke informatie had van de omina, maar toen dat bleek te zijn dat 'de dode geheime vijanden had gehad' werd Marcus zo nijdig dat hij het bevel gaf dat hij naar Glevum gebracht moest worden en daar een week gevangen moest worden gezet, maar dat was niet in de verwachting nog iets meer van hem te weten te komen.

Daarna ondervroegen we Andretha. Hij stond te trillen van spanning en bezwoer ons dat de moordenaar beslist niemand uit de villa zou kunnen zijn. Ik begreep wel waarom. Strikt genomen kon, als een meester door een van zijn eigen slaven vermoord was, de hele huishouding terechtgesteld worden, hoewel er de laatste keer dat er in Rome een dergelijk vonnis geveld was zware rellen waren uitgebroken. Daardoor werd de wet tegenwoordig niet vaak meer toegepast, als de individuele dader tenminste kon worden gevonden. De hoofdslaaf kon desalniettemin nog veroordeeld worden voor nalatigheid en moest daar in dat geval dan op allerhande pijnlijke manieren met zijn leven voor boeten.

'Niemand in dit huis,' protesteerde hij weer.

'Toch kan een van de bedienden het best gedaan hebben,' zei Marcus terwijl hij mij aankeek, 'en ongetwijfeld hadden de meesten een gloeiende hekel aan hem. Ik ga er vanuit dat het minder voor de hand ligt dat het een van de landarbeiders geweest is. Die komen maar zelden in huis en dus zou het voor hen veel moeilijker geweest zijn het lijk in de hypocaust te verstoppen.'

'Onmogelijk, excellentie,' zei Andretha haastig. 'Als een van die boers geklede kerels zich ook maar in de buurt van het huis zouden hebben gewaagd zou ik hem meteen een pak ransel hebben laten geven.'

'Tenzij,' zei ik nadenkend, 'het huis leeg was, zoals tijdens de optocht het geval was.' Andretha keek me giftig aan. Marcus fronste. 'Maar tijdens de processie leefde Crassus Germanicus nog. Ik heb hem met eigen ogen gezien.'

'En zodra alles voorbij was,' viel Andretha hem opgelucht bij, 'zijn de slaven van de huishouding met z'n allen in de boerderijkar teruggereden naar de villa. Niemand had sneller hier kunnen zijn. Daar heb ik wel voor gezorgd. Ik had haast omdat ik alles in gereedheid wilde hebben voor als Crassus thuis zou komen.'

Dat klonk aannemelijk. Als de vuurkorf niet brandde en er geen eten en drinken klaarstond zou iemand duchtig van de meester op zijn donder krijgen. Crassus zag weinig door de vingers.

'Ik zweer,' zei Andretha terwijl hij weer met zijn handen stond te wringen, 'dat er de hele nacht bedienden voor hem op de uitkijk hebben gestaan. Ik geloof niet dat er iemand de villa zou hebben kunnen bereiken zonder dat we hem gezien of gehoord hadden.'

'En toch,' zei Marcus droog, 'is er iemand naar de villa gekomen. Iemand heeft het lijk teruggebracht en het in de hypocaust gestopt. Als er iemand op wacht heeft gestaan zou dat toch op hebben moeten vallen.'

Andretha was zo vreselijk geschrokken van de suggestie dat hij tekortgeschoten was in zijn taak, dat hij zelfs als hij gewild had geen zinnig antwoord over zijn lippen had kunnen krijgen. Maar hij probeerde het niet eens. Hij spreidde alleen maar in een wanhopig gebaar zijn handen uit, alsof hij daar niets zinnigs op te zeggen had.

'Je zei dat alle slaven tegelijk zijn thuisgekomen?' vroeg ik. Andretha knikte. 'Behalve Daedalus, de persoonlijke slaaf van Crassus. Dat hadden we ook wel verwacht. Hij is uiteraard bij Crassus gebleven om paarden voor hem te halen, of wijn, en de fakkels te dragen. Hem naar huis te brengen en zo nodig te bewaken. Maar uiteraard is ook hij niet teruggekomen naar huis.'

