9. De werkkamer van Lenin
De afgelopen week heb ik niets kunnen schrijven, ik was op zakenreis naar Duitsland. Tussen de bedrijven door las ik het boek dat mij altijd vergezelt. Het is een gewoonte die ik van mijn vader overgenomen heb.
Een Perzisch gezegde luidt: ‘Je moet geen kaviaar verkopen aan mensen bij de Kaspische Zee.’ De Kaspische Zee is de plek waar kaviaar zijn oorsprong vindt.
In Nederland is het voor ontheemden al moeilijk genoeg om hun brood in de handel te verdienen. Laat staan als ze zaken willen doen in koffie. Dat is ronduit een onverstandige onderneming.
De Kamer van Koophandel legt een reeks obstakels voor je voeten. De banken willen je geen cent geven. De grote koffiehandelaren dwingen je om een kebabzaak te beginnen.
Dat zal mij nooit gebeuren.
Mijn dierbare overledenen zouden zich in hun graf omdraaien en met hun rug naar Nederland gaan liggen als ze te horen krijgen dat hun nazaat, die ooit schrijver wilde worden, met een lang mes in een shoarmazaak zou staan.
Als makelaar in koffie heb ik de Nederlandse markt omzeild, ik doe voornamelijk zaken in Duitsland en België. Daarom ben ik regelmatig op pad. Als ik weg ben, passen mijn vrouw en mijn dochter om de beurt op de winkel.
Wie huis en haard verlaat, is niet meer dezelfde.
De vlucht heeft velen van ons een ander karakter gegeven.
Als ik voor handel naar Duitsland ga, zie ik vaak kameraden van vroeger. Ooit dwaalden ze met een geweer op hun rug door de bergen om de steden te veroveren. Nu zijn ze allemaal taxichauffeur. Het is bijzonder voor Duitsland dat ze zo veel slimme, hoogopgeleide krachten als taxichauffeur hebben gekregen, maar het doet me pijn als ik hen zie.
Aan het eind van de dag, nadat ik mijn Duitse klanten heb bezocht, rij ik naar het station van de stad waar ik ben. Daar kom ik altijd een paar van mijn landgenoten tegen. Je herkent ze meteen tussen de andere taxichauffeurs.
Wachtend op een passagier zitten ze achter het stuur een Perzische krant of een boek te lezen. Ze herkennen me aan het logo op mijn bestelwagen: koffiemakelaar refiq foad amsterdam.
Ze stappen dan meteen uit hun taxi’s. We geven elkaar een hand, omhelzen elkaar en ze kopen de pakjes koffie die ik speciaal voor hen meegenomen heb.
We praten, wisselen de laatste berichten uit over het vaderland. Die gesprekken zijn meestal van korte duur, want zodra er een trein arriveert en de passagiers naar buiten lopen, hollen mijn kameraden naar hun taxi’s om een plaatsje vooruit te kunnen schuiven. Ik mis een diepgaand gesprek met hen, maar het kan niet. Daar niet, in België niet en ook in Nederland niet.
Een andere kameraad van mij woont in Keulen, hij is dichter. In het vaderland was hij de chef van de kunstpagina van onze ondergrondse krant. In Keulen werkte hij een paar jaar in de kleine nachtwinkel van een Turk. Het was een kiosk waar slechts één persoon, gebogen achter de toonbank, via een klein gat in de glazen wand, met de klanten spreken kon.
Wanneer er geen klanten waren, werkte hij aan zijn gedichten.
Als ik in Keulen was, ging ik bij hem langs. Onze gesprekken via het venstertje werden voortdurend onderbroken door een klant.
Het werk in die kiosk ontnam hem zijn leven. Hij stopte bij de Turk en begon een groentewinkel.
‘Waarom een groentewinkel?’ vroeg ik hem.
‘Dat is het makkelijkst, je hoeft geen fortuin te hebben. Ik zet een paar dozen fruit en spinazie in de winkel en dan ben ik klaar. Ik begin om elf uur ’s morgens en sluit de winkel om zes uur ’s avonds. Dan heb ik de hele avond voor mezelf.’
