Hoofdstuk 12

Ik keek niet bepaald uit naar de crematie. Formele Romeinse rouwplechtigheden zijn geen warme, ongedisciplineerde drukke gebeurtenissen zoals de Keltische, waar de mede en tranen en verhalen rijkelijk vloeien tot diep in de nacht, en die altijd eindigden in magische sferen, met in het licht van het vuur ophalen van oude mythen. Romeinse plechtigheden zijn vormelijke, saaie en vermoeiende gebeurtenissen, zelfs als je de overledene echt gemogen hebt en niet kort geleden een klap op je hoofd hebt gehad.

Met al die eindeloze processies bij toortslicht, lange toespraken en uitgebreide godsdienstige rituelen - en dat alles in de kou en het duister - is het een wonder dat niet meer van de aanwezigen kort daarna zelf overlijden. Een crematie is nog veel erger dan een begrafenis. De as moet eerbiedig verzameld worden in de grafurn en bijgezet en dat kan natuurlijk lastig met enige waardigheid worden gedaan tot de overledene een beetje afgekoeld is. Het zou ongetwijfeld een erg lange nacht worden. Eerst scheen er voor de overlevenden een rouwbanket plaats te vinden. Dat is uiteraard niet altijd zo. Meestal wordt het feest na de rituelen gehouden en heel wat doden zijn naar hun laatste rustplaats gebracht zonder dat de aanwezigen één hap op zijn kosten te eten kregen. Maar Crassus had in zijn testament gezet dat er van tevoren 'een lichte maaltijd' geserveerd moest worden, misschien wel om ervoor te zorgen dat er een redelijk aantal bezoekers op zou komen dagen, en Andretha had daar een ruime uitleg aan gegeven.

Hij verwachtte minstens dertig man. Crassus was rijk genoeg om zijn eigen clientes te hebben, plaatselijke klaplopers die om elke belangrijke persoon heen hangen om hem te vleien. Verder had hij er altijd goed voor gezorgd op zijn beurt de nog machtigeren eer te bewijzen, zoals hij met Marcus had gedaan, bijvoorbeeld. De meesten waren ongetwijfeld ook als 'vervangers' in zijn testament genoemd en het zou niet netjes geweest zijn als ze op de rouwplechtigheid zouden ontbreken, zelfs al stonden ze laag op de lijst van vervangers en maakten ze daarom nauwelijks kans op ook maar een denarius van de erfenis. Nu er een maaltijd was voorzien zou het nog minder netjes zijn en dus beloofde het een flinke partij te worden voor iemand die tijdens zijn leven weinig vrienden had gehad.

De slaven die onophoudelijk aan de voorbereidingen van de plechtigheid gewerkt hadden of bij toerbeurt hadden moeten weeklagen richtten nu hun aandacht op het feest. De geur van gekookt vlees en kookkruiden uit de keuken vermengde zich met de aromatische kruiden uit de dodenkamer; de lekkernijen die de dode mee kreeg op zijn reis naar het dodenrijk werden naar alle waarschijnlijkheid ook op het banket geserveerd. Het had geen zin om daar apart voor te koken. De slaven waren al druk aan het werk in de openbare vertrekken, veegden de vloeren, schikten de groenversiering en knipten de lonten van de lampen en kaarsen bij.

Ik trok mijn toga weer aan en ging naar het atrium, begeleid door Junio. Ik had al een portie gerstepap voor hem geregeld, hetzelfde wat ook de andere slaven kregen die bij de rouwdienst waren, omdat hij anders tot na het feest helemaal niets te eten zou hebben gekregen. Ik wilde dat hij tijdens de crematie bij me in de buurt was. Marcus was nergens te bekennen maar

Andretha stond al in de ontvangstruimte druk te doen.

'Ah, burger.' Hij kwam toen hij me zag meteen op me af, even druk gebarend als altijd. 'U bent een vriend van Marcus, u kunt me vast wel advies geven. Denkt u dat het passend zou zijn om hem te vragen de offerande te doen? Er is geen familielid die dat zou kunnen doen.'