'En waar,' wilde Marcus weten, 'is Daedalus dan nu?' Andretha's gezicht vertrok van angst. 'Ik weet het niet. Niemand weet het. Hij had bij Crassus moeten blijven. Denkt u dat Daedalus hem tijdens de optocht vermoord heeft?' Hij greep iedere strohalm vast. Als Germanicus in Glevum vermoord was viel het buiten zijn verantwoordelijkheid. Hij had alleen maar de plicht zijn meester binnen de grenzen van het landgoed tegen alles te beschermen.

'Als ik me goed herinner,' zei ik, 'was aan Daedalus toegezegd dat hij bij de volgende volle maan zijn vrijheid zou krijgen.' De man had er toen ik in de villa aan het werk was over op lopen scheppen. Ik had het toen nogal vreemd gevonden. Crassus was er de man niet naar om uit de goedheid van zijn hart een goede slaaf zijn vrijheid terug te geven.

Andretha knikte gretig. 'Dat is waar.'

'Dan had Daedalus dus geen enkel belang bij Crassus' dood,' zei Marcus. 'Hij zal nu worden verkocht, of samen met het landgoed overgaan naar de nieuwe eigenaar.'

'Of misschien heeft hij zijn meester zien vermoorden en is hij in paniek gevlucht? Andretha brabbelde verder. 'Er zijn altijd schurken en messentrekkers bij dergelijke optochten. Dat is veel waarschijnlijker. En als hij hem niet goed beschermd heeft, dan...' Je kon gewoon aan zijn gezicht zien hoe de hoop bij hem begon te groeien. Lafheid van een persoonlijke lijfwacht viel ook niet onder zijn verantwoordelijkheid. 'Ja, excellentie, dat moet het geweest zijn.'

Ik dacht hardop. 'Maar waarom dan het lijk in de hypocaust stoppen? Waarom zou je het dan niet gewoon in de stad achterlaten? Waarom zou uitgerekend Daedalus het helemaal mee terug nemen naar de villa, waar het zeker ontdekt zou worden en de verdenking op hem zou vallen? Als een moordenaar een lijk kwijt wil gooit hij het toch zeker gewoon in de rivier, of begraaft hij het ergens? Waarom zou hij het helemaal terug slepen naar de villa om het daar in de verwarmingskachel te stoppen? Tenzij Crassus toch op de een of andere manier hier terug is gekomen en de moord toch hier in de villa heeft plaatsgevonden.'

'Dat kan hij niet gedaan hebben.' Andretha keek me alweer met een giftige blik aan. 'Vanaf het moment dat de optocht voorbij was hebben er mensen naar hem op de uitkijk gestaan.'

'Nou,' zei Marcus, 'dan moeten we maar eens met die mensen praten om te zien of we helderheid in deze zaak kunnen brengen. Ik denk dat we moeten beginnen met de poortwachter.' Andretha ging de kamer uit en Marcus keek me aan. 'De aediles hadden gelijk. Begrijp je mijn zorgen? Het lijkt wel een politieke moord. Het is onwaarschijnlijk dat iemand van hier het gedaan heeft.'

'Dat lijkt mij ook moeilijk,' zei ik. 'Ik ben er zeker van dat als Andretha ook maar iets geweten had, hij het zeker zou hebben verteld. Als het een moord door iemand van de huishouding zou zijn is zijn enige hoop om verklikker te worden. Maar waarom denkt u dat het een politieke kwestie is?'

Marcus keek om zich heen, alsof de gepleisterde muren oren hadden en zei toen schaapachtig: 'Omdat Aulus de poortwachter een informant van me is. Ik heb Germanicus nooit vertrouwd; hij had altijd al veel teveel geld voor een centurion van een hulpregiment.'

'Hij was een gedreven gokker,' zei ik aarzelend, terwijl ik terugdacht aan de verhalen over allerlei dobbelavondjes die tijdens mijn verblijf in de villa plaats hadden gevonden. 'En ongetwijfeld had hij de dobbelstenen aan zijn kant. Crassus was wel iemand die daarvoor zou zorgen.'