Gisteren sprak ik hem in Keulen. Hij had het ondernemerschap onderschat: ‘Ben je ooit bang geweest voor een komkommer? Heb je ooit beseft dat peren je kunnen doden? Ik zit hier in de winkel en ik kijk naar de komkommers, naar de peren, naar de spinazie in de doos, het is verschrikkelijk, ze zijn allemaal aan het rotten. Die bedorven aubergines bedreigen mijn bestaan.’
Het is natuurlijk niet zo dat iedereen taxichauffeur of kruidenier geworden is. Velen hebben hun studie voortgezet en een goede baan gekregen. Vooral de vrouwen hebben van de nieuwe situatie gebruikgemaakt om zich een waardige positie te verwerven. Toch lijkt het alsof de eerste generatie de eigen dromen laat liggen om hun kinderen een betere kans te kunnen geven. Ze zijn als atleten die in een estafette het stokje aan de volgende groep doorgeven.
In Nederland zie ik een golf van immigrantenkinderen naar de universiteit gaan. Ze werken tien keer harder dan hun Nederlandse medestudenten, want ze zijn zich bewust van hun positie. Bedrijven als Heineken, Shell, Philips en klm azen nu al op de intelligentste immigrantenstudenten. Graag wil ik deel uitmaken van deze nieuwe golf, open staan voor deze veranderingen.
Het is heerlijk om weer thuis te zijn en het doet me deugd dat ik hier op zolder zit om mijn verhaal te kunnen schrijven, dat ook het verhaal is van de anderen uit het vaderland en andere landen.
Toen ik vluchtte bestond mijn verleden uit niet meer dan een getal met acht cijfers. Het was een code die mijn ondergrondse partij aan me gegeven had voor noodgevallen. Mijn contactpersoon had gezegd: ‘Als je ooit moet vluchten, probeer het via Afghanistan. Of ga de bergen in en steek de grens met Rusland over. Als dat niet lukt, probeer het dan via Pakistan of Turkije. In alle gevallen moet je je bij de Russische ambassade melden. Je vraagt daar naar de ambassadeur en je geeft hem de geheime code. De ambassadeur zal dan alles volgens de Internationale Solidariteitsregels regelen. Je krijgt een paspoort en reist naar Moskou af, de rest wordt daar voor je afgehandeld.’
Ik had de code als een magisch getal in mijn geheugen geprent. Soms twijfelde ik of ik het getal juist onthouden had. Daarom had ik de cijfers in omgekeerde volgorde op een paar plaatsen genoteerd, onder andere aan de binnenkant van de hak van mijn linkerschoen.
Pogingen om via de noordelijke grenzen Rusland binnen te gaan, liepen vaak op niets uit. Een vreemdeling werd al tientallen kilometers voor de grens opgemerkt en opgepakt.
Afghanistan was waarschijnlijk de beste optie. Midden in de nacht trok ik naar de oostelijke grens, maar vluchten heeft zijn eigen logica. Al bedenk je meerdere scenario’s, het is de weg die bepaalt hoe je verder moet.
Een oude wijsheid hielp me: ‘Neem de weg, en de weg zal je leiden.’
Ik nam de weg naar Afghanistan en kwam in Turkije terecht.
Turkije is mooi en de Turken zijn bijzonder goede mensen. Ik mag ze. De Turkse politie daarentegen is verschrikkelijk, vooral in die tijd maakten ze van Turkije een hel voor mijn landgenoten.
God kon je niet helpen in het Turkse grensgebied, een pakje Marlboro wel. Het moest een rood, langwerpig pakje Marlboro zijn. Dat werkte als een toverformule. Geen dollars bij je hebben was lang niet zo erg als geen Marlboro’s. Als ze geen sigaretten in je zak konden vinden maakten ze je kapot.
Mager en uitgehongerd bereikte ik uiteindelijk Istanboel.
Hoewel ik wist dat ik niet de enige vluchteling was, had ik niet verwacht dat duizenden landgenoten hun tijd doorbrachten als zwervers in de straten van Ankara en Istanboel.
Ik was naïef, ik zag mezelf niet als een van hen en wilde niets met hen te maken hebben. Ik was op weg naar Moskou om van daaruit verder te vechten. En ik had nog genoeg geld om een tijdje te wachten op een paspoort van de Russische ambassade.