Ik begreep zijn dilemma. Volgens de Romeinse gewoonten zou er elke dag bij het huisaltaar een offer gebracht moeten worden om de god van de huishouding en de geesten van de voorraadkamers tevreden te stemmen en de genius paterfamilias te eren. Aan dat kleine beeldje wordt altijd extra aandacht besteed, aangezien het zowel de eigen persoonlijke beschermer van de huiseigenaar symboliseert als de keizer zelf, in zijn rol van beschermer van zijn onderdanen. Als er een officieel banket wordt gehouden wordt altijd eerst een klein beetje eten en wijn aan die goden geofferd. Ik kon me herinneren dat Crassus bij het banket dat hij toen gehouden had het offer gebracht had en met nadruk aandacht schonk aan zijn genius. Maar Crassus kon nu niets meer offeren en zijn broer zou ongetwijfeld weigeren dat te doen, zelfs als hij zich zou verwaardigen aanwezig te zijn.

'Het is nooit eerder een probleem geweest,' zei Andretha tobberig. 'Sinds het festival heeft er geen echt diner meer plaatsgevonden en aangezien Lucius nu vermoedelijk het hoofd van de huishouding was maakte ik me er ook niet veel zorgen over. Ik nam aan dat hij alle Romeinse beelden en altaren zou laten vernielen. Ik heb de Vestaalse vuren brandend gehouden - ik denk dat de andere slaven anders in paniek zouden zijn geraakt - maar heb me zelf verder niet beziggehouden met de huisgoden. Maar de boodschapper die Marcus naar Lucius gestuurd had is nu eindelijk terug, met het bericht dat hij niet aanwezig zal zijn, maar dat we door moeten gaan alles te doen zoals Crassus het gewild zou hebben tot het huis verkocht wordt. Mijn meester zou gewild hebben dat er aan alle juiste goden offers gebracht zouden worden, in het bijzonder bij zijn rouwfeest.'

Ik glimlachte in mezelf. Natuurlijk zou hij dat gewild hebben. Germanicus geloofde waarschijnlijk in geen enkele god, maar hij zou voor het geval dat toch alle rituelen hebben uitgevoerd. Ik ben geen expert in Romeinse gebruiken, al voer ik voor zover nodig de openbare rituelen uit. Ik heb meer vertrouwen in de oude geesten van de bossen en rivieren dan in kibbelende godjes en stenen standbeelden. Maar ik dacht dat ik het antwoord op deze vraag wel wist. Ik zei tegen Andretha: 'Ik zie daar geen probleem in. Marcus wordt als vervangende erfgenaam genoemd; hij kan dus ongetwijfeld als vervanger van Lucius optreden. Het lijkt me logisch dat die taak aan hem toevalt.' Andretha keek opgelucht, maar er was nog iets anders waar hij zich zorgen over maakte. 'Mijn dank, burger. Denkt u dat ik het beeldje van de genius paterfamilias op het altaar moet zetten? Zoals gebruikelijk tussen de lar familiaris en de penates? Normaal gesproken zou als de meester sterft de nieuwe genius die plaats overnemen, maar Lucius heeft als Christen natuurlijk geen eigen beeldje.'

Het was wel wat raar, dat moest ik toegeven, om offers te brengen aan de ziel van een man waarvan het lijk in de kamer ernaast lag. Aan de andere kant was Germanicus wel iemand wiens ziel ik maar al te graag tevreden zou willen stellen. Ik zei aarzelend: 'Het lijkt me dat het daar toch wel moet staan. Tenslotte stelt het beeldje niet alleen Crassus voor, maar ook de keizer.'

'Ik ben u dankbaar voor uw raad, burger. Ik wist niet wat ik moest doen. Ik heb er zelfs even over gedacht er een uit de voorraad van Germanicus te halen - hij had er als oorlogsbuit een paar verzameld die van al wat Romeinser geworden opstandige stammen geweest waren en vond het altijd erg leuk als we er een stuksloegen om de stenen voor het landgoed te gebruiken. Ik dacht dat die dan tenminste de keizer kon symboliseren. Maar Crassus was bijzonder bijgelovig over zijn genius. Zijn broer en hij hadden er nog ruzie over. Lucius zei dat het een soort afgodsbeeld voor hem geworden was en dat het vernietigd moest worden; Crassus zei dat Lucius mocht denken wat hij wilde, maar dat hij zelf geen enkel risico nam. Dat beeld moest altijd bij hem in de buurt zijn. Daarom heb ik het ook op de lijkbaar laten zetten.'

'Is het daar nu ook?'

'Ja. Ik heb Het door Rufus laten halen toen hij zijn luit ging besnaren.'

Dus, bedacht ik, zou Rufus best een zwaar beeld bij zich kunnen hebben gehad toen hij naar de slaapzaal ging. Dat was interessant. Ik had Rufus als aanvaller af laten vallen omdat hij geen wapen bij zich had gehad; met zijn luit had hij me moeilijk bewusteloos kunnen slaan. Maar met een klomp bewerkte steen? Ik wilde dat beeld wel eens zien.