'Hij stond erom bekend,' zei Marcus, 'of eigenlijk meer om zijn onverklaarbare hoeveelheid geluk. Dat zegt Aulus althans. Kennelijk stond het lot aan zijn kant, zelfs tijdens zijn legerloopbaan.'

'Oh?'

'Ja, Crassus is heel lang optio geweest. Hij wilde bevorderd worden tot centurion en bleef maar mopperen dat hij allang aan de beurt was voor promotie, maar het kwam er nooit van. Ze zeiden dat er geen plek beschikbaar was... en toen overleed heel toevallig net de centurion die boven hem stond - iets te toevallig, zeiden de roddels.'

'U denkt dat hij zijn meerdere om zeep geholpen heeft?' vroeg ik. 'Dat zal toch wel niet? Dat zou verraad zijn.' Ik vroeg dat niet om morele redenen, maar op dergelijke misdaden stond altijd de doodstraf en Crassus was toch behoorlijk levend geweest, althans tot voor kort.

Marcus lachte. 'Ik denk niet dat hij het echt gedaan heeft, hoor. Het was geen bijzonder verdachte dood, de man is gewoon op een avond ziek geworden en gestorven. Onverwachtse sterfgevallen hou je altijd, door infecties of slecht eten. Er gingen geruchten, maar Germanicus had getuigen die bevestigden dat hij die avond mijlen verderop was en na enige tijd kreeg hij dan ook zijn centurionsstaf. Maar de roddels bleven rondgaan. Volgens Aulus tenminste.'

'Waar doelt u op? Dat iemand het verhaal geloofde en Crassus uit wraak gedood heeft?'

'Nee. In dat geval zou hij al jaren geleden neergestoken zijn. En het is trouwens waarschijnlijk toch alleen maar een gerucht. Als hij echt verdacht werd hadden ze hem daar ter plekke al geëxecuteerd. Maar het geeft wel een goeie indruk van de man. De mensen geloofden dat hij het gedaan zou kunnen hebben. En hij kan nog steeds oude vijanden in het leger gehad hebben, of oude bondgenoten. Aulus zegt dat er de afgelopen weken tot twee keer toe 's avonds gewapende soldaten naar de villa gekomen zijn en dat Germanicus toen met ze is komen praten nadat hij eerst zijn poortwachter met een opdracht had weggestuurd.' Dat was behoorlijk slecht nieuws. Zelfs ik wist dat sommige delen van het leger de keizer af wilden zetten om Priscus, de legioenscommandant, op die plek te zetten, terwijl andere groepen weer op de hand waren van gouverneur Pertinax. Vanuit mijn oogpunt was er het bijkomende probleem dat die twee verraderlijke alternatieven niet politiek gelijk waren. Marcus was de persoonlijke afgezant van de gouverneur. Zijn positie was afhankelijk van die van Pertinax. Geen wonder dat hij zich zorgen maakte over mogelijke politieke samenzweringen.

'Hoe weet u dat allemaal?' vroeg ik voorzichtig. Als hij gelijk had maakte ik een goeie kans zelf ook in de hypocaust terecht te komen.

'Aulus was zo verstandig om toch op de uitkijk te blijven zitten en heeft ze gezien. Het was allebei de keren een enkele soldaat en Germanicus kwam naar buiten en heeft een tijdje met ze staan fluisteren op de oprijlaan. Maar daar heb je Aulus. Hij kan het je zelf vertellen.'

Aulus had daar niet veel zin in. Hij was een grote, grove, onbehouwen beer van een man met een sluwe manier van doen, druk bewegende ogen en een zenuwachtige tong waarmee hij als hij aan het woord was telkens zijn lippen nat maakte. Twee heren dienen is altijd gevaarlijk werk, maar tenslotte vertelde hij zijn verhaal, waarbij hij af en toe om zich heen keek voor het geval Andretha ergens in de schaduw naar hem zat te loeren. Maar de kern van het verhaal kwam neer op wat Marcus me al verteld had. Hij kon er niets nieuws aan toevoegen en lardeerde het verhaal met verontschuldigingen; het was te schemerig geweest om details te kunnen zien en hij was te ver weg geweest om iets te kunnen horen. Minstens twee bezoeken, dat wist hij in ieder geval zeker. Eén keer drie dagen voor de optocht, en éen keer een week of twee eerder. Beide keren een centurion. Hij kon niet zeggen of het dezelfde man geweest was.

