8. De oorlog

Ik haat niemand, er is geen ruimte voor rancune in mijn geest. Het enige gevoel waar ik niets aan kan doen is jaloezie. Ik gun iedereen een groot huis, een dure auto, zakken vol geld en goud. Maar ik sterf van jaloezie als ik bijvoorbeeld het gedicht ‘Smart’ van Gerrit Achterberg lees:

 

Smart, ik ontzeg

de zon haar licht,

den ziende zijn gezicht

en dit heelal het evenwicht,

den dood het recht,

op elk gericht,

dat mij van haar onthecht.

Ik heb zijn bloemlezing Voorbij de laatste stad in de la van mijn toonbank liggen. Zijn gedichten zijn niet lang, ik kan ze in de winkel tussen mijn werkzaamheden door lezen.

Al ken ik geen haat, er zijn wel diepgewortelde gevoelens die je van huis uit meekrijgt, die nestelen zich in je taal, in je literatuur en in je gewoontes.

Wij Perzen hebben sinds mensenheugenis problemen gehad met de Arabieren. Ik schaam me ervoor om dit op te schrijven, maar het is een historisch feit. Persoonlijk hou ik van de Arabische taal, van de Arabische literatuur, van de Arabische vrouwen en van verse Arabische dadels. Ik kan zelfs vele soera’s van de Koran in het Arabisch uit het hoofd reciteren. Maar sinds de mohammedanen veertienhonderd jaar geleden het Perzische Rijk binnenvielen, onze paleizen in brand staken, onze geschriften in de rivieren gooiden, onze taal in de ban deden, ons door Zarathustra gegeven geloof afschaften en onze oude vuurtempels vernietigden om ze te vervangen door moskeeën, hebben de Perzen een gemeenschappelijke afkeer van Arabieren.

Hier in Amsterdam behoren drie Arabische vrouwen tot mijn vaste klantenkring, ze zijn soennitische Irakezen. Ze dragen een hoofddoek, het zijn mooie vrouwen met prachtige grote donkere ogen. Het lijkt alsof elk van hen een nieuwe versie is van Sheherazade uit Duizend-en-een-nacht.

Ik versta Arabisch en spreek het een beetje. Voor hen sta ik op uit mijn stoel en zeg: ‘Ahlan wa sahlan marhaba!’ Ze glimlachen, hoewel ze dat normaal niet doen tegen een vreemde man, maar ze weten dat ze bij mij welkom en veilig zijn. Ik pak de beste, meest verse koffie voor hen in.

In hun eigen land waren ze analfabeet. Hier in Amsterdam volgen ze een taalcursus. Wat verderop is een buurthuis waar vrijwilligers de ongeletterde immigrantenvrouwen Nederlands en rekenen leren.

Ze gaan niet naar een café of naar een bioscoop. Zelfs niet naar een bibliotheek, want ze beheersen het Nederlands nog niet goed genoeg. Volgens mij is mijn winkel de enige openbare gelegenheid waar ze af en toe langsgaan om even een woordje met iemand te wisselen.

Ze hebben zich nooit voorgesteld, daarom weet ik niet hoe ze heten. Gisteren kwamen ze weer.

‘Hoe was de les?’ vroeg ik.

‘Moeilijk hoor’, zei een van hen.

‘Wat hebben jullie vandaag gedaan?’

‘Rekenen.’

Ze laten me hun schriften zien. Ik moest me inhouden om niet te lachen. Zij die niet kunnen lezen, hebben een totaal andere kijk op de wereld.

In hun schrift hadden ze het schrijven van getallen geoefend: 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 0, maar blijkbaar hadden ze moeite met de 6 en de 9. Ze haalden ze door elkaar. Daarom moesten ze een hele pagina met zessen schrijven en een pagina met negens. Maar ze hadden de staartjes van de 6 en van de 9 zo grappig naar boven en naar beneden, en naar links en naar rechts getekend dat hun cijfers op een geheimschrift leken.

‘Ongelofelijk’, zei ik.

Ze keken elkaar glimlachend aan.

‘We schamen ons een beetje voor onze handschriften,’ zei degene met de mooiste ogen, ‘maar sinds we bezig zijn met de getallen, zien we ze overal op deuren, op auto’s, op onze kleren en op onze schoenen staan.’

‘Fantastisch’, zei ik.

‘Amsterdam is mooier geworden sinds we deze getallen kunnen lezen’, zei ze.

Er kwam een klant binnen. De vrouwen pakten snel hun schriften op en vertrokken.

‘Wedaen! Tot ziens!’ riep ik.

‘Wedaen!’ riepen ze in koor.

Irak en Iran zijn buurlanden. Irakezen zijn Arabieren en Iraniërs zijn Perzen, ze spreken een eigen taal. Gedurende dertien eeuwen hebben de Perzen en de Arabieren elkaar bevochten. Negentig jaar was het rustig en hadden we stilzwijgend een vredesakkoord, maar Amerika wakkerde de oude haat tussen de Arabieren en de Perzen tijdens de heerschappij van Saddam Hoessein weer aan. De Amerikanen wilden wraak nemen op de revolutie, wraak op de langdurige gijzelingsactie in Teheran. Ze gaven dekking aan Saddam en hij viel Iran binnen.

Iedere nacht vlogen Irakese oorlogsvliegtuigen boven de steden en bombardeerden de woningen om de mensen uit hun slaap te houden.

Iedere nacht weer vielen er honderden doden en gewonden.

Mijn herinnering daaraan is glashelder. Ik was naar huis gegaan om mijn familie te bezoeken. Mijn jongste zus was hoogzwanger. Ons gezin zat op een tapijt op de binnenplaats te eten. Uit het niets verscheen een oorlogsvliegtuig met een oorverdovend lawaai, er was geen tijd om te vluchten. Mijn moeder sprong naar voren en boog zich over de buik van mijn zus en mijn vader boog zich over mijn moeder.

Die oorlog duurde acht jaar en er vielen aan beide kanten in totaal een miljoen doden.

Zowel Irakezen als Iraniërs ontvluchtten massaal hun land.

Het regime van Iran was bang dat de linkse oppositie gebruik zou maken van de situatie door samen te zweren met Rusland en de macht te grijpen. Men besloot de linkse oppositie volledig uit te schakelen. Duizenden werden gearresteerd, honderden zonder vorm van proces geëxecuteerd.

Mijn leven was uitzichtloos. Ik moest iets doen.

Willem Frederik Hermans laat Karel R. in diens oorlogsdagboek schrijven:

 

Ik haalde het pistool uit de kast zo kalm als was ik niet van plan er ooit gebruik van te zullen maken.

Moest ik het altijd bij mij hebben? Maar waar? In een zijzak? Maar dan krijg ik een verdacht brede heup en het slingert bij het lopen.

Binnenzak? Aldoor dat zware voorwerp op mijn borst? En zou het niet opvallen?

Misschien is de achterbroekzak het beste, of nee: Het beste blijft toch de zijzak van mijn regenjas.

Nee, ik trek mijn jas maar niet uit.

De hoofdpersoon in Hermans’ boek verlaat het land nadat hij het pistool in zijn binnenzak gestopt heeft.

Ik wilde niet weggaan, ik wilde blijven om mijn boeken te schrijven.