'Kan ik het eens even bekijken?'

'Als u dat wilt.' Andretha haalde zijn schouders op. 'Het ziet er uit zoals altijd. Een man met zijn toga over zijn hoofd om het onheil af te weren. Crassus heeft het volgens mij laten maken toen hij de villa kocht en het had geen bijzondere waarde, maar hij deed er erg bijgelovig over. Maar als ik het op het altaar terug moet zeggen mag u het uiteraard zien. Het zal dan toch opgehaald moeten worden.'

Ik draaide me om naar Junio, maar Andretha was me voor.

'Ik kan het beter zelf doen, burger. Om nu de kamer binnen te gaan zal de klaagzangen verstoren en dan kan ik dat beter doen dan een vreemde. Tenzij u natuurlijk zelf mee wil doen aan de lijkzang?'

Ik zei haastig van niet. Hier in het atrium was het klagerige gejammer al goed genoeg te horen, en ik wist dat het banket ook nog regelmatig onderbroken zou worden door rouwmuziek en toespraken ter ere van Germanicus. Misschien zelfs een ode, als een van zijn clientes inspiratie had en wij allemaal veel pech. Ik zou Crassus al meer dan genoeg moeten eren.

'Ik moet dat beeldje gezien hebben,' zei ik tegen Junio toen Andretha vertrokken was, 'toen ik met Marcus bij dat banket was. Ik herinner me dat Crassus een offer bracht, maar ik heb niet op het beeld gelet. Het was me niet eens opgevallen dat het ontbrak, terwijl ik toch langs het huisaltaar gekomen ben. Het is natuurlijk wel een donker hoekje en normaal gesproken let je er ook niet op.'

Junio lachte. 'Vooral niet als het de ziel van Crassus voorstelt!

Maar het bewijst wat Andretha gezegd heeft, het beeldje stelt artistiek niet veel voor. Ik vraag me trouwens af wie hem dat verteld heeft? Toch moet het waar zijn. Als het een mooi beeld was geweest had u dat wel gezien, hoe donker het ook was in dat hoekje. Daar bent u niet voor niets kunstenaar voor.' Ik grinnikte naar hem. Junio kan soms geweldig complimenteus zijn. En hij ziet het voor de hand liggende, waar anderen overheen kijken. Hij had bijvoorbeeld gelijk over Andretha. De man had geen grein artistieke smaak. Ik stond op het punt dat te zeggen toen Andretha zelf binnen kwam stuiven. Daarnet had hij al zorgelijk gekeken, maar nu leek hij totaal wanhopig te zijn.

'Het staat er niet, burger. Ik heb onopvallend in de draagbaar en tussen de grafgaven gezocht - het zou niet netjes geweest zijn om nu de klaagzangen te onderbreken - maar het beeld is nergens te vinden. De vrouwen die hem gezalfd hebben zijn terug naar Glevum gegaan.' In zijn wanhoop kneep hij steeds zijn handen in elkaar om er daarna weer mee te zwaaien.

'Misschien hebben zij het meegenomen, ik moet direct iemand achter hen aansturen. Zou Marcus me een boodschapper willen lenen? We hebben een paard nodig en hebben alleen het trekpaard maar. Crassus had zijn beest ook nooit aan zijn broer moeten geven!'

'Germanicus had een eigen rijpaard?' Dat had ik niet geweten, al had ik het kunnen vermoeden aangezien de villa een eindje van de stad lag.

'Geen rijpaard, nee. Crassus was geen ruiter. Als hij behoefte had aan vervoer huurde hij meestal een wagen uit Glevum. Hij had wel een muilezel, waar hij soms op reed, en zelfs daarmee kom je waarschijnlijk sneller vooruit dan te voet. Hadden we die nu maar!' jammerde hij. 'Maar toen Lucius vertrok had hij zoveel geschenken bij zich dat Crassus hem de ezel gaf om alles mee te vervoeren.'

'Crassus was gul.'

Andretha was ergens anders met zijn gedachten. Afwezig zei hij:

'Misschien.'

'Je denkt van niet?' Hij keek ongeduldig op, dus voegde ik er aan toe: 'Dit is belangrijk, Andretha. Het kan iets met de dood van je meester te maken hebben.'

'Ik mag over mijn meester niet kwaadspreken,' zei Andretha.

'Maar...?' drong ik aan. Dergelijke opmerkingen zijn meestal aanloopjes om het juist wel te doen.

