20. Het beeld

Vandaag regent het de hele dag al hard, er zijn bijna geen klanten binnen geweest. In een brief aan een Perzische kameraad in het vaderland probeer ik de regen uit te leggen. Maar ik heb de juiste woorden niet. Daarom maak ik een Perzische vertaling van een gedicht van J.C. Bloem. Want alleen een echte Nederlandse dichter kan dit weer beschrijven:

 

Het regent en het is november

Weer keert het najaar en belaagt

Het hart, dat droef, maar steeds gewender,

Zijn heimelijke pijnen draagt.

Altijd november,

Altijd dit bange hart.

Als ik mijn brief geschreven heb, maak ik gebruik van de rust om de rest van mijn verhaal te vertellen.

Ik weet niet precies hoelang ons gezin al herenigd was, maar na enige tijd kreeg ik weer nachtmerries, ik verloor mijn vrolijkheid en raakte verbitterd. Ook het schrijven ging niet meer, ik kreeg oogpijn, hoofdpijn en werd agressief.

Thuis werden de ruzies heviger. Ik stond niet meer voor mezelf in. Op een nacht dreigde een ruzie uit de hand te lopen. Ik trok de deur achter me dicht.

Het was koud buiten, de plassen waren bevroren, ik liep naar de dijk. Twee motoragenten hielden me tegen.

‘Wat doe je hier midden in de nacht?’ vroeg de ene.

‘Ik wandel.’

‘Dit is niet het juiste tijdstip om te wandelen. Ga lekker naar huis’, zei de andere agent vriendelijk.

‘Ik wil niet naar huis’, zei ik.

‘Waarom niet?’

‘Ik ben bang.’

‘Waar ben je bang voor?’

‘Voor mijn handen.’

‘Waarom ben je bang voor je handen?’

Ik zei niets. Het licht van zijn zaklantaarn viel op mijn gezicht. De andere agent zei iets door zijn semafoon. Later bleek dat hij om een politieauto had gevraagd die mij bij het Leger des Heils afleverde.

De grote zaal zat vol zwervers. Men verwachtte een koude nacht en had extra bedden neergezet.

Een hele week vond ik daar onderdak.

Het Leger des Heils leek het eindstation. Ik heb respect voor degenen die daar werken, het zijn eerbiedwaardige mensen, ze boden me de mogelijkheid om na te kunnen denken. Een gezin onderhouden, werken, studeren, verhalen schrijven en mijn verleden verwerken kon ik dragen, ik moest het alleen anders aanpakken. Op de zevende dag wist ik wat ik moest doen.

Ik diende mijn ontslag in.

‘Waarom?’ vroeg de productiechef. ‘Als je blijft, zal ik een betere baan voor je regelen.’

‘Nee, dank u, mijn toekomst ligt ergens anders.’

Ik nam afscheid van hem en ging door naar de kamer van de Amerikaanse afgevaardigde in het bedrijf. Normaal mocht een medewerker nooit op de directieafdeling komen. Als je iets nodig had, moest je het met je directe chef regelen. Maar ik was nu geen medewerker meer.

‘Come in!’ riep de Amerikaan.

Hij was een man van mijn leeftijd en hij had me weleens op de productieafdeling gezien.

‘Wat kan ik voor je doen?’ vroeg hij in het Engels.

Ik liet hem weten dat ik ontslag had genomen en zei: ‘Kunt u ervoor zorgen dat ik zo nu en dan bij de afdeling afgekeurde producten inkopen mag doen?’

‘Afgekeurde producten?’ vroeg hij verbaasd.

‘Ik heb een plan.’

‘Een plan met afgekeurde producten?’

‘Nee, een droom over de Nederlandse literatuur.’

‘What are you talking about?’ zei hij glimlachend.

Ik vertelde hem over mijn plannen.