Over de verdwijning van Crassus was hij veel stelliger. Het was precies zoals Andretha gezegd had en hij wist er verder ook niets meer over te zeggen. Tegen de tijd dat Marcus hem liet gaan zweette Aulus behoorlijk.

'Hij verzwijgt iets,' zei Marcus. 'Maar dat krijgen we er nog wel uit. Desnoods door hem een pak slaag te geven.'

Ik schudde mijn hoofd. 'Ik betwijfel 't, excellentie. U kunt gerust de rest van de huishoudelijke staf ondervragen, maar ik denk niet dat een pak slaag zal helpen. De enige die iets gezien heeft was de moordenaar zelf en die zal het u echt niet vertellen. Misschien moeten we in de stad vragen gaan stellen? Op zoek gaan naar iemand die Crassus na de processie nog gezien heeft?'

Marcus fronste. 'Tja, misschien. Maar denk eraan, ik wil dat alles discreet gebeurt.'

Ik zuchtte. Wat hij daarmee bedoelde had ik wel begrepen. Marcus was niet van plan zijn handen vuil te maken door willekeurige stadsbewoners te ondervragen. Hij verwachtte van mij dat ik dat zou doen, als ik hier klaar was. Ondertussen zou er veel kostbare tijd verstrijken.

'Misschien is er ook wel iemand te vinden die Daedalus gezien heeft. Dat is tenslotte een verdwenen slaaf.'

Daar schrok hij van op. Een slaap die wegloopt is een ernstige zaak. 'Denk je dat hij de dader is? Je kent hem, je hebt een paar weken met hem in één huis gezeten.'

Ik lachte kort. 'Ik kende hem maar amper. Ik zat in het librarium. Iemand die voor Crassus werkt heeft maar weinig tijd voor kletspraatjes.'

'Maar je kende zijn reputatie?'

Dat was zo. De favoriete slaaf van Crassus; slim, gehaaid, veel talent - hij kon goed mensen nadoen, wat het op 'beschaafde' feestjes altijd goed deed - maar hij was ook ambitieus.

'Hij zou de dader kunnen zijn. Hij is er berekenend genoeg voor. Maar hij had zijn vrijheid om naar uit te kijken. Misschien heeft hij die zelfs wel gekregen; het gebeurt wel vaker dat slaven tijdens het festival hun vrijheid krijgen, als een soort offer.'

'En toen vergreep hij zich aan zijn meester? Het is moeilijk je voor te stellen waarom hij dat zou doen, al hoopt Andretha vurig dat het zo is. Als Crassus door een vrij man vermoord is verandert het alles.'

'Waarom zou hij anders verdwenen zijn?'

Marcus trok zijn wenkbrauwen op en sprak uit wat we allebei dachten. 'En als Germanicus nu eens gedreigd had hem zijn vrijheid toch niet te geven? Van mening veranderd was over de vrijmaking?'

'Waarna Daedalus hem in een vlaag van woede vermoord heeft? Moord zonder voorbedachte rade, dat kan ik me wel voorstellen. Maar waarom zou hij het lijk dan terugbrengen? En hoe? Een lijk mijlen verslepen is vragen om ontdekt te worden en hij zou hoe dan ook nooit vóór de anderen hier gearriveerd kunnen zijn. Crassus liep mee in de optocht. Hij zou tot na afloop van de offerplechtigheden moeten wachten en ze hadden geen vervoer. De bedienden hadden de boerenwagen en u hebt gehoord wat Andretha zei: Crassus was van plan paarden te huren als hij uitgefeest was.'