In een fatsoenlijk hotel boekte ik een redelijke kamer. De volgende dag poetste ik mijn schoenen en wandelde vroeg in de morgen naar de Russische ambassade. Er stond niemand op wacht bij de poort van de ambassade, camera’s hielden alles in de gaten.
Ik belde aan en het duurde lang voordat er werd gereageerd.
‘Wat wil je?’ hoorde ik in het Engels vragen.
Het was niet de vraag die ik verwacht had. Ik had me voorgesteld dat de deur open zou zwaaien en ik een receptioniste vertrouwelijk zou toefluisteren: ‘Ik moet persoonlijk met de ambassadeur spreken.’
‘Wat wil je?’ herhaalde de stem.
‘Dat kan ik hier niet zeggen, ik moet de ambassadeur persoonlijk spreken’, fluisterde ik in de gaatjes van de oude bronzen communistische poorttelefoon. Het bleef stil.
‘Alleen de ambassadeur’, fluisterde ik.
Een Russische diplomaat in pak verscheen op het balkon. Hij wierp een blik op me en draaide zich om. Het duurde weer een eeuwigheid voor er iets gebeurde. Een Russische militair daalde de trappen af en kwam naar mij toe. Met beide handen nam hij twee ijzeren spijlen vast, drukte zijn gezicht tussen de tralies en zei met een zwaar Russisch accent in het Engels: ‘Wie ben je? En wat wil je?’
Ik zag hem meteen als een kameraad en fluisterde: ‘Internationale Solidariteit. Ik kom rechtstreeks uit Iran, ik heb een geheime code. En volgens de afspraak moet ik de ambassadeur onder vier ogen spreken.’
Hij liep weg, maar kwam binnen vijf minuten terug om de kleine deur van de grote poort te openen. Ik ervoer het als een bijzonder moment in mijn leven, ik was bij de Russische kameraden uit de Sovjet-Unie, ik voelde me veilig.
In een kamer met bruine houten banken in communistische stijl nam ik plaats. Voor het eerst zag ik portretten van de grote communistische leiders, de mannen wier boeken ik als heilige teksten gelezen had. Lenin, Stalin en Leonid Brezjnev. Er hing ook een grote poster met daarop duizenden demonstranten met rode vlaggetjes op het Rode Plein in Moskou. Ik kreeg tranen in mijn ogen van ontroering.
Ik hoefde niet lang op de ambassadeur te wachten. Hij had het gezicht van Lenin en de trekken van Stalin. We schudden elkaar de hand en hij begeleidde me naar zijn kantoor. Het was een onvergetelijk moment, het leek alsof ik de werkkamer van Lenin zelf binnenging. Ik had al die jaren over die leiders gelezen, ik had de foto’s van Lenins werkkamer zo vaak bestudeerd dat ik precies wist welke voorwerpen op zijn bureau stonden. Nu was ik in die werkkamer en alles klopte, behalve de portretten.
De ambassadeur liet me op een bruine leren bank plaatsnemen.
‘Vertel’, zei hij.
Ik had pen en papier nodig om hem mijn geheime code te kunnen geven. Hij bood me een notitieblokje aan met daarop het logo met de hamer en de sikkel. Geëmotioneerd vertrouwde ik op het achtcijferige getal. Voor alle zekerheid trok ik mijn linkerschoen uit en controleerde de cijfers. Het was de laatste keer dat ik twijfelde aan de code. Het getal is vlees geworden: 95736240. Eigenlijk is het simpel te onthouden:
9 – 5 = 4
7 – 3 = 4
6 – 2 = 4
4 – 0 = 4
Daarna moest ik het getal met twee vermenigvuldigen en in omgekeerde volgorde opschrijven: 2 x 95736240 was: 084274191.
Het klopte helemaal.
De ambassadeur stopte het papiertje in zijn binnenzak, bood me een glaasje Russische thee aan, stelde een paar algemene vragen over Iran en zei: ‘Komt u volgende week terug.’
Eenmaal buiten liep ik, nee, steeg ik op en zweefde door de blauwe lucht.