De Amerikaan maakte het onmogelijke mogelijk. Uit evaring wist ik dat bij de inspectie altijd een deel van de productie werd afgekeurd. Het afgewezen product mocht niet via de reguliere weg de markt op. Vaak was er niets mis met de koffie, maar er bleef altijd een risico bestaan dat de kwaliteit minder was. Zulke spullen belandden in het magazijn ‘afgekeurde producten’ en werden tegen veel lagere prijzen aan handelaren verkocht.

In het vaderland werden die waren door de kleine handelaren op het platteland aan de man gebracht. In Nederland komen deze producten op de markten terecht. Shampoo, zeep, parfum en tandpasta van grote merken kun je daar voor de helft van de prijs kopen.

Deze regeling gold ook voor koffie. Ik wist dat er niets mis mee was. Koffiebonen die iets te donker waren gebrand gaven juist extra aroma en smaakten zelfs lekkerder en voller dan de normale koffie. De selectiecriteria beantwoordden aan de Amerikaanse maatstaven. Ze waren gewend aan hun eigen koffie, waar ze veel karamel, chocola en suiker aan toevoegen, zodat er niets van de oorspronkelijke koffiesmaak overblijft.

De afgekeurde koffiebonen bood ik voor een zeer lage prijs aan, aan de Arabieren, Turken en mijn eigen landgenoten die restaurants in Duitsland hadden.

Ik schafte een tweedehandsbestelwagen aan en werd makelaar in koffie.

Ik heb het vaker gezegd en zal het herhalen: ik hou van het leven en geloof dat het leven ook van mij houdt.

Het ging steeds beter met mijn koffiezaak en omdat ik in vergelijking met andere koffiehandelaren verstand van kwaliteit had, kon ik altijd de beste afgekeurde koffie inkopen.

In een paar jaar tijd veroverde ik de markt van de immigranten in de Duitse steden. Ik verwierf zelfs een deel van de Nederlandse markt.

Na zeven jaar wist ik dit kleine pand aan de Lauriergracht no. 37 te kopen, waar ik beneden de winkel heb en boven met mijn vrouw en dochter woon.

Bij de Kamer van Koophandel sta ik officieel als makelaar in koffie geregistreerd, maar de Kamer van Koophandel kan niet bepalen wie ik ben.

Ik schrijf! Dat is mijn werk.

Ik zou het niet kunnen verdragen dat mijn voormalige kameraden voor hun idealen gedood zijn en in hun graven liggen, terwijl ik hier uitsluitend in afgekeurde koffie handel. Dat werk past niet bij het huis dat ik verlaten heb. Wat zullen de mannen van mijn familie zeggen als ze zoiets te horen krijgen?

Hun zoon, de zoon van die timmerman die de stem van Amerika zelfs niet toeliet via de radio in zijn winkel, is handelaar in afgekeurde Amerikaanse koffie geworden.

Ik zou mijn hoofd op deze toonbank leggen en sterven als het zo was en als het zo is.

Jarenlang heb ik vastgehouden aan een beeld in mijn hoofd. Dat had oom Djalal me geleerd. Ik wilde dat het gerealiseerd werd.

En er komt een dag waarop ik een bescheiden feest in mijn winkel geef ter gelegenheid van de uitgave van mijn eerste Nederlandstalige boek.

Dit is het beeld: de koningin stapt uit haar auto. Ze draagt een bijzondere hoed. Met een bos kleurrijke tulpen loopt ze statig naar mijn pand. Ik sta met mijn vrouw en dochter voor de deur en buig mijn hoofd licht. De majesteit drukt de bos bloemen in mijn hand en zegt: ‘Ik heb uw boek gelezen.’

Daarna worden mijn andere boeken de een na de ander gepubliceerd.

Ik heb nóg een ambitieus beeld in mijn hoofd.

Niemand, behalve de kraai, weet ervan.

Voor het ogenblik neem ik afscheid van u; ik moet naar de beurs.

Vanavond vertel ik over het beeld.

Als ik terug ben.

Amerika, 2010