'Wat hij niet gedaan heeft,' zei Marcus daar achteraan. 'De aediles hebben daar al naar geïnformeerd. Niemand heeft een paard of een aanspanning gehuurd. Direct na de processie viel er trouwens niets te huren. Daedalus en hij zouden hebben moeten lopen - tenzij ze er ergens een gestolen hadden. Of lenen. Er was een rondzwervende pelgrim in deze buurt met een muilezel, maar die hebben ze ook niet gehuurd, want die hebben ze ruim voor het eind van het festival terug zien lopen. En niemand heeft gemeld dat er paarden gestolen waren.'

'Hoe het ook zij,' zei ik, 'iemand die een lijk te verbergen heeft kan moeilijk ook nog eens een paard gaan stelen. Dan zou hij de halve boerenbevolking achter zich aan krijgen. Nee, ik ben bang dat u gelijk heeft. We moeten proberen die bewapende soldaten op te sporen. Maar laten we eerst horen wat de rest van het personeel te vertellen heeft. Wie weet hebben ze ons nog wat nieuws te vertellen.'

Maar niemand - de luitspeler niet en ook de koks, de huisslaven en de dansmeisjes niet - had iets toe te voegen aan het verhaal dat we al gehoord hadden. Crassus was samen met Daedalus al vroeg op pad gegaan naar de optocht en had de drie a vier mijl naar Glevum beslist willen lopen omdat het prachtig weer was en hij van plan was na afloop flink feest te gaan vieren. Het leek me een kwelling om mijlen te moeten lopen in volle wapenrusting en dan ook nog mee te lopen in een optocht, maar waarschijnlijk draaide een oud-soldaat die gewend was de hele dag met volle bepakking te lopen daar zijn hand niet voor om. De bedienden waren allemaal samen op de wagen van de boerderij naar de stad gereden, hadden de processie bekeken en waren op dezelfde manier weer naar huis gegaan. Niemand had iets van Crassus gehoord of gezien tot de twee mannen die verantwoordelijk waren voor de hypocaust tegen de middag de kachel wilden gaan opstoken.

Marcus ondervroeg ze scherp, maar ze hielden voet bij stuk. Ze waren met de anderen naar het feest geweest en aangezien ze die dag niet hoefden te stoken hadden ze de hele middag hout gehakt voor de extra houtstapel, op een plek waar de slaven die water haalden en de binnentuin verzorgden hen steeds konden zien. Het stookhuis was helemaal aan de zijkant van de villa en aangezien het vuur toch niet brandde was niemand daar in de buurt geweest. Maar niemand had er ook van buitenaf bij hebben kunnen komen zonder gezien te worden.

'En zo zijn we dan weer terug bij de politiek,' zei Marcus over de kom met stoofvlees met vissaus heen die de keuken tenslotte had weten te produceren. 'Het ziet er naar uit dat niemand hier in huis het gedaan heeft. Tenzij ze het allemaal samen gedaan hebben.' Hij keek me vragend aan.

Ik zei niets. Ik probeerde mijn stoofvlees op te lepelen zonder vissaus naar binnen te krijgen - die gore gegiste rommel met ansjovis erin die de Romeinen op zo ongeveer alles doen. En verder probeerde ik dat te doen zonder dat het Marcus op zou vallen. Ik gaf hem een dun glimlachje.

Zuchtend zei Marcus; 'Of misschien is de dood van Crassus wel gewoon een straf van de goden. Het was tenslotte het feest van Mars.' Hij stak zijn laatste hap in zijn mond en duwde het bord weg. 'Nou, ik laat het aan jou over, Libertus. Ik heb hier alles gedaan wat ik kon. Laat het me weten als je wat ontdekt. Ik neem aan dat we Andretha toestemming moeten geven voorbereidingen te treffen voor de rouwstoet, dus zullen we elkaar over uiterlijk drie dagen weer zien. In de tussentijd zal ik navraag doen in het lokaal van de wacht en kijken of iemand iets afweet van die twee soldaten. Hun afwezigheid moet toch opgemerkt zijn, het was lang na het ingaan van de avondklok. En nu moet ik terug naar Glevum. Mijn koetsier zal wel uitkijken naar zijn avondeten.'