13. De klucht van de koe

Er zijn vele jaren voorbijgegaan sinds de dag dat ik naar die les ging en inmiddels heb ik bijna alle belangrijke Nederlandse boeken gelezen die ik gelezen zou moeten hebben.

Soms, als ik langer bij een tekst wil blijven stilstaan, probeer ik die naar het Perzisch te vertalen. Ik heb geen Perzische lezers, ik doe het voor mezelf.

Laatst heb ik De klucht van de koe vertaald van de Amsterdamse schrijver Gerbrand Adriaensz. Bredero. Een juweeltje uit de literatuur van de Gouden Eeuw.

Het is een kluchtige anekdote over een listige, brutale gauwdief en een domme boer. De dief steelt de koe van de boer en slaagt erin om deze weer aan hem te verkopen:

 

Ick heb, o waerde Vrindt, en Heer

Op dit Voorslagh geen stoffe meer,

Heb ick ’t na wensch niet konnen deylen;

Onkunde is ’t, die hinderdt myn,

Geen werck hoe schoon dat het mach zyn,

Of daer sal somwyls yet an feylen.

 

Het is voorwaar geen vromer man,

Die meerder doet als hy en kan.

Ick heb het na myn macht geschreven,

Ghy die dit siet, erkauwt, of leest,

Zijt ghy begift met hooger Geest,

Den ionghen Leerling wilt toegeven.

Ik kon het Amsterdams van de zeventiende eeuw natuurlijk niet zonder hulp vertalen. Ik heb het samen met Harry gedaan. Hij is fotograaf en hij maakte een serie portretten van Amsterdamse winkels en winkeliers. Volgens hem kun je de geschiedenis van een stad het best laten zien via de veranderingen in zijn winkels.

‘In de afgelopen tien jaar hebben veel immigranten nieuwe winkels in de stad geopend. Ik ben ervan overtuigd dat ik een bijzonder keerpunt in de geschiedenis van de stad meemaak. Pas nog heb ik een reeks vastgelegd van nachtwinkels, oosterse restaurants, Afghaanse kruideniers, Marokkaanse bakkerijen, Perzische theehuizen met waterpijpen, Turks brood, baklava, grote watermeloenen en noem maar op.’

Hij verkoopt zijn foto’s aan de gemeente en aan kranten.

‘Jouw winkel is anders. Hij is gevestigd in een bijzonder, historisch, Amsterdams pand. Vooral je uithangbord maakt het plaatje compleet’, zegt Harry.

Hij heeft een mooie foto van me gemaakt, staande voor mijn winkel: ‘Koffiemakelaar Refiq Foad.’

De foto is afgedrukt in de Amsterdamse krant.

Harry en ik zitten af en toe in een café om de hoek. Van hem heb ik geleerd om koude oude jenever te drinken. Ik heb thuis altijd een fles in de koelkast staan. In het café heb ik steeds een deel van De klucht van de koe met hem gelezen. De Nederlandse taal heeft ons aan elkaar verbonden.

Op gezette tijden komt hij langs en zegt: ‘Heb je nog vragen, Foad?’

Ik open mijn cahier en laat hem fragmenten van mijn verhalen lezen. Het zijn stukjes die niet goed lopen. Harry corrigeert ze voor me. Ik vergoed zijn tijd met koffie.

Ik weet niet aan wie of waaraan ik het te danken heb, maar op een dag zei iemand van de bewaking van het kamp dat ik mijn spullen moest pakken en met hem mee moest gaan. Ik dacht dat ze me het land uit wilden zetten. Met twee andere mannen stapte ik gelaten in een bestelwagen. De bewaker reed over een vlakke weg, parallel aan een groene dijk. Na een half uur stopte hij bij een kleine boerderij. Daar mocht ik met de twee andere mannen voorlopig wonen. Het kamp had onze bedden nodig voor nieuwe asielzoekers.

Het zag ernaar uit dat ik voor onbepaalde tijd met voor mij onbekende mannen samen zou moeten leven, maar ze verdwenen na een week en kwamen niet meer terug. Het zou me niet verbazen als ze zich naar Amerika hadden laten smokkelen.

Alleen in dat huis moest ik van die dijken, de regen, de koeien en de taal iets maken, zodat ik mijn vrouw en dochtertje over kon laten komen.

De woning had drie kleine slaapkamers met stalen bedden met witte lakens. In de woonkamer waren een bruine, ronde tweedehandstafel en een televisietoestel neergezet. Een zwart koffiezetapparaat stond eenzaam in de kale keuken.