Andretha zuchtte. 'Maar de dag nadat Lucius vertrok zouden er een stuk of wat hoge heren hierheen komen voor een partijtje gokken. Dat was al eerder speciaal voor Lucius zo afgesproken, maar natuurlijk dobbelde hij niet meer. Crassus was zo schichtig als water op een kookplaat en wilde zijn broer hier veilig uit de buurt hebben. Hij dacht dat Lucius, als hij het groepje tegen zou komen, meteen een preek af zou gaan steken om ze ertoe te bewegen berouw te tonen.'

Ik grijnsde. 'Dat zou met een huis vol belangrijke Romeinen inderdaad tamelijk pijnlijk zijn.'

'Ja,' was Andretha het met me eens. 'Crassus had hem nog wel het dubbele willen geven om er zeker van te zijn dat hij veilig uit de buurt was. Maar het was meer dan gêne; het diner zou begonnen zijn met een offer en hij wist dat Lucius geweigerd zou hebben daaraan deel te nemen.'

En dus waren we weer terug bij het beeld. Voor de lar en de penates zou het misschien niet hebben uitgemaakt, omdat de Romeinen over de huisgoden niet zo precies zijn, maar als Lucius zou weigeren de genius paterfamilias te eren zouden daar moeilijkheden over komen. Het symboliseerde niet voor niets zowel de keizer als het hoofd van de huishouding. Weigeren die te eren zou voor beide broers een ontmoeting met de wilde beesten in de arena betekend hebben.

'Crassus werkte hem de dag ervoor het huis uit,' ging Andretha verder, 'met zoveel geschenken voor zijn nieuwe kerk dat hij een muilezel nodig had om alles te vervoeren. Lucius was verbaasd en erg in zijn sas. Ik denk niet dat hij de reden doorhad.'

'En nu is het beeld verdwenen?'

Ik had hem daar beter niet aan kunnen herinneren. Hij begon weer met zijn handen te wringen. 'Ik begrijp er niets van. Wie steelt nou zoiets? Gisteren was het er nog. Het moeten die vrouwen geweest zijn. Er is geen andere verklaring.' Dat wist ik nog niet zo zeker. 'Heb je Rufus ernaar gevraagd?

Hij zal toen je aan het zoeken was vast wel in de kamer geweest zijn?'

'Rufus?' Hij was bezig de processie voor te bereiden - eten, offers, latrines. We kunnen onze banketgasten geen bad aanbieden, het zou in de omstandigheden onfatsoenlijk zijn om de kachel aan te steken, maar in ieder geval kunnen onze slaven schoon zijn. Denkt u dat ik met Rufus praten moet? Hij is in de keuken.'

'Ik denk dat ik zelf maar met hem ga praten.' Ik liep achter Andretha aan naar de keuken. Die bevond zich in een apart gebouw aan het eind van de zijvleugel, los van het huis. Germanicus had natuurlijk de laatste mode gevolgd bij het bouwen en deze locatie was bedoeld om brand te voorkomen. Het voorkwam in ieder geval dat het eten erg heet was als het werd opgediend, zoals ik gemerkt had bij het diner met Marcus tijdens de ondervraging en het banket dat ik samen met hem had bijgewoond.

In de keuken was het anders heet zat en ook bomvol. Slaven liepen druk heen en weer met kolen voor de bakovens en schalen voor op tafel, terwijl de koks in aan haken hangende borrelende ketels stonden te roeren, met gemeen uitziende messen groenten stonden te snijden, kruiden in mortaria fijn stonden te stampen of kokend hete pannen van de hete bakplaten boven het vuur haalden. Midden daartussen stond Rufus aan de tafel iets heets uit een ongeglazuurde kom naar binnen te werken.

Mijn toga veroorzaakte direct consternatie. Koks hielden op met roeren en staarden me aan, terwijl hun druipende roerspanen in de lucht zweefden. De koksmaatjes stopten met het opstoken van de vuren en de jongen die het versgebakken brood op de serveerdiscus wilde zetten liet zijn schaal met een daverende klap vallen. Rufus stond me aan te gapen.

Ik herinnerde me wat ik over zijn eerlijkheid gehoord had. 'Het beeld,' zei ik opgewekt. 'Het genius paterfamilias. Wat heb je daarmee gedaan?'

Hij leek zelf wel een standbeeld. 'Ik?... niets.'

'Ik had je gevraagd het naar de zalvers in de rouwkamer te brengen,' zei Andretha, die overliep van gewichtigheid.