Ik moest uitkijken dat het huis me niet vermoordde.

Vaak liep ik naar buiten, de grond was nieuw en het rook nog naar vis en zeeplanten. Het was bijzonder om daar te wonen. Vroeger was alles in mijn omgeving oud. De bergen, de rivieren, de druiventuinen, de kraai van ons huis, de moskee, de tapijten. De mannen waren grijs en de vrouwen gesluierd. Hier was alles jong en nieuw. Zelfs de kraai op de lantaarnpaal was jong. Ik woonde in de polder en vond het inspirerend.

De eerste maand had ik genoeg aan mijn omgeving, daarna ging het mis. In het vaderland had ik eerst tegen de sjah gevochten, vervolgens tegen de geestelijken. Na de vlucht vocht ik in Turkije tegen het Turkse politieapparaat. In deze polder was het beangstigend rustig. Niemand bedreigde me. Ik raakte uit evenwicht.

Elke dag schreef ik tot diep in de nacht in het Perzisch. Nu had ik alle tijd, alle rust, alle veiligheid en toch ging het niet. Ik voelde me ziek, ik kreeg het er benauwd van als ik in het Perzisch schreef. Ik voelde me als een stervende schrijver en ik zag mezelf steeds dieper in het zand van de polder wegzakken.

Je schrijft om te delen, anders verstik je in je eigen woorden. Ik had geen lezer, bovendien werd mijn dierbare Perzische taal beheerst door de geestelijken. Mijn taal was giftig en hij beklemde me.

Het verdriet bleef steken in mijn keel en werd zo hard als steen, waardoor ik nauwelijks nog kon ademhalen.

Pas in dat huis realiseerde ik me dat de wereld aan het veranderen was. Het kamp was er een duidelijk symptoom van en zonder dat ik me ervan bewust was, was ik een deel van die verandering geworden.

Wat had het voor zin om in mijn eigen taal voor niemand te schrijven? Ik zou opnieuw moeten beginnen, andere verhalen moeten vertellen. De verhalen van degenen die hun huis en taal verlaten hadden, de verhalen van hen die kwamen en van hen die ze zagen komen.

Er was geen tijd voor vermoeidheid, geen tijd om te stikken in mijn eigen verdriet.

Ik wandelde in de rust van de polder en ik dacht na.

In het begin van de vorige eeuw reisden vele oosterse schrijvers naar Europa. Een aantal woonde enkele jaren in Parijs, onder wie de Perzische schrijver Sadeq Hedayat. Hij leerde de taal en maakte kennis met de moderne Franse literatuur. Terug in het vaderland schreef hij zijn eerste Perzische roman.

Hedayat was niet de enige, het was een trend in het Midden-Oosten geworden. De schrijvers leerden de taal van het gastland en brachten na hun terugkeer een grondige verandering teweeg in hun eigen cultuur.

Zoals Moshir Aldollah. Hij maakte een Perzische vertaling van het Franse wetboek. Die vertaling werd later het fundament van de eerste Perzische grondwet.

Deze intellectuelen leerden de Franse taal, maar het was nog bij niemand opgekomen om in de taal van het gastland te gaan schrijven.

Op een dag zag ik op de televisie een vorstin met een kroon op haar hoofd. Ze zat in een koninklijke stoel en las een lange tekst voor. Ik vermoedde dat zij de koningin van Nederland was en bleef naar haar kijken. Van haar toespraak begreep ik geen woord. Het was een keten van klanken. Ik dacht: schrijven in de taal van deze koningin zou een magische ervaring kunnen zijn.

Instinctief pakte ik de pen. Ik schreef pagina na pagina warrige teksten in mijn cahier. Tot mijn verbazing voelde ik me daarna goed. De steen in mijn keel was weg.

Ik had drieëntwintig pagina’s in het Nederlands geschreven. Er stonden genoeg bestaande woorden in, maar alleen ik begreep de samenhang.

De zinnen waren gebroken en de grammatica klopte nog niet. Ik wist wat ik bedoelde, maar voor een ander was er geen touw aan vast te knopen.

In mijn beleving had ik mijn tekst in de taal van de koningin van Nederland geschreven. Om het voor een ander begrijpelijk te maken, had ik meer woorden nodig.

Dus fietste ik naar de wijkbibliotheek om een boek te halen.