'Het was er niet,' zei Rufus die zijn tong weer teruggevonden had. 'Zodra ik mijn snaar had opgehaald ben ik het gaan zoeken, maar het was weg. Ik nam aan dat u het door iemand anders had laten halen, terwijl ik mijn luit aan het besnaren was.'

'Je hebt niets gezegd over het feit dat het niet te vinden was?' vroeg ik.

Rufus keek me aan. 'Ik was bang. Ik nam aan dat iemand anders het gehaald had - dat ik niet snel genoeg geweest was en de kans liep op een pak slaag. Ik hoopte dat Andretha het met de voorbereidingen van de rouwplechtigheid zo druk zou hebben dat hij zou vergeten dat ik niet snel genoeg was geweest. Ik wilde hem er liever niet aan herinneren.' Hij slikte. 'Ik heb 't niet gebroken.'

'Gebroken?' zei ik. Nee, dat denk ik ook niet. Het is totaal verdwenen.'

'Verdwenen?' Rufus werd bleek. 'Ik heb het ook niet gestolen.' Een van de slaven met dienbladen schoot hem te hulp. Ik was haast vergeten dat die er ook allemaal omheen stonden.

'Gistermorgen stond het er al niet, burger. Dat viel me op toen ik aan het schoonmaken was. Maar het was wel degelijk gebroken. Dat had ik de dag daarvoor al gezien. Het hoofd was er afgebroken. Wij hebben het erover gehad, de jonge slaven onder elkaar. We...' Hij keek verlegen en maakte zijn zin niet af.

'We dachten dat het gebeurd was omdat onze meester dood was. Dat Lucius opdracht had gegeven dat het vernield moest worden. Maar daar konden we natuurlijk moeilijk naar vragen.' Ik keek Andretha aan. 'Weet jij daar iets van?' Dat was niet het geval. 'Niemand,' zei hij terwijl hij als een woedende valk met zijn handen wapperde, 'zou zoiets durven doen.'

'Nou,' zei ik ironisch, 'misschien heeft een van de goden het dan wel gedaan.'

Ik had niet verwacht dat die opmerking zoveel effect op Rufus zou hebben. Hij likte zenuwachtig over zijn lippen en werd spierwit. 'Goed dan,' zei hij. 'Ik geef het toe. Het was tijdens het feest van Mars. Toen we terug waren in de villa en op de terugkomst van Crassus zaten te wachten werd ik weggestuurd om de vuurkorf in het atrium te gaan bijvullen en toen keek ik toevallig naar het altaar. De genius lag op de grond - hij leek omvergegooid te zijn. Ik zette het beeldje weer overeind. Het was beschadigd; er waren op diverse plaatsen stukjes af en het hoofd was afgebroken.'

Mijn hersens draaiden op topsnelheid. Zou dit echt waar kunnen zijn, of had Rufus dit keer een verhaal bedacht om een verklaring te geven voor zijn eigen daden? Zou een klein stenen beeldje zulke beschadigingen op hebben kunnen lopen doordat het gebruikt was om iemand zijn hersens mee in te slaan?

Ik zei: 'En daar heb je niemand iets over verteld?'

'Nee. Ik was bang. Ik wist dat ik de schuld zou krijgen als ik het meldde, en toen het lijk van Crassus werd gevonden maakte ik me nog veel meer zorgen. Dat standbeeldje was letterlijk zijn talisman. Ik heb sindsdien steeds vermeden zelfs maar die richting op te kijken, voor het geval ik er daarmee de aandacht op zou vestigen. Toen ik eropuit werd gestuurd om het beeldje te halen en het er niet stond was ik opgelucht. Ik dacht dat iemand anders het naar de zalvers gebracht had.' En dan zou iemand anders de schuld krijgen, dacht ik, maar dat zei ik niet. Het leven van een slaaf is al moeilijk genoeg. Ik koos een andere aanpak. 'Dus eerst blijkt het beeld op een geheimzinnige manier beschadigd te zijn geraakt en dan verdwijnt het nóg geheimzinniger. En elke keer was jij daar in de buurt.' Dat was niet helemaal eerlijk; de jonge slaven hadden ook al eerder gezien dat het weg was. Maar dat zei ik ook niet.

'Vind je dat ook niet erg merkwaardig?'

Hij was bleek maar schudde zijn hoofd. 'Vreemd, ja. Maar niet onmogelijk.'

'Omdat je een verklaring hebt?'

Ik schrok van zijn woorden. 'Ik dacht...' zei hij langzaam, 'ik dacht dat het een teken was.'